{"id":1142815,"date":"2026-06-19T03:44:01","date_gmt":"2026-06-19T01:44:01","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/"},"modified":"2026-06-19T03:44:01","modified_gmt":"2026-06-19T01:44:01","slug":"eclibervsce2024arr-260-823","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/","title":{"rendered":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak<\/p>\n<p>    <!-- continue here with main block (division \"content\") --><\/p>\n<p>            <!-- Commandes de navigation page d\u00e9tail--> <\/p>\n<p>                  Print deze pagina<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>          Afdrukformaat          <\/p>\n<p>            S<br \/>\n            M<br \/>\n            L<br \/>\n            XL<\/p>\n<p>          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Sluit Tab          <\/p>\n<p>        <!-- Fin commandes de navigation page d\u00e9tail --><\/p>\n<p>        &nbsp;<br \/>\nRaad van State  <\/p>\n<p>            Vonnis\/arrest van 27 september 2024            <\/p>\n<p>ECLI nr:<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823<\/p>\n<p>Rolnummer:<\/p>\n<p>A. 242961\/IX-10549<\/p>\n<p>Zaak:<\/p>\n<p>Arrest 260823 &#8211; Examens (onderwijs) &#8211; 27\/09\/2024<\/p>\n<p>Rechtsgebied:<\/p>\n<p>\n Bestuursrecht<\/p>\n<p>Invoerdatum:<\/p>\n<p>2024-09-27<\/p>\n<p>Raadplegingen:<\/p>\n<p>90 &#8211; laatst gezien 2026-06-04 19:32<\/p>\n<p>            Fiche            <\/p>\n<p> Arrest nr 260.823 van 27 september 2024 Onderwijs en cultuur &#8211; Examens<br \/>\n        (onderwijs) Beslissing :  Bevolen Depersonalisatie\n    <\/p>\n<p>Thesaurus CAS:<\/p>\n<p>RAAD VAN STATE\n<\/p>\n<p>UTU-thesaurus:<\/p>\n<p>PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT &#8211; RAAD VAN STATE &#8211; Arresten (Raad van State)\n <\/p>\n<p>            Tekst van de beslissing            <\/p>\n<p>ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 no lien 278946 identiques <\/p>\n<p>\n       RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK<br \/>\n       VOORZITTER VAN DE IXe KAMER<br \/>\n       nr. 260.823 van 27 september 2024<br \/>\n       in de zaak A. 242.961\/IX-10.549<br \/>\n       In zake: XXXX<br \/>\n       bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24<br \/>\n       bij wie woonplaats wordt gekozen<br \/>\n       tegen:<br \/>\n       de VLAAMSE GEMEENSCHAP<br \/>\n       bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B<br \/>\n       bij wie woonplaats wordt gekozen<br \/>\n       &#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8211;<br \/>\n       I. Voorwerp van de vordering<br \/>\n       1. De vordering, ingesteld op 14 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 30 (versta:<br \/>\n       27) augustus 2024, waarbij het beroep van verzoekster tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan zij niet gunstig wordt gerangschikt voor het toelatingsexamen arts, wordt verworpen.<br \/>\n       II. Verloop van de rechtspleging<br \/>\n       2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.<br \/>\n       IX-10.549-1\/32<br \/>\n       De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2024, om 10.30 uur.<br \/>\n       Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht.<br \/>\n       Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.<br \/>\n       Eerste auditeur Wendy Depester heeft een andersluidend advies gegeven.<br \/>\n       Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco\u00f6rdineerd op 12 januari 1973.<br \/>\n       III. Feiten<br \/>\n       3.1. De Vlaamse regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, \u00a7 6, 1\u00b0 en 3\u00b0, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 \u2018over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts\u2019 (\u201corganisatiebesluit\u201d)).<br \/>\n       Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een \u201cbijkomende toelatingsvoorwaarde\u201d voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, \u00a7 1, van de Codex Hoger Onderwijs).<br \/>\n       Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel \u2018wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en<br \/>\n       IX-10.549-2\/32<br \/>\n       wis-kunde\u2019 (\u201cKIW\u201d) en voorts een onderdeel \u2018generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen\u2019 (\u201cGC\u201d) (artikel II.187, \u00a7 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het organisatiebesluit).<br \/>\n       Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1723 bedraagt (besluit van de Vlaamse regering van 22 december 2023 \u2018tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde\u2019). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken.<br \/>\n       Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat, waardoor het startquotum overschreden kan worden (artikel II.187, \u00a7\u00a7 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs).<br \/>\n       Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts \u00e9\u00e9n antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1\u00b0 en 2\u00b0, van het organisatiebesluit).<br \/>\n       3.2. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2024 zijn door de examencommissie vastgesteld in het \u2018Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2024\u2019 (\u201cWER\u201d).<br \/>\n       Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonderdeel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG.<br \/>\n       IX-10.549-3\/32<br \/>\n       CLEAR staat voor \u201cConflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect\u201d. Deze proef toetst \u201cde (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts [\u2026] van belang zijn\u201d. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deel-nemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts \u00e9\u00e9n juist antwoord, namelijk het antwoord \u201cdat het meest voldoet aan de vraagstelling\u201d.<br \/>\n       VAARDIG staat voor \u201cVerbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren\u201d. De kandidaten krijgen \u201cexamenvragen over een korte weten-schappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema\u201d.<br \/>\n       Voor sommige examenvragen kunnen de deelnemers het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere examenvragen moeten de deelnemers diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren.<br \/>\n       3.3. Verzoekster neemt op 2 juli 2024 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Zij behaalt 66 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 57 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 123 op 240 punten in het totaal.<br \/>\n       Aangezien verzoekster een onvoldoende behaalt voor het onderdeel GC, waardoor zij ingevolge artikel 28, eerste lid, van het organisatiebesluit niet slaagt, komt zij niet in aanmerking voor rangschikking.<br \/>\n       Verzoekster stelt een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie.<br \/>\n       IX-10.549-4\/32<br \/>\n       3.4. Op 27 augustus 2023 beslist de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts om het beroep van verzoekster ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dat is de bestreden beslissing.<br \/>\n       IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden<br \/>\n       4. Krachtens artikel 17, \u00a7\u00a7 1 en 4, van de geco\u00f6rdineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens \u00e9\u00e9n ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.<br \/>\n       V. Uiterst dringende noodzakelijkheid<br \/>\n       5. De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid.<br \/>\n       VI. Ernst van de middelen<br \/>\n       A. Eerste middel<br \/>\n       Standpunt van de partijen<br \/>\n       6. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 \u2018betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen\u2019, \u201cdan wel\u201d een schending van de materi\u00eblemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.