{"id":1121081,"date":"2026-06-16T15:48:02","date_gmt":"2026-06-16T13:48:02","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/"},"modified":"2026-06-16T15:48:02","modified_gmt":"2026-06-16T13:48:02","slug":"eclibervsce2024arr-259-762","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/","title":{"rendered":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak<\/p>\n<p>    <!-- continue here with main block (division \"content\") --><\/p>\n<p>            <!-- Commandes de navigation page d\u00e9tail--> <\/p>\n<p>                  Print deze pagina<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>          Afdrukformaat          <\/p>\n<p>            S<br \/>\n            M<br \/>\n            L<br \/>\n            XL<\/p>\n<p>          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Sluit Tab          <\/p>\n<p>        <!-- Fin commandes de navigation page d\u00e9tail --><\/p>\n<p>        &nbsp;<br \/>\nRaad van State  <\/p>\n<p>            Vonnis\/arrest van 16 mei 2024            <\/p>\n<p>ECLI nr:<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762<\/p>\n<p>Rolnummer:<\/p>\n<p>A. 237497\/XIV-39081<\/p>\n<p>Zaak:<\/p>\n<p>Arrest 259762 &#8211; Tucht (openbaar ambt) &#8211; 16\/05\/2024<\/p>\n<p>Rechtsgebied:<\/p>\n<p>\n Bestuursrecht<\/p>\n<p>Invoerdatum:<\/p>\n<p>2024-05-21<\/p>\n<p>Raadplegingen:<\/p>\n<p>104 &#8211; laatst gezien 2026-06-05 08:13<\/p>\n<p>            Fiche            <\/p>\n<p> Arrest nr 259.762 van 16 mei 2024 Openbaar ambt &#8211; Tucht (openbaar ambt)<br \/>\n        Beslissing :  Vernietiging Depersonalisatie\n    <\/p>\n<p>Thesaurus CAS:<\/p>\n<p>RAAD VAN STATE\n<\/p>\n<p>UTU-thesaurus:<\/p>\n<p>PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT &#8211; RAAD VAN STATE &#8211; Arresten (Raad van State)\n <\/p>\n<p>            Tekst van de beslissing            <\/p>\n<p>\n       RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK<br \/>\n       XIVe KAMER<br \/>\n       nr. 259.762 van 16 mei 2024<br \/>\n       in de zaak A. 237.497\/XIV-39.081<br \/>\n       In zake : XXXX<br \/>\n       bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Hertegonne kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bus 501<br \/>\n       bij wie woonplaats wordt gekozen<br \/>\n       tegen :<br \/>\n       de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR\/Legal\/CTX<br \/>\n       gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145\/A<br \/>\n       &#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8211;<br \/>\n       I. Voorwerp van het beroep<br \/>\n       1. Het beroep, ingesteld op 14 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 12 augustus 2022 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing is opgelegd.<br \/>\n       II. Verloop van de rechtspleging<br \/>\n       2. Bij arrest nr. 256.345 van 25 april 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.<br \/>\n       Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.<br \/>\n       XIV-39.081-1\/14<br \/>\n       De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.<br \/>\n       Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld.<br \/>\n       De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.<br \/>\n       Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.<br \/>\n       De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 maart 2024.<br \/>\n       Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht.<br \/>\n       Advocaat Matthias Hertegonne, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.<br \/>\n       Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.<br \/>\n       Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco\u00f6rdineerd op 12 januari 1973.<br \/>\n       III. Feiten<br \/>\n       3.1. Verzoeker is eerste hoofdinspecteur van politie bij de Federale politie.<br \/>\n       3.2. Op 12 maart 2020 krijgt de gewone tuchtoverheid kennis van mogelijke feiten van \u201congepast en potentieel strafbaar gedrag\u201d van verzoeker tegenover een aantal vrouwelijke collega\u2019s. De gewone tuchtoverheid stelt daarvan een proces-verbaal op dat zij bezorgt aan het arbeidsauditoraat. In dit proces-verbaal worden de feiten omschreven als \u201cpesterijen op het werk\u201d.<br \/>\n       XIV-39.081-2\/14<br \/>\n       3.3. Op 19 maart 2020 bezorgt de gewone tuchtoverheid een informatierapport aan de hogere tuchtoverheid waarin zij de hogere tuchtoverheid op de hoogte brengt van de feiten en vraagt om verzoeker \u201cdesnoods tijdelijk\u201d te verwijderen uit de dienst. Bij het informatierapport zijn de verklaringen van de collega\u2019s van verzoeker gevoegd.