{"id":563653,"date":"2026-04-15T02:19:30","date_gmt":"2026-04-15T00:19:30","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/"},"modified":"2026-04-15T02:19:30","modified_gmt":"2026-04-15T00:19:30","slug":"eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof &#8216;s-Hertogenbosch , 07-04-2026 \/ 200.306.250_01"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> huur of gebruiksrecht strook grond naast standplaats woonwagen; bewijswaardering. Rechtsverwerking?<\/p>\n<h3>GERECHTSHOF \u2019s-HERTOGENBOSCH<\/h3>\n<p>Team Handelsrecht<\/p>\n<p>zaaknummer 200.306.250\/01<\/p>\n<p>arrest van 7 april 2026<\/p>\n<p>in de zaak van<\/p>\n<h3>1 [appellant sub 1] ,<br \/>\nwonende te [woonplaats] ,<\/h3>\n<p>2. [appellante sub 2] ,<br \/>\nwonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>appellanten,<\/p>\n<p>hierna aan te duiden als [woonplaats] ,<\/p>\n<p>advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te [A] ,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>Gemeente [A] ,<\/p>\n<p>gevestigd te [vestigingsplaats] ,<\/p>\n<p>ge\u00efntimeerde,<\/p>\n<p>hierna aan te duiden als de gemeente,<\/p>\n<p>advocaat: mr. J.W.M. Hagelaars te Arnhem.<\/p>\n<p>als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 22 maart 2022 en 19 december 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats &#039;s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C\/01\/368671 \/ HA ZA 21-175 gewezen vonnis van 15 december 2021.<\/p>\n<h3>8Het verloop van de procedure<\/h3>\n<p>Het verloop van de procedure blijkt uit:<\/p>\n<p>het tussenarrest van 19 december 2023;<\/p>\n<p>het proces-verbaal van getuigenverhoor van 6 mei 2024;<\/p>\n<p>het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 7 mei 2024;<\/p>\n<p>het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 11 juni 2024;<\/p>\n<p>het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 24 oktober 2024;<\/p>\n<p>de memorie na getuigenverhoor van [woonplaats] , met producties 1 tot en met 4;<\/p>\n<p>de antwoordmemorie na getuigenverhoor, tevens verzoek tot aanhouding, van de gemeente, met productie 1;<\/p>\n<p>de akte uitlaten van [woonplaats] van 11 maart 2025;<\/p>\n<p>de akte van [woonplaats] van 10 juni 2025;<\/p>\n<p>de akte uitlaten over gevolgen arrest Hoge Raad van de gemeente van 10 juni 2025, met producties 2 en 3;<\/p>\n<p>de antwoord akte van [woonplaats] van 22 juli 2025, met een productie;<\/p>\n<p>de mondelinge behandeling, gelijktijdig met de zaak met zaaknummer 200.306.273\/01, waarbij de gemeente spreekaantekeningen heeft overgelegd.<\/p>\n<p>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.<\/p>\n<h3>9De verdere beoordeling<\/h3>\n<p>Bij het tussenarrest van 19 december 2023 heeft het hof onder meer het volgende overwogen:<\/p>\n<p>\u201c(\u2026)<\/p>\n<p>Huur- of gebruiksrecht<\/p>\n<p>Vast staat dat [woonplaats] een standplaats huren van (intussen) Wooninc. gelegen aan [adres] , die in ieder geval bestaat uit een deel van perceel [B] . Een schriftelijke huurovereenkomst ontbreekt. [woonplaats] hebben niet weersproken dat de gemeente rechthebbende is op het betreffende naast haar standplaats gelegen deel van het perceel [C] , maar stellen dat zij het perceel in gebruik hebben uit hoofde van een huurovereenkomst dan wel een persoonlijk gebruiksrecht (bruikleenovereenkomst). Bovendien stellen zij dat zij de op het perceel [C] aanwezige bebouwing hebben opgericht met mondelinge toestemming. De destijds met bouwvergunning door zijn rechtsvoorganger opgerichte garage is in 1990 vervangen en uitgebreid met toestemming van de gemeente in de personen van [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . De gemeente controleerde periodiek door middel van luchtfoto\u2019s of er gronden illegaal in gebruik waren genomen dan wel illegaal gebouwen of omheiningen e.d. waren geplaatst. Dat, en nu de gemeente al die jaren niet is opgetreden tegen de feitelijke situatie, toont aan dat er sprake is van legaal gebruik, zo begrijpt het hof de stellingen van [woonplaats]<\/p>\n<p>Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie (artikel 7:201 lid 1 BW). Bruikleen is de overeenkomst waarbij de ene partij aan de andere een zaak om niet in gebruik geeft, onder voorwaarde dat degene die de zaak ontvangt, deze, na daarvan gebruik te hebben gemaakt of na een bepaalde tijd, zal teruggeven (artikel 7A:1777 BW) (vgl. HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:828). [woonplaats] hebben gesteld dat het volledige perceel &#8212; de standplaats gelegen op perceel [B] inclusief het door middel van een schutting gedurende al die tijd afgezette gedeelte van perceel [C] &#8212; onder de huurovereenkomst met betrekking tot de standplaats valt, althans dat zij dit ruime perceel met toestemming van de gemeente in gebruik hebben. Er is mondeling toestemming gegeven voor het gebruik van het volledige perceel en het oprichten en laten staan van de aanwezige bouwwerken. [woonplaats] bieden aan dit te bewijzen door het horen van de bij naam genoemde gemeenteambtenaren die bij het maken van die afspraken betrokken waren.