{"id":1221143,"date":"2026-06-30T14:17:48","date_gmt":"2026-06-30T12:17:48","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/"},"modified":"2026-06-30T14:17:48","modified_gmt":"2026-06-30T12:17:48","slug":"eclibervsce2025arr-262-049","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/","title":{"rendered":"ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak<\/p>\n<p>    <!-- continue here with main block (division \"content\") --><\/p>\n<p>            <!-- Commandes de navigation page d\u00e9tail--> <\/p>\n<p>                  Print deze pagina<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>          Afdrukformaat          <\/p>\n<p>            S<br \/>\n            M<br \/>\n            L<br \/>\n            XL<\/p>\n<p>          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Sluit Tab          <\/p>\n<p>        <!-- Fin commandes de navigation page d\u00e9tail --><\/p>\n<p>        &nbsp;<br \/>\nRaad van State  <\/p>\n<p>            Vonnis\/arrest van 21 januari 2025            <\/p>\n<p>ECLI nr:<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049<\/p>\n<p>Rolnummer:<\/p>\n<p>A. 238993\/XIV-39192<\/p>\n<p>Zaak:<\/p>\n<p>Arrest 262049 &#8211; Varia (economische zaken) &#8211; 21\/01\/2025<\/p>\n<p>Rechtsgebied:<\/p>\n<p>\n Bestuursrecht<\/p>\n<p>Invoerdatum:<\/p>\n<p>2025-01-29<\/p>\n<p>Raadplegingen:<\/p>\n<p>204 &#8211; laatst gezien 2026-05-28 14:54<\/p>\n<p>            Fiche            <\/p>\n<p> Arrest nr 262.049 van 21 januari 2025 Economische zaken &#8211; Varia (economische<br \/>\n        zaken) Beslissing :  Verwerping\n    <\/p>\n<p>Thesaurus CAS:<\/p>\n<p>RAAD VAN STATE\n<\/p>\n<p>UTU-thesaurus:<\/p>\n<p>PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT &#8211; RAAD VAN STATE &#8211; Arresten (Raad van State)\n <\/p>\n<p>            Tekst van de beslissing            <\/p>\n<p>\n       RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK<br \/>\n       XIVe KAMER<br \/>\n       nr. 262.049 van 21 januari 2025<br \/>\n       in de zaak A. 238.993\/XIV-39.192<br \/>\n       In zake : de BV H.<br \/>\n       bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91<br \/>\n       bij wie woonplaats wordt gekozen<br \/>\n       tegen :<br \/>\n       het VLAAMSE GEWEST<br \/>\n       bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathana\u00eblle Kiekens, Ian Arnouts en Saul Janssens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25<br \/>\n       bij wie woonplaats wordt gekozen<br \/>\n       &#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8211;<br \/>\n       I. Voorwerp van het beroep<br \/>\n       1. Het beroep, ingesteld op 28 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van \u201chet besluit van 22 februari 2023 houdende het inspectieverslag CV-TVE-2020-0149, dat luidt [\u2026] m.b.t. het project [XXX], [\u2026]<br \/>\n       dient een bedrag van 457.357.49 euro te worden teruggevorderd.\u201d<br \/>\n       II. Verloop van de rechtspleging<br \/>\n       2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.<br \/>\n       Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.<br \/>\n       XIV-39.192 -1\/26<br \/>\n       De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.<br \/>\n       De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november 2024 om 14:15 uur.<br \/>\n       Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.<br \/>\n       Advocaat Wienke Ceulemans, die loco advocaat Konstantijn Roelandt verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Ian Arnouts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.<br \/>\n       Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een advies gegeven.<br \/>\n       Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco\u00f6rdineerd op 12 januari 1973.<br \/>\n       III. Feiten en regelgevend kader<br \/>\n       3.1. Overeenkomstig artikel 35 van het decreet van 16 maart 2012<br \/>\n       \u2018betreffende het economisch ondersteuningsbeleid\u2019 (hierna: het decreet van 16 maart 2012) kan \u201c[d]e Vlaamse Regering [\u2026] steun verlenen aan ondernemingen waarvan de economische bedrijvigheid ernstig getroffen wordt door een openbare ramp of crisis die door een besluit van de Vlaamse Regering als dusdanig wordt erkend. De Vlaamse Regering bepaalt in dat geval de voorwaarden waaronder steun kan worden verleend en de hoogte van de steun.\u201d<br \/>\n       Met het besluit van de Vlaamse regering van 4 september 2020<br \/>\n       \u2018tot instellen van een terugbetaalbaar voorschot ter ondersteuning van de opstart<br \/>\n       XIV-39.192 -2\/26<br \/>\n       van de evenementensector\u2019 (hierna: besluit van 4 september 2020) wordt uitvoering gegeven aan artikel 35 van het decreet van 16 maart 2012. Deze regeling wordt als volgt gemotiveerd:<br \/>\n       \u201cDe Vlaamse ondernemingen worden geconfronteerd met een verplichte sluiting van hun zaak of een sterke omzetdaling ten gevolge van de federale coronamaatregelen zoals beslist door de Nationale Veiligheidsraad vanaf donderdag 12 maart 2020. Voor de evenementensector zijn de gevolgen bij uitstek zwaar, aangezien bijna de hele sector omwille van deze maatregelen stilgevallen is, zodat de omzet vrijwel volledig weggevallen is. Bovendien brengt het risico op een tweede golf van de pandemie in het najaar 2020 of voorjaar en zomer 2021 met zich mee dat banken en verzekeringen deze sector voor concrete evenementen niet willen of kunnen financieren of verzekeren. De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, wenst in samenwerking met de ministers bevoegd voor Toerisme, Sport, Jeugd en Cultuur de ondernemingen die een vestiging in Vlaanderen hebben en met deze gevolgen geconfronteerd worden een instrument aan te bieden dat de evenementensector als geheel helpt bij de heropstart van de activiteiten.\u201d<br \/>\n       Aldus kunnen organisatoren van evenementen bij het \u2018Vlaams Agentschap Innoveren &amp; Ondernemen\u2019 (VLAIO) een terugbetaalbaar voorschot aanvragen dat zij kunnen gebruiken om nieuwe evenementen voor te bereiden en op te zetten vanaf het najaar 2020.<br \/>\n       Het terugbetaalbaar voorschot wordt toegekend door het hoofd van het VLAIO (artikel 29) via een oproepprocedure (artikel 22), zijnde \u201ceen bij ministerieel besluit gelanceerde vraag of uitnodiging tot indiening van voorstellen om evenementen te steunen\u201d (artikel 1, 8\u00b0). Een evenement komt in aanmerking voor het terugbetaalbaar voorschot als aan een aantal voorwaarden is voldaan (artikelen 10 tot 12). De steunaanvrager houdt een aparte transparante boekhouding voor het evenement bij (artikel 13), en houdt een overzicht van de niet-recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen bij in geval het evenement geannuleerd wordt (artikel 14). De ontvankelijke steunaanvragen worden door een jury beoordeeld en gerangschikt (artikel 28) op basis van kwalitatieve en kwantitatieve criteria op het vlak van \u201cde economische, reputationele en maatschappelijke meerwaarde van het evenement voor Vlaanderen\u201d, \u201cde actoren die betrokken zijn bij de organisatie van het evenement\u201d, \u201ceffici\u00ebntie en output\u201d, en \u201ceffectiviteit en outcome\u201d (artikel 17). De steun wordt toegekend in de vorm van een financierings- en verzekeringsmechanisme, waarbij de steun terugbetaald<br \/>\n       XIV-39.192 -3\/26<br \/>\n       wordt als het evenement kan plaatsvinden. Enkel indien het evenement niet mag doorgaan omwille van een beslissing van de federale of de Vlaamse overheid of een provinciale of regionale lockdown, die evenementen verbiedt in het kader van de maatregelen naar aanleiding van Covid-19, kan de steunaanvrager de steun definitief krijgen, beperkt tot de niet recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen (artikel 18, eerste en tweede lid). De toegekende steun bedraagt minimum 25.000 euro en maximum 1,8 mio euro (artikel 19), maximaal 60% van de totale kost van het evenement zoals geraamd in het businessplan, exclusief de kosten voor voeding en drank (artikel 20), en is niet hoger dan het in het businessplan geraamde bedrag van de niet recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen (artikel 21). In ruil voor de steun is de steunaanvrager het VLAIO een vergoeding verschuldigd van 2% op de toegekende steun (artikel 33).