<br \/>\n       In het kader van dit middel betwist zij de geldigheid van vier vragen van het examenonderdeel generieke competenties (GC) van het toelatingsexamen arts van 3 juli 2024, namelijk de vragen 5, 8 en 11 van de<br \/>\n       IX-10.549-5\/32<br \/>\n       CLEAR-toets en vraag 6 van VAARDIG, die door de examencommissie werd geneutraliseerd. Verzoekster meent dat de beroepsinstantie niet in concreto reageert op de bezwaren die zij in haar intern beroep heeft geformuleerd en in de mate dat de beroepsinstantie wel een algemene motivering geeft waarom een bepaald antwoord als enig juiste antwoord dient te worden bestempeld, is deze motivering, althans volgens verzoekster, niet correct en onzorgvuldig.<br \/>\n       Met betrekking tot vraag 5 zet verzoekster uiteen dat het door de beroepscommissie als juist aangeduide antwoord door het gebruik van de term \u2018goedmaken\u2019 een impliciete schuldtoewijzing bevat en dat haar argumentatie ter zake niet werd beantwoord, evenmin als de door verzoekster aangereikte alternatieve interpretaties van de vraag. Verzoekster bekritiseert voorts dat het \u2018VIEWS-model\u2019 door de beroepscommissie wordt aangehaald ter verantwoording van de bestreden beslissing, zonder dat dit model verder wordt uitgelegd in relatie tot verzoeksters bezwaar of de aanduiding van het (enige) juiste antwoord.<br \/>\n       Verzoekster leest in de bestreden beslissing ook geen antwoord op haar verwijzing naar eerdere examenvragen en de arts-pati\u00ebnt-context. Door vast te houden aan het uitgangspunt dat er slechts \u00e9\u00e9n correct antwoord is, geeft de beroepscommissie volgens verzoekster tot slot blijk van een gebrek aan objectiviteit.<br \/>\n       Vraag 8 peilt naar de meest effectieve interventie om een gegeven situatie te de-escaleren. Verzoekster betoogt dat de beroepscommissie voorbijgaat aan het bezwaar dat het als juist beschouwde antwoord ongepast kan zijn in een professionele context, omwille van mogelijke culturele en gendernormen. De beroepscommissie legt in het licht van die bezwaren niet uit waarom de vraag cultureel en genderneutraal is. De vaststelling dat uit de itemanalyse geen significant verschil in antwoordpatronen tussen mannelijke en vrouwelijke deelnemers blijkt, gaat aan het culturele aspect geheel voorbij. Ook met betrekking tot deze vraag hekelt verzoekster de verwijzing naar het \u2018VIEWS-model\u2019 en het gemis aan antwoord op de alternatieve benaderingen die zij heeft aangereikt.<br \/>\n       IX-10.549-6\/32<br \/>\n       Ook met betrekking tot vraag 11 doet verzoekster gelden dat de beroepscommissie niet uitlegt waarom alternatieve antwoorden niet eveneens correct kunnen zijn. In het bijzonder leest verzoekster geen antwoord op haar kritiek dat het als juist aangemerkte antwoord een ego\u00efstische connotatie heeft.<br \/>\n       Daarnaast schendt de beroepscommissie het zorgvuldigheidsbeginsel in de beoor-deling van de groepsdynamiek en biedt zij voor het vermelde Calgary Cambridge-model geen nadere toelichting hoe dit van toepassing is op verzoeksters bezwaren.<br \/>\n       Vraag 6 van de VAARDIG-toets werd door de examen-commissie geneutraliseerd. Ten onrechte, zo zet verzoekster \u2013 te midden van het middel met betrekking tot vraag 11 \u2013 uiteen, want het door haar gegeven antwoord op deze vraag was correct en zij loopt nu vier punten mis (drie voor de vraag, \u00e9\u00e9n voor de giscorrectie). Dat verzoekster de vraag correct beantwoordde wordt volgens haar \u201cdoor twee academische expert gevalideerd\u201d.<br \/>\n       7. In de nota met opmerkingen betwist de verwerende partij dat niet is ingegaan op de argumenten van verzoekster. Bij elke betwiste vraag werd bij \u00e9lk antwoord vermeld waarom het juist of niet juist is. Bij elke betwiste vraag weet verzoekster dus waarom de door haar gekozen optie niet de correcte is en waarom de door de examencommissie als correct aangenomen optie weldegelijk de enige juiste is. In de mate dat verzoekster het niet eens is met dit antwoord, betreft dit hoogstens een schending van de materi\u00eble-, en niet van de formelemotiveringsplicht.<br \/>\n       In het bijzonder wat vraag 5 betreft, stipt de verwerende partij aan dat de beroepscommissie bij alle drie de niet-juiste antwoorden verduidelijkt waarom ze als fout moeten worden beoordeeld. Daarmee is ook geantwoord op de alternatieve interpretatie die verzoekster heeft voorgelegd. De verwerende partij stelt voorts:<br \/>\n       \u201cDe motiveringsplicht gaat niet zo ver. Nergens in de vraagstelling staat dat de koffiebar geen schuld mag bekennen. Trouwens, de vraag \u2018Hoe kan ik dit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 IX-10.549-7\/32<br \/>\n       goedmaken?\u2019 impliceert helemaal niet dat de fout bij de ober of de barman ligt. Integendeel, de ober vertrekt van de vaststelling dat er iets misgelopen is \u2018Ik merk inderdaad dat er een vergissing is gebeurd\u2019, maar wijst niemand met de vinger aan. De ober doet met andere woorden geen uitspraak of de vergissing bij de klant, de barman of de ober ligt. Door geen beschuldiging jegens een specifieke persoon te uiten vermijdt de ober defensieve reacties van anderen en vermijdt zo verdere escalatie van de zaak. Dit is precies waarover de vraagstelling gaat die peilt naar de beste reactie \u2018om deze situatie niet te laten escaleren\u2019. Deze elementen komen expliciet aan bod in het antwoord van de beroepsinstantie.<br \/>\n       Wat betreft het zgz. niet-reageren op de vergelijking met vorige examenvragen, moet vastgesteld worden dat in de bestreden beslissing op pg. 4 hier wel degelijk een antwoord op geboden wordt:<br \/>\n       \u2018Hieruit volgt dat twee CLEAR-vragen slechts als identiek beschouwd kunnen worden indien de drie bouwstenen van de vraag, met name stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden, (nagenoeg) dezelfde zijn. Zo is het dus mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam, maar met een andere vraagstelling, een verschillend juist antwoord hebben omdat de vraagstelling peilt naar een andere uitkomst (bv. bereiken van een consensus beslissing versus duidelijk maken van eigen gevoelens) in de geschetste context of omdat de reactie betrekking heeft op een andere persoon die in de beschreven situatie betrokken is. Evenzeer is het mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam en eenzelfde vraagstelling, maar met (deels) andere antwoord-mogelijkheden, een ander juist antwoord hebben omdat \u00e9\u00e9n van de andere antwoordmogelijkheden nu beter aan de vraagstelling beantwoordt.<br \/>\n       Om de validiteit van een CLEAR-vraag in het toelatingsexamen van 2024 op basis van een vraag uit vorige jaargangen te kunnen betwisten moet men dus expliciet aantonen dat de drie wezenlijke elementen van de vraag (stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden) identiek zijn. Zoniet gaat de vergelijking tussen beide vragen niet op en vervalt het argument.<br \/>\n       In het kader van transparantie stelt de examencommissie de vragen van de voorbije toelatingsexamens inclusief de antwoorden publiek beschikbaar op de website. Dit geeft toekomstige deelnemers een beeld van dit onderdeel van het toelatingsexamen en stelt hen in staat zich voor te bereiden aan de hand van deze vragen. Een mogelijke keerzijde van de publieke beschikbaarheid is dat deelnemers aan \u2018scenarioherkenning\u2019 doen, d.w.z. dat zij scenario\u2019s en bijhorend juist antwoord van vorige jaargangen uit het hoofd leren en dit als het ware blind toepassen op het examen op basis van een vermeende identiteit tussen de vragen, zonder specifiek na te gaan of stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden effectief identiek zijn. Het spreekt voor zich dat de examencommissie niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor deze handelswijze. Integendeel, het behoort tot de essentie van CLEAR dat de deelnemers voor elke vraag de specifieke context, vraagstelling en antwoordmogelijkheden inhoudelijk beoordelen.