<\/p>\n<p>De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat degene die zich jegens de eigenaar beroept op een recht om een goed te houden of te gebruiken, zoals een huurrecht, de stelplicht en bewijslast heeft met betrekking tot de feiten waaruit dat recht volgt (vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1185, en HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2565). Voor een andere bewijslastverdeling is geen plaats. In zoverre treft de grief geen doel. Naar het oordeel van het hof hebben [woonplaats] voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die, zouden zij komen vast te staan, duiden op het bestaan van een dergelijk recht.<\/p>\n<p>Het hof zal [woonplaats] daarom overeenkomstig het bewijsaanbod toelaten tot het bewijs van hun stellingen zoals hierna in het dictum nader omschreven. De gemeente zal daarna tegenbewijs mogen leveren. Beide partijen dienen schriftelijke bewijsstukken op voorhand aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij toe te zenden.<\/p>\n<p>Hoewel strikt genomen voldoende is wanneer [woonplaats] slagen in het bewijs van hun stellingen dat er een huur- of gebruiksrecht bestaat ten aanzien van het ruime perceel, zal het hof hen ook toelaten tot het bewijs van hun stellingen ten aanzien van op het perceel aanwezige bebouwing. Deze gestelde feiten zijn namelijk relevant ter beantwoording van de vraag of sprake is van rechtsverwerking. Het hof komt daar in het hierna volgende onder rov. 6.7.1. en verder nader op terug.<\/p>\n<p>(\u2026)<\/p>\n<p>Rechtsverwerking \/ misbruik van recht<\/p>\n<p>[woonplaats] hebben ((meer) subsidiair) een beroep gedaan op rechtsverwerking en gesteld dat de gemeente misbruik van recht maakt (grief VI). [woonplaats] hebben aangevoerd dat de gemeente de feitelijke situatie zeer lang bewust heeft laten voortbestaan en daartegen niets heeft ondernomen. De gemeente heeft [woonplaats] de grond laten gebruiken en heeft toegelaten dat er op de grond werd gebouwd, zodat de gemeente in redelijkheid niet kan eisen dat [woonplaats] na ruim 30 jaar het gebruik be\u00ebindigen en het gebouwde verwijderen. Dit temeer omdat [woonplaats] aanzienlijke kosten hebben gemaakt voor het plaatsen c.q. vervangen van de bouwwerken en [persoon A] zelfs heeft aangegeven dat hij blij was met de invulling van het hoekperceel omdat de gemeente dan geen onderhoud hoefde te plegen.<\/p>\n<p>Rechtsverwerking kan worden aangenomen indien de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Tijdsverloop alleen is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (zie onder meer HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, rov. 4.2). Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Stilzitten kan tot rechtsverwerking leiden, indien op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht (HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, rov. 4.3).<\/p>\n<p>Het woonwagencentrum aan [adres] is daar al gedurende langere tijd aanwezig. De families\/bewoners wonen er al lang en zijn nauw met elkaar verbonden. Vast staat dat de gemeente het perceel waarop de standplaatsen aan [adres] zijn gelegen in eigendom heeft en (intussen) via Wooninc. aan de bewoners verhuurt. Dat geldt in ieder geval voor het perceel [B] en het daartegenover gelegen perceel [D] : volgens de gemeente zijn de verhuurde standplaatsen alleen en uitsluitend op die percelen gelegen. Deze percelen zijn omsloten door perceel [C] en bij de bewoners van de hoekpercelen zijn (feitelijk) gedeelten van perceel [C] in gebruik, volgens hen al gedurende vele jaren.<\/p>\n<p>Uit de stukken blijkt voorts dat de gemeente in ieder geval tot in 2017 een specifiek beleid voerde ten aanzien van woonwagenzaken. V\u00f3\u00f3r 2017 waren er bij de gemeente specialisten woonwagenzaken werkzaam. Zij traden met de woonwagenbewoners in contact en regelden zaken voor hen. Voor de standplaatsen aan [adres] was dit &#8212; onder anderen &#8212; [persoon A] .