{"id":1170445,"date":"2026-06-22T13:23:13","date_gmt":"2026-06-22T11:23:13","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/"},"modified":"2026-06-22T13:23:13","modified_gmt":"2026-06-22T11:23:13","slug":"eclibervsce2024arr-261-557","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/","title":{"rendered":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak<\/p>\n<p>    <!-- continue here with main block (division \"content\") --><\/p>\n<p>            <!-- Commandes de navigation page d\u00e9tail--> <\/p>\n<p>                  Print deze pagina<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>          Afdrukformaat          <\/p>\n<p>            S<br \/>\n            M<br \/>\n            L<br \/>\n            XL<\/p>\n<p>          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Sluit Tab          <\/p>\n<p>        <!-- Fin commandes de navigation page d\u00e9tail --><\/p>\n<p>        &nbsp;<br \/>\nRaad van State  <\/p>\n<p>            Vonnis\/arrest van 28 november 2024            <\/p>\n<p>ECLI nr:<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557<\/p>\n<p>Rolnummer:<\/p>\n<p>A. 239290\/IX-10266<\/p>\n<p>Zaak:<\/p>\n<p>Arrest 261557 &#8211; Gerechtskosten \u2013 juridische bijstand &#8211; 28\/11\/2024<\/p>\n<p>Rechtsgebied:<\/p>\n<p>\n Bestuursrecht<\/p>\n<p>Invoerdatum:<\/p>\n<p>2024-12-05<\/p>\n<p>Raadplegingen:<\/p>\n<p>120 &#8211; laatst gezien 2026-06-03 16:40<\/p>\n<p>            Fiche            <\/p>\n<p> Arrest nr 261.557 van 28 november 2024 Justitie &#8211; Gerechtskosten \u2013 juridische<br \/>\n        bijstand Beslissing :  Vernietiging\n    <\/p>\n<p>Thesaurus CAS:<\/p>\n<p>RAAD VAN STATE\n<\/p>\n<p>UTU-thesaurus:<\/p>\n<p>PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT &#8211; RAAD VAN STATE &#8211; Arresten (Raad van State)\n <\/p>\n<p>            Tekst van de beslissing            <\/p>\n<p>ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557 no lien 280248 identiques <\/p>\n<p>\n       RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK<br \/>\n       IXe KAMER<br \/>\n       nr. 261.557 van 28 november 2024<br \/>\n       in de zaak A. 239.290\/IX-10.266<br \/>\n       In zake: de BV TRADHO<br \/>\n       bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Audrey Baeyens kantoor houdend te 1780 Wemmel Fr. Robbrechtsstraat 32<br \/>\n       bij wie woonplaats wordt gekozen<br \/>\n       tegen:<br \/>\n       de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56<br \/>\n       bij wie woonplaats wordt gekozen<br \/>\n       &#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8211;<br \/>\n       I. Voorwerp van het beroep<br \/>\n       1. Het beroep, ingesteld op 9 juni 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing (erratum) van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie bij de federale overheidsdienst Justitie van 5 april 2023, waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep tegen de impliciete weigeringsbeslissingen van meerdere taxatiebureaus in verband met de goedkeuring voor betaling van kostenstaten.<br \/>\n       II. Verloop van de rechtspleging<br \/>\n       2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.<br \/>\n       IX-10.266-1\/41<br \/>\n       Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.<br \/>\n       De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.<br \/>\n       De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september 2024.<br \/>\n       Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht.<br \/>\n       Jos\u00e9 D\u2019Hoore, zaakvoerder, advocaat Audrey Baeyens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.<br \/>\n       Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.<br \/>\n       Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-<br \/>\n       co\u00f6rdineerd op 12 januari 1973.<br \/>\n       III. Feiten<br \/>\n       3.1. De verzoekende partij is een vertaal- en tolkbureau dat vertaal-<br \/>\n       en tolkdiensten levert aan de federale overheidsdienst Justitie (FOD Justitie).<br \/>\n       3.2. Omdat de verzoekende partij van mening is dat een groot deel van haar kostenstaten, die betrekking hebben op de periode 2014-2019, niet of slechts gedeeltelijk betaald zijn door de verwerende partij, stelt zij op 7 november 2019 een beroep in bij de \u2018commissie voor de gerechtskosten\u2019 tegen de<br \/>\n       IX-10.266-2\/41<br \/>\n       (impliciete) weigeringsbeslissingen van de taxerende magistraat en de minister van Justitie om haar kostenstaten inzake gerechtskosten voor de periode 2014-<br \/>\n       2018 en de periode 2018-2019 te betalen. Dit beroep heeft niet tot een uitspraak geleid van de commissie, gelet op de onmogelijkheid voor deze beroepscommissie om te zetelen bij gebrek aan verkozen leden van de zetel.<br \/>\n       Tevens stelt de verzoekende partij op 29 januari 2020 een beroep in bij de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie bij de FOD Justitie (hierna: de directeur-generaal) tegen de impliciete weigeringsbeslissingen van de taxerende magistraat en de minister van Justitie om de facturen inzake gerechtskosten van de verzoekende partij te betalen voor de periode 2014-2018 en de periode 2018-2019.<br \/>\n       3.3. Op 11 mei 2020 neemt de directeur-generaal een beslissing \u201cinzake het beroep van: de [zaakvoerder van de verzoekende partij] tegen wat hij \u2018impliciete weigeringsbeslissingen\u2019 van meerdere taxatiebureaus noemt, o.a. van Limburg, Leuven en Brussel, in verband met de goedkeuring voor betaling van zijn kostenstaten\u201d. Het beroep wordt ontvankelijk geacht maar verworpen.<br \/>\n       3.4. Bij arrest nr. 253.917 van 2 juni 2022<br \/>\n       (ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.917) vernietigt de Raad van State deze beslissing van de directeur-generaal. De Raad van State stelt daarbij vast dat, gelet op de regelgeving zoals van toepassing op het moment dat de in die zaak bestreden beslissing is genomen, de directeur-generaal niet bevoegd is om kennis te nemen van het op 29 januari 2020 ingestelde beroep en dat hij met de in die zaak bestreden beslissing zijn bevoegdheid heeft overschreden.<br \/>\n       Hetzelfde arrest stelt daarnaast vast dat \u201condertussen bij artikel 17\/1 van de wet van 23 maart 2019 [ingevoegd bij wet van 31 juli 2020] in een nieuwe overgangsmaatregel voorzien [is] die het lot regelt van de hangende beroepen bij de commissie [voor de gerechtskosten]. De directeur-generaal van de Rechterlijke Organisatie is thans bevoegd om zich uit te spreken \u2013 zoals<br \/>\n       IX-10.266-3\/41<br \/>\n       gezien evenwel niet over het beroep van 29 januari 2020, maar wel over het beroep dat op 7 november 2019 is ingesteld bij de commissie\u201d.<br \/>\n       3.5. Op 16 februari 2023 beslist de directeur-generaal over het beroep van 7 november 2019 ingesteld door de verzoekende partij tot betaling van de facturen inzake gerechtskosten voor de periode 2014-2018 enerzijds en de periode 2018-2019 anderzijds. Het beroep wordt deels ingewilligd.<br \/>\n       3.6. Op 5 april 2023 wordt een nieuwe beslissing genomen, ondertekend op 11 april 2023, waarbij de beslissing van 16 februari 2023 wordt ingetrokken nadat is vastgesteld dat meerdere kostenstaten tweemaal werden betaald. Opnieuw wordt het beroep deels ingewilligd.<br \/>\n       Dat is de bestreden beslissing.<br \/>\n       IV. Regelmatigheid van de rechtspleging<br \/>\n       4. De verzoekende partij heeft op 7 mei 2024 een nota met aanvullende stukken aan de Raad van State bezorgd. Volgens de verzoekende partij wordt de Raad van State op de hoogte gebracht van een nieuw feit dat een invloed kan hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep. Dit nieuwe feit zou erin bestaan dat de verzoekende partij, na het neerleggen van de laatste memorie op 5 april 2024, kennis heeft gekregen van een \u201cinterne audit, uitgevoerd door een onafhankelijke dienst die administratief is ondergebracht bij de FOD Kanselarij van de Eerste Minister\u201d. In de laatste memorie werd de samenvatting van deze audit vermeld, de nota verwijst naar de volledige audit en voegt die als bijlage toe.<br \/>\n       5. Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 \u2018tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State\u2019 voorziet niet in de mogelijkheid om een nota of een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een<br \/>\n       IX-10.266-4\/41<br \/>\n       invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen.<br \/>\n       In zoverre de door de verzoekende partij neergelegde nota op dergelijke feiten betrekking heeft, wordt ze bij de zaak betrokken. In zoverre de nota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen.<br \/>\n       6. De audit waarnaar de verzoekende partij verwijst, bevat stellingnames, al dan niet impliciet, in verband met de aan de Raad van State voorgelegde rechtsvragen. Deze stellingnames geven de visie van de auditors weer, niet meer en niet minder. Ze kunnen dan ook niet beschouwd worden als \u201cfeiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep\u201d.<br \/>\n       De nota van de verzoekende partij en de bijbehorende stukken, in het bijzonder de volledige audit over de gerechtskosten in strafzaken van oktober 2023 (\u201cAudit Frais de justice en mati\u00e8re p\u00e9nale 2022_12. Direction G\u00e9n\u00e9rale Team Support. SPF Justice\u201d), worden dan ook louter als inlichting in aanmerking genomen.<br \/>\n       V. Ontvankelijkheid<br \/>\n       Exceptie<br \/>\n       7. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid ratione materiae op. Zij voert aan dat de Raad van State zonder rechtsmacht is om uitspraak te doen over de middelen inzake de verjaring van de vordering voor de prestaties van 2016 en over de verschuldigdheid van verwijlinteresten. Deze twee onderdelen van de bestreden beslissing, waarover het auditoraatsverslag besluit dat ze afsplitsbaar zijn van de bestreden beslissing, hebben, aldus de verwerende partij, betrekking op louter<br \/>\n       IX-10.266-5\/41<br \/>\n       subjectieve rechten, namelijk de verjaring van een vordering en de eisbaarheid van verwijlintresten. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep of van het middel de erkenning van een subjectief recht is.<br \/>\n       Beoordeling<br \/>\n       8. Artikel 6 van de wet van 23 maart 2019 \u2018betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 in het Wetboek van strafvordering\u2019 (\u201cwet van 23 maart 2019\u201d) bepaalt het volgende:<br \/>\n       \u201c\u00a7 1. De prestatieverlener stelt voor elke gevorderde prestatie een kostenstaat op. De tolk stelt een maandelijkse kostenstaat op die alle prestaties inzake strafzaken van die maand omvat. Die kostenstaten worden ingediend bij het bevoegde taxatiebureau.<br \/>\n       Het taxatiebureau kan, na verificatie of in het geval van artikel 5, tweede lid, de kostenstaat weigeren of verminderen bij een gemotiveerde beslissing.<br \/>\n       \u00a7 2. In de gevallen voorzien in paragraaf 1, tweede lid, wordt de prestatieverlener van de beslissing in kennis gesteld, indien mogelijk digitaal. Indien de prestatieverlener de verbetering van de kostenstaat aanvaardt, wordt de verbeterde kostenstaat overgemaakt aan het vereffeningsbureau.<br \/>\n       \u00a7 3. Als de prestatieverlener niet akkoord gaat met de weigering of de verbetering van zijn kostenstaat, of met een andere beslissing van het taxatiebureau in zoverre het gaat om het toegepaste tarief, de berekening van de vergoeding en haar eventuele supplementen, kan hij binnen dertig dagen tegen deze beslissing in beroep gaan met een gemotiveerd verzoekschrift gericht aan de directeur-generaal van het Directoraat-<br \/>\n       generaal Rechterlijke Organisatie bij de Federale Overheidsdienst Justitie of zijn gedelegeerde. Die neemt een gemotiveerde beslissing binnen twee maanden na ontvangst van het verzoekschrift, na de prestatieverlener te hebben gehoord. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van het taxatiebureau. Het gedeelte van het betrokken bedrag van de vergoeding dat niet wordt betwist, wordt evenwel betaald. Het beroep wordt onmiddellijk afgewezen als er sprake is van het herhaald betwisten van beslissingen met de vaststelling dat er in verband met dezelfde kostenstaat al een uitspraak is geweest. Beslissingen van de directeur-generaal of zijn gedelegeerde zijn alleen vatbaar voor het gewone bestuursrechtelijk vernietigingsberoep bij de Raad van State. Dit geldt eveneens voor beslissingen van het taxatiebureau, die worden<br \/>\n       IX-10.266-6\/41<br \/>\n       betwist omwille van andere redenen dan het toegepaste tarief, de berekening van de vergoeding en haar eventuele supplementen.<br \/>\n       \u00a7 4. De Koning regelt deze procedure, de kennisgeving van de beslissingen en hun gevolgen.\u201d<br \/>\n       Deze bepaling is in werking getreden op 1 januari 2020.<br \/>\n       Artikel 17\/1, \u00a7 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij wet van 31<br \/>\n       juli 2020, bevat een overgangsbepaling. Op grond hiervan worden de beroepen die bij de commissie voor de gerechtskosten zijn ingesteld tegen de beslissingen van de taxerende magistraat en de minister van Justitie inzake het bedrag van de gerechtskosten, en waarin nog geen uitspraak is op 1 januari 2020, aanhangig gemaakt bij de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie bij de FOD Justitie, die beslist overeenkomstig de procedure bepaald in het vermelde artikel 6, \u00a7 3.<br \/>\n       9. De bestreden beslissing van de directeur-generaal heeft betrekking op het op 7 november 2019 ingestelde beroep tegen de impliciete weigeringsbeslissing van de taxerende magistraat en de minister van Justitie om kostenstaten voor de periode 2014-2018 en voor de periode 2018-2019 te betalen.<br \/>\n       Op grond van het vermelde artikel 17\/1, \u00a7 1, van de wet van 23 maart 2019 is dit beroep aanhangig gemaakt bij de directeur-generaal die moet beslissen overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 6, \u00a7 3, van dezelfde wet.<br \/>\n       10. Dat artikel 6, \u00a7 3, bepaalt dat de beslissingen van de directeur-<br \/>\n       generaal \u201calleen vatbaar [zijn] voor het gewone bestuursrechtelijk vernietigingsberoep bij de Raad van State\u201d.<br \/>\n       De wetgever heeft de geschillen ten aanzien van de bestreden beslissing, ook indien subjectieve rechten in het geding zouden zijn, toevertrouwd aan de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarbij zijn de regels en de procedure inzake het vernietigingsberoep van toepassing.<br \/>\n       IX-10.266-7\/41<br \/>\n       De Raad van State is bijgevolg bevoegd om het voorliggende vernietigingsberoep te behandelen.<br \/>\n       11. De exceptie is niet gegrond.<br \/>\n       VI. Onderzoek van de middelen<br \/>\n       A. Eerste middel<br \/>\n       Standpunt van de partijen<br \/>\n       12.1. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de redelijketermijneis evenals het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.<br \/>\n       De verzoekende partij verklaart dat zij reeds op 7 november 2019 beroep aantekende tegen de impliciete weigeringsbeslissing van meerdere taxatiebureaus van onder andere Limburg, Leuven en Brussel, in verband met de goedkeuring voor betaling van haar kostenstaten. De bestreden beslissing werd evenwel slechts op 11 april 2023 genomen. De verzoekende partij licht toe dat een bestuur, zoals het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie (DGRO) bij de FOD Justitie, verplicht is om binnen een redelijke termijn te handelen. Dit geldt voor alle stadia van het overheidshandelen, inclusief het nemen van een beslissing over een bestuurlijk beroep. De verzoekende partij merkt op dat er tussen 2016 en 2020 geen beroepsmogelijkheid bestond totdat een wettelijke overgangsbepaling het DGRO machtigde om het beroep te behandelen. Die overgangsregeling schreef een beslissingstermijn voor, weliswaar een termijn van orde, die eind 2020 afliep. Deze termijn werd schromelijk overschreden, doordat de bestreden beslissing pas genomen werd op 11 april 2023. De verzoekende partij benadrukt dat de zaak niet complex was en dat de lange termijn volledig toe te schrijven is aan de organisatie van de overheid. Er waren diverse vertragingen, waaronder het ontbreken van een beroepsprocedure, het nemen van quasi-<br \/>\n       IX-10.266-8\/41<br \/>\n       identieke beslissingen door het DGRO en het intrekken en opnieuw nemen van beslissingen. De verzoekende partij was daarentegen wel diligent. De verzoekende partij stelt dat de overheid verplicht is haar diensten zo te organiseren dat dossiers binnen een redelijke termijn kunnen worden behandeld.<br \/>\n       De vertragingen zijn niet te wijten aan de verzoekende partij, maar aan de overheid, inclusief de gebrekkige organisatie en het ontbreken van een behoorlijk beheerde databank. De bestreden beslissing verantwoordt niet waarom deze zo lang op zich liet wachten en probeert ten onrechte de vertraging op de verzoekende partij af te schuiven. De verzoekende partij concludeert dat de termijn van negenentwintig maanden sinds het instellen van het beroep veroorzaakt werd door onzorgvuldig handelen van de overheid.<br \/>\n       Daarnaast betoogt de verzoekende partij dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Volgens de verzoekende partij volgt dit uit het feit dat de bestreden beslissing \u201cnalaat om over 33 kostenstaten een beslissing te nemen\u201d en uit \u201chet tegenstrijdig standpunt dat de bestreden beslissing inneemt omtrent kostenstaat F17 121\u201d. Wat betreft de kostenstaten waarover geen beslissing zou zijn genomen, stelt de verzoekende partij: \u201cvoor een totaal bedrag van 12.027,77 euro werd nog geen beslissing genomen wegens het ontbreken van stukken en; voor een totaal bedrag van 421,73 euro werd geen beslissing genomen, zonder hieromtrent enige motivering te bieden.\u201d Wat betreft de aangevoerde tegenstrijdigheid in de bestreden beslissing, verwijst de verzoekende partij naar kostenstaat F17 121: \u201c[n]a te hebben gesteld dat de vordering opgenomen in de kostenstaat verjaard is en niet meer in aanmerking komt voor behandeling, stelt de bestreden beslissing vervolgens dat de kostenstaat mag betaald worden aan een gereduceerd bedrag van 58,08 euro.\u201d<br \/>\n       12.2. De verwerende partij antwoordt dat er geen sprake kan zijn van schending van de redelijke termijn, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, zoals blijkt uit de voorgeschiedenis van de bestreden beslissing en de procedures die eraan voorafgingen. Zij benadrukt dat de<br \/>\n       IX-10.266-9\/41<br \/>\n       verzoekende partij in 2019 beroep aantekende bij de commissie voor de gerechtskosten en in 2020 bij de directeur-generaal van het DGRO. Na een beslissing in 2020 en een vernietigingsberoep bij de Raad van State, nam de directeur-generaal in 2023 een nieuwe beslissing, die later werd ingetrokken vanwege vastgestelde dubbele betalingen, waarna de bestreden beslissing werd genomen. De verwerende partij stelt dat alle beslissingen binnen een redelijke termijn werden genomen zonder schending van het zorgvuldigheids- of redelijkheidsbeginsel. Zij wijst op misrekeningen en divergente standpunten van de partijen, die onderwerp zijn van een burgerlijke procedure. De verwerende partij benadrukt dat het grondige onderzoek van de kostenstaten, inclusief de evaluatie van uitgevoerde betalingen, niet-verschuldigde staten, verjaring, berekeningen en dubbele betalingen, aantoont dat men zorgvuldig te werk is gegaan bij het nemen van de bestreden beslissing, met inachtneming van alle relevante feitelijke en juridische gegevens. De inhoudelijke betwisting over deze punten is het voorwerp van een procedure bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel.<br \/>\n       12.3. De verzoekende partij stelt in haar repliek dat de verwerende partij over het hoofd ziet dat een vernietigingsarrest van de Raad van State ertoe leidt dat de bestreden beslissing met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer wordt verwijderd, alsof deze nooit heeft bestaan. Dit geldt voor de beslissing van 11 mei 2020, die door de Raad van State werd vernietigd, en dus niet kan worden gebruikt om de onredelijke beslissingstermijn te rechtvaardigen. Evenzo geldt dit voor de beslissing van 16 februari 2023, die door de verwerende partij werd ingetrokken. De intrekking van een eenzijdige bestuurlijke rechtshandeling doet deze ex tunc verdwijnen uit het rechtsverkeer. Daarom kan de verwerende partij zich ook niet beroepen op de ingetrokken beslissing van 16 februari 2023 om de onredelijke beslissingstermijn te rechtvaardigen.<br \/>\n       Beoordeling<br \/>\n       IX-10.266-10\/41<br \/>\n       13. De overheid is gebonden aan het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur om binnen een redelijke termijn te beslissen. De redelijkheid van de termijn moet niet in abstracto, maar wel in concreto worden beoordeeld.<br \/>\n       Het redelijk karakter van de termijn moet telkens worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van de zaak, zoals de aard en de complexiteit van het dossier, de houding en het gedrag van de partijen en het belang van een tijdige beslissing voor de betrokkene.<br \/>\n       Als een redelijke termijn moet dan ook worden beschouwd de tijd die normaal nodig is om een zaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven. Bij de beoordeling of het bestreden besluit binnen de redelijke termijn is genomen, dient vanzelfsprekend rekening te worden gehouden met de termijn die nodig was voor de afhandeling van het annulatieberoep tegen een eerder genomen besluit dat door de Raad van State is vernietigd.<br \/>\n       14. De verzoekende partij heeft in voorliggend geval evenwel geen belang bij het middel van schending van de redelijketermijneis.<br \/>\n       Het gegrond bevinden van het middel waarin wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing niet binnen een redelijke termijn werd genomen, kan de verzoekende partij immers in geen geval genoegdoening verschaffen.<br \/>\n       Indien moet worden aangenomen dat de directeur-generaal van het DGRO na een vernietiging van de bestreden beslissing wegens schending van de redelijketermijneis zijn bevoegdheid heeft verloren om nog uitspraak te doen over het administratief beroep tegen de impliciete weigeringsbeslissingen van de taxerende magistraat en de minister van Justitie, kan de verzoekende partij geen goedkeuring meer verkrijgen van de door haar ingediende kostenstaten.<br \/>\n       Indien moet worden aangenomen dat de directeur-generaal na zulk een vernietiging een nieuwe beslissing moet nemen over het administratief beroep, zal die nieuwe beslissing onvermijdelijk een nieuwe schending van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557 IX-10.266-11\/41<br \/>\n       redelijke termijn inhouden, ongeacht de inhoud van deze nieuwe beslissing, die dezelfde kan zijn als deze van de bestreden beslissing.<br \/>\n       De vernietiging op grond van de schending van de redelijketermijneis kan aan de verzoekende partij geen voordeel verschaffen, zodat zij in die mate geen belang bij het middel heeft.<br \/>\n       15. In zoverre het betrekking heeft op de schending van het vereiste van de redelijke termijn, is het eerste middel onontvankelijk.<br \/>\n       16. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid ertoe zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van een beslissing. Dit houdt onder meer in dat zij ervoor moet zorgen dat de juridische en feitelijke aspecten van het dossier deugdelijk ge\u00efnventariseerd en gecontroleerd worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen.<br \/>\n       Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan de verzoekende partij de onwettigheid niet heeft aangetoond.<br \/>\n       17.1. De verzoekende partij stelt dat de verwerende partij geen beslissing heeft genomen over een aantal kostenstaten, gedeeltelijk \u201cwegens het ontbreken van stukken\u201d.<br \/>\n       17.2. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk, laat staan dat zij aantoont, in welke zin een weigering tot beslissing over de betaling van kostenstaten \u201cwegens het ontbreken van stukken\u201d onzorgvuldig of onredelijk zou zijn.<br \/>\n       IX-10.266-12\/41<br \/>\n       18.1. De verzoekende partij stelt dat de verwerende partij geen beslissing heeft genomen over een aantal kostenstaten, gedeeltelijk \u201czonder [\u2026]<br \/>\n       enige motivering\u201d.<br \/>\n       18.2. De verzoekende partij toont in dit verband aan dat twee kostenstaten (F17 221 en F17 293) vermeld worden in bijlage 1 bij de bestreden beslissing, waarin het voorwerp van het administratief beroep wordt beschreven.<br \/>\n       In bijlage 2, die de \u201cevaluatie van de betrokken kostenstaten\u201d bevat, worden deze kostenstaten echter niet beoordeeld.<br \/>\n       De bestreden beslissing verwijst zelf nochtans naar \u201cbijlage 2<br \/>\n       ERRATUM waarin voor alle kostenstaten die het voorwerp uitmaken van dit beroep een beslissing werd genomen\u201d.<br \/>\n       Door in de bestreden beslissing en in bijlage 2 geen beoordeling op te nemen van de kostenstaten F17 221 en F17 293 die behoren tot het voorwerp van het administratief beroep, schendt de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel.<br \/>\n       19.1. De verzoekende partij wijst op een tegenstrijdigheid in de bestreden beslissing, namelijk wat betreft kostenstaat F17 121. De bestreden beslissing stelt enerzijds dat de vordering opgenomen in de kostenstaat verjaard is (bijlage 2, C) en anderzijds dat de kostenstaat mag worden betaald voor een gereduceerd bedrag (bijlage 2, H).<br \/>\n       19.2. Door de betrokken kostenstaat enerzijds te beschouwen als verjaard en anderzijds een betaling tegen een gereduceerd bedrag op te leggen, schendt de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel.<br \/>\n       20. Het eerste middel is deels onontvankelijk en in de aangegeven mate gegrond.<br \/>\n       IX-10.266-13\/41<br \/>\n       B. Tweede middel<br \/>\n       21. In het tweede middel betoogt de verzoekende partij in drie middelonderdelen dat de bestreden beslissing een schending vormt van de ingeroepen rechtsregels in zoverre ze betrekking heeft op de verjaring van bepaalde kostenstaten (eerste middelonderdeel), de indexering van de tarieven (tweede middelonderdeel) en de weigering om verwijlintresten toe te kennen (derde middelonderdeel).<br \/>\n       a. Eerste middelonderdeel<br \/>\n       Standpunt van de partijen<br \/>\n       22.1. In het eerste middelonderdeel stelt de verzoekende partij dat de beslissing omtrent de verjaarde kostenstaten de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 \u2018betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen\u2019 (\u201cwet van 29 juli 1991\u201d) juncto artikel 6, \u00a7 3, van de wet van 23 maart 2019 schendt, alsook het materi\u00eblemotiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel evenals het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.<br \/>\n       De bestreden beslissing beschouwt, met toepassing van artikel 86 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken uit 1950, achtentwintig kostenstaten als definitief verjaard en beslist dat ze niet in aanmerking komen voor uitbetaling. De verwerende partij houdt er evenwel geen rekening mee dat een daartoe gemachtigd ambtenaar van de FOD Justitie op 8<br \/>\n       november 2017 de verjaring van de kostenstaten van 2016 heeft opgeheven.<br \/>\n       22.2. De verwerende partij antwoordt dat de e-mail van 8 november 2017 waarmee de gemachtigde ambtenaar de verjaring van de kostenstaten en erelonen van 2016 opheft, tevens het volgende vermeldt: \u201cU mag ze opnieuw<br \/>\n       IX-10.266-14\/41<br \/>\n       indienen bij de bevoegde diensten en een afdruk van deze mail gebruiken om te bewijzen dat de verjaring niet meer kan worden ingeroepen.\u201d Volgens de verwerende partij vraagt de gemachtigde ambtenaar aldus om de kostenstaten opnieuw in te dienen. Uit het administratief dossier blijkt niet dat de betreffende staten opnieuw werden ingediend, zodat de verzoekende partij zich niet kan beroepen op een schending van de aangehaalde wettelijke bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.<br \/>\n       22.3. De verzoekende partij stelt in haar repliek dat de verwerende partij de idee tracht te scheppen dat de verjaring van de kwestieuze kostenstaten slechts voorwaardelijk werd opgeheven. Zulks is niet het geval. De bewoordingen van de e-mail van 8 november 2017 zijn ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk.<br \/>\n       Het is pas in tweede instantie dat de gemachtigde ambtenaar de keuze laat aan de verzoekende partij om de kostenstaten desgevallend opnieuw in te dienen. De verzoekende partij legt de nadruk op het woord \u201cmag\u201d in de e-mail. Bovendien wijst zij erop dat de betrokken kostenstaten gevoegd werden bij het administratief beroep dat tot de bestreden beslissing heeft geleid. In het kader van dat beroep was het DGRO ertoe verplicht om zich uit te spreken over alle kostenstaten, na een eigen en volledig onderzoek van de zaak. In die zin dienen de kwestieuze kostenstaten, voor zoveel als nodig, als opnieuw ingediend te worden beschouwd.<br \/>\n       Beoordeling<br \/>\n       23. De bestreden beslissing bepaalt dat een aantal kostenstaten die betrekking hebben op prestaties uitgevoerd in de loop van 2016 verjaard is.<br \/>\n       De bestreden beslissing licht dit als volgt toe:<br \/>\n       \u201c4.3.3. Een aantal kostenstaten zijn verjaard (zie bijlage 2 punt C).<br \/>\n       Het gaat hier dus om kostenstaten die betrekking hebben op prestaties die werden uitgevoerd in de loop van 2016. Op dat ogenblik gold de regeling zoals voorzien in [artikel 86 van] het KB van 28\/12\/1950. [\u2026]<br \/>\n       Rekening houdend met het gegeven dat de prestaties werden uitgevoerd in 2016, diende de [zaakvoerder van de verzoekende partij] deze<br \/>\n       IX-10.266-15\/41<br \/>\n       kostenstaten uiterlijk op 30 juni 2017 in te dienen bij de bevoegde diensten. Gelet op het feit dat deze kostenstaten werden opgemaakt in de loop van augustus 2017, kan worden besloten dat deze kostenstaten onmogelijk werden ingediend uiterlijk op 30 juni 2017. Het dossier bevat geen document waaruit blijkt dat de Minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar de partij heeft ontheven van het verval.<br \/>\n       Deze kostenstaten zijn bijgevolg verjaard, en komen niet langer in aanmerking voor behandeling ervan.\u201d<br \/>\n       24. Artikel 86 van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken uit 1950, dat als bijlage gevoegd is bij het koninklijk besluit van 28 december 1950 \u2018houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken\u2019 (hierna: Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950) legt de volgende verjaringsregel vast:<br \/>\n       \u201cDe memories die niet werden aangeboden binnen zes maanden na het verstrijken van het jaar waarin de kosten werden gemaakt, zijn verjaard.<br \/>\n       De Minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan partijen ontheffen van het verval.\u201d<br \/>\n       Dit artikel is opgeheven bij artikel 43 van het koninklijk besluit van 15 december 2019 \u2018tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd\u2019 (Gerechtskostenbesluit), met ingang van 1 januari 2020. Zoals de bestreden beslissing terecht vermeldt, geldt de regeling van het voornoemde artikel 86 nog ten aanzien van de kostenstaten die betrekking hebben op prestaties die werden uitgevoerd in de loop van 2016.<br \/>\n       25. De verzoekende partij legt een stuk voor waaruit blijkt dat de gemachtigde ambtenaar bij e-mail van 8 november 2017 aan de verzoekende partij de ontheffing van het verval verleent. Na motivering van zijn beslissing, verklaart de gemachtigde ambtenaar: \u201cDaarom hef ik de verjaring van al uw staten van kosten en erelonen van 2016 hierbij op.\u201d<br \/>\n       IX-10.266-16\/41<br \/>\n       26. De verwerende partij is van mening dat deze ontheffing verbonden is aan een voorwaarde, die vermeld wordt op het einde van de e-mail:<br \/>\n       \u201cU mag ze opnieuw indienen bij de bevoegde diensten en een afdruk van deze mail gebruiken om te bewijzen dat de verjaring niet meer kan worden ingeroepen.\u201d<br \/>\n       27. Deze vermelding \u2013 die eerder praktisch van aard lijkt \u2013 maakt de ontheffing evenwel niet voorwaardelijk. Het vermelde artikel 86 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 voorziet overigens niet in de mogelijkheid van een voorwaardelijke ontheffing.<br \/>\n       28. Het eerste middelonderdeel van het tweede middel is gegrond.<br \/>\n       b. Tweede middelonderdeel<br \/>\n       Standpunt van de partijen<br \/>\n       29.1. In het tweede middelonderdeel stelt de verzoekende partij dat de beslissing omtrent het toegepaste indexatietarief de artikelen 148 en 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 schendt, alsook het beginsel van de normenhi\u00ebrarchie, artikel 159 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 29 juli 1991 juncto artikel 6, \u00a7 3, van de wet van 23 maart 2019, het materi\u00eblemotiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.<br \/>\n       De artikelen 148 en 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 voorzien in een indexeringsformule waaraan de verwerende partij afbreuk doet door te steunen op hi\u00ebrarchisch lagere normen, zijnde omzendbrieven. Volgens de verzoekende partij moeten de tarieven zoals bepaald in het koninklijk besluit van 22 december 2016 \u2018tot vaststelling van het tarief voor prestaties van vertalers en tolken in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden\u2019 (\u201ckoninklijk besluit van 22 december 2016\u201d),<br \/>\n       IX-10.266-17\/41<br \/>\n       ge\u00efndexeerd worden met toepassing van de vermelde artikelen 148 en 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950. Het koninklijk besluit van 22<br \/>\n       december 2016 verandert niets aan de formule die is neergeschreven in dat Algemeen Reglement. Het koninklijk besluit liet de artikelen 148 en 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 in werking en heeft deze artikelen laten voortbestaan (in tegenstelling tot de artikelen 5 tot 10ter van het Algemeen Reglement die uitdrukkelijk worden opgeheven).<br \/>\n       De indexeringsformule waarin artikel 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 voorziet was in werking tot eind 2019. Het is pas nadien, in 2019, dat volgens de verzoekende partij de indexering van gerechtskosten in strafzaken gewijzigd werd door de wet van 23 maart 2019 en het Gerechtskostenbesluit. Artikel 43 van dit besluit heft uitdrukkelijk de artikelen 148 en 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 op.<br \/>\n       De bestreden beslissing argumenteert volgens de verzoekende partij ten onrechte dat de indexering van de tarieven in de jaren 2018 en 2019<br \/>\n       respectievelijk geregeld werd door ministeri\u00eble omzendbrief 131\/5 van 25<br \/>\n       september 2018 en ministeri\u00eble omzendbrief 131\/6 van 24 juni 2019. De beslissing schendt hiermee de hi\u00ebrarchie der normen aangezien de indexering zoals opgenomen in artikel 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 moet worden toegepast. De ministeri\u00eble omzendbrieven inzake indexering waarnaar de bestreden beslissing verwijst zijn bovendien onwettig wegens schending van substanti\u00eble vormvereisten (zoals het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State en het advies van de Inspecteur van Financi\u00ebn)<br \/>\n       en ze moeten derhalve buiten toepassing worden gelaten.