<br \/>\n       De steunaanvrager betaalt de steun terug binnen de drie maanden nadat het evenement plaatsvond. In het geval van een samenhangende reeks van evenementen, waarbij slechts een deel van de evenementen kon doorgaan, betaalt de steunaanvrager de steun terug proportioneel volgens het aantal evenementen dat wel kon doorgaan. De steunaanvrager handelt hierbij volgens de richtlijnen die het VLAIO hiervoor bezorgt (artikel 34).<br \/>\n       Het VLAIO kan vanaf het ogenblik dat de steunaanvraag is ingediend, ter plaatse of op de bewijsstukken controleren of de voorwaarden, vermeld in het decreet van 16 maart 2012, het besluit van 4 september 2020 en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden nageleefd. Die controle kan, afhankelijk van het feit of de steun al dan niet is toegekend, een beslissing tot weigering van de steun, of een gehele of gedeeltelijke niet-uitbetaling of terugvordering van de toegekende steun, tot gevolg hebben (artikel 35, eerste en tweede lid). Als de voorwaarden, vermeld in het decreet van 16 maart 2012, het genoemde besluit, de uitvoeringsbesluiten of de beslissing tot steuntoekenning, niet worden nageleefd, wordt de steun geheel of gedeeltelijk teruggevorderd (artikel 38).<br \/>\n       De steunaanvrager bezorgt de bewijsstukken die aantonen dat de voorwaarden, vermeld in het decreet van 16 maart 2012, het besluit van<br \/>\n       XIV-39.192 -4\/26<br \/>\n       4 september 2020, de uitvoeringsbesluiten of de beslissing tot steuntoekenning, zijn nageleefd en dat de facturen aan onderaannemers correct werden betaald, aan het VLAIO (artikel 36). Indien het evenement niet kan doorgaan omwille van een beslissing van de nationale veiligheidsraad, de Vlaamse, provinciale of lokale overheid, die evenementen verbiedt in het kader van de maatregelen naar aanleiding van Covid-19 dan laat de steunaanvrager dat onmiddellijk weten aan het VLAIO (artikel 37).<br \/>\n       3.2. Het VLAIO stelt, in uitvoering van het besluit van 4 september 2020, controlerichtlijnen op. Het betreft de generieke controlerichtlijnen van toepassing op de meeste steunmaatregelen van VLAIO, aangevuld met specifieke bepalingen voor de oproep \u2018Terugbetaalbaar Voorschot Evenementensector\u2019. De volgende bepalingen zijn in deze zaak relevant:<br \/>\n       \u201cDoel en beperkingen van een subsidie Een projectsubsidie heeft als doel projecten mogelijk te maken die anders niet of moeilijk gefinancierd zouden geraken. Ze is dan ook niet bedoeld om projecten winstgevend te maken en is niet als sponsoring te beschouwen.<br \/>\n       Een werkingssubsidie dient om de werking van een organisatie te ondersteunen. De nodige afspraken worden gemaakt met de organisatie rekening houdend met haar specifieke situatie.<br \/>\n       [\u2026]<br \/>\n       Projectsubsidie Een projectsubsidie wordt toegekend aan dossiers die de uitvoering van een project of opdracht als doel hebben. Dit project of deze opdracht kan zowel qua doelstelling als in tijd afgebakend worden.<br \/>\n       Volgende kostenrubrieken zijn voorzien voor het opstellen van een projectbudget:<br \/>\n       1. Loonkosten 2. Overheadkosten 3. Werkingskosten 4. Externe prestaties 5. Investeringskosten Voor het terugbetaalbaar voorschot gelden onderstaande regels:<br \/>\n       De niet recupereerbare kosten moeten worden gecontroleerd. [\u2026]<br \/>\n       *De projecten mogen afwijken van de originele ingediende projectbegroting.<br \/>\n       *Loonkosten, werkingskosten en externe prestaties kunnen niet-recupereerbare kosten zijn.<br \/>\n       *Investeringskosten en overheadkosten tellen nooit mee als niet recupereerbare kosten.<br \/>\n       * Voeding en drank kunnen nooit behoren tot de niet recupereerbare kosten.<br \/>\n       [\u2026]<br \/>\n       * Facturen van verwante ondernemingen komen in aanmerking indien ze duidelijk gerelateerd zijn aan het opgegeven project en deze kosten effectief gedragen worden door de steunaanvrager. We behandelen deze facturen conform aan de gewone controlerichtlijnen in dit document.<br \/>\n       XIV-39.192 -5\/26<br \/>\n       [\u2026]<br \/>\n       Noot: de indieners waren duidelijk op de hoogte over welke rubrieken wel of niet tot de niet recupereerbare kosten behoorden omdat het in het projectbudget duidelijk weergegeven werd.<br \/>\n       Noot: het voorschot bedraagt het totaal van de niet recupereerbare kosten, maar kan nooit hoger zijn dan 60% van het totale projectbudget. Dit werd reeds beoordeeld tijdens de jury en dit moet dus niet meer nagekeken worden bij dossierverificatie\/door inspectie.<br \/>\n       Wat indien slechts een gedeelte van de oorspronkelijk voorziene evenementenreeks kon doorgaan?<br \/>\n       VLAIO zal, na inspectie van de definitief niet-recupereerbare kosten, proportioneel het bedrag bepalen dat u kan behouden van het toegekende voorschot. Wij hanteren hiervoor onderstaande richtlijn op basis van de voorziene capaciteit.<br \/>\n       * De niet-recupereerbare kosten zullen vergoed worden volgens de breuk van de beperktere capaciteit\/totale voorziene capaciteit van het oorspronkelijke evenement.<br \/>\n       Algemene werkingssubsidie Een algemene werkingssubsidie wordt toegekend ter ondersteuning van de loon- en werkingskosten die voortvloeien uit een structurele activiteit die een continu en permanent karakter vertoont.<br \/>\n       [\u2026]<br \/>\n       Kostenrubrieken Loonkosten [\u2026]<br \/>\n       Overheadkosten Investeringskosten en overheadkosten tellen nooit mee als niet recupereerbare kosten.<br \/>\n       Overheadkosten zijn kosten die onrechtstreeks verband houden met de uitvoering van het project. Deze kosten zijn niet voor 100% aan het project toe te wijzen omdat ze ge\u00efntegreerd zijn in de algemene werking van de organisatie.[\u2026]<br \/>\n       Werkingskosten Voeding en drank kunnen nooit behoren tot de niet recupereerbare kosten Werkingskosten en externe prestatie: voor het evenementenvoorschot kunnen onderaannemers zowel bij werkingskosten als bij externe prestaties terecht gekomen zijn. We bestraffen dit niet, het belangrijkste is dat ze duidelijk kunnen worden bewezen en toegewezen worden aan het project.<br \/>\n       Er wordt voor het evenementenvoorschot voor de werkingskosten geen plafond ingesteld.<br \/>\n       Algemene regel: alle betaalde facturen met een prestatiedatum binnen de projectperiode zijn subsidieerbaar, rekening houdend met het toegestane bedrag. De verwijzing naar het project dient te worden vermeld op de factuur.