<br \/>\n       3.4. Op 11 januari 2022 meldt het parket aan de dienst Toezicht op de Interne Werking en Kwaliteit (hierna: de dienst TIWK) van de Federale politie dat het strafdossier lastens verzoeker werd afgesloten zonder gevolg wegens onvoldoende bewijzen. Met een brief van 14 januari 2022 bezorgt het parket een afschrift van het strafdossier aan de dienst TIWK, die het op 18 januari 2022<br \/>\n       ontvangt. Volgens de bestreden beslissing neemt de hogere tuchtoverheid op 24 januari 2022 kennis van de beslissing tot klassering en van het afschrift van het strafdossier.<br \/>\n       3.5. Op 26 april 2022 stelt de hogere tuchtoverheid een voorafgaand onderzoeker aan, die op 21 juni 2022 zijn verslag aan de hogere tuchtoverheid bezorgt.<br \/>\n       3.6. Op 30 juni 2022 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen.<br \/>\n       3.7. Op 12 augustus 2022 beslist de hogere tuchtoverheid om aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen.<br \/>\n       Dit is de bestreden beslissing.<br \/>\n       XIV-39.081-3\/14<br \/>\n       IV. Onderzoek van het eerste middel<br \/>\n       Standpunt van de partijen<br \/>\n       4. In het eerste middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van artikel 56, eerste en tweede lid, van de wet van 13 mei 1999<br \/>\n       \u2018houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten\u2019 (hierna: de tuchtwet) en van de redelijketermijneis. Hij zet onder meer uiteen dat de hogere tuchtoverheid op de hoogte is gebracht van de feiten op 12 maart 2020, zijnde het ogenblik waarop aan verzoeker een kopie wordt overhandigd van een \u201cgekleurde\u201d functioneringsnota, die aanleiding gaf tot het opstellen van een informatierapport op 19 maart 2020. Verzoeker wijst erop dat artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet in een verjaringstermijn van zes maanden voorziet waarbinnen het inleidend verslag moet worden betekend, alsook dat de mogelijkheid om de tuchtvervolging uit te stellen overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet enkel geldt indien de tuchtoverheid op grond van de onderzoeksmiddelen waarover zij beschikt de feiten die ten laste worden gelegd niet kan beoordelen.<br \/>\n       Verzoeker betoogt dat de tuchtoverheid geenszins de uitkomst van het strafonderzoek moest afwachten alvorens over te gaan tot het instellen van het tuchtonderzoek, zodat de verjaringstermijn sinds de kennisname van de mogelijke tuchtfeiten ruimschoots is overschreden en ook de redelijketermijneis is geschonden. Verzoeker citeert vervolgens uit de parlementaire voorbereiding van de tuchtwet en uit het \u201carrest Darville\u201d van de Raad van State en past deze toe op zijn concrete situatie. Daar het informatierapport identiek is aan het informatierapport in een eerder tuchtonderzoek, kan de hogere tuchtoverheid volgens verzoeker niet ontkennen dat zij ab initio over alle elementen beschikte om met bekwame spoed over te gaan tot het instellen van de tuchtvordering. Dat de hogere tuchtoverheid pas na de kennisname van de seponering is overgegaan tot een tuchtonderzoek is volgens verzoeker niet enkel onbegrijpelijk, maar ook onwaar. Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat, ondanks de stilzwijgende schorsing, tijdens het onderzoek door het arbeidsauditoraat de hogere tuchtoverheid blijkbaar is verdergegaan met onderzoeken en zij derhalve zonder het strafdossier af te wachten de ware toedracht van de feiten had kunnen<br \/>\n       XIV-39.081-4\/14<br \/>\n       vaststellen. Voorts wijst verzoeker erop dat de hogere tuchtoverheid op 26 april 2022 een voorafgaand onderzoeker heeft aangesteld, doch dat de enige onderzoeksdaad die deze stelde, naast het voegen van het afschrift van het strafdossier aan het dossier, een loggingcontrole was waaruit geen onrechtmatige opzoekingen door verzoeker bleken. Tot slot wijst verzoeker op het belang van een spoedige afhandeling van tuchtzaken en voert hij aan dat de houding van de hogere tuchtoverheid die zich verschool achter het strafonderzoek getuigt van rechtsmisbruik, minstens een malafide houding.