<br \/>\n       De verzoekende partij ziet ook een schending van het vertrouwensbeginsel indien blijkt dat de informatie die de FOD Economie heeft bezorgd aan de verzoekende partij, toch fout zou zijn.<br \/>\n       IX-10.266-18\/41<br \/>\n       29.2. Ten aanzien van het tweede middelonderdeel antwoordt de verwerende partij dat de tarifering van de betwiste kostenstaten gebeurt met toepassing van het koninklijk besluit van 22 december 2016, dat bij wet van 11<br \/>\n       juli 2018 werd bekrachtigd en dat de tarieven voor prestaties van vertalers en tolken in strafzaken bevat. Dit heeft tot gevolg dat de berekeningswijze waarin artikel 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 voorziet, niet kan worden toegepast op de nieuwe tarieven die zijn bepaald in het koninklijk besluit van 22 december 2016, aangezien in artikel 149 wordt verwezen naar de in artikel 148 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 bedoelde bedragen. De vertalers en tolken kunnen sedert de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 22 december 2016 geen rechten meer afdwingen op grond van de voornoemde artikelen 148 en 149. De verwerende partij was niet langer verplicht het indexeringsmechanisme zoals vastgelegd in die artikelen toe te passen op het nieuwe tariefbesluit van 22 december 2016. De verwerende partij kon wel een ander mechanisme toepassen, hetgeen zij ook heeft gedaan, of kon er zelfs geen toepassen, aangezien indexering geen recht is bij gebrek aan een uitdrukkelijke reglementering waarin het is vastgelegd. Op grond van billijkheidsoverwegingen heeft de verwerende partij gekozen voor de toepassing van het indexeringsmechanisme dat ook wordt toegepast voor alle andere vormen van inkomen overeenkomstig de wet van 23 april 2015 \u2018tot verbetering van de werkgelegenheid\u2019. Deze toepassing is gerechtvaardigd om een eerlijk evenwicht te vinden tussen de budgettaire noodzaak om de overheidsuitgaven binnen de perken te houden enerzijds, en de belangen van de vertalers en tolken anderzijds.<br \/>\n       Hoe dan ook wordt door de verwerende partij op verantwoorde wijze uiteengezet waarom zij tot indexatie van de kostenstaten overgaat en welke formule zij hiervoor aanwendt. Het betoog van de verzoekende partij over de betreffende omzendbrieven is dan ook niet relevant.<br \/>\n       Wat de informatie betreft die de verzoekende partij van het Belgisch Statistiekbureau (Statbel) ontvangen heeft, en waarop zij haar indexatieberekeningen steunt, moet worden vastgesteld dat deze dienst ter zake<br \/>\n       IX-10.266-19\/41<br \/>\n       niet bevoegd is en zijn informatie onder het grootste voorbehoud heeft aangeleverd.<br \/>\n       29.3. De verzoekende partij stelt in haar repliek dat de verwerende partij niets meer doet dan te hernemen wat in de bestreden beslissing werd uiteengezet.<br \/>\n       29.4. In haar laatste memorie verzet de verzoekende partij zich tegen de stelling in het auditoraatsverslag dat uit de opheffing van de artikelen 5 tot 10ter van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 bij artikel 10 van het koninklijk besluit van 22 december 2016 volgt dat de prestaties van vertalers en tolken in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden vanaf 1 januari 2017 uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van het Algemeen Reglement.<br \/>\n       De verzoekende partij betoogt dat niet kan worden geconcludeerd dat het de wil van de opstellers was van het koninklijk besluit van 22 december 2016 om de artikelen 148 en 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 niet meer toepasselijk te maken op vertalers en tolken. De artikelen 148 en 149, van toepassing sedert 1983, werden tekstueel niet aangepast en pas in 2019 opgeheven, hetgeen erop duidt dat het wel degelijk de bedoeling was van de \u201cwetgever\u201d om de indexering van toepassing te laten op de bedragen uit het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 evenals op de bedragen die uit dit Algemeen Reglement werden getild en geregeld in aparte regelingen teneinde ze te actualiseren. In ieder geval was de ratio legis van de \u201cwetgever\u201d niet om de indexering voorzien in de artikelen 148 en 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 op te heffen voor vertalers en tolken. Voor die zienswijze kan onvoldoende aanknoping worden gevonden in de regelgeving en de parlementaire werkzaamheden (van de Programmawet (II) van 27 december 2006<br \/>\n       waarin artikel 6 de Koning machtigt om een algemeen reglement inzake de gerechtskosten in strafzaken aan te nemen).<br \/>\n       Beoordeling<br \/>\n       IX-10.266-20\/41<br \/>\n       30. De bestreden beslissing reduceert een aantal kostenstaten omwille van het feit dat de verzoekende partij foutieve tarieven heeft gehanteerd door zelf de bedragen te indexeren.<br \/>\n       De bestreden beslissing bevat het volgende tekstgedeelte (met weglating van de voetnoten):<br \/>\n       \u201c4.3.6. Voor een aantal kostenstaten werd het zogenaamd niet-betwistbaar gedeelte betaald.<br \/>\n       Het gaat dus om kostenstaten die werden gereduceerd, en dit omwille van diverse redenen (zie bijlage 2 punten F en G).<br \/>\n       Meer bepaald werden volgende onregelmatigheden\/fouten vastgesteld:<br \/>\n       [\u2026]<br \/>\n       d) Toepassen van foutieve tarieven \u2013 in het bijzonder de betwisting rond de indexering.<br \/>\n       De onder punt G vermelde kostenstaten werden in hoofdzaak gereduceerd omwille van het feit dat [de zaakvoerder van de verzoekende partij]<br \/>\n       foutieve tarieven heeft gehanteerd voor de berekening van de door hem uitgevoerde prestaties in de loop van 2018 en 2019.<br \/>\n       Op 30 december 2016 werd het KB van 22\/12\/2016 tarief vertalers\/tolken gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dit KB is in werking getreden op 1 januari 2017. In dit KB worden de tarieven vastgesteld welke de vertalers en tolken mogen aanrekenen voor hun prestaties die zij hebben uitgevoerd in strafzaken, op vordering van de gerechtelijke overheden.<br \/>\n       Daarnaast worden ook een aantal tariefaanpassingen voorzien voor bijzondere gevallen.<br \/>\n       Zowel in 2018 als in 2019 werden de tarieven ge\u00efndexeerd, en zoals reeds jaren gebruikelijk was, gepubliceerd bij wijze van ministeri\u00eble omzendbrieven (voor 2018 ministeri\u00eble omzendbrief 131\/5 van 25\/09\/2018 voor 2018; en ministeri\u00eble omzendbrief 131\/6 van 24\/06\/2019<br \/>\n       voor 2019).<br \/>\n       In 2019 werd uiteindelijk een nieuwe regelgeving voorzien voor wat betreft de gerechtskosten in strafzaken en de daarmee gelijkgestelde kosten, zijnde:<br \/>\n       &#8211; de Wet gerechtskosten van 23\/03\/2019 \u2013 inzake beroepsprocedure;<br \/>\n       &#8211; Gerechtskostenbesluit van 15\/12\/2019 \u2013 inzake beroepsprocedure.<br \/>\n       In artikel 28 van dit KB wordt gesteld dat de bedragen bepaald in de tariefbesluiten elk jaar op 1 januari worden aangepast aan de afgevlakte gezondheidsindex van de voorgaand maand december, en dat ze worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad voor 30 januari.<br \/>\n       Deze nieuwe regelgeving is in werking getreden op 1 januari 2020. Vanaf deze datum is er dan ook geen discussie mogelijk omtrent de indexering van de tarieven die gelden in strafzaken en de daarmee gelijkgestelde<br \/>\n       IX-10.266-21\/41<br \/>\n       kosten.<br \/>\n       De [zaakvoerder van de verzoekende partij] is echter de mening toegedaan dat, voor wat betreft de prestaties die werden uitgevoerd in 2018 en 2019, de basistarieven zoals vastgesteld in het KB van 22\/12\/2016 tarief vertalers\/tolken, ge\u00efndexeerd moeten worden overeenkomstig de artikelen 148 en 149 van het KB van 28 december 1950 houdende het algemeen regelement op de gerechtskosten in strafzaken:<br \/>\n       [\u2026]<br \/>\n       De FOD Justitie blijft bij haar standpunt dat de bedragen, zoals ge\u00efndexeerd door de [zaakvoerder van de verzoekende partij] persoonlijk, niet aanvaardbaar zijn. Elk van de volgende argumenten afzonderlijk is voldoende om niet van standpunt te wijzigen:<br \/>\n       1) Gerechtskosten in strafzaken en de daarmee gelijkgestelde zaken worden beschouwd als een aangelegenheid die door de Grondwet is voorbehouden aan de wetgevende macht. Dit betekent dat de uitvoerende macht in principe niet bevoegd is om regelgeving hieromtrent uit te vaardigen.<br \/>\n       In voorbehouden aangelegenheden kan evenwel aan de uitvoerende macht een ruimere bevoegdheid worden opgedragen, zij het onder bepaalde strikte voorwaarden:<br \/>\n       &#8211; de machtiging moet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn;<br \/>\n       &#8211; de machtigingswet moet voorzien in een bekrachtiging, binnen een relatief korte termijn, van de besluiten die op grond van die machtiging werden uitgevaardigd;<br \/>\n       &#8211; wanneer de besluiten niet binnen de gestelde termijn zijn bekrachtigd door de wetgever, moeten zij geacht worden nooit uitwerking te hebben gehad.<br \/>\n       Op grond van artikel 6 van de Programmawet (II) wordt aan de Koning machtiging verleend om bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een algemeen reglement inzake gerechtskosten in strafzaken houdende bepaling van een lijst van gerechtskosten, de tarifering en de betalings- en inningsprocedure ervan aan te nemen.<br \/>\n       Behalve voor wat betreft de betalings- en inningsprocedure, worden de besluiten die genomen worden in toepassing van het voorgaande, bij wet bekrachtigd binnen 24 maanden volgend op de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.<br \/>\n       Bij Wet van 11\/07\/2018 diverse bepalingen in strafzaken, werd het KB<br \/>\n       van 22\/12\/2016 tarief vertalers\/tolken door het parlement bekrachtigd met uitwerking op de datum van haar inwerkingtreding \u2013 zijnde op 1 januari 2017. Het KB van 22\/12\/2016 tarief vertalers\/tolken kan niet gezien worden als een algemeen uitvoeringsbesluit; door de bekrachtiging ervan door het parlement betreft het een akte met kracht van wet.<br \/>\n       Dit heeft tot gevolg dat de berekeningswijze die wordt voorzien in artikel 149 van het KB 28\/12\/1950, niet kan worden toegepast op de nieuwe tarieven die zijn bepaald in het KB van 22\/12\/2016 tarief vertalers\/tolken, aangezien in artikel 149 wordt verwezen naar de in artikel 148 bedoelde bedragen.<br \/>\n       IX-10.266-22\/41<br \/>\n       De vertalers en tolken kunnen met andere woorden, sedert de inwerkingtreding van het KB van 22\/12\/2016 tarieven vertalers\/tolken, geen rechten afdwingen op basis van de artikelen 148 en 149 van het KB<br \/>\n       van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.<br \/>\n       De FOD Justitie was van haar kant niet langer verplicht het indexeringsmechanisme zoals vastgelegd in de artikelen 148 en 149 van het KB van 28 december 1950 toe te passen op het nieuwe tariefbesluit van 22\/12\/2016 tarieven vertalers\/tolken.<br \/>\n       Het stond de FOD Justitie dus vrij om een ander mechanisme toe te passen, hetgeen ze ook heeft gedaan, of zelfs om er geen toe te passen, aangezien indexering geen recht is bij gebreke van een uitdrukkelijke reglementering waarin het is vastgelegd.<br \/>\n       Het is dan ook uit billijkheidsoverwegingen dat de FOD Justitie heeft gekozen voor de toepassing van het indexeringsmechanisme dat ook wordt toegepast voor alle andere vormen van inkomen overeenkomstig de Wet werkgelegenheid van 23\/04\/2015. Dergelijke toepassing is mede te rechtvaardigen om een eerlijk evenwicht te vinden tussen de budgettaire noodzaak om de overheidsuitgaven binnen te perken te houden enerzijds, en de belangen van de vertalers en tolken anderzijds.