[\u2026]<br \/>\n       Externe prestaties [\u2026]<br \/>\n       Investeringskosten [\u2026]<br \/>\n       [\u2026].\u201d<br \/>\n       3.4. De verzoekende partij, is blijkens het verzoekschrift, een organisator van \u201cfood truck festivals van het hogere segment\u201d, met daaraan verbonden randanimatie.<br \/>\n       XIV-39.192 -6\/26<br \/>\n       Zij dient, in het kader van het besluit van 4 september 2020, op 6<br \/>\n       november 2020 een aanvraag \u2018terugbetaalbaar voorschot evenementen\u2019 in, voor achttien verschillende meerdaagse edities met als begindatum 30 april 2021 en als einddatum 12 september 2021.<br \/>\n       3.5. Met een brief van 7 december 2020 deelt het VLAIO aan de verzoekende partij mee dat steun wordt verleend, als volgt:<br \/>\n       \u201cEr werd beslist om uw project CV-TVE.2020.0149 te subsidi\u00ebren. De totale subsidie voor dit project bedraagt \u20ac 800 000,00. Het bedrag dat u zal ontvangen bedraagt \u20ac 784 000,00.<br \/>\n       Het agentschap Innoveren en Ondernemen betaalt twee procent van de toegekende steun niet uit omdat de steunaanvrager een vergoeding van twee procent moet betalen op de toegekende steun. Dit bedrag moet door de steunaanvrager wel terugbetaald worden aan het agentschap Innoveren en Ondernemen als het evenement doorgaat.<br \/>\n       Het terugbetaalbaar voorschot wordt betaald nadat voldaan is aan de hieraan gekoppelde voorwaarde(n) vermeld in de beslissing tot subsidietoekenning, tenzij u binnen een maand na verzending van de beslissing tot subsidietoekenning, laat weten dat u het project niet opstart met een mail naar cv-tve@vlaio.be.<br \/>\n       U kan de uitbetaling van de steun aanvragen binnen de drie maanden nadat u deze beslissing ontvangen heeft en altijd voor de startdatum van het evenement.<br \/>\n       Vanaf de ontvangst van de betaling wordt u geacht de voorwaarden in het Besluit van de Vlaamse Regering te aanvaarden.<br \/>\n       De steunaanvrager betaalt de steun terug binnen de drie maanden nadat het evenement plaatsvond. De steunaanvrager handelt hierbij volgens de richtlijnen die het agentschap Innoveren en Ondernemen hiervoor bezorgt.<br \/>\n       Enkel indien het evenement niet mag doorgaan omwille van een beslissing van de nationale veiligheidsraad of de Vlaamse overheid of een provinciale of regionale lockdown, die evenementen verbiedt in het kader van de maatregelen naar aanleiding van Covid-19 kan de steunaanvrager de steun definitief krijgen, beperkt tot de niet recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen.<br \/>\n       De steunaanvrager treedt dan in overleg met het agentschap Innoveren en Ondernemen om af te spreken welk gevolg deze beslissing heeft voor de uitvoering van het evenement.\u201d<br \/>\n       Blijkens de \u2018Nota ter beslissing\u2019 worden de \u201cniet recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen\u201d begroot op 1.718.695,60 euro, waarbij het \u201cbasissteunpercentage\u201d 60% daarvan bedraagt, zodat de maximale subsidie, beperkt tot de niet-recupereerbare kosten, maximaal 800.000 euro bedraagt, verminderd met 2%, zijnde 784.000 euro.<br \/>\n       XIV-39.192 -7\/26<br \/>\n       Dit bedrag wordt op 16 februari 2021 uitbetaald aan de verzoekende partij.<br \/>\n       3.6. Op 6 november 2021 beslist het VLAIO om de annulering van dertien evenementen te aanvaarden, als volgt:<br \/>\n       \u201cU heeft ons met uw mail van 25\/10\/2021 in een exceltabel per evenement de nodige en gedetailleerde informatie bezorgd omtrent de annulering van uw evenement. Hieruit blijkt dat het om een gedeeltelijke annulering van uw evenement gaat.<br \/>\n       De volgende evenementen werden geannuleerd: [\u2026]<br \/>\n       De volgende evenementen hebben plaatsgevonden: [\u2026]<br \/>\n       Na overleg werd er beslist om de annulering van de evenementen van 1 tot en met 13 te aanvaarden.<br \/>\n       Deze beslissing werd genomen op basis van artikel 18 in het Besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2020 tot instellen van een terugbetaalbaar voorschot ter ondersteuning van de opstart van de evenementensector.<br \/>\n       [\u2026]<br \/>\n       Bij annulering van een van de evenementen in een evenementenreeks is artikel 34<br \/>\n       van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2020 tot instellen van een terugbetaalbaar voorschot ter ondersteuning van de opstart van de evenementensector van toepassing.<br \/>\n       Dit artikel stelt dat de steunaanvrager in deze situatie de steun dan terugbetaalt rekening houdende met de richtlijnen die het agentschap Innoveren en Ondernemen bezorgt. \u2018De steunaanvrager betaalt de steun terug binnen de drie maanden nadat het evenement plaatsvond. In het geval van een samenhangende reeks van evenementen, waarbij slechts een deel van de evenementen kon doorgaan, betaalt de steunaanvrager de steun terug proportioneel volgens het aantal evenementen dat wel kon doorgaan. De steunaanvrager handelt hierbij volgens de richtlijnen die het agentschap Innoveren en Ondernemen hiervoor bezorgt.\u2019 Het agentschap Innoveren en Ondernemen zal een controle starten om het bedrag te bepalen dat u kan behouden in functie van de definitief niet-recupereerbare kosten.\u201d<br \/>\n       3.7. Op 22 februari 2023 stelt de dienst inspectie van het VLAIO een inspectieverslag op, met volgend besluit:<br \/>\n       \u201cDe inhoudelijke beoordeling van het ingediende en aanvaarde project [XXX]<br \/>\n       behoort tot de bevoegdheid van VLAIO Netwerk.<br \/>\n       Er werd een totale subsidie van 800.000,00 euro toegekend. Op deze subsidie wordt een vergoeding van 2%, zijnde 16.000,00 euro, ingehouden wat leidt tot een maximum betaalbaar subsidiebedrag van 784.000,00 euro.<br \/>\n       De aanvaardbare uitgaven na inspectie, zijnde de niet-recupereerbare kosten m.b.t.<br \/>\n       het project [XXX], bedragen 342.642,51 euro. Dit leidt na aftrek van de 2%<br \/>\n       vergoeding (16.000,00 euro) tot een maximum subsidiebedrag van 326.642,51 euro.<br \/>\n       Er werd reeds een subsidiebedrag van 784.000,00 euro uitbetaald. Er dient een bedrag van 457.357,49 euro te worden teruggevorderd.\u201d<br \/>\n       XIV-39.192 -8\/26<br \/>\n       Met een brief ondertekend op 28 februari 2023 besluit het VLAIO tot een gedeeltelijke terugvordering, als volgt:<br \/>\n       \u201cBij de controle van uw dossier CV-TVE.2020.0149 werd vastgesteld dat er minder niet-recupereerbare kosten werden gemaakt dan oorspronkelijk begroot werd. Het toegekende bedrag van het voorschot moet daarom (gedeeltelijk) terugbetaald worden.<br \/>\n       U dient het bedrag van \u20ac 457.357,49 terug te betalen.<br \/>\n       Als bijlage vindt u het verslag van onze dienst Inspectie waarin de niet-recupereerbare kosten worden vastgesteld.<br \/>\n       Tegen onderhavige beslissing kan beroep ingesteld worden bij de bevoegde rechtbank. Afhankelijk van het voorwerp van de betwisting is een gewone burgerlijke rechtbank of de Raad van State bevoegd:<br \/>\n       \u2022 Als het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de betwisting betrekking heeft op een subjectief recht is een gewone burgerlijke rechtbank bevoegd;<br \/>\n       \u2022 Als het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de betwisting geen betrekking heeft op een subjectief recht kan u tegen de beslissing een beroep tot nietigverklaring instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wegens overtreding van hetzij substanti\u00eble, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht. Dit beroep moet, op straffe van onontvankelijkheid, ingediend worden binnen de 60 dagen na de kennisgeving van de beslissing. Het wordt ingediend bij middel van een aangetekende brief gericht aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040<br \/>\n       Brussel.