<\/p>\n<p>Meer in het bijzonder ten aanzien van [woonplaats] geldt dat zij de standplaats aan [adres] sinds 1982 huren, in eerste instantie van de gemeente en later van Wooninc. Een schriftelijke huurovereenkomst ontbreekt. Evenmin bestaat een andere beschrijving van (de omvang van) het gehuurde. Hoe de feitelijke situatie was bij aanvang van de huurovereenkomst, staat niet vast. [woonplaats] hebben ook niet toegelicht wanneer en hoe het perceel in de huidige omvang is ontstaan en er bevinden zich geen foto\u2019s in het dossier waaruit dat duidelijk blijkt. Daarbij komt dat de door de rechtsvoorganger van [woonplaats] met bouwvergunning d.d. 10 maart 1981 opgerichte garage is vervangen en vergroot en een andere gebruiksfunctie heeft verkregen. Aan die vergunning kunnen in dit verband dan ook geen aanspraken meer worden ontleend. Voorts staat vast dat daarnaast een aanzienlijke strook grond gelegen n\u00e1\u00e1st de garage op enig moment in gebruik is genomen, is omheind en (intussen) ook van bestrating en bebouwing (een afdak naast de garage en een carport aan de voorzijde van het perceel) is voorzien. Dat alles betekent dat niet kan worden aangenomen dat de uiterlijke situatie onveranderd is gebleven en dat uit de nu vaststaande feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de gemeente actief en bewust heeft bijgedragen aan het laten ontstaan en laten voortbestaan van de feitelijke situatie zoals die op dit moment is. Dat is mogelijk anders als zou komen vast te staan dat [woonplaats] de op het bij hen in gebruik zijnde deel van het perceel [C] aanwezige bebouwing (en bestrating en omheining) hebben opgericht met toestemming van de gemeente, althans van bij de gemeente werkzaam zijnde ambtenaren die met het beheer (in ruime zin, zoals in rov. 6.7.3. is toegelicht) van de standplaatsen aan [adres] waren belast, zoals zij hebben gesteld en de gemeente heeft weersproken.\u201d<\/p>\n<p>Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [woonplaats] vervolgens toegelaten te bewijzen:<\/p>\n<p>1) feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij van de gemeente hebben gehuurd de standplaats aan [adres] [xx] met naastgelegen grond zoals begrensd door een schutting, dan wel dat het naast de standplaats gelegen perceel tot aan die schutting door of namens de gemeente aan hen in gebruik is gegeven; en<\/p>\n<p>2) dat zij de op het perceel [C] door hen opgerichte bebouwing hebben opgericht met toestemming van een of meer bij de gemeente werkzame ambtenaren.<\/p>\n<p>[woonplaats] hebben in enqu\u00eate negen getuigen doen horen.<\/p>\n<p>[appellant sub 1] , partijgetuige, heeft het volgende verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>Ik laat u een aantal foto\u2019s zien. Ik begrijp dat u die foto\u2019s straks zal kopi\u00ebren en aan het<\/p>\n<p>verslag van deze zitting zult hechten. Op die foto\u2019s is de oude schuur te zien die nog van<\/p>\n<p>[E] was. Dat is de schuur die ik later heb mogen vervangen. [persoon A] zei dat ik hem<\/p>\n<p>mocht vervangen. Ik heb die schuur toen vervangen door de schuur die er nu staat en waar de discussie over gaat. U ziet een foto met een grote conifeer erop. De voorkant van mijn<\/p>\n<p>perceel werd begrensd door een rij coniferen, die heb ik later allemaal weggehaald. U ziet<\/p>\n<p>ook een foto waar ik op sta bij een Volkswagen golf. Achter mij ziet u de zijkant van het<\/p>\n<p>perceel en u ziet dat daar bomen en groen staan. Op een andere foto ziet u een meisje staan<\/p>\n<p>bij een Mercedes. Zoals ik al zei is dat de schuur van [E] en mijn woonwagen stond rechts<\/p>\n<p>daarvan. Tot slot heb ik u ook een foto gegeven waarop een stapel stenen ligt en waarop u<\/p>\n<p>mijn nieuwe schuur ziet. Op die foto is te zien dat de oprit opnieuw gelegd is en dat heeft de<\/p>\n<p>verhuurder gedaan.<\/p>\n<p>Ik woon nu ongeveer 33 tot 34 jaar op nummer [xx] . Ik stond eerder op nummer [YY] . Dat<\/p>\n<p>was mijn eerste staanplaats in 1980. Later ben ik dus overgegaan naar nummer [xx] . Ik vond<\/p>\n<p>dat een mooiere plaats en het was een hoekplaats. Ik heb het perceel [xx] overgenomen van<\/p>\n<p>mijn broer [F] , die in een huis ging wonen. Voordat mijn broer op [xx] stond, stond [E]<\/p>\n<p>daar.<\/p>\n<p>Toen ik op het perceel [xx] kwam had dat perceel al dezelfde omvang als dat het nu heeft.<\/p>\n<p>Aan de voorzijde van het perceel aan de weg, bij de stroomhokken stonden toen bomen. Op<\/p>\n<p>het perceel stond een woonwagen en de rest was tuin.<\/p>\n<p>Zoals ik al zei heb ik het perceel overgenomen van mijn broer. Aan de zijkant was groen te<\/p>\n<p>zien. Aan de zijkant stonden elektriciteitshokken en er stond een hekwerk met gaas tussen de<\/p>\n<p>bomen. Dat hek was ruim een meter hoog. Plus minus 34\/3 5 jaar geleden heb ik op die plek<\/p>\n<p>een schutting neergezet. Zoals ik al zei stonden aan de voorkant van het perceel coniferen en<\/p>\n<p>er was ook een lage schutting. Zo\u2019n 15 of 16 jaar geleden heb ik die coniferen weggehaald en<\/p>\n<p>een hogere schutting geplaatst.