{"id":1145202,"date":"2026-06-19T10:20:21","date_gmt":"2026-06-19T08:20:21","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/"},"modified":"2026-06-19T10:20:21","modified_gmt":"2026-06-19T08:20:21","slug":"eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:HR:1995:AA1547 Hoge Raad , 29-03-1995 \/ 30002"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> &#8211;<\/p>\n<p>gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 1993 betreffende na te melden navorderings- aanslag in de inkomstenbelasting.<\/p>\n<p>1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1985 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van \u0192 163.618,&#8211;, waarvan \u0192 24.838,&#8211; belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, (tekst 1985) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van \u0192 459.993,&#8211;, waarvan \u0192 101.391,&#8211; belast naar voormeld bijzonder tarief, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die aanslag in beroep gekomen bij het Hof, dat de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van \u0192 459.059,&#8211;. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.<\/p>\n<p>2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen &#039;s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financi\u00ebn heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.<\/p>\n<p>3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:<\/p>\n<p>3.1.1. Belanghebbende en haar echtgenoot, die buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd, exploiteerden tot 31 december 1985 in de vorm van een vennootschap onder firma een caf\u00e9 te Z (hierna: het bedrijf). Op 30 december 1985 hebben zij het bedrijf tegen een koopsom van \u0192 950.000,&#8211; overgedragen aan A B.V., die een bedrag van \u0192 600.000,&#8211; onmiddellijk heeft voldaan en voor het restant een schuldbekentenis heeft getekend. Eveneens op 30 december 1985 hebben belanghebbende en haar echtgenoot schriftelijk verklaard dat zij van de opbrengst uit de verkoop van de onderneming een bedrag van \u0192 592.750,&#8211; bestemden om te storten in \u00e9\u00e9n of twee door hen op te richten, zogenoemde stamrecht-B.V.&#039;s.<\/p>\n<p>3.1.2. Op 8 januari 1986 hebben belanghebbende en haar echtgenoot een, op beider naam gestelde, depositorekening geopend bij de ABN. Op diezelfde dag nog is op de depositorekening een bedrag van \u0192 500.000,&#8211; gestort, welk bedrag afkomstig is van de door A B.V. bij de overdracht van het bedrijf betaalde koopsom. De depositorekening is op 31 juli 1986 voor een bedrag van f 425.000,&#8211; gedebiteerd en vervolgens afgewikkeld.<\/p>\n<p>3.1.3. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben op 9 mei 1986 voor een som van \u0192 370.000,&#8211; het pand a-straat 1 te Z (hierna: de woning) gekocht. De koopovereenkomst bevat geen ontbindende voorwaarden. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij de koop van de woning een waarborgsom van \u0192 37.000,&#8211; betaald. Het restant van de koopsom hebben zij voldaan op 1 augustus 1986, de dag waarop de woning aan hen in gezamenlijke eigendom is geleverd.<\/p>\n<p>3.1.4. Op 6 juni 1986 hebben belanghebbende en haar echtgenoot de besloten vennootschap B B.V. (hierna: de stamrecht-B.V.) opgericht, welke vennootschap onder meer ten doel heeft het aangaan van overeenkomsten van lijfrenteverzekeringen en het doen van periodieke uitkeringen van lijfrenten. Op 20 juni 1986 heeft belanghebbende, evenals haar echtgenoot, voor een bedrag van \u0192 296.375,&#8211;, bij de stamrecht-B.V. een recht op &#8211; dadelijke ingaande &#8211; periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, (tekst 1985, hierna: de Wet) bedongen (hierna: het stamrecht). Op laatstgenoemde datum heeft zij tevens, evenals haar echtgenoot, voor een bedrag van \u0192 296.375,&#8211; een overeenkomst van geldlening met de stamrecht-B.V. gesloten. De uit de overeenkomsten voortvloeiende wederzijdse betalingsverplichtingen zijn met gesloten beurs verrekend. 3.1.5. De met de overdracht van het bedrijf door belanghebbende en haar echtgenoot behaalde stakingswinst beliep in totaal \u0192 682.426,&#8211;. De helft daarvan kwam toe aan belanghebbende, derhalve een bedrag van \u0192 341.213,&#8211; (hierna: de stakingswinst). Bij haar aangifte over het onderhavige jaar (1985) heeft belanghebbende &#8211; op de voet van het bepaalde in artikel 19, lid 1 jo. lid 2, aanhef en letter b, aanhef en onder 2?, van de Wet &#8211; op de stakingswinst een bedrag van \u0192 296.375,&#8211; in mindering gebracht.<\/p>\n<p>3.1.6. De Inspecteur heeft zich, nadat hij kennis had gekregen van de overeenkomst van 9 mei 1986, bij het opleggen van de onderhavige aanslag op het standpunt gesteld dat ter zake van het door belanghebbende bedongen stamrecht geen bedrag ten laste van de stakingswinst kan worden gebracht, nu het stamrecht niet is bedongen in rechtstreeks verband met het staken van haar onderneming, als bedoeld in artikel 19, lid 1, van de Wet.<\/p>\n<p>3.2. Het Hof heeft geoordeeld: dat belanghebbende de vergoeding voor de overgedragen onderneming heeft aangewend om een woning te kopen en niet om een stamrecht te bedingen; dat zij de koopsom voor het stamrecht schuldig is gebleven. Het Hof is tot die oordelen gekomen op grond van de overwegingen: dat het uit de omstandigheid dat de koopovereenkomst van 9 mei 1986 zonder ontbindende voorwaarde is gesloten, en de omstandigheid dat belanghebbende en haar echtgenoot toen wisten dat zij uiterlijk 1 augustus 1986 een bedrag van \u0192 370.000,&#8211; verminderd met de waarborgsom van \u0192 37.000,&#8211; dienden te betalen, afleidt dat zij niet van plan waren voor de verwerving van de woning een financiering te zoeken bij derden, behalve wellicht bij de nog op te richten stamrecht-B.V.; dat het aannemelijk is dat zij reeds op 9 mei 1986 hebben besloten, of besloten hadden, om het geld op de depositorekening aan te wenden voor de aankoop van de woning en om de stamrechten te financieren door het sluiten van leningen bij de op te richten stamrecht-B.V.; dat zij aan deze plannen uitvoering hebben gegeven, aangezien aannemelijk is dat het hierv\u00f3\u00f3r in 3.1.2 bedoelde bedrag van \u0192 425.000,&#8211; is aangewend ter voldoening van de uit het koopcontract van 9 mei 1986 en uit de akte van transport van onroerend goed van 1 augustus 1986 voortvloeiende verplichtingen, en aangezien niets van het bij de verkoop van de onderneming verkregen kapitaal op enige rekening van de stamrecht-B.V. is terechtgekomen en haar evenmin een gedeelte van de vordering op A B.V. is gecedeerd.