<br \/>\n       Gelieve het bedrag van \u20ac 457.357,49 binnen de 30 dagen terug te storten [\u2026]\u201d.<br \/>\n       Dit is de bestreden beslissing.<br \/>\n       IV. Rechtsmacht van de Raad van State<br \/>\n       Exceptie<br \/>\n       4. De verwerende partij werpt een exceptie van rechtsmacht op. De centrale vraag is of de vordering in werkelijkheid tot de erkenning van een subjectief recht strekt. Met betrekking tot beslissingen die verband houden met het toekennen of terugvorderen van een subsidie geldt dat, in zoverre er sprake is van een gebonden bevoegdheid, en de subsidieverstrekker dus geen eigen beoordelingsmarge heeft om de subsidie toe te kennen of terug te vorderen, het een subjectief recht betreft en de Raad aldus onbevoegd is. Dit blijkt uit de vaste rechtspraak van de Raad van State, waar overigens ook de verzoekende partij zelf<br \/>\n       XIV-39.192 -9\/26<br \/>\n       naar verwijst, en waarin telkens daadwerkelijk werd besloten tot een gebrek aan rechtsmacht om van het beroep kennis te nemen.<br \/>\n       Volgens de verwerende partij blijkt te dezen zowel uit het algemeen als uit het bijzonder regelgevend kader dat zij te dezen \u2013 bij de terugvordering van het terugbetaalbaar voorschot \u2013 effectief over een gebonden bevoegdheid beschikt. Zij verwijst naar de artikelen 11 tot 14 van de wet van 16<br \/>\n       mei 2003 \u2018tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof\u2019 (hierna: de wet van 16 mei 2003), als naar het besluit van de Vlaamse regering van 4 september 2020. Indien het evenement niet mag doorgaan omwille van een beslissing van een overheid, die evenementen verbiedt in het kader van de maatregelen naar aanleiding van Covid-19, mag de steunaanvrager de toegekende steun definitief behouden, beperkt tot de niet recupereerbare kosten \u00e9n onvermijdbare facturen. Indien uit een controle blijkt dat de steunaanvrager de voorwaarden voor het ontvangen van de steun niet heeft nageleefd, dan verplicht artikel 38 van het besluit van 4 september 2020 tot terugvordering van de steun. Uit de voormelde bepalingen blijkt dat de verwerende partij dient te controleren (i) of het evenement al dan niet (gedeeltelijk) is geannuleerd en (ii) of er sprake is van niet-recupereerbeerbare kosten en onvermijdbare facturen. De verwerende partij beschikt hierbij over geen enkele discretionaire beoordelingsruimte om te bepalen of de steunaanvrager de steun al dan niet definitief mag behouden.<br \/>\n       5. In het verzoekschrift anticipeert de verzoekende partij op een mogelijke exceptie van rechtsmacht. Zij stelt dat de Raad van State in beginsel weliswaar oordeelt dat de terugvordering van een subsidie binnen een subjectief recht kadert wanneer de administratieve overheid vaststelt dat aan de subsidievoorwaarden niet zou zijn voldaan, in welk geval die overheid geen discretionaire bevoegdheid heeft. In dit geval echter betreft het wezenlijk voorwerp van de bestreden beslissing volgens de verzoekende partij de vaststelling van (de hoogte van) het bedrag van de aanvaardbare uitgaven \u2018niet-recupereerbare kosten\u2019 voor de evenementen die zij in 2021 zou organiseren. De bestreden<br \/>\n       XIV-39.192 -10\/26<br \/>\n       beslissing stelt aldus het kwestieuze subsidiebedrag vast, in het licht van de middels de beslissing van 7 december 2020 verleende voorschotten. Hierdoor dringt zich de vaststelling op dat de verwerende partij wel een discretionaire bevoegdheid bezit. Dit blijkt letterlijk uit de bestreden beslissing waar de verwerende partij afwegingen maakt binnen marges om tot verwerping dan wel aanvaarding van bepaalde kosten en facturenposten in een bepaalde periode te komen. In die zin is er geen rechtsregel die een concrete verplichting aan de verwerende partij oplegt waar partijen een subjectief recht uit kunnen puren.<br \/>\n       In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij voorts dat, hoewel er voorwaarden zijn die getoetst moeten worden door de verwerende partij, de terugvordering te dezen kadert binnen haar discretionaire bevoegdheid. De verwerende partij interpreteert het toepasselijke besluit van 4 september 2020 immers zo dat zijzelf de essenti\u00eble voorwaarden bepaalt waarbinnen de subsidieaanvragen beoordeeld worden. Zolang de overheid de beoordelingsvrijheid heeft om al dan niet een maatregel op te leggen en de omvang van deze maatregel zelf te bepalen, is er sprake van discretionaire bevoegdheid.<br \/>\n       Het is in die zin dat de verwerende partij zowel bij de terugvordering van de steun als bij de bepaling van de omvang ervan een discretionaire bevoegdheid heeft. Met de aanname van de controlerichtlijnen, waarop de verwerende partij de terugvorderingsbeslissing in concreto steunt, heeft zij zelf een kader opgesteld waarbinnen zij deze subsidies beoordeelt. Het is evident dat, wanneer de verwerende partij zelf in detail de voorwaarden invult hoe zij subsidies toekent en terugvordert, dit verder gaat dan het louter toetsen van voorwaarden uit artikel 123<br \/>\n       van de wet van 22 mei 2003 \u2018houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat\u2019 en het besluit van 4 september 2020. De verwerende partij vordert de toegekende subsidies terug op grondslag dat het \u201coverheadkosten\u201d zouden bedragen, zonder concrete decretale basis. Ook de aangehaalde projectperiode is enkel door de verwerende partij in haar eigen administratieve richtlijnen omschreven.<br \/>\n       In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog dat er te dezen geen sprake is van een loutere toetsing van voorwaarden, maar de<br \/>\n       XIV-39.192 -11\/26<br \/>\n       verwerende partij zelf deze voorwaarden bepaalt en een inhoudelijke keuze kan maken. Dit laatste betreft, evident, de discretionaire bevoegdheid die door de Raad van State kan worden getoetst. De term \u201cniet-recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen\u201d wordt nergens gedefinieerd, noch inhoudelijk ingevuld.<br \/>\n       De verwerende partij legt zelf een kader vast waarbinnen zij meerdere opties ter beschikking heeft en zij uiteindelijk zelf de beslissing neemt. De enkele verplichting van de verwerende partij zit vervat in artikel 18, eerste en tweede lid, van het besluit van 4 september 2020, luidens hetwelk enkel indien het evenement niet mag doorgaan omwille van een beslissing van de federale of de Vlaamse overheid of een provinciale of regionale lockdown, de steunaanvrager de steun definitief kan krijgen, beperkt tot de niet recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen. Concreet wordt de subsidie en de inhoudelijke beoordeling ervan vastgelegd door de beslissing op basis van een voorstel van een jury, volgens de controlerichtlijnen, opgesteld door de verwerende partij zelf. De verzoekende partij citeert daarbij artikel 28 van het besluit van 4 september 2020. De verwerende partij heeft een open beslissingsmogelijkheid, zij het binnen de marges van de beginselen van behoorlijk bestuur en de regelgeving die van toepassing is, om een voorstel al dan niet goed te keuren en bepaalde kosten al dan niet als niet-recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen te kwalificeren en, in een volgende stap, al dan niet terug te vorderen. Dit is duidelijk een discretionaire bevoegdheid die door haar is uitgeoefend bij de opmaak van de bestreden beslissing.