<\/p>\n<p>Toen ik op perceel [xx] kwam wonen stond op het perceel ook een schuurtje van [E] . Dat<\/p>\n<p>schuurtje heb ik ongeveer 32 jaar geleden mogen afbreken. [persoon A] , [persoon B] en [persoon C]<\/p>\n<p>zijn op het kamp gekomen en we hebben gesproken over een nieuwe schuur. Mijn moeder<\/p>\n<p>was erbij en die zei: ik zal die nieuwe schuur wel betalen voor je als je van [persoon A] een<\/p>\n<p>grotere schuur van 6 bij 8 meter mag bouwen. Toen zei [persoon A] : \u201c [G] voor jou doe ik<\/p>\n<p>dat\u201d. Ik heb toen die schuur gebouwd zoals die er nu staat en al die jaren heeft de gemeente<\/p>\n<p>er nooit wat van gezegd. Zolang [persoon A] bij ons op het kamp kwam is er nooit een<\/p>\n<p>probleem van gemaakt. Ik heb nog aan [persoon A] gevraagd of de vergunning voor die oude<\/p>\n<p>kleinere schuur overgezet moest worden op die nieuwe grote schuur. [persoon A] zei toen<\/p>\n<p>tegen mij dat ik dat moest laten. Het zou mij alleen maar geld kosten en het hoefde niet van<\/p>\n<p>hem. Hij zou bij de gemeente een aantekening van het perceel met tuin achterlaten voor als<\/p>\n<p>hij niet meer werkzaam zou zijn. Hij zei dat de gemeente er dan wel uit zou komen. Nadat<\/p>\n<p>[persoon A] gestopt was bij de gemeente kwamen er andere ambtenaren en toen begonnen de<\/p>\n<p>problemen.<\/p>\n<p>U vraagt mij wat er na die nieuwe schuur nog gebouwd is door mij. Ik heb nog een carport<\/p>\n<p>langs de garage gebouwd. Ik ben nog bij de gemeente gaan vragen of daar een vergunning<\/p>\n<p>voor nodig was, maar destijds was voor een carport geen vergunning nodig zei de<\/p>\n<p>gemeenteambtenaar.<\/p>\n<p>Op een bepaald moment is [persoon D] bij me geweest samen met twee vrouwelijke<\/p>\n<p>collega\u2019s. Ze wilde inzage doen in mijn garage. Hij zei dat ik illegalen in mijn garage liet<\/p>\n<p>wonen. Ik heb hem en zijn collega\u2019s toen meegenomen naar de garage en hem laten zien dat<\/p>\n<p>er helemaal geen illegalen woonden. Ik zei toen tegen hem dat hij me dan wel moest<\/p>\n<p>vertellen hoe hij aan dat verhaal kwam. Hij gaf aan dat hij een tip had gehad.<\/p>\n<p>In het verleden kwamen vaker [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en ook nog andere ambtenaren bij<\/p>\n<p>ons op het kamp kijken. Ik ben er door deze ambtenaren nooit op gewezen dat iets niet in<\/p>\n<p>orde was. Er was ook een gemeente ambtenaar [H] die jaren bij ons heeft<\/p>\n<p>meegelopen en alles heeft gezien.<\/p>\n<p>[I] is ook een gemeenteambtenaar. Die heeft bij ons ook alles bekeken en ik heb nooit<\/p>\n<p>commentaar van hem gehad. Het was en is bij mij altijd pico bello in orde. Je kunt bij mij<\/p>\n<p>van de straat eten. [persoon A] heeft ook tegen mij gezegd dat het bij mij prima in orde was.<\/p>\n<p>Enige tijd geleden, ik hoor mr. Van de Laar aangeven ongeveer twee jaar geleden, is mr. Van<\/p>\n<p>de Laar samen met [persoon A] nog bij mij op het kamp geweest. [persoon A] zei tegen mij: \u201cik<\/p>\n<p>heb jou dat ongeveer 32 jaar geleden allemaal laten bouwen. Laat ze maar lullen. Ik heb<\/p>\n<p>destijds aantekeningen gemaakt en die moeten bij de gemeente zijn\u201d. [persoon A] heeft toen<\/p>\n<p>verteld dat hij zelf nog navraag gedaan heeft naar die aantekeningen en dat hij ze niet heeft<\/p>\n<p>kunnen vinden. Nu u dit dicteert zeg ik dat hij zei dat ze niet meer aanwezig waren.<\/p>\n<p>Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik dat ik me op dezelfde manier heb voorbereid op<\/p>\n<p>het verhoor in mijn eigen zaak als in de zaak van mevrouw [persoon H] .\u201d<\/p>\n<p>In de zaak [persoon H] heeft [appellant sub 1] over zijn voorbereiding op het verhoor als volgt verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>U vraagt mij of ik me heb voorbereid op de zitting van vandaag. Ja, met handen en voeten. Ik bedoel te zeggen dat ik me goed heb voorbereid. Ik heb er met mijn vrouw over gesproken.<\/p>\n<p>Ik heb niet met andere mensen erover gesproken. Het klopt dat ik voor dit getuigenverhoor<\/p>\n<p>met een aantal andere getuigen beneden in de hal heb gezeten. Ik heb het toen niet over deze<\/p>\n<p>zaak gehad met hen. Ik heb geen stukken doorgelezen, want ik kan niet lezen en schrijven.\u201d<\/p>\n<p>[I] , gepensioneerd ambtenaar (van onder andere de gemeente), heeft het volgende verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>Ik heb van 1998 tot 2004 bemoeienis gehad met het kamp op [adres] . In die tijd<\/p>\n<p>was [persoon A] mijn collega. Ik had als taak de aanpak van probleemsituaties bij<\/p>\n<p>bepaalde woonwagenlocaties. Op het kamp aan [adres] ben ik zelden geweest. Ik<\/p>\n<p>denk dat mijn bezoeken aan dat kamp op een hand te tellen zijn. Er was daar niet zoveel aan<\/p>\n<p>de hand.