<br \/>\n       2) In zijn verzoekschrift heeft de [zaakvoerder van de verzoekende partij]<br \/>\n       aangegeven dat STATBEL hem \u2018bevestigd\u2019 heeft dat de co\u00ebffici\u00ebnt voor 2018 zou uitkomen op 2,20; en voor 2019 op 2,30.<br \/>\n       Uit de correspondentie met STATBEL blijkt onder meer het volgende:<br \/>\n       Antwoord STATBEL 7 februari 2018:<br \/>\n       \u2018Doorgaans wordt een indexering als volgt berekend:<br \/>\n       Vermenigvuldig het bedrag met de huidige consumptieprijsindex en deel door de consumptieprijsindex van de periode wanneer het tarief van toepassing was.<br \/>\n       Op het moment dat de nieuw tarieven werden gepubliceerd (december 2016) was de index van november 2016 van toepassing: 103,97<br \/>\n       (basis 2013 = 100).<br \/>\n       Om de tarieven te indexeren vermenigvuldigt u deze met de index van december 2017 (= 106,15 volgens basis 2013 = 100) en deelt u door 103,97 of vermenigvuldigt u de tarieven met een factor 1,021.\u2019 Na herformulering van zijn vraag geeft STATBEL op 8 februari 2018 het volgende antwoord:<br \/>\n       \u2018Vooreerst wens ik te herhalen dat uw vraag niet onder onze bevoegdheid valt. Onze dienst berekent weliswaar de consumptieprijsindex en de gezondheidsindex, maar is niet verantwoordelijk voor de toepassing ervan in de verschillende deelgebieden. Gelieve u tot de FOD Justitie op het onderstaande adres te richten \u2026<br \/>\n       Verder kunt u de waarde \u2018172\u2019 of de basisindex (wat in de noemer van de breuk dient te komen) van toepassing op het moment dat het KB werd gepubliceerd (3\/1983) nu niet meer hanteren. Op het moment dat de nieuwe tarieven werden gepubliceerd (12\/2016) was de waarde van de consumptieprijsindex immers niet meer dezelfde.<br \/>\n       IX-10.266-23\/41<br \/>\n       Indien de formule uit 1983 wordt toegepast waarbij het gemiddelde van de consumptieprijsindex van augustus tot en met november 2017 wordt genomen als nieuwe index (wat in de teller van de breuk dient te komen), dient u die waarde nog steeds af te zetten ten opzichte van een basisindex (in principe de index van toepassing op het moment dat de nieuwe tarieven werden gepubliceerd: dus consumptieprijsindex november 2016:<br \/>\n       103,97 (basis 2013 = 100).<br \/>\n       \u2026\u2019 Pas nadat de [zaakvoerder van de verzoekende partij] zijn vraag andermaal heeft geherformuleerd antwoordde STATBEL op 9 februari 2018 het volgende:<br \/>\n       \u2018Indien u zich wat betreft de indexeringsregel enkel dient te baseren op het artikel uit 1983 (en het KB uit 2016 hier niets aan wijzigt), dient u het basisjaar 1974\/75 te hanteren. Dit is het basisjaar dat van kracht was in 1983 en dat is ook het basisjaar volgens welke de waarde \u2018172\u2019 werd bepaald. \u2026\u2019 Het is op basis van dit laatste antwoord dat de [zaakvoerder van de verzoekende partij] de tarieven, die werden gepubliceerd bij KB van 22<br \/>\n       december 2016, zelf heeft ge\u00efndexeerd met de co\u00ebffici\u00ebnt 2,20 voor 2018<br \/>\n       en 2,30 voor 2019.<br \/>\n       Er kan worden vastgesteld dat STATBEL haar antwoorden heeft geformuleerd onder het grootste voorbehoud, dit aangezien de [zaakvoerder van de verzoekende partij] bleef aandringen op een berekening zoals hij die voorhield, en op basis van onvolledige informatie.<br \/>\n       STATBEL heeft daarenboven duidelijk vermeld dat zij niet bevoegd is voor de toepassing van de indexeringsregels in specifieke deelgebieden, maar dat dit in casu behoort tot de bevoegdheid van de FOD Justitie.<br \/>\n       STATBEL kan zich bijgevolg niet uitspreken over het correct interpreteren van de indexeringsregels die zouden gelden voor prestaties van vertalers en tolken op vordering van de gerechtelijke overheden in strafzaken.<br \/>\n       Ook de [zaakvoerder van de verzoekende partij] is als prestatieverlener niet bevoegd om de tarieven zelf te gaan indexeren. Het is de FOD Justitie die bevoegd is om de tarieven te indexeren, de toepasselijke regels te bepalen en ze te publiceren.<br \/>\n       Het KB van 22\/12\/2016 tarieven vertalers\/tolken voorziet in een volledig nieuw tariferingssysteem waarbij de tarieven substantieel werden verhoogd in overeenstemming met de economische realiteit in 2016. Deze bedragen dienen jaarlijks te worden ge\u00efndexeerd met als doel de inflatie die in verhouding met het voorgaande jaar heeft plaatsgevonden, te neutraliseren; dit om een gelijkwaardige koopkracht te kunnen garanderen.<br \/>\n       De toepassing zoals gemaakt door de [zaakvoerder van de verzoekende partij] zou betekenen dat er tussen 2017 en 2018 er een inflatie zou hebben plaatsgevonden van meer dan 100%, wat geenszins het geval was.<br \/>\n       Dergelijke toepassing is niet in overeenstemming met de geest en de doelstelling van de regelgeving zoals hierboven omschreven. Deze<br \/>\n       IX-10.266-24\/41<br \/>\n       toepassing zou neerkomen op onbillijke en niet bedoelde bedragen.<br \/>\n       Men zou zelfs kunnen stellen dat dit een schending zou uitmaken van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel ten aanzien van alle andere prestatieverleners die eveneens werken op vordering van de gerechtelijke overheden, die in het recentelijke verleden nog geen nieuwe \u2013 aan de economische realiteit aangepaste \u2013 tarieven hebben verkregen.<br \/>\n       3) Met de invoering van de wet werkgelegenheid van 23\/04\/2015 werden de indexformules voor zowat alle vormen van inkomen op dezelfde basisprincipes gestoeld, met name de toepassing van de afgevlakte gezondheidsindex.<br \/>\n       In zijn verzoekschrift heeft de [zaakvoerder van de verzoekende partij] het volgende gesteld:<br \/>\n       \u2018De Wet van 23 april 2015 tot verbetering van de werkgelegenheid (B.S.<br \/>\n       27 april 2015) heeft artikel 2 van het KB van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van \u2019s lands concurrentievermogen (B.S.31 december 1993) gewijzigd door een nieuw Hoofdstuk II in Titel I van het voormelde KB in te voegen.<br \/>\n       Als ik het toepassingsgebied van dit KB lees, dan kom ik tot de conclusie dat dit niet van toepassing is op mijn situatie. Ik ben zaakvoerder van een BVBA en lever vertaal- en tolkdiensten aan een FOD. De betrokken FOD<br \/>\n       heeft mij meermaals bevestig[d] dat ik geen werknemer ben en dat ik niet onder hun gezag sta. Ik mag hier toch uit besluiten dat de betaling van mijn facturen door de betrokken FOD geen loon uitmaakt en dat bovenvermelde wet niet van toepassing is op de diensten die ik lever?\u2019 Door deze wijziging wordt in het KB van 24\/12\/1993 een nieuwe wijze van indexering ingevoerd, zijnde de toepassing van de gezondheidsindex en de afgevlakte gezondheidsindex. Het uiteindelijke doel hiervan is de matiging van lonen, wedden en sociale uitkeringen (Titel I: matiging van lonen, wedden en sociale uitkeringen).<br \/>\n       De [zaakvoerder van de verzoekende partij] stelt in zijn verzoekschrift dat zijn situatie \u2013 zijnde zaakvoerder van een bvba \u2013 niet valt onder dit toepassingsgebied waardoor de volgende hoofdstukken van dit KB \u2013 de toepassing van de al dan niet afgevlakte gezondheidsindex \u2013 niet van toepassing zouden zijn op zijn prestaties.<br \/>\n       De prestaties die vertalers en tolken uitvoeren op vordering van de gerechtelijke overheden in strafzaken kunnen inderdaad niet gezien worden als een contractuele arbeidsovereenkomst waarbij een loon wordt overeengekomen en\/of wordt uitbetaald.<br \/>\n       Het toepassingsgebied van het voornoemde KB is echter niet beperkt tot lonen die betaald moeten worden door een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst, maar ook op personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder gezag, op het overheidspersoneel in de meest ruime zin, en op alle mogelijke sociale uitkeringen.<br \/>\n       Op basis van een grondige lezing van zowel de Wet werkgelegenheid van 27\/04\/2015 en de daarbij horende parlementaire werkzaamheden, alsook het KB van 24\/12\/1993 en het daarbij horende verslag aan de Koning, kan niet worden besloten dat de \u2018situatie\u2019 van de [zaakvoerder van de<br \/>\n       IX-10.266-25\/41<br \/>\n       verzoekende partij] en\/of zijn bvba TRADHO \u2013 voor wat betreft de uitvoering van zijn opdrachten op vordering van de gerechtelijke overheden \u2013 niet zou vallen onder het toepassingsgebied.<br \/>\n       Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een zeer ruime interpretatie aan het begrip \u2018inkomen\u2019 geeft in het kader van de regeling van het inkomensbeleid:<br \/>\n       \u2018Het inkomensbeleid is het geheel van middelen aangewend door de Staat om de vrije vaststelling van de vergoedingen van de verschillende inkomenscategorie\u00ebn te be\u00efnvloeden.<br \/>\n       De tussenkomst van de Staat beoogt de omkadering van de evolutie van alle inkomens teneinde de concurrentiepositie van de Belgische economie te vrijwaren en sociale rechtvaardigheid te cre\u00ebren.<br \/>\n       Deze omkadering heeft onder meer betrekking op het algemeen verbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten, de vaststelling evenals de aanpassing van lonen en wedden zowel in de priv\u00e9 als in de openbare sector alsook van de sociale vergoedingen aan de levensduurte, de vaststelling van tarieven en honoraria van de vrije beroepen, de inkomens uit kapitaal en onroerende goederen.\u2019 De bijzondere wetgever dacht dus aan een uitgebreide lijst van inkomsten, zonder dat dit een exhaustieve opsomming vormt.<br \/>\n       Het gaat om een bevoegdheid voor algemene maatregelen waarmee de federale overheid het inkomensniveau reglementeert.\u2019 Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat alle vormen van inkomen worden geviseerd, met uitzondering van deze die ontstaan uit een relatie tussen een zelfstandige en een andere zelfstandige, en uit een relatie tussen een zelfstandige en een particulier.<br \/>\n       In casu betreft het opdrachten die vertalers en tolken uitvoeren op vordering van de gerechtelijke overheden. De tarieven die vertalers en tolken mogen aanrekenen voor hun prestaties in dit kader, zijn vastgelegd in wettelijke en reglementaire bepalingen, met name in het KB van 16\/12\/2016 tarieven vertalers\/tolken. Dit KB werd bij Wet van 11\/07\/2018 diverse bepalingen (artikel 80) bekrachtigd met uitwerking op de datum van haar inwerkingtreding.<br \/>\n       Met andere woorden, vertalers en tolken die werken voor de gerechtelijke overheden bepalen niet, zoals de \u2018gewone zelfstandigen\u2019, hun vergoeding.<br \/>\n       De vergoedingen\/erelonen die zij mogen aanrekenen worden \u2013 in het kader van het algemeen belang en ter vrijwaring van de gelijke rechten van een beklaagde overeenkomstig de artikelen 10 GW. en artikel 6<br \/>\n       E.V.R.M. \u2013 eenzijdig vastgesteld door de overheid. Die overheid bepaalt zelf de tarief- of honorariaschalen.<br \/>\n       Vertalers en tolken die opdrachten uitvoeren voor de gerechtelijke overheden maken voor hun prestaties ook geen \u2018facturen\u2019 op, maar \u2018kostenstaten\u2019. Bij het opmaken van hun kostenstaten zijn zij gebonden door een specifieke administratieve regeling, die niet van toepassing is op de gewone economische \u2018facturen\u2019 zoals die worden opgesteld door zelfstandigen.<br \/>\n       [\u2026]<br \/>\n       Er kan worden besloten dat het beroep van de be\u00ebdigde vertalers en tolken<br \/>\n       IX-10.266-26\/41<br \/>\n       gezien moet worden als een vrij beroep waarvoor de tarieven waarop zij aanspraak kunnen maken reglementair, en inmiddels bekrachtigd door de wetgever, zijn vastgesteld in een tarief- of honorariaschaal.<br \/>\n       4) De ge\u00efndexeerde tarieven voor de gerechtskosten worden al sedert 2009 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad bij wijze van ministeri\u00eble omzendbrief.