<br \/>\n       Beoordeling<br \/>\n       6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten \u2013 altijd, wat de in de eerstgenoemde bepaling bedoelde geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft \u2013 tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen en vorderingen waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft.<br \/>\n       XIV-39.192 -12\/26<br \/>\n       XIV-39.192 -13\/26<br \/>\n       De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass.<br \/>\n       (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N)<br \/>\n       (ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8).<br \/>\n       7. In zijn arresten nrs. 257.891, 257.892 en 257.893 van 14 november 2023 (ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.891;<br \/>\n       ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.892; ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.893)<br \/>\n       heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak bevestigd dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (i) een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (ii) het ingeroepen annulatiemiddel gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers)<br \/>\n       27 november 2020, C.17.0114.N&nbsp;ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127); zie eveneens Cass.<br \/>\n       (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F&nbsp;ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8).<br \/>\n       Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F&nbsp;ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418<br \/>\n       (ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6); conclusie van eerste<br \/>\n       XIV-39.192 -14\/26<br \/>\n       advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N&nbsp;ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2).<br \/>\n       De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N&nbsp;ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2).<br \/>\n       Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F&nbsp;ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal voor Cass.<br \/>\n       (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N&nbsp;ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9<br \/>\n       (ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9) en van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N&nbsp;ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2).<br \/>\n       Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van een gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die verzoekende partij belang heeft. Opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden te zijn (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007 (2 arresten), C.06.0574.F&nbsp;ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 (ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10) en C.06.0596.F<br \/>\n       (ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11)). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een<br \/>\n       XIV-39.192 -15\/26<br \/>\n       discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N&nbsp;ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9).<br \/>\n       Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leidt ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende.<br \/>\n       8. Uit wat voorafgaat volgt dat in de eerste plaats moet worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een (volledig) gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Voorts echter moet bij de beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering eveneens acht worden geslagen op de door de verzoekende partij \u2018ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden\u2019 (de causa petendi).<br \/>\n       A. Wat de eerste (connexe) voorwaarde (het petitum) betreft<br \/>\n       9. De eerste voorwaarde om uit te maken of het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering een geschil omtrent een subjectief recht betreft, houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, wat het geval is wanneer hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt.<br \/>\n       De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van het bestuur volledig gebonden is.<br \/>\n       XIV-39.192 -16\/26<br \/>\n       10. Volgens de verwerende partij beschikt zij te dezen over een volledig gebonden bevoegdheid: uit artikel 11 van de wet van 16 mei 2003 en artikel 38 van het besluit van 4 september 2020 volgt dat, indien uit een controle blijkt dat de voorwaarden voor het ontvangen van de steun niet zijn nageleefd, de begunstigde gehouden is tot terugbetaling van de steun. Die voorwaarden betreffen de vraag of het evenement al dan niet (gedeeltelijk) is geannuleerd en of er sprake is van niet-recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen. De verwerende partij beschikt hierbij over geen enkele discretionaire beoordelingsruimte om te bepalen of de steunaanvrager de steun al dan niet definitief mag behouden. Er wordt in de bestreden beslissing of het inspectieverslag op geen enkel moment verwezen naar een beoordelingsmarge op grond waarvan al dan niet tot terugvordering wordt besloten. De verwerende partij interpreteert louter de voorwaarden, met name of de voorgelegde kosten al dan niet voldoen aan het concept van niet-recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen, met toepassing van het besluit van 4 september 2020.<br \/>\n       De verzoekende partij daarentegen is de mening toegedaan dat de verwerende partij wel degelijk over een discretionaire bevoegdheid beschikt bij de terugvordering van de subsidies. De verwerende partij steunt immers in concreto op controlerichtlijnen die zij zelf heeft opgesteld, wat verder gaat dan het louter toetsen van de voorwaarden vervat in het besluit van 4 september 2020. Zo worden de \u201coverheadkosten\u201d enkel door de verwerende partij als voorwaarde beschouwd en is ook de aangehaalde projectperiode enkel door de verwerende partij in haar eigen controlerichtlijnen omschreven.<br \/>\n       11. Enkel indien het evenement niet mag doorgaan omwille van een beslissing van de federale of de Vlaamse overheid of een provinciale of regionale lockdown, kan de steunaanvrager de steun definitief krijgen (artikel 18, tweede lid, van het besluit van 4 september 2020). De toegekende steun bedraagt maximaal 60% van de totale kost van het evenement zoals geraamd in het businessplan, exclusief de kosten voor voeding en drank (artikel 20), en is niet hoger dan het in het businessplan geraamde bedrag van de niet recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen (artikel 21). In het geval van een samenhangende reeks van<br \/>\n       XIV-39.192 -17\/26<br \/>\n       evenementen, waarbij slechts een deel van de evenementen kon doorgaan, betaalt de steunaanvrager de steun terug proportioneel volgens het aantal evenementen dat wel kon doorgaan. De steunaanvrager handelt hierbij volgens de richtlijnen die het VLAIO hiervoor bezorgt (artikel 34).