<\/p>\n<p>[persoon A] deed het dagelijks beheer op de woonwagenlocaties. Hij droeg zorg voor de<\/p>\n<p>invulling van de wensen van de bewoners (bijvoorbeeld: de wens dat de kinderen ook een<\/p>\n<p>standplaats kregen op het kamp). Verder deed hij ook het technisch onderhoud en zorgde hij<\/p>\n<p>voor herstel van voorzieningen. U vraagt mij of [persoon A] ook tot taak had om te<\/p>\n<p>beslissen of er gebouwd mocht worden. Ik denk dat hij dat kon in afstemming met zijn<\/p>\n<p>directeur (destijds [persoon J] ). U vraagt mij waarom ik dat denk. Ik antwoord u<\/p>\n<p>dat ik dat denk omdat [persoon A] niet zelfstandig bevoegd was om over onroerende zaken<\/p>\n<p>van de gemeente te beschikken.<\/p>\n<p>Ik ben ongeveer 14 dagen geleden op het kamp aan [adres] gaan kijken. [appellant sub 1]<\/p>\n<p>stond bij mij op de oprit en vroeg of ik als getuige kon optreden in zijn zaak. Door dat<\/p>\n<p>bezoek weet ik dus hoe het er nu uitziet. U vraagt mij of ik me ook kan herinneren hoe het er<\/p>\n<p>destijds, toen ik nog bij de gemeente de taak had om me te bemoeien met de<\/p>\n<p>woonwagenkampen, eruit zag. In mijn herinnering lijkt de situatie op de standplaats van<\/p>\n<p>meneer [appellant sub 1] zoals die nu is sterk op hoe het er destijds uitzag toen ik op het kamp kwam.<\/p>\n<p>Ik zeg daarbij wel dat ik aan de zijkant van de schuur een overkapping aantrof die er volgens<\/p>\n<p>mij in het verleden niet was. Ik heb het dan over een overkapping naast de schuur van<\/p>\n<p>meneer [appellant sub 1] .<\/p>\n<p>Ik weet er niets van of [persoon A] zelf, dus zonder toestemming van zijn directeur, in die tijd<\/p>\n<p>toestemming gaf voor het oprichten van schuttingen en het maken van kleine bouwwerken.<\/p>\n<p>Ik kan me daarvan ook niks herinneren.<\/p>\n<p>In de periode dat ik met die taak belast was zijn er luchtfoto\u2019s van het kamp gemaakt, maar<\/p>\n<p>of ze nog bestaan weet ik niet.<\/p>\n<p>Wat ik mij van een van de eerste werkbezoeken aan het kamp aan [adres] kan<\/p>\n<p>herinneren is dat er een schuur aanwezig was die naast de oorspronkelijke standplaats van de familie [appellant sub 1] stond. Of die schuur dezelfde is als de huidige kan ik niet zeggen.<\/p>\n<p>Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>Ik herhaal dat de schuur van de familie [appellant sub 1] naast hun standplaats staat. Niet alle<\/p>\n<p>standplaatsen zijn even groot, maar het gebruikelijke formaat van een standplaats is 8 bij 15<\/p>\n<p>meter.<\/p>\n<p>Ik hield me niet bezig met het verhuren van de standplaatsen. [persoon A] deed dat. De<\/p>\n<p>verhuur betrof de verhuur van de standplaatsen, niet van de grond naast de standplaatsen. Er<\/p>\n<p>waren in het algemeen ten aanzien van woonwagenlocaties soms gedoogconstructies om<\/p>\n<p>overlastsituaties te voorkomen. Als voorbeeld van zo\u2019n gedoogconstructie kan ik aangeven<\/p>\n<p>dat wij bij een bepaalde locatie toestemming hebben gegeven aan de huurder voor het<\/p>\n<p>gebruik van een strook grond naast de standplaats om te voorkomen dat derden op dit<\/p>\n<p>braakliggende stukje grond vuil zouden leggen. Dit gaat over [adres B] .<\/p>\n<p>De bewoners van de locaties wisten heel duidelijk wat hun standplaats was en waar die<\/p>\n<p>ophield.<\/p>\n<p>Ik weet niet of de schuur van de familie [appellant sub 1] naast de standplaats mocht staan bij wijze van<\/p>\n<p>gedoogconstructie.<\/p>\n<p>U vraagt mij of als er sprake was van een gedoogconstructie die constructie dan \u201cvoor altijd\u201d was. Dat was niet het geval.<\/p>\n<p>U vraagt mij hoe dat is gegaan dat [appellant sub 1] naar mij toe is gekomen in verband met<\/p>\n<p>deze rechtszaak. Ik kwam op de fiets bij mijn huis aan en hij stond bij mijn auto op de oprit.<\/p>\n<p>Hij zei dat hij in een rechtszaak zat en heeft toen gevraagd of ik als getuige kon optreden. Ik<\/p>\n<p>heb toen tegen hem gezegd dat het mij verstandig leek dat ik eens zou kijken hoe het eruit<\/p>\n<p>zag en dat heb ik ook gedaan.\u201d<\/p>\n<p>[appellante sub 2] heeft als partijgetuige als volgt verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>Ik woon ongeveer 34\/35 jaar aan [adres] [xx] . Daarvoor heb ik vanaf 1980<\/p>\n<p>gewoond op nummer [YY] . Toen ik op nummer [xx] kwam te wonen was het perceel net zo<\/p>\n<p>groot als het nu is. Naast de woonwagen was gras, een tuintje. U vraagt mij hoe het perceel<\/p>\n<p>was omheind. Er stonden coniferen en een lage afrastering en helemaal rondom waren<\/p>\n<p>schuttingplaten. Die schuttingplaten zijn later gemaakt.<\/p>\n<p>Mensen bij de gemeente [A] hebben geregeld dat wij van nummer [YY] naar [xx]<\/p>\n<p>mochten verhuizen. Ik herinner me de namen van [persoon C] , [persoon B] en er was nog iemand bij<\/p>\n<p>van wie ik de naam niet meer weet. Voordat wij naar nummer [xx] gingen woonde op die<\/p>\n<p>standplaats de broer van mijn man. Voor de broer van mijn man woonde [E] op nummer<\/p>\n<p>[xx] .