<br \/>\n       De [zaakvoerder van de verzoekende partij] stelt zich niet bijzonder consequent op als het gaat om het \u2018statuut\u2019 van de be\u00ebdigde vertalers en tolken die werken voor de gerechtelijke overheden in strafzaken. In het kader van een ander beroepschrift verwijst hij zelf naar het antwoord op een parlementaire vraag van volksvertegenwoordiger Stefaan Van Hecke.<br \/>\n       Op 18 juli 2018 antwoordde de toenmalige minister Koen Geens het volgende: \u2018voor tolken wordt het weekend- en nachtwerk afgestemd op de regeling die in het openbaar ambt van toepassing is\u2019.<br \/>\n       Enerzijds stellen dat het statuut van de vertalers en tolken moet gelijkgesteld worden met de personeelsleden van het openbaar ambt als het gaat over de toepassing van het weekend- en nachtwerk; en anderzijds stellen dat de toepassing van de afgevlakte gezondheidsindex \u2013 die eveneens geldt voor de personeelsleden van het openbaar ambt \u2013 dan weer niet van toepassing zou zijn voor de vertalers en tolken die opdrachten uitvoeren voor de gerechtelijke overheden in strafzaken, is contradictorisch.<br \/>\n       In 2007 werd een nieuw Koninklijk besluit gepubliceerd (KB van 27 april 2007 houdende algemeen reglement op gerechtskosten in strafzaken). In artikel 2 van dit KB werd gesteld dat de krachtens dit reglement vastgestelde bedragen op 1 januari van elk jaar gekoppeld moeten worden aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, zoals dit voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten wordt toegepast. Daarnaast werden in dit KB ook aangepaste tarieven voorzien.<br \/>\n       Het KB van 27 april 2007 werd bij arrest nr. 188.928 van de Raad van State vernietigd. Concreet betekende dit dat men moest teruggrijpen naar de oude regelgeving van 1950. Dit hield echter ook in dat tarievenlijst, die als bijlage aan dit KB werd gevoegd (op dat ogenblik tarieven uit 1999), opnieuw toepasselijk zou zijn. Om te vermijden dat de prestatieverleners terug zouden vallen op de oude tarieven werd, bij wijze van ministeri\u00eble omzendbrief 131 d.d. 22 januari 2009, aan de taxerende overheid de opdracht gegeven om hogere tarieven toe te passen, waarvoor in de omzendbrief een maximumbedrag werd voorzien. Daarna werden nog diverse omzendbrieven gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad waarin de tarieven werden ge\u00efndexeerd.<br \/>\n       De reden van vernietiging had overigens niets te maken met de inhoud van het KB (of met de indexering), maar enkel omwille van de adviesinwinning bij de Raad van State. In elk geval kan op basis hiervan besloten worden dat de regelgever reeds in die periode de intentie heeft meegedeeld om de prestaties die vertalers en tolken (alsook alle andere experten) die opdrachten uitvoeren op vordering van de gerechtelijke overheden, hun indexeringsmechanisme af te stemmen zoals deze voor de<br \/>\n       IX-10.266-27\/41<br \/>\n       personeelsleden bij het openbaar ambt.<br \/>\n       In artikel 3 van Programmawet (II) van 27 december 2006 wordt onder meer ook gesteld dat na de uitvoering van de opdracht, de vorderende magistraat de kwaliteit van de verleende dienst controleert alsook de gelijkvormigheid van de tarifering, waarna hij de onkostenstaat diende vast te stellen.<br \/>\n       De vorderende magistraat was bij de beoordeling hiervan gebonden door de tarieven die werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.<br \/>\n       5) Tot slot is het ook aangewezen om kort te verwijzen naar de achterliggende grondslag van de tarieven die gelden in strafzaken. Het is immers noodzakelijk voor een overheid om haar budgettaire overheidsuitgaven binnen de perken te houden. De erelonen van vertalers en tolken worden immers betaald door de overheid \u2013 lees de belastingbetaler. Dit zijn geen recupereerbare kosten, en zowel op basis van nationaal als internationaal recht wordt de overheid verplicht om deze kosten volledig op zich te nemen. Het beheren en beheersen van de staatsbudgetten raakt het algemeen belang van de Staat, waaraan prioriteit moet worden gegeven.\u201d<br \/>\n       31. In het tweede middelonderdeel gaat de verzoekende partij ervan uit dat de artikelen 148 en 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950, die betrekking hebben op indexering, van toepassing zijn op de kostenstaten uit 2018 en 2019 voor vertaal- en tolkdiensten.<br \/>\n       Deze bepalingen luiden als volgt:<br \/>\n       \u201cArt. 148. Met ingang van 1 januari 1984 worden de in het algemeen reglement vastgestelde bedragen en de krachtens dit algemeen reglement door de Minister van Justitie bepaalde bedragen op 1 januari van elk jaar gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.<br \/>\n       Art. 149. De in het vorige artikel bedoelde bedragen worden op 1 januari van elk jaar vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller het rekenkundig gemiddelde is van de indexcijfers van de consumptieprijzen van de maanden augustus tot november inbegrepen van het voorafgaand jaar, en de noemer 172. De honderdsten van de teller beneden vijf worden verwaarloosd en de honderdsten gelijk of boven vijf worden afgerond op het hogere tiende.\u201d<br \/>\n       Deze artikelen zijn opgeheven bij artikel 43 van het Gerechtskostenbesluit, met ingang van 1 januari 2020.<br \/>\n       IX-10.266-28\/41<br \/>\n       32. Afdeling II (\u2018Vertalers en Tolken\u2019), bestaande uit de artikelen 5<br \/>\n       tot 10ter, van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950, regelde de vergoedingen voor de prestaties van vertalers en tolken in strafzaken.<br \/>\n       Deze bepalingen werden reeds in 2016 opgeheven, bij artikel 10 van het koninklijk besluit van 22 december 2016. Dit laatste besluit trad in werking op 1 januari 2017 en werd bekrachtigd met uitwerking op die datum bij artikel 80, 4\u00b0, van de wet van 11 juli 2018 \u2018houdende diverse bepalingen in strafzaken\u2019.<br \/>\n       33. De verzoekende partij betwist dat als gevolg van deze opheffing in 2016 het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 op algemene wijze niet meer van toepassing zou zijn op vertalers en tolken. Zij betwist zodoende dat de prestaties van vertalers en tolken in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden vanaf 1 januari 2017 uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950.<br \/>\n       34. Daargelaten of deze opvatting van de verzoekende partij correct is, en daargelaten of uit het koninklijk besluit van 22 december 2016 moet worden afgeleid dat de prestaties van vertalers en tolken in strafzaken op algemene wijze zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 zodat de artikelen 148 en 149 niet meer op hen van toepassing zijn, moet worden vastgesteld dat de tekst van artikel 148 van dat Algemeen Reglement uitdrukkelijk verwijst naar \u201cde in het algemeen reglement vastgestelde bedragen en de krachtens dit algemeen reglement door de Minister van Justitie bepaalde bedragen\u201d.<br \/>\n       35. De bedragen en de tarieven waarop vertalers en tolken recht hebben worden met ingang van 1 januari 2017 bepaald door het koninklijk besluit van 22 december 2016, dat kracht van wet heeft. Deze bedragen zijn geen \u201cin het algemeen reglement vastgestelde bedragen\u201d, noch bedragen die door de minister<br \/>\n       IX-10.266-29\/41<br \/>\n       van Justitie krachtens dit Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 zijn bepaald.<br \/>\n       36. De bestreden beslissing gaat er dan ook terecht van uit dat de artikelen 148 en 149 van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 niet moeten worden toegepast op de kostenstaten uit 2018 en 2019, waarin bedragen zijn opgenomen die steunen op het koninklijk besluit van 22 december 2016.<br \/>\n       37. Het tweede middelonderdeel is in deze mate ongegrond.<br \/>\n       38. In zoverre de verzoekende partij zich er in het tweede onderdeel van het tweede middel op beroept dat de bestreden beslissing toepassing heeft gemaakt van onwettige omzendbrieven om de bedragen in de kostenstaten voor de jaren 2018 en 2019 te indexeren, moet worden vastgesteld dat zij hierbij geen belang heeft.<br \/>\n       De niet-toepassing van de omzendbrieven zou immers ertoe leiden dat de bedragen van die kostenstaten helemaal niet ge\u00efndexeerd worden.<br \/>\n       39. Het middelonderdeel is in de aangegeven mate ongegrond en in de aangegeven mate onontvankelijk.<br \/>\n       c. Derde middelonderdeel<br \/>\n       Standpunt van de partijen<br \/>\n       40.1. In het derde middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat de beslissing tot weigering van het toekennen van intresten de artikelen 2 en 3<br \/>\n       van de wet van 29 juli 1991 juncto artikel 6, \u00a7 3, van de wet van 23 maart 2019<br \/>\n       schendt, alsook het materi\u00eblemotiveringsbeginsel en artikel 5 van de wet van 2<br \/>\n       augustus 2002 \u2018betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties\u2019 (\u201cwet van 2 augustus 2002\u201d).<br \/>\n       IX-10.266-30\/41<br \/>\n       Ten eerste meent de verzoekende partij dat de bestreden beslissing de redelijke termijn overschrijdt, hetgeen een fout uitmaakt in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Oud Burgerlijk Wetboek. De verzoekende partij verwijst naar cassatierechtspraak waaruit volgt dat indien er sprake is van een fout moratoire intrest verschuldigd is.<br \/>\n       Ten tweede betoogt de verzoekende partij dat tolkprestaties in strafzaken gezien moeten worden als handelstransacties tussen een onderneming en de overheid, waarop de wet van 2 augustus 2002 van toepassing is. Uit artikel 5 van deze wet volgt dat de schuldeiser recht heeft op de wettelijke intrest voor betalingsachterstand. Dit artikel 5 vormt de omzetting van richtlijn 2011\/7\/EU<br \/>\n       van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 \u2018betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties\u2019. De verzoekende partij stelt dat de Europese Commissie in een antwoord op een parlementaire vraag bevestigd heeft dat het leveren van diensten in opdracht van de rechterlijke macht, zoals diensten van be\u00ebdigde vertalers, tolken en gerechtsdeskundigen, die tegen betaling door ondernemingen aan overheidsinstanties worden geleverd, een commerci\u00eble transactie is in de zin van de richtlijn.<br \/>\n       40.2. De verwerende partij antwoordt dat geen intresten op de beweerde achterstallige betalingen kunnen worden gevorderd, en wel om drie redenen. Ten eerste is de rechtsverhouding tussen de schuldeiser en de overheid in het kader van de gerechtskosten in strafzaken niet van contractuele aard. In deze rechtsverhouding worden de voorwaarden van de samenwerking eenzijdig door de overheid opgelegd. Ten tweede voorziet de wettelijke regeling inzake de gerechtskosten in strafzaken niet in de betaling van intresten. De wet van 2<br \/>\n       augustus 2002 is dan ook niet van toepassing op deze vorderingen. Ten derde is de verzoekende partij zelf oorzaak van de beweerde laattijdige betalingen. Zij is zeer slordig te werk gegaan, liet een gedeelte van haar vordering verjaren, had maanden vertraging bij de indiening van haar staten en diende niet-correcte staten in. Gelet hierop kan er alleszins geen sprake zijn van een fout in hoofde van de verwerende partij.<br \/>\n       IX-10.266-31\/41<br \/>\n       40.3. In haar laatste memorie verwijst de verwerende partij naar artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002. De Belgische Staat beantwoordt in casu niet aan het begrip \u2018overheidsinstantie\u2019 zoals gedefinieerd in artikel 2, 3\u00b0, van deze wet. De verzoekende partij ontving haar opdrachten immers niet van een aanbestedende dienst, maar van de gerechtelijke overheden. Aangezien deze prestaties in de sector van het strafrecht worden geleverd op eenzijdige vordering van het Openbaar Ministerie en onderzoeksrechters is er geen sprake van een contractuele verhouding tussen de partijen. De prestatieverleners moeten de opdracht inhoudelijk aannemen of weigeren en moeten de tarieven gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad naleven, zonder ruimte tot onderhandelen. Uit arrest nr.