\u2019 Inderdaad moet vastgesteld worden dat verzoekende partij enkel verwijst naar vorige examenvragen, zonder dit concreet terug te koppelen naar deze examenvragen, noch betrekking tot de stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden. Verzoekende partij licht ook niet concreet toe over ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 IX-10.549-8\/32<br \/>\n       welke \u2018vorige examenvragen\u2019 zij het heeft. De vergelijking kan zodoende moeilijk gemaakt worden. De interne beroepsgrief is op dit vlak vaag en onvoldoende concreet, zodat ook de interne beroepscommissie kon volstaan met een algemeen antwoord.<br \/>\n       Verzoekende partij stelt bovendien ook ten onrechte dat in het door de examencommissie weerhouden antwoord een \u2018neutrale tweede zin\u2019 ontbreekt. De tweede zin luidt: \u2018hoe kan ik het goed maken ?\u2019 In de mate dat verzoekende partij verwijst naar het \u2018VIEWS-model\u2019 en stelt dat dit model toegelicht wordt, moet opgemerkt worden dat dit nieuw is, aangezien dit repliceert op een overweging van de bestreden beslissing. De motiveringsplicht reikt niet zo ver dat het gebruik van het model gemotiveerd moet worden (\u2018motieven van de motieven\u2019).<br \/>\n       Verwerende partij ziet ook niet in wat verzoekende partij aan repliek verlangt op haar opmerking dat \u2018zowel antwoord 2 als antwoord 3 strategie\u00ebn zijn die de situatie niet laten escaleren\u2019. Zij duidde immers antwoord 4 aan. De vraag is juist \u2018de-escaleren\u2019. Uit het antwoord van de beroepsinstantie blijkt duidelijk dat antwoord 2 het meest de-escalerend werkt (cf supra) en ook dat antwoord 3 het risico van escaleren in zich draagt wegens de beschuldiging ten aanzien van de klant. De beroepsinstantie heeft dus wel degelijk geargumenteerd waarom er een onderscheid tussen antwoorden 2 en 3 kan gemaakt worden in de context van de specifieke vraagstelling.\u201d<br \/>\n       Inzake vraag 8, die betrekking heeft op conflicthantering in professionele context, verwijst de verwerende partij naar de overwegingen van de beroepscommissie. Het juiste antwoord wordt geduid door de toelichting dat de interventie de emotie bij Charles benoemt en de situatie de-escaleert door diens aandacht af te leiden van Julie. De beroepscommissie heeft uit de itemanalyse kunnen opmaken dat er van genderbias geen sprake is. Wat betreft verzoeksters grieven omtrent de culturele context verwijst de verwerende partij naar de beoordeling van de beroepscommissie in antwoord op verzoeksters algemene kritiek op de CLEAR-test:<br \/>\n       \u201cVerder argumenteert het verzoekschrift dat CLEAR voorbijgaat aan de \u2018contextuele en culturele verschillen\u2019, de \u2018complexiteit van menselijke interacties\u2019 en \u2018individuele verschillen en persoonlijkheid\u2019. Het is inderdaad zo dat communicatie gekleurd is door context en cultuur, specifiek dan de context en cultuur waarin onze gezondheidszorg zich afspeelt. Studenten en zorgverleners worden opgeleid in cultuursensitief zorgen en communiceren.<br \/>\n       Ze behoren met andere woorden oog te hebben voor gewoonten en gedragingen die ingegeven zijn door culturele, etnische, religieuze of persoonlijke invloeden. Deze sensitiviteit houdt evenwel niet in dat er naargelang de culturele, etnische, religieuze of persoonlijke context andere of specifieke antwoorden zouden zijn. Uitgaande van de generieke en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 IX-10.549-9\/32<br \/>\n       wetenschappelijk onderbouwde CLEAR dimensies wordt van de deelnemer aan het toelatingsexamen verwacht om gedragingen, gevoelens en uitspraken te observeren, te benoemen en te exploreren in de gegeven context van de vraag. In tegenstelling tot wat beweerd wordt, vereist dit geen specifieke benadering of aanpak.\u201d<br \/>\n       Aldus heeft de beroepscommissie volgens de verwerende partij duidelijk gemotiveerd waarom het ene antwoord correct is en de andere foutief en waarom verzoeksters opmerkingen inzake gender niet overtuigen. Voorts merkt de verwerende partij op dat de test niet peilt naar hoe de respondent z\u00e9lf zou handelen in de gegeven situatie, maar wel naar welk antwoord het best past, waarbij moet worden uitgegaan van een \u201cBelgische context\u201d. Overigens, zo stipt de verwerende partij nog aan, toont verzoekster niet aan dat zij tot een andere cultuur behoort, zodat zij \u201cweinig belang\u201d heeft bij haar argumenten. In de mate dat verzoekster ook met betrekking tot deze vraag opmerkt dat het VIEWS-model onvoldoende antwoord zou bieden, herhaalt de verwerende partij dat dergelijke kritiek impliceert dat naar de \u2018motieven van de motieven\u2019 wordt gepeild wordt.<br \/>\n       Met betrekking tot vraag 11 stelt de verwerende partij dat de beroepscommissie verzoeksters grieven, minstens de meest essenti\u00eble, heeft beantwoord.<br \/>\n       Tot slot argumenteert de verwerende partij, wat vraag 6 van de VAARDIG-test betreft, dat de beroepscommissie uitvoerig heeft uiteengezet wat de gevolgen voor de deelnemers zijn bij een geneutraliseerde vraag en dat daaruit blijkt dat verzoekster door die neutralisatie niet kan zijn benadeeld. Verzoeksters verwijzing naar het oordeel van artsen omtrent de juistheid van haar antwoord gaat voorbij aan het gegeven dat het niet aan de Raad van State toevalt om dit af te wegen tegen het standpunt van de beroepscommissie. Voorts wijst de verwerende partij erop dat verzoekster enkel herneemt wat zij in de interne beroepsprocedure heeft uiteengezet.<br \/>\n       IX-10.549-10\/32<br \/>\n       Beoordeling<br \/>\n       a. algemeen<br \/>\n       8. Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende \u2013 gunstige of ongunstige \u2013 rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroeps-instantie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelings-bevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist.<br \/>\n       9. Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof of relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 en in het werkings- en examenreglement, slechts \u00e9\u00e9n correct antwoord kunnen krijgen.<br \/>\n       In dat verband mag niet onvermeld blijven, dat de examen-commissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers ge\u00efdentificeerd kan worden als \u201cmogelijke probleem-vragen\u201d, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De<br \/>\n       IX-10.549-11\/32<br \/>\n       examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.<br \/>\n       10. Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen \u2013 en dus ook van de toegekende punten \u2013 te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing:<br \/>\n       \u201cDe interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen.\u201d<br \/>\n       Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State \u2013 en, in beginsel, ook de verzoekende partij \u2013 niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie.<br \/>\n       11. De beroepsinstantie herinnert in de bestreden beslissing aan artikel 52 WER waarin aangegeven wordt wat in CLEAR bedoeld wordt met een juist antwoord:<br \/>\n       \u201cVoor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts \u00e9\u00e9n juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.\u201d<br \/>\n       De beroepsinstantie stelt vervolgens dat \u201c[v]oor elke vraag [\u2026]<br \/>\n       dus specifiek [wordt] aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv \u2018meest constructief\u2019, \u2018meest oplossingsgericht\u2019, \u2018best passen binnen\u2026\u2019, \u2018het meest kans op\u2026\u2019 enz.\u201d:<br \/>\n       IX-10.549-12\/32<br \/>\n       \u201cVoor elke vraag is er slechts \u00e9\u00e9n antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet \u2018het best\u2019 of \u2018het meest\u2019 en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden \u2013 in een weliswaar andere context dan de vraag \u2013<br \/>\n       toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van \u2018het juiste antwoord\u2019 in de context van de vraagstelling. In toetstechnische termen en methodieken kunnen zulke antwoordopties als \u2018confounders\u2019 fungeren, dit wil zeggen antwoordopties die plausibel lijken maar niet correct zijn in de gegeven context. Deze confounders dragen bij aan het discriminatieve vermogen van een toets.