<\/p>\n<p>U vraagt mij of de verhuurder destijds, toen wij naar nummer [xx] verhuisden heeft gezegd:<\/p>\n<p>\u201cnummer [xx] inclusief wat jullie het zijstuk noemen wordt door jullie gehuurd\u201d. Ik heb altijd<\/p>\n<p>geweten voor mezelf dat het hele perceel dus inclusief zijstuk bij elkaar hoorde. Het was dus<\/p>\n<p>net zo groot als nu.<\/p>\n<p>Ik heb nooit een huurcontract gezien.<\/p>\n<p>Het klopt dat toen wij [xx] gingen huren er een kleine garage op het perceel stond. Op die<\/p>\n<p>garage zat een vergunning van [E] . Wij hebben in de loop van de tijd een grotere schuur<\/p>\n<p>gebouwd. Daarvoor hebben we nog geld gekregen van mijn schoonmoeder. [persoon C] , [persoon B]<\/p>\n<p>en [persoon A] zeiden dat we geen vergunning hoefde aan te vragen voor die grotere schuur.<\/p>\n<p>Ze zeiden dat er geen vergunning op hoefde.<\/p>\n<p>Na die schuur hebben we ook nog een open carport gebouwd. Ook daar was volgens de<\/p>\n<p>gemeente geen vergunning voor nodig, omdat hij aan de voor- en achterkant open was.<\/p>\n<p>In de loop van de tijd hebben we de coniferen vervangen door schuttingplaten. Ik weet nu<\/p>\n<p>niet meer precies wanneer dat is geweest. Het is al zo lang geleden. Het klopt dat er nu<\/p>\n<p>helemaal rondom het perceel schuttingplaten zijn. Aan de voorkant zijn er twee poorten.<\/p>\n<p>U vraagt mij of er regelmatig controles werden uitgevoerd door de gemeente. Bij mijn weten<\/p>\n<p>is er maar een keer gecontroleerd. Er kwamen twee mannen en een vrouw en die wilden in<\/p>\n<p>de garage kijken.<\/p>\n<p>[persoon A] kwam in de tijd dat we op nummer [xx] woonden ook regelmatig op het<\/p>\n<p>kamp. Hij regelde veel voor de mensen op het kamp en als we problemen of vragen hadden<\/p>\n<p>konden we bij hem terecht. We hebben dus bijvoorbeeld ook aan hem gevraagd of we een<\/p>\n<p>vergunning nodig hadden voor de schuur. Mr. Hagelaars merkt op dat de getuige ook heeft<\/p>\n<p>verklaard dat ze niet wist dat [persoon A] een ambtenaar was van de gemeente. Ik raadsheer<\/p>\n<p>commissaris geef aan dat de getuige dat inderdaad heeft gezegd en noteer daarom deze<\/p>\n<p>aanvulling. Op de vraag van mr. Van de Laar antwoord ik dat ik wel wist dat [persoon A] bij<\/p>\n<p>de gemeente werkte. De laatste keer dat [persoon A] bij ons is geweest kwam hij samen met<\/p>\n<p>mr. Van de Laar.<\/p>\n<p>Ik kan nu niet meer precies zeggen of de nieuwe schuttingplaten er al waren toen [persoon A]<\/p>\n<p>bij ons op het kamp kwam.<\/p>\n<p>U vraagt mij of [J] en [H] controles uitvoerden op het kamp. Ik kan me<\/p>\n<p>herinneren dat zij een keer zijn geweest. Ik heb toen kennis met hen gemaakt. Wij hebben<\/p>\n<p>toen niet gesproken over iets met de gemeente. Mijn man regelde dat soort zaken ook. Ik<\/p>\n<p>weet er niks van of [J] of [H] iets over de nieuwe schuur hebben gezegd. [J]<\/p>\n<p>en [H] kwamen regelmatig op het kamp. Ik bedoel daarmee dat ze om de paar<\/p>\n<p>maanden kwamen. Ze kwamen vaker samen, maar [H] is ook weleens alleen<\/p>\n<p>geweest. [persoon B] kwam ook vaker op het kamp.\u201d<\/p>\n<p>[persoon K] , zwager van [appellant sub 1] , heeft het volgende verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>Ik denk dat [appellant sub 1] en zijn vrouw ongeveer 30 jaar geleden op nummer [xx] op het kamp op<\/p>\n<p>[adres] zijn gaan wonen. U vraagt mij of ik weet hoe het perceel er toen uit zag<\/p>\n<p>waar zij op gingen staan. Ze hadden een plek voor de woonwagen en een stuk aan de zijkant<\/p>\n<p>met gras en zand. Zij hebben dat stuk aan de zijkant vanaf het begin af aan in gebruik<\/p>\n<p>genomen. [appellant sub 1] vroeg aan [persoon A] of hij dat zijstuk mocht verharden. [persoon A] zei dat<\/p>\n<p>dat ok\u00e9 was. Ik weet dat, omdat ik bij dat gesprek aanwezig was. [appellant sub 1] vroeg of hij dat<\/p>\n<p>stuk mocht verharden en of hij om dat stuk heen een omheining mocht plaatsen. Zoals ik al<\/p>\n<p>zei vond [persoon A] dat goed. Er heeft niet vanaf begin af aan een schutting om het<\/p>\n<p>terrein gestaan. Eerst stonden er bomen en een hekwerk met gaas. Dat was aan de voorkant<\/p>\n<p>en ook aan de zijkant. Pas later zijn die bomen en dat gaas vervangen door een schutting.<\/p>\n<p>Ik herinner mij dat wij met een man of vijf zes op de plaats van [appellant sub 1] stonden toen we dat<\/p>\n<p>gesprek met [persoon A] hadden. Volgens mij waren er drie of vier ambtenaren van de<\/p>\n<p>gemeente bij. Ik denk dat het gesprek plaats vond op een namiddag.<\/p>\n<p>Die bomen en het gaaswerk zijn naderhand vervangen door de schutting, maar ik weet niet<\/p>\n<p>meer precies wanneer.