<br \/>\n       33\/2021 van het Grondwettelijk Hof volgt dat de wet van 17 juni 2016 \u2018inzake overheidsopdrachten\u2019 niet van toepassing is op prestatieverleners, thans opgenomen in het nationaal register van gerechtsdeskundigen en vertalers\/tolken.<br \/>\n       Voorts blijkt duidelijk uit de definitie van \u2018overheidsinstantie\u2019 in artikel 2, 3\u00b0, van de wet van 2 augustus 2002, waarin wordt verwezen naar \u2018aanbestedende diensten\u2019 in de zin van de Europese richtlijnen betreffende de co\u00f6rdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten of van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, dat deze wet enkel van toepassing is op overeenkomsten met de overheid in het kader van een overheidsopdracht. De wijziging van deze wet door de wet van 22 november 2013 verandert niets aan dit standpunt. Ter ondersteuning van haar argumentatie verwijst de verwerende partij naar een arrest van het hof van beroep te Brussel (Brussel 4 februari 2020, rolnummer 2017\/AR\/911). Dit arrest betreft de betaling van ereloonstaten door de Belgische Staat aan een persoon die regelmatig wordt aangesteld als gerechtsdeskundige in strafzaken. Het hof van beroep is van oordeel dat de betrokkene een onderneming vormt in de zin van artikel 2, 2\u00b0, van de wet van 2<br \/>\n       augustus 2002 en de door hem geleverde diensten een handelstransactie in de zin van artikel 2, 1\u00b0, van dezelfde wet. Het hof oordeelt evenwel dat de Belgische Staat in casu niet beantwoordt aan het begrip \u2018overheidsinstantie\u2019 in de zin van<br \/>\n       IX-10.266-32\/41<br \/>\n       artikel 2, 3\u00b0, van de wet. De gerechtsdeskundige ontving de opdrachten niet van een \u201caanbestedende dienst\u201d maar wel van het parket van de procureur des Konings of van de onderzoeksrechter in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Uit de definitie van \u2018overheidsinstantie\u2019 in artikel 2, 3\u00b0, van de wet blijkt duidelijk dat de wet \u201cenkel van toepassing is op overeenkomsten met de overheid in het kader van een overheidsopdracht\u201d.<br \/>\n       40.4. In haar laatste memorie betwist de verzoekende partij dat zij zelf mee verantwoordelijk zou zijn voor \u201chet gegeven dat niet voor de gehele laattijdige betalingstermijn interestbetalingen verschuldigd zijn\u201d. De verzoekende partij wijst, steunend op de resultaten van een audit inzake gerechtskosten uitgevoerd als onderdeel van het auditplan 2022-2023 van de federale dienst Interne Audit, op een algemeen en structureel probleem binnen de overheid inzake onvoldoende middelen om de gerechtskosten te dekken, het te laat betalen van onkostenstaten en de onzorgvuldige behandeling ervan.<br \/>\n       Wat betreft het toepassingsgebied van de wet van 2 augustus 2002 meent de verzoekende partij dat de verwerende partij hieraan een veel te eng toepassingsgebied geeft. Zij verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 16 januari 2020 waarin over de taxatie en de betaling van de onkostenstaat van een gerechtsdeurwaarder werd gesteld dat de omstandigheid dat de opdrachten verband houden met taken waartoe de gerechtsdeurwaarder verplicht is op grond van het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950, geen afbreuk doet aan het feit dat de verplichting van de Staat tot betaling van een onkostenstaat van een gerechtsdeurwaarder die door het Openbaar Ministerie werd gevorderd om bepaalde opdrachten uit te voeren, een verbintenis inhoudt die primair strekt tot betaling van een geldsom, waarop moratoire intrest verschuldigd is indien de betaling niet gebeurt binnen een redelijke termijn en na aanmaning. Het Algemeen Reglement Gerechtskosten 1950 bevat geen bepalingen betreffende nalatigheidsintresten of andere vergoedingen voor vertragingen in de betaling. Evenwel is het Burgerlijk Wetboek van aanvullend recht, zo ook oud artikel 1153, eerste lid, (thans artikel 5.240 nieuw) Burgerlijk<br \/>\n       IX-10.266-33\/41<br \/>\n       Wetboek dat in een wettelijke intrest voorziet ingeval van betaling van een geldschuld met vertraging, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.<br \/>\n       Zelfs indien de bijzondere wettelijke intrestvoet waarin artikel 5 van de wet van 2<br \/>\n       augustus 2002 voorziet niet van toepassing is, dan is de algemene intrestvoet van toepassing. De stelling van de verwerende partij dat geen verwijlintresten verschuldigd zijn, is derhalve onjuist. De wet van 2 augustus 2002 doet de intrest van rechtswege lopen.<br \/>\n       Beoordeling<br \/>\n       41. De verzoekende partij bestrijdt met dit middelonderdeel de weigering van de verwerende partij om verwijlintresten te betalen. In het bestreden besluit staat hieromtrent (met weglating van de voetnoten):<br \/>\n       \u201cDe verwijlintresten In zijn verzoekschrift vraagt de [zaakvoerder van de verzoekende partij]<br \/>\n       om de betaling van de wettelijke intresten op de hoofdsom, dit te rekenen vanaf 7 februari 2019, datum waarop hij de dienst gerechtskosten in gebreke zou hebben gesteld.<br \/>\n       In het kader van gerechtskosten in strafzaken kunnen geen nalatigheidsintresten worden betaald om volgende redenen:<br \/>\n       De rechtsverhouding tussen een prestatieverlener en de overheid in het kader van de gerechtskosten in strafzaken is niet van contractuele aard.<br \/>\n       Gerechtskosten in strafzaken betreffen een publiekrechtelijke vorderingsregeling, waarbij elke toestemming die is vereist voor de totstandkoming van een civielrechtelijke overeenkomst, is uitgesloten. De voorwaarden worden niet onderhandeld, maar worden eenzijdig door de overheid bepaald. Bijgevolg zijn de bepalingen uit het burgerlijk recht niet van toepassing op kostenstaten (zoals de regels in verband met intresten op laattijdige betalingen);<br \/>\n       Deze rechtsverhouding wordt beheerst door eenzijdig bepaalde voorwaarden in de betrokken regelgeving, die in casu niet voorziet in het verschuldigd zijn van intresten. Of anders gesteld, de regelgeving inzake gerechtskosten in strafzaken voorziet geen mogelijkheid om aanspraak te kunnen maken op intresten;<br \/>\n       De overheid kan alleen betalen wat uitdrukkelijk door de wet is bepaald.<br \/>\n       Dit werd reeds eerder bevestigd in rechtspraak.<br \/>\n       Bovendien kan gewezen worden op het feit dat de [zaakvoerder van de verzoekende partij] zelf zeer slordig tewerk gaat als het gaat om het indienen van zijn kostenstaten.<br \/>\n       Onder het oude systeem liet hij hele stapels kostenstaten verjaren, diende<br \/>\n       IX-10.266-34\/41<br \/>\n       ze maanden te laat in, om dan vervolgens de gunst van de opheffing van de verjaring te vragen zoals voorzien in artikel 86 van het KB van 28\/12\/1950 \u2013 Algemeen reglement gerechtskosten in strafzaken.<br \/>\n       De eerste keer werd hij gewaarschuwd dat deze gunst gezien moet worden als \u2018uitzonderlijk\u2019, en in de praktijk uitsluitend werd toegestaan in geval van overmacht. Dit belette hem niet om het jaar daarop opnieuw om deze gunst te \u2018eisen\u2019 alsof dit een verworven recht was.<br \/>\n       Heel wat kostenstaten bleven ook onbetaald aangezien ze niet correct waren, waarop de betrokken griffie vroeg om de nodige correcties door te voeren, en waarop nooit enige reactie volgde van de [zaakvoerder van de verzoekende partij]. Onder het oude systeem was het niet mogelijk voor de griffier om niet correcte kostenstaten in betaling te zetten.<br \/>\n       Er kan met andere woorden worden vastgesteld dat de [zaakvoerder van de verzoekende partij] minstens medeverantwoordelijk was voor de vertragingen, waarvoor hij nu verwijlintresten vraagt.<br \/>\n       Rekening houdend met het voorgaande wordt zijn vraag tot betaling van verwijlintresten afgewezen.\u201d<br \/>\n       42. In zoverre de verzoekende partij aan de Raad van State vraagt om vast te stellen dat de overschrijding van de redelijke termijn bij het nemen van de bestreden beslissing een fout uitmaakt in de zin van de artikelen 1382 en 1383<br \/>\n       van het Oud Burgerlijk Wetboek, is het middel onontvankelijk. De Raad van State is niet bevoegd om na te gaan of er sprake is van een fout in de zin van het civiele aansprakelijkheidsrecht.<br \/>\n       43. De verzoekende partij voert in hoofdzaak aan dat de bestreden beslissing geen verwijlintresten heeft toegekend, hoewel ze dit wel had moeten doen aangezien uit artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 volgt dat de verzoekende partij als schuldeiser recht heeft op de wettelijke intrest voor betalingsachterstand. De verzoekende partij en de verwerende partij verschillen daarbij van mening over de vraag of de wet van 2 augustus 2002 van toepassing is op de prestaties die door de verzoekende partij zijn geleverd.<br \/>\n       44. Artikel 6 van de wet van 23 maart 2019 voorziet in een procedure waarbij de prestatieverlener voor zijn prestaties kostenstaten opstelt en indient bij het bevoegde taxatiebureau. Dit taxatiebureau bezorgt de goedgekeurde kostenstaten aan het vereffeningsbureau dat controleert of de<br \/>\n       IX-10.266-35\/41<br \/>\n       informatie die noodzakelijk is voor de vereffening werd overgezonden en dat de betaling van de kostenstaten gelast.<br \/>\n       Het taxatiebureau kan de kostenstaat weigeren of verminderen.<br \/>\n       Als de prestatieverlener niet akkoord gaat met de weigering of de verbetering van zijn kostenstaat, of met een andere beslissing van het taxatiebureau in zoverre het gaat om het toegepaste tarief, de berekening van de vergoeding en haar eventuele supplementen, kan hij tegen deze beslissing in beroep gaan bij de directeur-<br \/>\n       generaal.<br \/>\n       Gelet op artikel 6, \u00a7 3, van de wet van 23 maart 2019 is de Raad van State bevoegd om uitspraak te doen over de beslissing van de directeur-<br \/>\n       generaal die beslist over het beroep van de prestatieverlener. De Raad van State is eveneens bevoegd voor vernietigingsberoepen tegen beslissingen van het taxatiebureau, die worden betwist omwille van andere redenen dan het toegepaste tarief, de berekening van de vergoeding en haar eventuele supplementen.<br \/>\n       45. In voorliggend geval ligt er weliswaar geen (stilzwijgende)<br \/>\n       weigeringsbeslissing van het taxatiebureau voor, maar wel een stilzwijgende beslissing van de taxerende magistraat, in overeenstemming met de regeling zoals die gold v\u00f3\u00f3r de wet van 23 maart 2019.<br \/>\n       Aangezien de overgangsregeling in artikel 17\/1 van de wet van 23 maart 2019 verwijst naar de procedure van artikel 6, \u00a7 3, maakt dit gegeven evenwel geen verschil uit voor de hierna volgende beoordeling van de bevoegdheid van de directeur-generaal.<br \/>\n       46. De directeur-generaal beslist over het verschuldigde bedrag en bepaalt de hoofdsom op grond van het toe te passen tarief en de berekening van de vergoeding. De betwistingen hierover komen, op de hierv\u00f3\u00f3r vermelde wijze, toe aan de Raad van State.<br \/>\n       IX-10.266-36\/41<br \/>\n       Het voorwerp van deze beslissing van de directeur-generaal is te onderscheiden van de vragen op welk ogenblik de schuld opeisbaar is, of er al dan niet verwijlintresten moeten worden betaald en op grond van welke wettelijke regeling deze verwijlintresten verschuldigd zouden zijn.<br \/>\n       De vraag van de verzoekende partij om verwijlintresten toe te kennen op de hoofdsom vanaf de datum waarop zij beweert een ingebrekestelling te hebben verstuurd, behoort als dusdanig niet tot de opdracht van het bevoegde taxatiebureau (of voordien de taxerende magistraat) om de kostenstaten te verifi\u00ebren, noch tot de bevoegdheid van de directeur-generaal.