<br \/>\n       In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daaraan toe dat het vaststaat dat het strafdossier dezelfde inhoud heeft als het administratief dossier waarover de hogere tuchtoverheid beschikte, zodat op 12 maart 2020 het \u201cmagere\u201d administratief dossier volledig was en de hogere tuchtoverheid toen reeds kennis had van de feiten die twee en een half jaar later tot het opleggen van een tuchtstraf hebben geleid. Voorts voert verzoeker aan dat de redelijketermijneis in concreto moet worden beoordeeld.<br \/>\n       In de laatste memorie verwijst verzoeker vooreerst naar het verzoekschrift en naar de memorie van wederantwoord en sluit hij zich aan bij het auditoraatsverslag. In repliek op het standpunt van de verwerende partij dat zij geen verdere informatie kon verzamelen, merkt verzoeker op dat de verwerende partij daarmee toegeeft dat zij naar aanleiding van het informatierapport in 2020<br \/>\n       reeds over alle nuttige informatie beschikte om een tuchtprocedure in te leiden.<br \/>\n       5. In de memorie van antwoord wijst de verwerende partij erop dat, wat de opgeworpen verjaring betreft, er slechts sprake is van een kennisneming van de feiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet op het ogenblik dat de bevoegde tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt, zodat de verjaringstermijn pas dan ingaat. De verwerende partij wijst erop dat te dezen de gewone tuchtoverheid op 12 maart 2020 in kennis is gesteld van het feit dat verzoeker zich mogelijk op een ongepaste en potentieel strafbare manier heeft gedragen ten opzichte van een aantal vrouwelijke collega\u2019s en dat een proces-verbaal werd opgesteld lastens verzoeker voor deze mogelijke<br \/>\n       XIV-39.081-5\/14<br \/>\n       feiten. Op dat ogenblik oordeelde de tuchtoverheid dat zij over onvoldoende informatie beschikte over het vaststaan en de toerekenbaarheid van de feiten en dat zij bijgevolg de definitieve gerechtelijke eindbeslissing moest afwachten. De verwerende partij wijst er voorts op dat in het kader van de ordemaatregel die aan verzoeker werd opgelegd naar aanleiding van het informatierapport van 19 maart 2020, verzoeker de feiten steeds heeft betwist. De tuchtoverheid ging er bijgevolg van uit dat zij van verzoeker niets meer te weten zou komen in het kader van een voorafgaand onderzoek. De verwerende partij besluit dat de verjaringstermijn bijgevolg niet was gestart op het ogenblik dat de gewone tuchtoverheid kennisnam van de feiten. Voorts werpt de verwerende partij op dat zij niet op voorhand kan weten, en haar bijgevolg ook niet kan worden verweten, dat het gerechtelijk onderzoek uiteindelijk \u201cweinig nuttige informatie\u201d zou opleveren. Verzoeker toont volgens de verwerende partij niet aan dat de tuchtoverheid de nodige en voldoende informatie had kunnen verzamelen om de tuchtprocedure in te leiden. De mededeling van het strafdossier was immers onontbeerlijk. Wat de schending van de redelijketermijneis betreft, licht de verwerende partij toe dat zij steeds voldoende diligent is opgetreden.<br \/>\n       In de laatste memorie verwijst de verwerende partij vooreerst naar de memorie van antwoord en repliceert zij vervolgens op het auditoraatsverslag. Zij herhaalt onder meer dat de gewone tuchtoverheid op 12 maart 2020 kennis kreeg van mogelijke feiten van ongepast en potentieel strafbaar gedrag ten aanzien van vrouwelijke collega\u2019s. De hogere tuchtoverheid werd hiervan op de hoogte gebracht via een informatierapport van 19 maart 2020, waaraan de verklaringen van alle directe collega\u2019s van verzoeker waren toegevoegd. Op basis van dat informatierapport werd aan verzoeker een ordemaatregel opgelegd en bij die gelegenheid betwistte verzoeker de aantijgingen uitdrukkelijk. De verwerende partij herhaalt dat de hogere tuchtoverheid van mening was dat zij op het ogenblik van de kennisname van de feiten over onvoldoende informatie beschikte over het vaststaan en de toerekenbaarheid van de feiten, alsook dat een voorafgaand onderzoek haar niet tot meer inzicht had kunnen brengen, daar zij al beschikte over de verklaringen van de directe collega\u2019s van verzoeker en van het standpunt van verzoeker dat hij de feiten betwistte. De<br \/>\n       XIV-39.081-6\/14<br \/>\n       hogere tuchtoverheid moest dus wel de definitieve gerechtelijke eindbeslissing afwachten. De verwerende partij betwist ook het standpunt vertolkt in het auditoraatsverslag dat de hogere tuchtoverheid minstens een voorafgaand onderzoek moest voeren, daar het auditoraatsverslag niet aannemelijk maakt welke onderzoeksdaden de hogere tuchtoverheid alsnog kon stellen om meer duidelijkheid te verkrijgen.<br \/>\n       Beoordeling<br \/>\n       6. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luidt:<br \/>\n       \u201cDe betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.<br \/>\n       In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.\u201d<br \/>\n       Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht \u201cde bevoegde tuchtoverheid\u201d om binnen zes maanden de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Die garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat het bestuur op de in de tuchtwet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie.<br \/>\n       Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat.<br \/>\n       XIV-39.081-7\/14<br \/>\n       Voorts doet alleen de kennisneming of vaststelling van de tuchtfeiten in hoofde van een bevoegde tuchtoverheid de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde verjaringstermijn ingaan en niet de kennis in hoofde van personeelsleden van de politiezone die over de betrokken politieambtenaar geen tuchtbevoegdheid hebben.<br \/>\n       Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid &#8211; maar niet de verplichting &#8211; om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben be\u00ebindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn &#8211; het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.<br \/>\n       De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens<br \/>\n       XIV-39.081-8\/14<br \/>\n       beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is.<br \/>\n       Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.<br \/>\n       Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.<br \/>\n       7. Het inleidend verslag neemt 24 januari 2022, zijnde de datum waarop de hogere tuchtoverheid kennisnam van de beslissing van de eerste substituut-arbeidsauditeur te Brussel van 11 januari 2022 tot klassering van het strafdossier en van het eensluidend verklaard afschrift van het strafdossier (supra, nr. 3.4.), als de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. Het inleidend verslag vermeldt in dat verband nog dat de gewone tuchtoverheid initieel op 12 maart 2020 kennisnam van de mogelijke feiten, doch dat de hogere tuchtoverheid \u201cop 29 juli 2020 besliste [\u2026] tot de stilzwijgende toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet\u201d. Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat de hogere tuchtoverheid op de hoogte is gesteld van de feiten op 12 maart 2020 wat heeft geleid tot het opstellen van een informatierapport op 19 maart 2020. Vanaf die datum had de hogere tuchtoverheid volgens verzoeker met voldoende zekerheid kennis van de in het inleidend verslag aan hem<br \/>\n       XIV-39.081-9\/14<br \/>\n       toegerekende tuchtfeiten en waarvoor hij op grond van de bestreden beslissing is gestraft. Hij wijst erop dat het uit het tuchtdossier blijkt dat, behalve het voegen van een afschrift van het strafdossier dat zonder gevolg werd geklasseerd wegens gebrek aan bewijs, de enige bijkomende onderzoeksdaad een loggingcontrole was, die een negatief resultaat opleverde.<br \/>\n       Centraal staat derhalve de vraag of op het ogenblik van de melding van de feiten aan de gewone tuchtoverheid op 12 maart 2020, dan wel op datum van het informatierapport van 19 maart 2020 van de gewone tuchtoverheid aan de hogere tuchtoverheid, een tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte, opdat de verjaringstermijn is ingegaan.<br \/>\n       8. Uit het administratief dossier blijkt dat op 19 maart 2020 de gewone tuchtoverheid aan de hogere tuchtoverheid een informatierapport bezorgde om, naast andere feiten, de in de bestreden beslissing ten laste gelegde feiten te melden. Bij dat informatierapport zijn verschillende verklaringen van personeelsleden gevoegd, met name, naast een anonieme verklaring, de verklaringen van alle personeelsleden van de dienst waarvan verzoeker sinds 1 februari 2020 sectiehoofd was, alsook verzoekers diensthoofd aan wie deze personeelsleden op 11 maart 2020 de feiten hebben gemeld. Niet blijkt, noch wordt aannemelijk gemaakt, dat in het strafdossier andere personen werden verhoord of dat de reeds in het raam van het informatierapport gehoorde personen andere dan wel aanvullende (essenti\u00eble) gegevens hebben verstrekt die mee werden genomen in de bestreden beslissing.