\u201d<br \/>\n       De beroepsinstantie voegt daaraan toe dat het \u201cde examencommissie er niet om te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in hun dagelijks leven zelf op een bepaalde situatie reageert\u201d:<br \/>\n       \u201cWel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is.\u201d<br \/>\n       Daarnaast benadrukt de beroepsinstantie in de bestreden beslissing dat de meeste vragen in CLEAR \u201ceen specifiek format\u201d hebben:<br \/>\n       \u201cIn de stam van de vraag wordt eerst een welbepaalde situatie geschetst, bv.<br \/>\n       een voorval in familie- of vriendenkring. Dan volgt de specifieke vraagstelling die peilt naar de meest geschikte uitspraak of reactie om een bepaalde uitkomst binnen de eerder geschetste context te bereiken. Tot slot worden vier antwoordmogelijkheden opgelijst. Het juiste antwoord wordt gedefinieerd als de uitspraak of reactie die het best beantwoordt aan de specifieke vraagstelling binnen de context (stam) van de vraag.<br \/>\n       Hieruit volgt dat twee CLEAR-vragen slechts als identiek beschouwd kunnen worden indien de drie bouwstenen van de vraag, met name stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden, (nagenoeg) dezelfde zijn. Zo is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 IX-10.549-13\/32<br \/>\n       het dus mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam, maar met een andere vraagstelling, een verschillend juist antwoord hebben omdat de vraagstelling peilt naar een andere uitkomst (bv. bereiken van een consensus beslissing versus duidelijk maken van eigen gevoelens) in de geschetste context of omdat de reactie betrekking heeft op een andere persoon die in de beschreven situatie betrokken is. Evenzeer is het mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam en eenzelfde vraagstelling, maar met (deels) andere antwoordmogelijkheden, een ander juist antwoord hebben omdat \u00e9\u00e9n van de andere antwoordmogelijkheden nu beter aan de vraagstelling beantwoordt.\u201d<br \/>\n       De beroepsinstantie wijst er voorts nog op dat \u201c[e]en mogelijke keerzijde van de publieke beschikbaarheid [van de vragen van de voorbije toelatingsexamens] is dat deelnemers aan \u2018scenarioherkenning\u2019 doen, d.w.z. dat zij scenario\u2019s en bijhorend juist antwoord van vorige jaargangen uit het hoofd leren en dit als het ware blind toepassen op het examen op basis van een vermeende identiteit tussen de vragen, zonder specifiek na te gaan of stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden effectief identiek zijn\u201d.<br \/>\n       b. Het VIEWS-model en het Calgary Cambridge model<br \/>\n       12. Verzoekster stelt dat de beroepscommissie het VIEWS-model (bij vragen 5 en 8) en het Calgary Cambridge model (bij vraag 11) aanhaalt, maar geen gedetailleerde uitleg biedt over hoe dit model specifiek van toepassing is op haar bezwaren.<br \/>\n       13. De verwijzing door de beroepsinstantie bij de bespreking van de door verzoekster bekritiseerde vragen 5, 8 en 11 van de CLEAR-toets naar het VIEWS-model, respectievelijk het Calgary Cambridge model of naar een welbepaald thema uit dat model \u2013 te dezen: \u2018conflicthantering\u2019 en \u2018groepsdynamieken handhaven\u2019 \u2013 lijkt niet m\u00e9\u00e9r te zijn dan een referentie. De beroepsinstantie doet dit, zo lijkt, om aan te tonen dat voor de vraagstelling en de motivering van het juiste antwoord een wetenschappelijke en objectieve grondslag bestaat. De motivering van de bestreden beslissing valt niet te herleiden tot wat louter een aanvullende, informatieve voetnoot lijkt.<br \/>\n       IX-10.549-14\/32<br \/>\n       Evenmin overtuigt verzoekster er in de huidige stand van de procedure van dat de beroepscommissie met deze verwijzingen het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden.<br \/>\n       14. In dat opzicht is het eerste middel niet ernstig.<br \/>\n       c. vraag 5<br \/>\n       15. Vraag 5 van de CLEAR-toets luidt als volgt (de Raad herneemt hier en bij de volgende vragen de weergave uit de bestreden beslissing):<br \/>\n       \u201cJe werkt als jobstudent in een koffiebar. Het is jouw taak om bestellingen op te nemen en klanten te bedienen. Je komt aan een tafel met de bestelling en \u00e9\u00e9n van de klanten merkt op dat hij een cappuccino heeft gekregen in plaats van de bestelde latte. Je bent er zeker van dat hij wel degelijk een cappuccino bestelde en het staat ook zo op jouw bestelbon. Vermoedelijk werd dit fout afgeleverd door de barman.<br \/>\n       Hoe reageer je het best op deze opmerking om deze situatie niet te laten escaleren?<br \/>\n       1. \u2018Ik merk inderdaad dat er een vergissing is gebeurd. Hoe kan ik dit goedmaken?\u2019 2. \u2018Sorry, mijn collega heeft het zeer druk en zal een fout gemaakt hebben. Ik los het op.\u2019 3. \u2018Je had nochtans duidelijk een cappuccino besteld hoor. Ik zie het hier nog staan op mijn bestelbon.\u2019 4. \u2018Je vergist je. Je had een cappuccino besteld hoor. Als je wil kan ik je bestelling aanpassen en een latte laten maken.\u2019\u201d<br \/>\n       Verzoekster heeft op haar examen reactie 4 ingevuld als het juiste antwoord.<br \/>\n       De examencommissie heeft antwoord 1 als enig juiste antwoord aangemerkt.<br \/>\n       16. De beroepscommissie zet in de bestreden beslissing uiteen waarom reactie 1 het enige juiste antwoord is. Die reactie \u201c[e]rkent dat er een vergissing is gebeurd vanuit de eigen persoon zonder te beschuldigen. Hierdoor<br \/>\n       IX-10.549-15\/32<br \/>\n       vermijd je dat de andere een defensieve houding aanneemt. Vervolgens wordt geprobeerd om tot een oplossing te komen.\u201d<br \/>\n       Met betrekking tot het door verzoekster gegeven antwoord, duidt de beroepscommissie dat dit \u201copnieuw een beschuldiging [bevat], maar dan ten aanzien van de klant. Riskeert eerder te escaleren dan te de-escaleren.\u201d<br \/>\n       Waarom de andere twee opties niet zijn aangewezen, wordt eveneens toegelicht. Reactie 2 \u201c[g]aat ervan uit dat er een fout is gemaakt, terwijl dit een vermoeden is, geen zekerheid. Bovendien beschuldig je je collega, terwijl je in een professionele context best neutraal blijft en niemand beschuldigt ten aanzien van derden\u201d en reactie 3 om dezelfde reden waarom verzoeksters antwoord niet correct is.<br \/>\n       17. Anders dan verzoekster het voorstelt, wordt op het eerste gezicht dus wel degelijk aangegeven waarom net dat ene antwoord als het meest passend binnen de vraagstelling moet worden beschouwd.<br \/>\n       De Raad herinnert eraan dat gepeild wordt naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert.<br \/>\n       Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat meer dan \u00e9\u00e9n geboden antwoord een eindweegs de richting uitgaat van de gewenste uitkomst. De kandidaat moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden \u2013 geen andere \u2013 en daartussen het \u201cbeste\u201d antwoord kiezen: dat is, in de definities van het examen, het enige \u201cjuiste\u201d antwoord.<br \/>\n       Dat het gebruik van het woord \u2018goedmaken\u2019 impliceert dat de ober \u201cschuld toegeeft\u201d, wat volgens verzoekster \u201cniet de bedoeling zou moeten zijn in een professionele situatie\u201d, moge dan een inschatting van verzoekster zijn, dit neemt \u2013 daargelaten de bedenking dat die schuld prima facie niet uitdrukkelijk bij de barman dan wel de ober wordt gelegd \u2013 niet weg dat de beroepscommissie<br \/>\n       IX-10.549-16\/32<br \/>\n       uitdrukkelijk lijkt te hebben aangegeven dat verzoeksters optie de schuld bij de klant legt \u2013 en dus het risico op escalatie inhoudt \u2013 terwijl het als correct aangewezen antwoord een dergelijk risico ni\u00e9t inhoudt.<br \/>\n       Op het eerste gezicht komt verzoekster niet verder, wat haar kritiek op de beoordeling van vraag 5 betreft, dan het stellen van een eigen oordeel tegenover het oordeel van de beroepsinstantie.