<br \/>\n       47. Aangezien de bevoegdheid van de directeur-generaal beperkt is tot het nemen van een beslissing over \u201chet toegepaste tarief, de berekening van de vergoeding en haar eventuele supplementen\u201d, beschikt hij niet over de bevoegdheid om een uitspraak te doen over de vraag van de verzoekende partij tot betaling van wettelijke intresten op de hoofdsom wegens laattijdige betaling.<br \/>\n       Door hierover in de bestreden beslissing toch uitspraak te doen, gaat de directeur-generaal de hem door artikel 6, \u00a7 3, van de wet van 23 maart 2019 toegekende bevoegdheid te buiten. De bestreden beslissing schendt aldus dit artikel 6, \u00a7 3, in zoverre ze zich uitspreekt over de vraag tot betaling van verwijlintresten.<br \/>\n       48. Het middelonderdeel is, desnoods ambtshalve geherformuleerd, in de aangegeven mate gegrond.<br \/>\n       VII. Gedeeltelijke vernietiging<br \/>\n       49. De bestreden beslissing is in beginsel \u00e9\u00e9n en ondeelbaar. Dit impliceert dat wanneer de Raad van State heeft vastgesteld dat in het ontvankelijk annulatieberoep een gegrond middel wordt aangevoerd hij in beginsel de beslissing in haar geheel vernietigt.<br \/>\n       IX-10.266-37\/41<br \/>\n       Een gedeeltelijke vernietiging is slechts mogelijk wanneer aan twee voorwaarden is voldaan.<br \/>\n       Vooreerst moet blijken dat de gedeeltelijke vernietiging aan de verzoekende partij volledige genoegdoening geeft in het licht van het door haar aangevoerde belang.<br \/>\n       Vervolgens moet komen vast te staan dat het vernietigde gedeelte kan worden afgesplitst van de rest van de bestreden beslissing en dat de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het overige dezelfde beslissing zou hebben genomen. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de Raad van State zich op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid zou begeven.<br \/>\n       50. Aangezien de bestreden beslissing de erkenning van subjectieve rechten \u2013 waarvan de beoordeling en de bescherming door de wetgever aan de Raad van State zijn toevertrouwd \u2013 betreft, moet worden aangenomen dat de overheid afgezien van de hierna vermelde afsplitsbare beslissingen, dezelfde beslissing zou hebben genomen. De afsplitsingen dienen tevens het belang van de verzoekende partij, die immers met het bestreden besluit een belangrijk deel van haar kosten kreeg terugbetaald.<br \/>\n       51.1. In zoverre de bestreden beslissing en bijbehorende bijlage 2<br \/>\n       geen beoordeling bevatten van de kostenstaten F17 221 en F17 293 die behoren tot het voorwerp van het administratief beroep, kan deze beslissing van de gehele bestreden beslissing worden afgesplitst.<br \/>\n       Gelet op hetgeen bij de beoordeling van het eerste middel sub 18.1, 18.2 en 20 is vastgesteld, moet de bestreden beslissing in deze mate worden vernietigd.<br \/>\n       IX-10.266-38\/41<br \/>\n       51.2. In zoverre de bestreden beslissing kostenstaat F17 121<br \/>\n       enerzijds beschouwt als verjaard en anderzijds een betaling ervan tegen een gereduceerd bedrag oplegt, kan deze beslissing van de gehele bestreden beslissing worden afgesplitst.<br \/>\n       Gelet op hetgeen bij de beoordeling van het eerste middel sub 19.1, 19.2 en 20 is vastgesteld, moet de bestreden beslissing in deze mate worden vernietigd.<br \/>\n       51.3. In zoverre de bestreden beslissing de kostenstaten voor prestaties uitgevoerd in 2016 verjaard verklaart, kan deze beslissing van de gehele bestreden beslissing worden afgesplitst. Het gaat meer bepaald om punt 4.3.3, alsook bijlage 2 \u2018evaluatie van de betrokken kostenstaten\u2019, punt C.<br \/>\n       Gelet op hetgeen bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel van het tweede middel sub 23 tot 28 is vastgesteld, moet de bestreden beslissing in deze mate worden vernietigd.<br \/>\n       51.4. In zoverre de bestreden beslissing een beslissing bevat over het al dan niet toekennen van verwijlintresten, kan deze beslissing van de gehele bestreden beslissing worden afgesplitst.<br \/>\n       Gelet op hetgeen bij de beoordeling van het derde middelonderdeel van het tweede middel sub 41 tot 48 is vastgesteld, moet de bestreden beslissing in deze mate worden vernietigd.<br \/>\n       BESLISSING<br \/>\n       1. De Raad van State vernietigt de beslissing (erratum) van de directeur-<br \/>\n       generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie bij de federale overheidsdienst Justitie van 5 april 2023 na arrest nr. 253.917 van 2<br \/>\n       juni 2022 van de Raad van State, waarbij de beslissing van de directeur-<br \/>\n       IX-10.266-39\/41<br \/>\n       generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van 11 mei 2020 inzake het beroep van de bv Tradho tegen de impliciete weigeringsbeslissingen van meerdere taxatiebureaus onder andere van Limburg, Leuven en Brussel, in verband met de goedkeuring voor betaling van haar kostenstaten, werd vernietigd, in zoverre de beslissing geen beoordeling bevat van de kostenstaten F17 221 en F17 293, in zoverre de beslissing kostenstaat F17 121 enerzijds beschouwt als verjaard en anderzijds een betaling ervan tegen een gereduceerd bedrag oplegt, in zoverre de beslissing de kostenstaten voor prestaties uitgevoerd in 2016<br \/>\n       verjaard verklaart en in zoverre de beslissing een beoordeling bevat over het al dan niet toekennen van verwijlintresten.<br \/>\n       2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.<br \/>\n       3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24<br \/>\n       euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.<br \/>\n       Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig november tweeduizend vierentwintig door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:<br \/>\n       Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman griffier.<br \/>\n       De griffier De voorzitter<br \/>\n       IX-10.266-40\/41<br \/>\n       Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren<br \/>\n       IX-10.266-41\/41<\/p>\n<p>PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557\n       <\/p>\n<p>            Gerelateerde publicatie(s)              <\/p>\n<p>citeert:<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.917         <\/p>\n<p>        <!-- Commandes de navigation page d\u00e9tail--> <\/p>\n<p>                  Print deze pagina<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>          Afdrukformaat          <\/p>\n<p>            S<br \/>\n            M<br \/>\n            L<br \/>\n            XL<\/p>\n<p>          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Sluit Tab          <\/p>\n<p>        <!-- Fin commandes de navigation page d\u00e9tail --><\/p>\n<p><!-- Action LOG \nfunction JUPORTARecordLogViewDecision  $iubel_id        : 280248\n                                       $action_type     : VIEW\n                                      &amp;$action_startmt  : 1780499226.8248\n                                      &amp;$action_duration : 91\n                                      &amp;$addressipremote : 103.115.10.116\n                                      &amp;$latitude        : '39.0469000'\n                                      &amp;$longitude       : '-77.4903000'\n                                      &amp;$accuracy        : null\n                                      &amp;$altitude        : null\n                                      &amp;$langue_view     : NL\n--><br \/>\n<!-- Action_duration 91 millisec --><br \/>\n      <!-- end of main block (division \"content\") --><\/p>\n<p>    <!-- end of division \"page_main\" --><\/p>\n<p>              &#9993; info-JUPORTAL@just.fgov.be<\/p>\n<p>              &copy;&nbsp; 2017-2026&nbsp;ICT Dienst &#8211; FOD Justitie<\/p>\n<p>  <!-- end of division \"conteneur\" --><\/p>\n<p>  <!-- Balloon system info --><\/p>\n<p>\n          Powered by PHP 8.5.0\n      <\/p>\n<p>\n          Server Software Apache\/2.4.66\n      <\/p>\n<p>\n          == Fluctuat nec mergitur ==\n      <\/p>\n<p>  <!-- Balloon system info --><br \/>\n          <!-- BalloonObjectPrepa Start --><br \/>\n          <!-- BalloonObjectPrepa End --><\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"https:\/\/juportal.be\/content\/ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557\/NL\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 28 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557 Rolnummer: A. 239290\/IX-10266 Zaak: Arrest 261557 &#8211; Gerechtskosten \u2013 juridische bijstand &#8211; 28\/11\/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-05 Raadplegingen: 120 &#8211; laatst gezien 2026-06-03 16:40 Fiche Arrest nr 261.557 van 28 november&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":[],"kji_country":[7731],"kji_court":[154464],"kji_chamber":[],"kji_year":[],"kji_subject":[7660],"kji_keyword":[8327,154465,8323,21777,8091],"kji_language":[7671],"class_list":["post-1170445","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-belgique","kji_court-eclibervsce2024arr-261-557","kji_subject-constitutionnel","kji_keyword-beslissing","kji_keyword-kostenstaten","kji_keyword-partij","kji_keyword-verzoekende","kji_keyword-worden","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.9 (Yoast SEO v27.9) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 28 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557 Rolnummer: A. 239290\/IX-10266 Zaak: Arrest 261557 - Gerechtskosten \u2013 juridische bijstand - 28\/11\/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-05 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-06-03 16:40 Fiche Arrest nr 261.557 van 28 november...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"60 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-261-557\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-261-557\\\/\",\"name\":\"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-06-22T11:23:13+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-261-557\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-261-557\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2024arr-261-557\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"en-US\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"width\":1000,\"height\":1000,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557","og_description":"JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 28 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557 Rolnummer: A. 239290\/IX-10266 Zaak: Arrest 261557 - Gerechtskosten \u2013 juridische bijstand - 28\/11\/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-05 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-06-03 16:40 Fiche Arrest nr 261.557 van 28 november...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"60 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/","name":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website"},"datePublished":"2026-06-22T11:23:13+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2024arr-261-557\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.557"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"en-US","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","width":1000,"height":1000,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/1170445","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1170445"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=1170445"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=1170445"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=1170445"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=1170445"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=1170445"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=1170445"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=1170445"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}