<\/p>\n<p>[persoon A] kwam altijd bij ons op de woonwagenkampen. Als je iets vroeg en [persoon A] zei<\/p>\n<p>ja, dan was het ook ja. En als [persoon A] iets niet goed vond en nee zei, dan was liet ook nee. Dat<\/p>\n<p>wist iedereen. Ik kon het heel goed vinden met [appellant sub 1] en ik was bijna altijd bij hem op het<\/p>\n<p>kamp.<\/p>\n<p>[appellant sub 1] heeft ook aan [persoon A] gevraagd of hij de schuur mocht bouwen en ook dat mocht.<\/p>\n<p>U vraagt mij of ik een belang heb bij de afloop van deze procedure. Ik heb geen belang<\/p>\n<p>hierbij.<\/p>\n<p>Mr. van de Laar geeft aan dat hij aanneemt dat ik de oude schuur heb gezien die er eerst<\/p>\n<p>stond. Dat klopt. Mr. Hagelaars merkt op dat deze vraag niet op deze manier gesteld moet<\/p>\n<p>worden en de raadsheer-commissaris is dat met hem eens.<\/p>\n<p>[appellant sub 1] vroeg aan [persoon A] of hij de oude schuur, die nogal smal was, mocht vervangen door<\/p>\n<p>een nieuwe schuur. [appellant sub 1] vroeg ook of die groter mocht worden. Dat mocht. [appellant sub 1] mocht<\/p>\n<p>een grotere schuur maken dan de oude schuur. Hoe groot de nieuwe schuur precies mocht<\/p>\n<p>worden weet ik niet.<\/p>\n<p>Na de bouw van die nieuwe schuur heeft [appellant sub 1] ook nog een overkapping aan de zijkant<\/p>\n<p>van de schuur gebouwd. Ook dat mocht van [persoon A] . Ik weet niet of er een vergunning is<\/p>\n<p>gevraagd en gegeven voor die overkapping. Ik heb geen verstand van vergunningen.<\/p>\n<p>Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>U vraagt mij hoe ik mij voor vandaag heb voorbereid. Ik heb me niet voorbereid. Ik weet<\/p>\n<p>natuurlijk van [appellant sub 1] dat deze procedure loopt. Deze kwestie loopt al jaren tegen de<\/p>\n<p>gemeente. Ik weet dat 6 of 7 mensen, waaronder mijn broer, met de gemeente hier een<\/p>\n<p>probleem over hebben. Op het kamp hebben we vaak over deze procedures gesproken. We<\/p>\n<p>wonen op het kamp dicht bij elkaar en dan praat je over dit soort dingen.<\/p>\n<p>Op vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>Ik heb de zaak niet met u besproken. Ik heb u net voor het eerst gezien.\u201d<\/p>\n<p>[persoon E] , medebewoner van het woonwagenpark aan [adres] , heeft het volgende verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>Ik heb mij niet speciaal voorbereid op dit verhoor. Ik ken de zaak wel zo\u2019n beetje uit mijn<\/p>\n<p>hoofd. Ik heb met u besproken hoe het hier zou gaan vandaag en dat ik hier naartoe moest<\/p>\n<p>komen. Ik heb niet met u gesproken over wat u aan mij zou gaan vragen en wat ik zou gaan<\/p>\n<p>antwoorden.<\/p>\n<p>Ik woon denk ik vanaf begin 1988 op het kamp op [adres] . De familie [appellant sub 1]<\/p>\n<p>woonde er toen al. Volgens mij stonden ze toen ook al op nummer [xx] . Het perceel van<\/p>\n<p>familie [appellant sub 1] was vroeger afgezet met coniferen, of in elk geval met bomen. Later is er een<\/p>\n<p>schutting in plaats van die bomen gekomen. De plek zelf is altijd geweest zoals die nu is. De<\/p>\n<p>raadsheer-commissaris vraagt mij of ik daarmee bedoel dat de plek altijd zo groot is geweest<\/p>\n<p>zoals die nu is. Dat bedoel ik.<\/p>\n<p>U vraagt mij of er nog iets gewijzigd is op nummer [xx] vanaf het moment dat ik op het kamp<\/p>\n<p>ben komen wonen. Zoals ik al zei, is er een omheining gekomen in plaats van die bomen. Bij<\/p>\n<p>mijn weten stond de garage er wel al.<\/p>\n<p>U vraagt mij of ik weet of de familie [appellant sub 1] toestemming had van de gemeente voor het<\/p>\n<p>plaatsen van die schutting. Het was zo dat vroeger alles ging via [persoon A] . Ik ben niet<\/p>\n<p>bij een gesprek geweest tussen [persoon A] en de familie [appellant sub 1] over het plaatsen van die<\/p>\n<p>schutting. [persoon A] kwam vaker op het kamp en ik heb later van hem zelf gehoord dat<\/p>\n<p>[appellant sub 1] die schutting mocht zetten.\u201d<\/p>\n<p>[persoon F] , zwager van [appellant sub 1] en broer van [appellant sub 1] &#8212; [persoon F] , heeft verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>U vraagt of ik mij heb voorbereid op vandaag. Ik antwoord u dat ik mijn zwager probeer een<\/p>\n<p>beetje te helpen. We hebben in het verleden er al vaker over gesproken. Voor vandaag heb ik<\/p>\n<p>niet speciaal met hem erover gehad. Mijn zwager en mijn zus hebben mij niet gezegd wat ik<\/p>\n<p>vandaag moest verklaren. Ik heb deze bijeenkomst niet met mr. van der Laar voor besproken.<\/p>\n<p>Volgens mij wonen mijn zus en haar man ongeveer 35 jaar op nummer [xx] op het kamp aan<\/p>\n<p>[adres] . U vraagt mij hoe het perceel [xx] eruit zag toen zij daar gingen wonen.