<br \/>\n       Met de bestreden beslissing sluit de verwerende partij bepaalde niet-recupereerbare kosten uit van de subsidieberekening, omdat bij de controle van het dossier werd vastgesteld dat er in werkelijkheid minder niet-recupereerbare kosten werden gemaakt dan oorspronkelijk begroot. Blijkens het inspectieverslag waarop de bestreden beslissing steunt, zijn door de gedeeltelijke annulering (13 op 18 evenementen), 72,22 % van de ingediende kosten subsidiabel, en worden voorts, na controle van de ingediende stukken, bepaalde kosten of facturen niet aanvaard omdat ze, onder meer, buiten de projectperiode vallen, overheadkosten betreffen, kosten betreffen waarvoor geen \u201covereenkomst \/offerte\/contracten\/of detail van de prestaties\u201d of, nog, geen betaalbewijs of factuur kon worden voorgelegd.<br \/>\n       Bij haar beslissing heeft de verwerende partij aldus geen gebruik gemaakt van enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid, maar heeft zij enkel het begrip \u201cniet-recupereerbare kosten en onvermijdbare facturen\u201d, genoemd in de artikelen 18 en 21 van het besluit van 4 september 2020 ge\u00efnterpreteerd en, vervolgens toegepast, alsook het proportioneel deel van het aantal evenementen dat wel kon doorgaan, vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van datzelfde besluit.<br \/>\n       De verzoekende partij stelt dat uit de bestreden beslissing blijkt dat \u201cde verwerende partij afwegingen maakt binnen marges om tot verwerping dan wel aanvaarding van bepaalde kosten- en facturenposten in het licht van een bepaalde periode\u201d te komen, maar maakt dit op geen enkele wijze inzichtelijk.<br \/>\n       Voor zover zij in haar laatste memorie in dit verband verwijst naar artikel 28 van het besluit van 4 september 2020, verwijst zij naar de discretionaire beoordelingsbevoegdheid die de verwerende partij heeft bij de beoordeling van de steunaanvragen op basis van de beoordelingscriteria vermeld in artikel 17, wat niet het voorwerp uitmaakt van de thans bestreden beslissing.<br \/>\n       XIV-39.192 -18\/26<br \/>\n       Waar de verzoekende partij nog aanvoert dat de verwerende partij onrechtmatig een bijkomende voorwaarde aan het besluit van 4 september 2020 zou hebben toegevoegd, verwijst zij in wezen naar de door haar ingeroepen middelen en betreft het aldus de tweede connexe voorwaarde, die hierna wordt beoordeeld.<br \/>\n       12. De te dezen toepasselijke subsidievoorwaarden zijn op uitputtende wijze in de regelgeving vastgelegd zodat, indien deze zijn vervuld, de verzoekende partij rechtstreeks aan de toepasselijke (algemene) rechtsregel (van objectief recht) een (individueel) subjectief recht ontleent op de door haar aangevraagde subsidies.<br \/>\n       Uit wat voorafgaat, volgt dat, wat het voorwerp van de vordering betreft, het VLAIO bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt, geen enkele appreciatieruimte heeft en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals het die als overheid interpreteert, vervuld waren.<br \/>\n       13. Er is dan ook voldaan aan de eerste connexe voorwaarde om tot het gebrek aan rechtsmacht te besluiten.<br \/>\n       B. Wat de tweede (connexe) voorwaarde (de causa petendi) betreft<br \/>\n       B.1 Vooraf<br \/>\n       14. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de tweede voorwaarde betrekking op de \u2018ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden\u2019 die tot staving van het vernietigingsberoep worden aangevoerd.<br \/>\n       Opdat een (betwisting over een) subjectief recht zou voorliggen, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, te dezen<br \/>\n       XIV-39.192 -19\/26<br \/>\n       de verwerende partij oplegt, en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft.<br \/>\n       Uit de hiervoor in punt 7 aangehaalde arresten van de algemene vergadering volgt dat niet elk annulatiemiddel onder de rechtsmacht van de Raad van State valt.<br \/>\n       15. Het ontbreken van een belang in hoofde van de verzoekende partij bij de nakoming van de door de toepasselijke regelgeving aan de verwerende partij opgelegde welbepaalde juridische verplichting, brengt mee dat geen betwisting over een subjectief recht kan voorliggen.<br \/>\n       Aldus, wanneer in een middel op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid wordt aangevoerd van het reglementair besluit waarop de bestreden beslissing is gesteund, bijvoorbeeld omwille van de onbevoegdheid van de steller ervan, dan kan de Raad van State kennis nemen van het beroep omdat hij zich dan niet uitspreekt over het bestaan of de omvang van een subjectief recht.<br \/>\n       16. Wanneer daarentegen het beroep strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoekende partij en het ingeroepen annulatiemiddel is gebaseerd op de schending van een regel van materieel recht die deze juridische verplichting in het leven roept en, aldus, het geschil inhoudelijk bepaalt, is de Raad van State zonder rechtsmacht.<br \/>\n       Het is daarbij evenwel niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State.<br \/>\n       XIV-39.192 -20\/26<br \/>\n       B.2. Uiteenzetting van de annulatiemiddelen (de causa petendi)<br \/>\n       17. Te dezen voert de verzoekende partij in het verzoekschrift drie middelen aan, die zij in de memorie van wederantwoord herneemt.<br \/>\n       In een eerste middel voert zij de schending aan van de artikelen 34 en 38 van het besluit van 4 september 2020, van de controlerichtlijnen, alsook de schending van \u201cde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de materi\u00eble motiveringsplicht\u201d en schending van het patere legem quam ipse fecisti-beginsel. In dit middel zet zij uiteen, samengevat, dat overeenkomstig deze bepalingen zij bij een gedeeltelijke realisatie van de evenementenreeks, het proportioneel bepaalde subsidiebedrag mag behouden, terwijl de verwerende partij deze pro-ratering in de bestreden beslissing niet zou hebben toegepast.<br \/>\n       In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 20 van het besluit van 4 september 2020, alsook van \u201cde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de materi\u00eble motiveringsplicht, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel\u201d. In een eerste onderdeel voert zij aan, samengevat, dat de verwerende partij bepaalde kosten ten onrechte niet beschouwd als \u201cniet-recupereerbare kosten\u201d, omdat de betreffende facturen buiten de projectperiode vallen, terwijl overeenkomstig voornoemd artikel 20 de kosten enkel een causaal verband moeten vertonen met het evenement. Hierdoor introduceert de verwerende partij een bijkomende, onwettige voorwaarde. In een tweede onderdeel voert zij aan, samengevat, dat de verwerende partij ten onrechte bepaalde externe prestaties niet als subsidiabel beschouwt, wegens het ontbreken van een contract, terwijl in de controlerichtlijnen bepaalde bewijsstandaarden zijn voorgeschreven en de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met feitelijke gegevens zoals de jarenlange samenwerking met de betrokken actoren.