<br \/>\n       9. Op basis van wat voorafgaat komt de Raad van State tot de vaststelling dat de tuchtoverheid op grond van de door de personeelsleden van de dienst in maart 2020 afgelegde verklaringen over voldoende inlichtingen beschikte om voor de feiten die haar &#8211; laatstens op 19 maart 2020 &#8211; formeel ter kennis waren gebracht door het informatierapport en de verklaringen van de personeelsleden daarbij gevoegd, de tuchtprocedure op te starten binnen de termijn bepaald in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet en dat de verwerende partij niet aantoont dat de hogere tuchtoverheid terecht redenen had om de tuchtvordering uit te stellen<br \/>\n       XIV-39.081-10\/14<br \/>\n       wegens het ontbreken van gegevens die zij enkel na de afloop van de gerechtelijke procedure in het dossier kon betrekken. Alle &#8211; naar de mening van de hogere tuchtoverheid &#8211; essenti\u00eble bewijselementen waarop de hogere tuchtoverheid steunt, kon zij immers reeds aantreffen in het informatierapport van 19 maart 2020 en in het bijzonder in de daarbij gevoegde verklaringen van de personeelsleden. Ten laatste op 19 maart 2020 beschikte de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens, zodat de verjaringstermijn bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet op dat ogenblik aanving om te verstrijken op 19 september 2020. Het inleidend verslag dateert van 30 juni 2022, zodat verzoeker moet worden bijgevallen dat de termijn van zes maanden sinds de kennisname van de mogelijke tuchtfeiten ruimschoots is overschreden.<br \/>\n       10. De verwerende partij voert weliswaar aan dat de tuchtoverheid op het ogenblik van de kennisname van de feiten over onvoldoende informatie beschikte over het bestaan en de toerekenbaarheid van de feiten, waardoor zij de definitieve gerechtelijke eindbeslissing moest afwachten, alsook dat de mededeling van het strafdossier \u201conontbeerlijk\u201d was om het inleidend verslag te betekenen, doch maakt geenszins aannemelijk waarom dit het geval zou zijn. Het gegeven dat verzoeker de feiten betwiste, zoals de verwerende partij aanvoert, kon geen element &#8211; laat staan een doorslaggevend element &#8211; zijn bij die afweging, daar uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker in zijn verweer tegen de ten laste gelegde feiten, deze nog steeds betwist. Dit weerhield de hogere tuchtoverheid er niet van om in de bestreden beslissing de feiten bewezen te achten op basis van verklaringen waarover zij reeds op 19 maart 2020 beschikte. Hetzelfde geldt voor de argumenten van de verwerende partij dat verzoeker er de voorkeur aan gaf om te zwijgen en dat de tuchtoverheid ervan uitging van verzoeker niets meer te weten te zullen komen. Ook het argument in de laatste memorie dat een voorafgaand onderzoek de tuchtoverheid niet tot meer inzichten kon brengen en dat niet wordt aangetoond welke onderzoeksdaden de tuchtoverheid nog had kunnen stellen om meer duidelijkheid te krijgen, daar zij reeds over alle verklaringen van de directe collega\u2019s beschikte, doet niet anders besluiten. Met verzoeker wordt vastgesteld dat de verwerende partij daarmee eerder lijkt toe te geven dat zij met het informatieverslag op 19 maart 2020 over alle nuttige informatie beschikte om een<br \/>\n       XIV-39.081-11\/14<br \/>\n       tuchtprocedure in te leiden, eerder dan dat het \u201conontbeerlijk\u201d was om de mededeling van het strafdossier af te wachten.<br \/>\n       De verwerende partij werpt verder op dat zij niet in de toekomst kan kijken en niet op voorhand kan weten dat het gerechtelijk onderzoek \u201cuiteindelijk weinig nuttige informatie zou bevatten\u201d, alsook dat dit haar nadien niet kan worden verweten. Daargelaten dat dit verweer eerder lijkt tegen te spreken dat de mededeling van het strafdossier \u201conontbeerlijk\u201d was om het inleidend verslag te betekenen, wordt vastgesteld dat het gegeven dat het strafdossier volgens de verwerende partij \u201cweinig nuttige informatie\u201d bevat, geen afbreuk doet aan artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet en de daarin vervatte verplichting om het inleidend verslag te betekenen binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Daar de hogere tuchtoverheid ondanks het gegeven dat het strafdossier \u201cweinig nuttige informatie\u201d<br \/>\n       bevatte, toch een inleidend verslag heeft betekend, mag doen veronderstellen dat de hogere tuchtoverheid van oordeel was dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten konden worden bewezen, zoals overigens is aangegeven in punt 5 van het inleidend verslag. Zoals hiervoor uiteengezet (supra, nrs. 8-9) beschikte de tuchtoverheid evenwel over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens op basis van het informatierapport van 19 maart 2020 en de daarbij gevoegde verklaringen van de personeelsleden, zodat het inleidend verslag moest worden betekend binnen een termijn van zes maanden na de kennisname van dat rapport en de bijlagen erbij.