<\/p>\n<p>3.3. Vorenweergegeven oordelen zijn van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat zij in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden. De klachten kunnen derhalve in zoverre zij tegen die oordelen opkomen, niet tot cassatie leiden. Daaraan doet niet af de door belanghebbende reeds voor het Hof gestelde omstandigheid dat voor haar en haar echtgenoot de aankoop van de woning ook zonder de verkoop van de onderneming mogelijk was geweest, nu gesteld noch gebleken is dat alsdan die aankoop ook zonder financiering van derden mogelijk was geweest. Anders dan in de klachten wordt betoogd, kon het Hof mitsdien aan de genoemde omstandigheid voorbijgaan. Evenmin doet daaraan af de hierv\u00f3\u00f3r in 3.1.1 bedoelde verklaring. In de bestreden oordelen immers ligt besloten het oordeel dat belanghebbende en haar echtgenoot nadien het in de verklaring van 30 december 1985 tot uitdrukking gebrachte voornemen niet ten uitvoer hadden gebracht.<\/p>\n<p>3.4. Het hierv\u00f3\u00f3r in 3.2 en 3.3 overwogene brengt mee dat het Hof zonder schending van het bepaalde in artikel 19 van de Wet heeft kunnen oordelen dat in zoverre belanghebbende haar stakingswinst geacht moet worden te hebben aangewend voor de aankoop van de woning, belanghebbende haar stamrecht niet in rechtstreeks verband met de staking van de onderneming heeft bedongen, zodat in ieder geval tot het voor die aankoop aangewende bedrag geen beroep kan worden gedaan op de zogenoemde stamrechtvrijstelling. In zoverre de klachten tegen dit oordeel opkomen falen zij derhalve.<\/p>\n<p>3.5. Gezien de hierv\u00f3\u00f3r in 3.1.3 en 3.1.5 vermelde feiten, is kennelijk niet de gehele door belanghebbende en haar echtgenoot met de overdracht van het bedrijf behaalde stakingswinst aangewend voor de aankoop van de woning. Nu het ten hoogste ter zake van een bedongen stamrecht ten laste van hun stakingswinst te brengen bedrag zowel voor belanghebbende als haar echtgenoot \u0192 296.375,&#8211; beliep, heeft het Hof, gelijk ook in de klachten wordt betoogd, ten onrechte niet onderzocht of belanghebbende, mede gelet op haar aandeel in de met de aankoop van de woning verbonden kosten, voor een gedeelte van de door haar ter zake van het stamrecht verschuldigde koopsom een beroep kon doen op de stamrechtvrijstelling, zodat de klachten in zoverre doel treffen. Hierbij verdient opmerking dat de omstandigheid dat belanghebbende de koopsom van het stamrecht is schuldig gebleven, op zichzelf beschouwd aan het bestaan van een rechtstreeks verband als vorenbedoeld niet in de weg behoeft te staan. Uit het vorenoverwogene volgt dat &#039;s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.<\/p>\n<p>4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratie belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.<\/p>\n<p>5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te &#039;s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financi\u00ebn aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van \u0192 300,&#8211;, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent de eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.<\/p>\n<p>Dit arrest is op 29 maart 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1995:AA1547\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>&#8211;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":[],"kji_country":[7669],"kji_court":[7834],"kji_chamber":[],"kji_year":[135733],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[],"kji_language":[7671],"class_list":["post-1145202","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-hoge-raad","kji_year-135733","kji_subject-divers","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.9 (Yoast SEO v27.9) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:HR:1995:AA1547 Hoge Raad , 29-03-1995 \/ 30002 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:HR:1995:AA1547 Hoge Raad , 29-03-1995 \/ 30002\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"-\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"8 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:HR:1995:AA1547 Hoge Raad , 29-03-1995 \\\/ 30002 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-06-19T08:20:21+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:HR:1995:AA1547 Hoge Raad , 29-03-1995 \\\/ 30002\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"en-US\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"width\":1000,\"height\":1000,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:HR:1995:AA1547 Hoge Raad , 29-03-1995 \/ 30002 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:HR:1995:AA1547 Hoge Raad , 29-03-1995 \/ 30002","og_description":"-","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"8 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/","name":"ECLI:NL:HR:1995:AA1547 Hoge Raad , 29-03-1995 \/ 30002 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website"},"datePublished":"2026-06-19T08:20:21+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclinlhr1995aa1547-hoge-raad-29-03-1995-30002\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:HR:1995:AA1547 Hoge Raad , 29-03-1995 \/ 30002"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"en-US","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","width":1000,"height":1000,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/1145202","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1145202"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=1145202"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=1145202"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=1145202"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=1145202"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=1145202"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=1145202"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=1145202"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}