<br \/>\n       In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook de schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en de materi\u00eble motiveringsplicht \u201cals beginselen van behoorlijk bestuur\u201d, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel<br \/>\n       XIV-39.192 -21\/26<br \/>\n       patere legem ipse quam fecisti. Zij voert aan, samengevat, dat in de bestreden beslissing een willekeurige interpretatie van het begrip \u2018overheadkosten\u2019 wordt gemaakt, die in strijd is met de eigen controlerichtlijnen, en dat de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel schendt door de verzoekende partij anders te behandelen dan andere evenementorganisatoren, die blijkbaar niet alle ontvangen steun hoeven terug te betalen.<br \/>\n       B.3. Beoordeling van de tweede connexe voorwaarde<br \/>\n       18. De verzoekende partij voert in geen van de middelen, op grond van artikel 159 van de Grondwet, de onwettigheid aan van het besluit van 4 september 2020, waarop de bestreden beslissing steunt. Integendeel, zij voert aan dat de bestreden beslissing een aantal bepalingen van dit reglementair besluit schendt.<br \/>\n       In de mate de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 34 en 38 van het besluit van 4 september 2020<br \/>\n       (en van de controlerichtlijnen) omdat de verwerende partij de voorgeschreven pro-ratering niet correct zou hebben toegepast, en in het tweede middel de schending van artikel 20 van het besluit van 4 september 2020 omdat de verwerende partij bijkomende voorwaarden zou hebben gehanteerd die niet binnen het besluit van 4 september 2020 vastgelegde kader zouden kunnen worden ingepast, werpt zij niet de onwettigheid van de voornoemde reglementaire bepalingen op, doch wel een verkeerde of onjuiste toepassing ervan. Ook in de mate de verzoekende partij in het derde middel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel aanvoert omdat de verwerende partij het begrip \u2018overheadkosten\u2019 verkeerd zou hebben ge\u00efnterpreteerd, en op een andere wijze in vergelijking tot andere evenementorganisatoren, komt deze grief neer op de vraag of het betrokken weigeringsmotief wettig kan worden ingepast in de artikelen 18 en 21 van het besluit van 4 september 2020 waar het begrip \u201cniet recupereerbare kosten\u201d wordt gehanteerd, en werpt de verzoekende partij een verkeerde of onjuiste toepassing ervan op.<br \/>\n       XIV-39.192 -22\/26<br \/>\n       Aldus beoogt de verzoekende partij in wezen de (volgens haar)<br \/>\n       correcte interpretatie \u00e9n toepassing van die reglementaire bepalingen te verkrijgen waardoor zij wel aanspraak kan maken \u2013 wat meteen het door de verzoekende partij beoogde voordeel en haar belang is bij het voorliggende beroep \u2013 op de gevraagde subsidie en wil zij de Raad van State ertoe brengen zich uit te spreken over een schending van een regel van materieel recht die de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij en dus het daarmee overeenstemmende subjectief recht van de verzoekende partij vestigt.<br \/>\n       Waar de verzoekende partij in het tweede middel nog aanvoert dat de verwerende partij, wat de weigering van de facturen buiten de projectperiode betreft, onrechtmatig een bijkomende voorwaarde aan het besluit van 4 september 2020 zou hebben toegevoegd, en daargelaten de vraag of het VLAIO daadwerkelijk een dergelijke bijkomende voorwaarde hanteert, komt de redenering van de verzoekende partij erop neer dat een in haar ogen onwettige toevoeging en\/of invulling van een voorwaarde het bestaan van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid aantoont. Deze zienswijze kan niet worden bijgevallen, nu een discretionaire beoordelingsbevoegdheid immers veronderstelt dat de overheid kan kiezen tussen verschillende juridisch correcte beoordelingen en niet tussen een wettige of een onwettige beoordeling.<br \/>\n       De enkele omstandigheid dat de verwerende partij in het inspectieverslag verwijst naar richtlijnen die het VLAIO zelf heeft opgesteld ten behoeve van de controle door haar inspectiedienst \u2013 die de (justiti\u00eble) rechter overigens niet binden \u2013, maakt niet dat de verwerende partij meer zou doen dan de voornoemde reglementaire voorwaarden interpreteren. Zij heeft slechts vastgesteld of de reglementaire vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren, zonder een keuze te hebben tussen verschillende juridisch correcte beoordelingen.<br \/>\n       Aldus geconstrueerd, zijn deze middelen afgeleid uit de schending van een regel van materieel recht die een verplichting (om aan de verzoekende partij de gevraagde subsidie toe te kennen zoals blijkt uit de<br \/>\n       XIV-39.192 -23\/26<br \/>\n       beoordeling van de eerste connexe voorwaarde) in het leven roept en die het geschil inhoudelijk mede bepaalt. De beoordeling van deze grief ontsnapt aldus aan de rechtsmacht van de Raad van State.<br \/>\n       19. Voorts, in de mate de verzoekende partij in een of meerdere middelen ook een schending van het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, de materi\u00eblemotiveringsplicht en het patere legem ipse quam fecisti- beginsel inroept, dient vastgesteld dat een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur niet kan worden aangenomen indien de overheid bij het nemen van een beslissing niet over een discretionaire bevoegdheid doch slechts over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt, zoals te dezen het geval is.<br \/>\n       20. Uit wat voorafgaat volgt dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de middelen er in wezen uitspraak zou worden gedaan over een subjectief recht van de verzoekende partij.<br \/>\n       Besluit<br \/>\n       21. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het voorliggende beroep betreft een betwisting over een subjectief recht waarvoor de Raad van State op grond van de artikelen 144, eerste lid en 145, van de Grondwet zonder rechtsmacht is.<br \/>\n       Op grond van die bepalingen zijn de hoven en rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Of de verwerende partij van oordeel mocht zijn dat de verzoekende partij de subsidie deels niet mocht worden toegekend, de juiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan en de toepasselijke reglementaire voorschriften correct heeft ge\u00efnterpreteerd en toegepast, staat ter beoordeling van de bevoegde justiti\u00eble rechter, evenals de vraag of door die toepassing gebeurlijk een schending voorligt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel of het verbod van discriminatie.<br \/>\n       XIV-39.192 -24\/26<br \/>\n       22. In het licht van het voorgaande dient te worden besloten dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om het vernietigingsberoep te behandelen.<br \/>\n       De exceptie is gegrond.<br \/>\n       V. Kosten<br \/>\n       23. Op grond van artikel 68, vijfde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 \u2018tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State\u2019, wordt \u201cin ieder geval [\u2026] het geheel van de kosten [\u2026] ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt\u201d. Te dezen dient de verzoekende partij te worden aangemerkt als de in fine van die bepaling bedoelde partij.<br \/>\n       De verwerende partij heeft overigens in de kennisgeving van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij gesteld dat, als het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de betwisting betrekking heeft op een subjectief recht, \u201ceen gewone burgerlijke rechtbank\u201d bevoegd is. Er is derhalve geen reden om te stellen dat de verwerende partij informatie inzake de beroepsmogelijkheden heeft verstrekt die de verzoekende partij in de verwarring heeft gebracht wat de mogelijke toegang tot de Raad van State betreft.