<br \/>\n       18. Voorts geeft verzoekster aan de formelemotiveringswet een verkeerde draagwijdte, zo lijkt, als zij van de beroepsinstantie verlangt \u201cgedetailleerd in te gaan\u201d op verzoeksters redenering. Evenmin lijkt de opgelegde formelemotiveringsplicht zo ver te strekken dat uitdrukkelijk moet worden geantwoord op elke grief. Het volstaat, zo lijkt, dat de beroepsinstantie aangeeft waarom zij een bepaalde keuzemogelijkheid als de juiste beschouwt. Welnu, bij elke vraag zet de beroepsinstantie uiteen waarom \u00e9\u00e9n antwoord het meest geschikte antwoord is in de context van de vraagstelling en waarom de drie andere antwoorden \u2013 waaronder dus ook het antwoord van verzoekster \u2013 mogelijk ook geschikt, maar niet het m\u00e9\u00e9st geschikt zijn.<br \/>\n       Ook in die mate is het middel niet ernstig.<br \/>\n       d. vraag 8<br \/>\n       19. Vraag 8 van de CLEAR-toets luidde:<br \/>\n       \u201cIn de cafetaria van je school zie je twee personen die ruzie hebben. Julie, een klasgenote, was wat te uitbundig geweest en botste hierdoor tegen het dienblad van Charles waardoor zijn drankje omviel op zijn broek. Charles is boos en schreeuwt tegen Julie, die duidelijk geschrokken reageert.<br \/>\n       Welke van de onderstaande interventies is de meest effectieve om dit conflict te de-escaleren?<br \/>\n       1. Je gaat tussen Charles en Julie in staan en zegt tegen Charles: \u2018Julie heeft dit niet zo bedoeld. Er is geen reden om je zo kwaad te maken.\u2019 2. Je gaat tussen Julie en Charles in staan en zegt tegen beiden: \u2018Dit was een gewoon ongeluk. Laat ons alles opruimen.\u2019<br \/>\n       IX-10.549-17\/32<br \/>\n       3. Je neemt Julie bij de arm en zegt tegen Charles: \u2018Zie je niet dat je haar bang maakt. Het is niet dat ze dit met opzet deed.\u2019 4. Je neemt Charles bij de arm en zegt tegen hem: \u2018Ik merk dat je boos bent omdat Julie je drankje heeft omgegooid. Zullen we samen even naar de wc gaan om dit proberen proper te maken?\u2019\u201d<br \/>\n       Verzoekster heeft op haar examen reactie 2 ingevuld als het juiste antwoord.<br \/>\n       De examencommissie heeft antwoord 4 als enig juiste antwoord aangemerkt.<br \/>\n       20. De beroepscommissie motiveert waarom reactie 4 het enige juiste antwoord is:<br \/>\n       \u201cDeze interventie benoemt de emotie bij Charles en de-escaleert de situatie door de aandacht van Charles af te leiden van Julie. Het ontmijnt de situatie door de persoon die boos is, aan te spreken en af te leiden. Het zorgt ervoor dat de situatie niet verder ontspoort.\u201d<br \/>\n       Het antwoord dat door verzoekster werd gegeven is volgens de beroepscommissie niet correct omdat die interventie de beleving van de situatie door Charles en Julie minimaliseert en er niet wordt ingegaan op hun beider gevoelens (boos dan wel geschrokken). De situatie wordt aldus, volgens de beroepscommissie, afgedaan als een \u2018gewoon ongeluk\u2019 terwijl het in de ogen van Charles duidelijk meer is dan dat. De niet-erkenning daarvan vermindert de kans om het conflict tussen beiden te reduceren.<br \/>\n       De beroepscommissie zet voorts uiteen waarom ook de opties 1<br \/>\n       en 3 niet de meest aangewezen antwoorden zijn.<br \/>\n       21. Verzoekster werpt aan de beroepscommissie twee grieven tegen, namelijk (i) een ontoereikend antwoord op verzoeksters grieven in het algemeen en wat de keuze voor optie 4 betreft in het bijzonder (formelemotiveringsplicht) en (ii) een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.<br \/>\n       IX-10.549-18\/32<br \/>\n       De Raad van State merkt op dat het niet op zijn weg ligt, al zeker niet in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, om in het verzoekschrift op zoek te gaan naar mogelijke andere, door de verzoekende partij niet uitdrukkelijk benoemde grieven. In dat opzicht stelt de Raad op het eerste gezicht vast dat verzoekster, anders dan het geval is bij de vragen 5 en 11, ten overstaan van de beroepscommissie de validiteit van vraag 8 zelf niet ter discussie heeft gesteld en zulks ook in haar schorsingsverzoek niet doet.<br \/>\n       Verzoeksters eerste middel wordt bijgevolg, ook wat vraag 8<br \/>\n       betreft, beoordeeld binnen de contouren die zij in haar verzoekschrift heeft aangegeven.<br \/>\n       22. Ten overstaan van de beroepscommissie heeft verzoekster vooreerst uiteengezet dat optie 4 problematisch is vanuit een genderperspectief, namelijk eensdeels omdat er voor wie zich als vrouw identificeert vanuit sociale gedragspatronen enige schroom is om met een jongen naar de toiletten te gaan en anderdeels omdat wie zich als man identificeert mogelijk niet meteen de reactie zou hebben om het kledingstuk van een andere man \u201cproper te maken\u201d.<br \/>\n       Daarop heeft de beroepscommissie geantwoord wat volgt:<br \/>\n       \u201cUit de itemanalyse van deze vraag blijkt ook niet dat er een genderbias zou zijn. Er wordt geopperd dat vrouwen niet voor het juiste antwoord zouden kiezen omdat er in dit antwoord sprake is van \u2018samen even naar de wc om dit proberen proper te maken\u2019. De antwoordpatronen voor deze vraag in functie van man\/vrouw zijn (N = 4811; alle mannelijke of vrouwelijke deelnemers)<br \/>\n       CLEAR vraag 8<br \/>\n       totaal A B C D open %B %D<br \/>\n       M 1412 129 788 19 424 52 56% 30%<br \/>\n       V 3399 124 1719 15 1353 188 51% 40%<br \/>\n       Deze cijfers staven niet de stelling dat vrouwen zouden afgeschrikt zijn door de vermelding van samen naar de wc gaan in het juiste antwoord (4). Het vermoeden van genderbias ten nadele van vrouwen kan dus niet hard gemaakt worden.\u201d<br \/>\n       IX-10.549-19\/32<br \/>\n       Verzoekster lijkt in de uiteenzetting van de grieven in de huidige procedure op een mogelijke genderbias met betrekking tot de mannelijke kandidaten niet meer terug te komen, zodat in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat verzoekster ter zake genoegen neemt met de door de beroepscommissie verstrekte cijfers.<br \/>\n       Wat de genderbias in het algemeen betreft, heeft de beroepscommissie op het eerste gezicht geantwoord op verzoeksters grieven. Voor zover verzoekster m\u00e9\u00e9r verlangt, kan in deze stand van de procedure worden verwezen naar wat sub 18 is overwogen.<br \/>\n       23. Daarnaast heeft verzoekster opgemerkt dat optie 4 ook vanuit cultureel aspect problematisch is. Met een verwijzing naar wetenschappelijke literatuur zet zij in haar intern beroep onder meer uiteen dat cultuur een significante invloed heeft op communicatie en conflicthantering, dat er in bepaalde culturen strikte normen en waarden zijn bij interacties tussen mannen en vrouwen \u2013 een moslima zal, zo stelt verzoekster, niet zomaar met een man naar het toilet gaan \u2013 en dat deze gedragsnormen diep geworteld zijn in religieuze overtuigingen en culturele praktijken die de persoonlijke en sociale grenzen tussen de geslachten waarborgen. Met die culturele gevoeligheden moet volgens verzoekster rekening worden gehouden bij het voorstellen van oplossingen in conflictde-escalatie.<br \/>\n       Verzoekster noemt de vraag ook discriminatoir. Over de voorgestelde oplossing besluit zij dat die in strijd is met principes van gelijke genderbehandeling en respect voor culturele diversiteit.<br \/>\n       De beroepscommissie gaat bij de beoordeling van verzoeksters grieven met betrekking tot vraag 8 niet in op de aangevoerde culturele of religieuze bias. In haar nota met opmerkingen stelt de verwerende partij dat dat aspect van het antwoord kan worden gelezen in de weerlegging van een meer algemene kritiek met betrekking tot de CLEAR-toets, namelijk waar de beroepscommissie het volgende overweegt:<br \/>\n       IX-10.549-20\/32<br \/>\n       \u201cVerder argumenteert het verzoekschrift dat CLEAR voorbijgaat aan de \u2018contextuele en culturele verschillen\u2019, de \u2018complexiteit van menselijke interacties\u2019 en \u2018individuele verschillen en persoonlijkheid\u2019. Het is inderdaad zo dat communicatie gekleurd is door context en cultuur, specifiek dan de context en cultuur waarin onze gezondheidszorg zich afspeelt. Studenten en zorgverleners worden opgeleid in cultuursensitief zorgen en communiceren.