<br \/>\n       Het argument dat de verwerende partij met de vereiste diligentie is opgetreden tijdens het gerechtelijk onderzoek, zodat de redelijketermijneis niet is geschonden, doet niet ter zake. Uit wat hiervoor is uiteengezet (supra, nrs. 7-9)<br \/>\n       volgt immers dat de hogere tuchtoverheid ten onrechte een beroep heeft gedaan op artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, zodat de vraag naar het al dan niet eerbiedigen van de redelijketermijneis te dezen niet rijst.<br \/>\n       11. Uit wat voorafgaat, volgt dat de bestreden beslissing artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet schendt. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.<br \/>\n       XIV-39.081-12\/14<br \/>\n       V. Kosten en rechtsplegingsvergoeding<br \/>\n       12. Verzoeker vordert een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.540 euro. Hij motiveert evenwel niet waarom hij meent een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toegekend te moeten zien.<br \/>\n       13. Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30\/1, \u00a7 1, eerste lid, van de RvS-wet, verzoeker een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu die als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.<br \/>\n       14. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30\/1, \u00a7 2, eerste lid, van de geco\u00f6rdineerde wetten op de Raad van State:<br \/>\n       \u201c\u00a7 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden.<br \/>\n       In haar beoordeling houdt ze rekening met:<br \/>\n       1\u00b0 de financi\u00eble draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;<br \/>\n       2\u00b0 de complexiteit van de zaak;<br \/>\n       3\u00b0 de kennelijk onredelijke aard van de situatie\u201d.<br \/>\n       Het eerste lid van de aangehaalde bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.<br \/>\n       Het eerste criterium is te dezen niet van toepassing, daar het enkel ertoe strekt het bedrag te verminderen. Wat de twee andere voorwaarden betreft, brengt verzoeker echter te dezen geen concrete aan de zaak eigen argumenten bij om zijn vraag tot het toekennen van een bedrag van 1.540 euro te verantwoorden. Er is dan ook geen reden om over te gaan tot een verhoging van het basisbedrag, verhoogd overeenkomstig artikel 67, \u00a7 2, eerste lid, van de algemene<br \/>\n       XIV-39.081-13\/14<br \/>\n       procedureregeling met 20 procent van dit bedrag omdat het beroep tot nietigverklaring gepaard ging met een vordering tot schorsing.<br \/>\n       BESLISSING<br \/>\n       1. De Raad van State vernietigt de bestreden beslissing.<br \/>\n       2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.<br \/>\n       3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt.<br \/>\n       Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:<br \/>\n       Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.<br \/>\n       De griffier De voorzitter<br \/>\n       Johan Pas Geert Debersaques<br \/>\n       XIV-39.081-14\/14<\/p>\n<p>PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762\n       <\/p>\n<p>            Gerelateerde publicatie(s)              <\/p>\n<p>voorafgegaan door:<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.345         <\/p>\n<p>        <!-- Commandes de navigation page d\u00e9tail--> <\/p>\n<p>                  Print deze pagina<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>          Afdrukformaat          <\/p>\n<p>            S<br \/>\n            M<br \/>\n            L<br \/>\n            XL<\/p>\n<p>          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Sluit Tab          <\/p>\n<p>        <!-- Fin commandes de navigation page d\u00e9tail --><\/p>\n<p><!-- Action LOG \nfunction JUPORTARecordLogViewDecision  $iubel_id        : 277099\n                                       $action_type     : VIEW\n                                      &amp;$action_startmt  : 1780797079.7719\n                                      &amp;$action_duration : 54\n                                      &amp;$addressipremote : 103.115.10.116\n                                      &amp;$latitude        : '39.0469000'\n                                      &amp;$longitude       : '-77.4903000'\n                                      &amp;$accuracy        : null\n                                      &amp;$altitude        : null\n                                      &amp;$langue_view     : NL\n--><br \/>\n<!