<br \/>\n       BESLISSING<br \/>\n       1. De Raad van State verwerpt het beroep.<br \/>\n       2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verwerende partij.<br \/>\n       XIV-39.192 -25\/26<br \/>\n       Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:<br \/>\n       Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.<br \/>\n       De griffier De voorzitter<br \/>\n       Johan Pas Geert Debersaques<br \/>\n       XIV-39.192 -26\/26<\/p>\n<p>PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049\n       <\/p>\n<p>            Gerelateerde publicatie(s)              <\/p>\n<p>citeert:<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.891         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.892         <\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.893         <\/p>\n<p>        <!-- Commandes de navigation page d\u00e9tail--> <\/p>\n<p>                  Print deze pagina<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>          Afdrukformaat          <\/p>\n<p>            S<br \/>\n            M<br \/>\n            L<br \/>\n            XL<\/p>\n<p>          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht<br \/>\n          &nbsp; <\/p>\n<p>                  Sluit Tab          <\/p>\n<p>        <!-- Fin commandes de navigation page d\u00e9tail --><\/p>\n<p><!-- Action LOG \nfunction JUPORTARecordLogViewDecision  $iubel_id        : 281029\n                                       $action_type     : VIEW\n                                      &amp;$action_startmt  : 1779976533.2697\n                                      &amp;$action_duration : 107\n                                      &amp;$addressipremote : 103.115.10.116\n                                      &amp;$latitude        : '39.0469000'\n                                      &amp;$longitude       : '-77.4903000'\n                                      &amp;$accuracy        : null\n                                      &amp;$altitude        : null\n                                      &amp;$langue_view     : NL\n--><br \/>\n<!-- Action_duration 107 millisec --><br \/>\n      <!-- end of main block (division \"content\") --><\/p>\n<p>    <!-- end of division \"page_main\" --><\/p>\n<p>              &#9993; info-JUPORTAL@just.fgov.be<\/p>\n<p>              &copy;&nbsp; 2017-2026&nbsp;ICT Dienst &#8211; FOD Justitie<\/p>\n<p>  <!-- end of division \"conteneur\" --><\/p>\n<p>  <!-- Balloon system info --><\/p>\n<p>\n          Powered by PHP 8.5.0\n      <\/p>\n<p>\n          Server Software Apache\/2.4.66\n      <\/p>\n<p>\n          == Fluctuat nec mergitur ==\n      <\/p>\n<p>  <!-- Balloon system info --><br \/>\n          <!-- BalloonObjectPrepa Start --><br \/>\n          <!-- BalloonObjectPrepa End --><\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"https:\/\/juportal.be\/content\/ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049\/NL\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 21 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049 Rolnummer: A. 238993\/XIV-39192 Zaak: Arrest 262049 &#8211; Varia (economische zaken) &#8211; 21\/01\/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-29 Raadplegingen: 204 &#8211; laatst gezien 2026-05-28 14:54 Fiche Arrest nr 262.049 van 21 januari 2025&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":[],"kji_country":[7731],"kji_court":[159908],"kji_chamber":[],"kji_year":[],"kji_subject":[7660],"kji_keyword":[8327,8391,8323,13510,21777],"kji_language":[7671],"class_list":["post-1221143","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-belgique","kji_court-eclibervsce2025arr-262-049","kji_subject-constitutionnel","kji_keyword-beslissing","kji_keyword-kosten","kji_keyword-partij","kji_keyword-verwerende","kji_keyword-verzoekende","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.9 (Yoast SEO v27.9) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"en_US\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 21 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049 Rolnummer: A. 238993\/XIV-39192 Zaak: Arrest 262049 - Varia (economische zaken) - 21\/01\/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-29 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-05-28 14:54 Fiche Arrest nr 262.049 van 21 januari 2025...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"Est. reading time\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"37 minutes\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2025arr-262-049\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2025arr-262-049\\\/\",\"name\":\"ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-06-30T12:17:48+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2025arr-262-049\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"en-US\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2025arr-262-049\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/eclibervsce2025arr-262-049\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"en-US\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"en-US\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/05\\\/Logo-Kohen-1000.webp\",\"width\":1000,\"height\":1000,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/en\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/","og_locale":"en_US","og_type":"article","og_title":"ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049","og_description":"JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis\/arrest van 21 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049 Rolnummer: A. 238993\/XIV-39192 Zaak: Arrest 262049 - Varia (economische zaken) - 21\/01\/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-29 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-05-28 14:54 Fiche Arrest nr 262.049 van 21 januari 2025...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"Est. reading time":"37 minutes"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/","name":"ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website"},"datePublished":"2026-06-30T12:17:48+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/#breadcrumb"},"inLanguage":"en-US","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/eclibervsce2025arr-262-049\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/criminal-law-attorneys-in-paris-counsel-and-strategic-defense\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"en-US"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"en-US","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/05\/Logo-Kohen-1000.webp","width":1000,"height":1000,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/1221143","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1221143"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=1221143"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=1221143"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=1221143"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=1221143"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=1221143"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=1221143"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/en\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=1221143"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}