<br \/>\n       Ze behoren met andere woorden oog te hebben voor gewoonten en gedragingen die ingegeven zijn door culturele, etnische, religieuze of persoonlijke invloeden. Deze sensitiviteit houdt evenwel niet in dat er naargelang de culturele, etnische, religieuze of persoonlijke context andere of specifieke antwoorden zouden zijn. Uitgaande van de generieke en wetenschappelijk onderbouwde CLEAR dimensies wordt van de deelnemer aan het toelatingsexamen verwacht om gedragingen, gevoelens en uitspraken te observeren, te benoemen en te exploreren in de gegeven context van de vraag. In tegenstelling tot wat beweerd wordt, vereist dit geen specifieke benadering of aanpak.\u201d<br \/>\n       Daarmee heeft de beroepscommissie, zo lijkt, geantwoord op verzoeksters voorafgaande algemene kritiek dat CLEAR an sich geen valabele testmethode is omdat het \u2013 onder meer \u2013 door subjectiviteit en bias onmogelijk is om te meten wat men beoogt.<br \/>\n       De beroepscommissie gaat daarbij evenwel prima facie niet in op de grief die verzoekster inzake culturele en bias zeer concreet met betrekking tot vraag 8 heeft geformuleerd, namelijk dat de specifieke context van optie 4<br \/>\n       ongepast kan zijn en cultureel of religieus geenszins neutraal is.<br \/>\n       Het valt de Raad niet toe hierin een inhoudelijk standpunt te nemen. In de mate evenwel dat verzoekster aan de beroepsinstantie verwijt dat uit de bestreden beslissing zelfs niet blijkt dat die kritiek is onderzocht, moet zij prima facie worden bijgevallen.<br \/>\n       Door het lezen in hun onderlinge samenhang van (de particulariteiten van) de vraag en optie 4 als antwoord lijkt verzoekster prima facie niet geheel zonder grond te kunnen betogen dat een context wordt geschetst die voor sommige deelnemers aan het toelatingsexamen vanuit hun culturele achtergrond kan leiden tot een afwijzing van optie 4 op andere gronden dan de<br \/>\n       IX-10.549-21\/32<br \/>\n       inzichten die de vraag beoogt te toetsen, zodat zij van de beroepscommissie op deze grief een uitdrukkelijk antwoord mag verwachten.<br \/>\n       Ook vanuit dat oogpunt derhalve, lijkt verzoekster met de door haar geuite concrete kritiek aanspraak te kunnen maken op een uitdrukkelijk onder woorden gebrachte beoordeling door de beroepscommissie, die prima facie vooralsnog ontbreekt.<br \/>\n       24. In zoverre het eerste middel met betrekking tot vraag 8 steunt op de formelemotiveringsplicht, is het ernstig.<br \/>\n       25. Verzoekster betrekt het door haar aangevoerde zorgvuldigheids-beginsel enerzijds op een gemis aan beoordeling van haar argumenten en anderzijds op het ontbreken van een specifieke uitleg over hoe het VIEWS-model met haar bezorgdheden rekening houdt.<br \/>\n       In de eerste betekenis valt de grief samen met verzoeksters beroep op de formelemotiveringsplicht, dat hierv\u00f3\u00f3r ernstig is bevonden, en behoeft hij geen bijkomend onderzoek. Wat het VIEWS-model op zich betreft, verwijst de Raad naar wat sub 13 is overwogen.<br \/>\n       26. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig.<br \/>\n       e. vraag 11<br \/>\n       27. Vraag 11 van de CLEAR-toets luidde:<br \/>\n       \u201cJe bent aanvoerder van een voetbalploeg en je speelt de finale van een lokaal toernooi. Jouw ploeg staat achter met \u00e9\u00e9n doelpunt, maar in de laatste minuten van de wedstrijd wordt er een strafschop gefloten waardoor jouw ploeg nog op gelijke stand kan komen. De spits van jouw team staat erop om de strafschop te nemen, maar hij trapt de bal naast het doel. Je ploeg verliest de match.<br \/>\n       Op welke wijze kun je na de match het best het groepsgevoel van de ploeg aanwakkeren?<br \/>\n       IX-10.549-22\/32<br \/>\n       1. \u2018Iedereen heeft goed gespeeld. Hadden we die penalty niet gemist, dan hadden we misschien wel gewonnen!\u2019 2. \u2018Iedereen heeft goed gespeeld. De tegenstander was simpelweg sterker. Volgende keer winnen we zeker!\u2019 3. \u2018We hebben als ploeg alles gegeven. We mogen trots zijn op dit resultaat. Volgende keer winnen we zeker!\u2019 4. \u2018We hebben als ploeg alles gegeven. Jammer genoeg was dit niet genoeg om vandaag te winnen. Ik ben er trots op dat ik aanvoerder mag zijn van dit prachtige team!\u2019\u201d<br \/>\n       Verzoekster heeft op haar examen reactie 3 ingevuld als het juiste antwoord.<br \/>\n       De examencommissie heeft antwoord 4 als enig juiste antwoord aangemerkt.<br \/>\n       28. De beroepscommissie motiveert waarom reactie 4 het enige juiste antwoord is: \u201c[b]enoemt duidelijk het collectief en legt geen nadruk op individuele acties. Het benoemt ook de trots om deel uit te maken van het collectief.\u201d<br \/>\n       Het antwoord dat door verzoekster werd gegeven is volgens de beroepscommissie niet correct omdat \u201c[d]e groepsdynamiek wordt verstoord door de nadruk te leggen op een volgende keer te winnen en [voorbijgaat] aan de geleverde prestatie van het eigen team.\u201d<br \/>\n       De beroepscommissie zet voorts uiteen waarom ook de opties 1<br \/>\n       en 2 niet de meest aangewezen antwoorden zijn.<br \/>\n       29. Ook wat deze vraag betreft, is de Raad van State prima facie van oordeel dat de beroepscommissie aangeeft waarom het door haar als correct aangegeven antwoord, en enkel d\u00e1t antwoord, als het meest passend binnen de vraagstelling moet worden beschouwd.<br \/>\n       IX-10.549-23\/32<br \/>\n       Wat hierv\u00f3\u00f3r sub 17 (er wordt gepeild naar het meest plausibele antwoord) en 18 (de formelemotiveringsplicht noopt niet ertoe \u201cgedetailleerd in te gaan\u201d op verzoeksters redenering) is overwogen, geldt voorts mutatis mutandis ook hier.<br \/>\n       30. Verzoeksters betoog dat optie 4 een ego\u00efstische connotatie heeft en dat dit antwoord daardoor net ni\u00e9t aansluit bij het groepsgevoel, lijkt geen afbreuk te doen aan het motief dat de door verzoekster gekozen optie 3 de groeps-dynamiek verstoort om een andere reden, namelijk dat de huidige teamprestatie onder druk komt door een overwinning in de volgende wedstrijd voorop te stellen.<br \/>\n       Op het eerste gezicht komt verzoekster ook hier niet verder, wat haar kritiek op de beoordeling van vraag 11 betreft, dan het stellen van een eigen oordeel tegenover het oordeel van de beroepsinstantie.<br \/>\n       In dat opzicht is het eerste middel, betrokken op vraag 11, niet ernstig.<br \/>\n       31. Verzoekster doet voorts gelden dat de beroepscommissie het Calgary Cambridge model aanhaalt, maar geen gedetailleerde uitleg biedt over hoe dit model specifiek van toepassing is op haar bezwaren.<br \/>\n       32. De verwijzing door de beroepsinstantie bij de bespreking van de door verzoekster bekritiseerde vraag 11 van de CLEAR-toets naar het Calgary Cambridge model of naar een welbepaald thema uit dat model \u2013 te dezen:<br \/>\n       groepsdynamieken handhaven \u2013 lijkt, zoals hierv\u00f3\u00f3r met betrekking tot het aanstippen van het VIEWS-model is overwogen, niet m\u00e9\u00e9r te zijn dan een referentie. De beroepsinstantie doet dit, zo lijkt, ook hier om aan te tonen dat voor de vraagstelling en de motivering van het juiste antwoord een wetenschappelijke en objectieve grondslag bestaat. De motivering van de bestreden beslissing valt niet te herleiden tot wat louter een aanvullende, informatieve voetnoot lijkt.<br \/>\n       IX-10.549-24\/32<br \/>\n       Ook in dat opzicht is het middel niet ernstig.<br \/>\n       f. vraag 6 van de VAARDIG-test<br \/>\n       33. In het midden van haar betoog over vraag 11 van de CLEAR-toets, kopieert verzoekster de grief die zij omtrent vraag 6 van de VAARDIG-test aan de beroepscommissie heeft voorgelegd.<br \/>\n       Het zij opgemerkt dat van een verzoekende partij in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij uitstek mag worden verwacht dat zij haar middelen voldoende duidelijk en concreet uiteenzet, opdat zij voor een prima facie-beoordeling \u2013 dat wil zeggen: op het eerste gezicht, en zonder indringende tekstanalyse \u2013 in aanmerking komen. Daarmee verstaat zich niet dat de Raad van State in een paaseierenzoektocht in het ene middel, welhaast terloops, een ander middel moet ontwaren.