-- Action_duration 54 millisec --><br \/>\n      <!-- end of main block (division \"content\") --><\/p>\n<p>    <!-- end of division \"page_main\" --><\/p>\n<p>              &#9993; info-JUPORTAL@just.fgov.be<\/p>\n<p>              &copy;&nbsp; 2017-2026&nbsp;ICT Dienst &#8211; FOD Justitie<\/p>\n<p>  <!-- end of division \"conteneur\" --><\/p>\n<p>  <!-- Balloon system info --><\/p>\n<p>\n          Powered by PHP 8.5.0\n      <\/p>\n<p>\n          Server Software Apache\/2.4.66\n      <\/p>\n<p>\n          == Fluctuat nec mergitur ==\n      <\/p>\n<p>  <!-- Balloon system info --><br \/>\n          <!-- BalloonObjectPrepa Start --><br \/>\n          <!-- BalloonObjectPrepa End --><\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"https:\/\/juportal.be\/content\/ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762\/NL\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 16 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762 Rolnummer: A. 237497\/XIV-39081 Zaak: Arrest 259762 &#8211; Tucht (openbaar ambt) &#8211; 16\/05\/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-21 Raadplegingen: 104 &#8211; laatst gezien 2026-06-05 08:13 Fiche Arrest nr 259.762 van 16 mei 2024&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":[],"kji_country":[7731],"kji_court":[146549],"kji_chamber":[],"kji_year":[],"kji_subject":[7612],"kji_keyword":[10510,15511,8323,140554,8602],"kji_language":[7671],"class_list":["post-1121081","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-belgique","kji_court-eclibervsce2024arr-259-762","kji_subject-fiscal","kji_keyword-feiten","kji_keyword-hogere","kji_keyword-partij","kji_keyword-tuchtoverheid","kji_keyword-verzoeker","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.9 (Yoast SEO v27.9) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 16 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762 Rolnummer: A. 237497\/XIV-39081 Zaak: Arrest 259762 - Tucht (openbaar ambt) - 16\/05\/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-21 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-05 08:13 Fiche Arrest nr 259.762 van 16 mei 2024...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"21 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-259-762\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-259-762\\\/\",\"name\":\"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-06-16T13:48:02+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-259-762\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-259-762\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-259-762\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"en-US\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"width\":1000,\"height\":1000,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762","og_description":"JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 16 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762 Rolnummer: A. 237497\/XIV-39081 Zaak: Arrest 259762 - Tucht (openbaar ambt) - 16\/05\/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-21 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-05 08:13 Fiche Arrest nr 259.762 van 16 mei 2024...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"21 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/","name":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website"},"datePublished":"2026-06-16T13:48:02+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-259-762\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.762"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"en-US","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","width":1000,"height":1000,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/1121081","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1121081"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=1121081"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=1121081"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=1121081"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=1121081"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=1121081"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=1121081"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=1121081"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}