<br \/>\n       Dat gezegd hebbende, stelt de Raad vast dat de beroeps-commissie verzoeksters grief als volgt heeft beantwoord:<br \/>\n       \u201cU stelt dat indien vraag 6 van VAARDIG niet geneutraliseerd was, u vier extra punten zou hebben. Deze stelling klopt niet.<br \/>\n       Artikels 17 en 18 van het Werkings- en examenreglement 2024 (WER), dat bij de inschrijving aan elke deelnemer ter kennis werd gebracht, bepaalt dat de examencommissie op de beraadslagingsvergadering kan beslissen om de vragen na inhoudelijke analyse te neutraliseren door aan iedere deelnemer het maximum te behalen aantal punten op die vragen toe te kennen.<br \/>\n       Datzelfde artikel bepaalt verder wat de gevolgen zijn van de neutralisatie voor de deelnemers:<br \/>\n       \uf0b7 Wie de vraag juist heeft beantwoord volgens de vooropgestelde correctiesleutel, behoudt de punten voor die vraag.<br \/>\n       \uf0b7 Wie de vraag niet heeft beantwoord volgens de vooropgestelde correctiesleutel, krijgt drie punten voor die vraag.<br \/>\n       \uf0b7 Wie de vraag fout heeft beantwoord volgens de vooropgestelde correctiesleutel, krijgt drie punten voor die vraag en het negatieve punt voor die vraag vervalt.<br \/>\n       IX-10.549-25\/32<br \/>\n       Iedereen krijgt dus de positieve punten op die vraag, alsook de deelnemers die het vooropgestelde antwoord hebben gegeven. Het is dus niet correct om te stellen dat u zonder neutralisatie extra punten zou hebben gekregen.<br \/>\n       Deze werkwijze van neutralisatie is voorzien door de Vlaamse Regering en uitgewerkt in artikel 17 van het werkingsreglement. Na het examen kan de examencommissie op basis van de itemresponsanalyse of opmerkingen van deelnemers of commissieleden \u00e9n na inhoudelijke analyse besluiten dat een vraag niet-valide is. Een niet-valide vraag heeft ook geen juiste of foutieve antwoorden. Het enige dat de examencommissie dan kan doen, is de vraag neutraliseren. Zoals hoger vermeld krijgt iedereen bij een neutralisatie de positieve punten op die vraag. De examencommissie kan bij een geneutraliseerde vraag ook nooit een onderscheid maken tussen wie de vraag wel of niet heeft beantwoord. Ook deelnemers die de vraag niet hebben beantwoord, kunnen tijd gestoken hebben in de vraag, maar toch gekozen hebben om de vraag niet te beantwoorden.\u201d<br \/>\n       Op het eerste gezicht oefent verzoekster op de materi\u00eble grondslag of de pertinentie van dat antwoord niet de minste kritiek uit en zet zij evenmin uiteen waarom de bestreden beslissing op dit punt onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen.<br \/>\n       In dat opzicht mist het eerste middel ernst.<br \/>\n       g. conclusie<br \/>\n       34. Het eerste middel is ernstig voor wat vraag 8 betreft en in de aangegeven mate, en is voor het overige niet ernstig.<br \/>\n       B. Tweede middel<br \/>\n       Uiteenzetting van het middel<br \/>\n       35. In een tweede middel beroept verzoekster zich op een schending van de materi\u00eblemotiveringsplicht.<br \/>\n       IX-10.549-26\/32<br \/>\n       Niettegenstaande het antwoord dat de beroepsinstantie gaf op haar kritiek op het CLEAR-gedeelte, blijven er volgens verzoekster \u201cnog uiterst problematische elementen\u201d in dit antwoord.<br \/>\n       De vraag blijft of vijftien CLEAR-vragen voldoende zijn om alle beoogde competenties te meten, ongeacht het succespercentage van de opleiding.<br \/>\n       De bewering dat er altijd \u00e9\u00e9n juist antwoord is dat het beste voldoet aan de vraagstelling is te simplistisch.<br \/>\n       De bestreden beslissing negeert de mogelijkheid dat de beschikbare vragen en antwoorden op de website deelnemers kunnen aanzetten tot strategisch leren zonder de vraagcontext te begrijpen, wat een invloed kan hebben op de validiteit van de toetsresultaten.<br \/>\n       Het argument dat de frequentie van foutieve antwoorden niet de wetenschappelijke basis van de toets invalideert, houdt geen rekening met het feit dat frequente foutieve antwoorden kunnen wijzen op problemen met de vraag of de interpretatie ervan.<br \/>\n       Het argument dat culturele en contextuele variaties niet leiden tot verschillende correcte antwoorden is te vaag en algemeen. Zonder onderbouwing of onderzoek naar hoe culturele variaties daadwerkelijk invloed hebben gehad op communicatie in de praktijk en hoe dit in de toets is ge\u00efntegreerd of niet, is de stelling van de beroepsinstantie slechts een hypothese.<br \/>\n       Ten slotte overloopt verzoekster de bladzijden 2 tot 6 van de bestreden beslissing en formuleert zij opmerkingen bij vijf overwegingen van de beroepsinstantie. Zij merkt op, vooral, dat de tijdsgeest is veranderd, dat haar generatie de eerste \u201cgeglobaliseerde generatie\u201d is, waardoor de gehanteerde handboeken of modellen of uitgangspunten van de examencommissie achterhaald<br \/>\n       IX-10.549-27\/32<br \/>\n       zijn. Met gender of culturele achtergrond wordt volgens verzoekster niet afdoende rekening gehouden.<br \/>\n       IX-10.549-28\/32<br \/>\n       Beoordeling<br \/>\n       36. Voor zover verzoekster in haar kritiek op wat op pagina 2 van de bestreden beslissing aan bod zou komen, doet gelden dat \u201cvermelding [wordt]<br \/>\n       gemaakt van het feit dat verzoeker-kandidaat ook geen goede score had op VAARDIG\u201d, moet de Raad van State vaststellen dat die passage prima facie in de bestreden beslissing niet voorkomt, zodat het tweede middel in dat opzicht feitelijke grondslag lijkt te missen.<br \/>\n       37. Wat de verkeerde opvatting van verzoekster betreft over de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht, mag worden verwezen naar hetgeen hierv\u00f3\u00f3r is overwogen. De verwerende partij heeft op de bladzijden 2 tot 6 van de bestreden beslissing in genere geantwoord op de algemene opmerkingen van verzoekster over de validiteit van de CLEAR-toets en de plaats van die toets in het geheel van het toelatingsexamen. Zij heeft vervolgens vraag per vraag de kritiek van verzoekster ontmoet. Zij is niet verplicht, zo lijkt, om n\u00f3g uitvoeriger de wetenschappelijke onderbouwing van het toelatingsexamen aan te tonen aan verzoekster om de enkele reden dat hij er enkele vraagtekens bij plaatst en minder nog om de zogenaamde \u201cmotieven van de motieven\u201d neer te schrijven. Vooralsnog lijkt het antwoord van de beroepsinstantie te volstaan.<br \/>\n       38. Dat ontzegt verzoekster niet het recht om te pogen het wetenschappelijke karakter van de CLEAR-toets als zodanig te ontkrachten. De bewijslast lijkt evenwel bij verzoekster te liggen: het volstaat niet om iets louter in vraag te stellen of louter te wijzen op de veranderde tijdsgeest of grotere aandacht voor gender en culturele verscheidenheid, om vervolgens van de Raad van State een antwoord te mogen verwachten.<br \/>\n       De (nog overblijvende) kritieken die verzoekster in de voorliggende vordering herhaalt omdat ze zogezegd door de beroepsinstantie niet zouden zijn behandeld of niet afdoende beantwoord zouden zijn, hangen deels samen met haar uiteenzetting van het eerste middel of kunnen deels worden<br \/>\n       IX-10.549-29\/32<br \/>\n       beschouwd als loutere eigen beweringen en veronderstellingen die geenszins afdoende concreet onderbouwd zijn, waardoor ze dan ook op het eerste gezicht geen aanleiding kunnen geven tot het schorsen van de bestreden beslissing. In dat verband is het nog nuttig op te merken dat de motivering in zijn geheel moet worden bekeken; het gaat immers niet op dat verzoekster onderdelen van deze motivering apart bespreekt en zodoende volledig uit hun context haalt.<br \/>\n       39. Verzoekster gaat eraan voorbij, zo lijkt, dat de verwerende partij wel degelijk rekening houdt met de mogelijkheid dat vragen dubbelzinnig, subjectief of anderszins niet valide kunnen zijn. Net daarom wordt de voorbereiding van de vragen niet overgelaten aan \u00e9\u00e9n enkele specialist en wordt naderhand door middel van de itemresponsanalyse nog een controle doorgevoerd, waarbij ook de eventuele opmerkingen van kandidaten tijdens of na het examen worden onderzocht.<br \/>\n       Voor zover verzoekster kritiek geeft op vraag 8 en het erin opgenomen fysieke contact (\u201cde aanraking (niet-verbaal) van Charles\u2019 arm wordt meermaals vermeld\u201d), stelt de Raad vooreerst vast dat verzoekster het aspect van de fysieke aanraking van Charles\u2019 arm niet in haar intern beroep voor de beroepscommissie heeft vermeld \u2013 verzoekster lijkt wel een mysterieus inzicht te hebben in wat \u00e1ndere kandidaten van het toelatingsexamen in h\u00fan beroep hebben doen gelden \u2013 en dat zij dat aspect voorts ook niet heeft betrokken in de grieven die zij in het eerste middel tegen vraag 8 heeft gericht \u2013 ofschoon zij wel de culturele context in het algemeen heeft ingeroepen. Hoe dan ook is het eerste middel met betrekking tot die vraag hierv\u00f3\u00f3r reeds in de aangegeven mate ernstig bevonden en kan wat verzoekster in het tweede middel geheel terloops aanvoert niet tot een ruimere strekking van die schorsing leiden. In dat opzicht mist verzoeksters betoog feitelijke grondslag en ernst.<br \/>\n       Voor het overige lijkt de beweerd onbeantwoord gebleven algemene kritiek onvoldoende draagkrachtig om thans de validiteit van het examen te ontkrachten. Overigens rijst de vraag naar het belang dat verzoekster heeft bij dit<br \/>\n       IX-10.549-30\/32<br \/>\n       middel in de schorsingsprocedure. Deze procedure is er voor verzoekster op gericht haar een kans te geven haar studies arts zo spoedig mogelijk te kunnen aanvangen. Mocht zij kunnen aantonen dat de CLEAR-toets ni\u00e9t de goede methode is om de in de Codex Hoger Onderwijs opgenomen doelstelling \u2018generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen\u2019 te beoordelen, dan zou het examen fundamenteel anders moeten worden uitgewerkt en het werkings- en examenreglement moeten worden aangepast. De vraag rijst of dit mogelijk is op de korte termijn die het met een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid nagestreefde rechtsherstel impliceert.<br \/>\n       40. Het tweede middel is niet ernstig.<br \/>\n       VII. Besluit<br \/>\n       41. Uit wat voorafgaat blijkt dat de beide schorsingsvoorwaarden zijn vervuld.<br \/>\n       BESLISSING<br \/>\n       1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 27 augustus 2024, waarbij het beroep van XXXX<br \/>\n       tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan zij niet gunstig wordt gerangschikt voor het toelatingsexamen arts, wordt verworpen.<br \/>\n       2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.<br \/>\n       IX-10.549-31\/32<br \/>\n       Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:<br \/>\n       Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.<br \/>\n       De griffier De voorzitter<br \/>\n       Frank Bontinck Jim Deridder<br \/>\n       IX-10.549-32\/32<\/p>\n<p>PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823\n       <\/p>\n<p>            Gerelateerde publicatie(s)              <\/p>\n<p>gevolgd door:<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.599         <\/p>\n<p>        <!-- Commandes de navigation page d\u00e9tail--> <\/p>\n<p>                  Print deze pagina<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>          Afdrukformaat          <\/p>\n<p>            S<br \/>\n            M<br \/>\n            L<br \/>\n            XL<\/p>\n<p>          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Sluit Tab          <\/p>\n<p>        <!-- Fin commandes de navigation page d\u00e9tail --><\/p>\n<p><!-- Action LOG \nfunction JUPORTARecordLogViewDecision  $iubel_id        : 278946\n                                       $action_type     : VIEW\n                                      &amp;$action_startmt  : 1780595956.6246\n                                      &amp;$action_duration : 67\n                                      &amp;$addressipremote : 103.115.10.116\n                                      &amp;$latitude        : null\n                                      &amp;$longitude       : null\n                                      &amp;$accuracy        : null\n                                      &amp;$altitude        : null\n                                      &amp;$langue_view     : NL\n--><br \/>\n<!-- Action_duration 67 millisec --><br \/>\n      <!-- end of main block (division \"content\") --><\/p>\n<p>    <!-- end of division \"page_main\" --><\/p>\n<p>              &#9993; info-JUPORTAL@just.fgov.be<\/p>\n<p>              &copy;&nbsp; 2017-2026&nbsp;ICT Dienst &#8211; FOD Justitie<\/p>\n<p>  <!-- end of division \"conteneur\" --><\/p>\n<p>  <!-- Balloon system info --><\/p>\n<p>\n          Powered by PHP 8.5.0\n      <\/p>\n<p>\n          Server Software Apache\/2.4.66\n      <\/p>\n<p>\n          == Fluctuat nec mergitur ==\n      <\/p>\n<p>  <!-- Balloon system info --><br \/>\n          <!-- BalloonObjectPrepa Start --><br \/>\n          <!-- BalloonObjectPrepa End --><\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"https:\/\/juportal.be\/content\/ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823\/NL\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 Rolnummer: A. 242961\/IX-10549 Zaak: Arrest 260823 &#8211; Examens (onderwijs) &#8211; 27\/09\/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-27 Raadplegingen: 90 &#8211; laatst gezien 2026-06-04 19:32 Fiche Arrest nr 260.823 van 27 september 2024 Onderwijs&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":[],"kji_country":[7731],"kji_court":[150623],"kji_chamber":[],"kji_year":[],"kji_subject":[7612],"kji_keyword":[27204,7673,10210,9073,8008],"kji_language":[7671],"class_list":["post-1142815","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-belgique","kji_court-eclibervsce2024arr-260-823","kji_subject-fiscal","kji_keyword-antwoord","kji_keyword-heeft","kji_keyword-verzoekster","kji_keyword-vraag","kji_keyword-wordt","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.9 (Yoast SEO v27.9) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 Rolnummer: A. 242961\/IX-10549 Zaak: Arrest 260823 - Examens (onderwijs) - 27\/09\/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-27 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-04 19:32 Fiche Arrest nr 260.823 van 27 september 2024 Onderwijs...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"44 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-260-823\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-260-823\\\/\",\"name\":\"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-06-19T01:44:01+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-260-823\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-260-823\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-260-823\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"en-US\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"width\":1000,\"height\":1000,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823","og_description":"JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 Rolnummer: A. 242961\/IX-10549 Zaak: Arrest 260823 - Examens (onderwijs) - 27\/09\/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-27 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-04 19:32 Fiche Arrest nr 260.823 van 27 september 2024 Onderwijs...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"44 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/","name":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website"},"datePublished":"2026-06-19T01:44:01+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-260-823\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"en-US","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","width":1000,"height":1000,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/1142815","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1142815"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=1142815"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=1142815"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=1142815"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=1142815"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=1142815"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=1142815"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=1142815"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}