<\/p>\n<p>Het perceel was een grasveld en er waren bomen. Het was een soort tuin ofzo. Er stond ook<\/p>\n<p>een garage op. De woonwagen stond op het vak zelf. Het zijn twee verschillende percelen. Er<\/p>\n<p>was een oprit naar de garage. Die twee percelen hoorden wel bij elkaar. De raadsheer<\/p>\n<p>commissaris vraagt hoe ik dat weet. Volgens mij was dat zo omdat de situatie tegenover de<\/p>\n<p>familie [appellant sub 1] precies hetzelfde was.<\/p>\n<p>Volgens mij stonden langs de hoofdweg gemeentebomen aan de rand van het perceel. Aan de<\/p>\n<p>voorkant stond een lage schutting met coniferen. Het perceel had dezelfde oppervlakte als<\/p>\n<p>dat het nu heeft. Wel zijn er naderhand nog dingen bij gebouwd.<\/p>\n<p>De bomen zijn op een bepaald moment vervangen door een betonnen schutting. Ik weet niet<\/p>\n<p>of dat met een vergunning is gebeurd, maar er was wel toestemming voor. Een man van de<\/p>\n<p>gemeente had die toestemming gegeven. Ik heb dat naderhand gehoord, want ik was er niet<\/p>\n<p>bij toen die toestemming aan mijn zwager zou zijn gegeven.<\/p>\n<p>Het klopt dat er is bij gebouwd op het perceel. Er stond een kleine garage en die is vervangen<\/p>\n<p>door een grotere. Ook is er een carport gebouwd en is het perceel verhard met stenen. Ik weet nu niet meer precies of die poorten er toen ook al hingen of niet. Ik denk dat de oude garage door de grote garage is vervangen toen mijn zwager en mijn zus daar ongeveer 2 jaar<\/p>\n<p>woonden, maar ik weet het niet meer precies. Volgens mij is het perceel ook verhard in<\/p>\n<p>diezelfde periode. U vraagt nog een keer naar de toestemming voor het bijbouwen. We<\/p>\n<p>hebben het onderling er vaker over gehad dat die man van de gemeente het allemaal goed<\/p>\n<p>vond. Ik doe mijn best maar ik kan mij zijn naam echt niet meer herinneren. Hij was de man<\/p>\n<p>die alles op de woonwagenkampen regelde. Hij is inmiddels overleden. We hebben het vaker<\/p>\n<p>onderling over hem gehad. Wij spraken erover dat deze gemeenteman het goed had<\/p>\n<p>gevonden dat de grotere garage en die andere dingen daar werden gebouwd.<\/p>\n<p>Die man van de gemeente, van wie ik de naam niet meer weet, kwam vaker kijken op het<\/p>\n<p>kamp. Hij keek bijvoorbeeld of er fatsoenlijk werd gebouwd, want het moest wel allemaal<\/p>\n<p>netjes gebeuren. Ik heb weleens met hem gesproken over koetjes en kalfjes.<\/p>\n<p>De gemeenteman was minimaal eenmaal per paar maanden op het kamp om te controleren.<\/p>\n<p>Ik heb weleens vaker ambtenaren op het kamp aan [adres] gezien. Het was niet<\/p>\n<p>zo dat die altijd voor mijn zwager en mijn zus kwamen.\u201d<\/p>\n<p>[persoon G] , zwager van [persoon H] , heeft het volgende verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>U vraagt aan mij hoe ik mij heb voorbereid voor vandaag. Ik heb niet met mevrouw [persoon H] of<\/p>\n<p>met [appellant sub 1] de zitting voor besproken. Ook niet met mr. van de Laar. Ik heb wel die oproep<\/p>\n<p>gekregen om te komen vandaag. En [appellant sub 1] heeft me vanmorgen uit bed geroepen.<\/p>\n<p>We hebben het wel al met elkaar eerder gehad over deze procedure.<\/p>\n<p>Volgens mij woont de familie [appellant sub 1] ongeveer 44 jaar op het kamp op [adres] . Ze<\/p>\n<p>hebben eerst op het perceel naast nummer [xx] gewoond. Op nummer [xx] woonde toen<\/p>\n<p>[E] . Ik kan me niet meer herinneren wanneer de familie [appellant sub 1] precies op nummer [xx] is<\/p>\n<p>gaan wonen. Ik vergeet dingen snel. U vraagt mij hoe dat perceel nummer [xx] eruit zag toen<\/p>\n<p>de familie [appellant sub 1] daar ging wonen. Het was een veldje en dan bedoel ik het perceel naast de<\/p>\n<p>wagen. Om dat perceel stonden bomen en coniferen. [E] had op dat perceel al een<\/p>\n<p>garage gezet.<\/p>\n<p>Toen de familie [appellant sub 1] daar ging wonen had het perceel dezelfde oppervlakte als dat het<\/p>\n<p>perceel nu heeft. [E] had dat perceel zo al in gebruik.<\/p>\n<p>[appellant sub 1] heeft op een bepaald moment die bomen rondom dat perceel vervangen door een<\/p>\n<p>schutting. Dat mocht van [persoon A] . Ik heb zelf erbij gestaan toen de schutting werd<\/p>\n<p>gemaakt. Eerst moest [appellant sub 1] stoppen met het bouwen maar naderhand mocht hij de schutting<\/p>\n<p>toch verder afmaken. Er was nog een ambtenaar bij [persoon A] , maar daar weet ik de naam<\/p>\n<p>niet meer van.<\/p>\n<p>In die tijd had je nooit een vergunning nodig voor dit soort dingen. Tegenwoordig heb je<\/p>\n<p>voor alles en nog wat een vergunning nodig.<\/p>\n<p>Nadat [appellant sub 1] op nummer [xx] is gaan wonen heeft hij er nog een grote garage en een carport<\/p>\n<p>neergezet. Hij mocht die gebouwen laten staan. Als de gemeente in die tijd het niet goed<\/p>\n<p>vond dat je iets bouwde, moest je stoppen met bouwen en het soms ook gelijk afbreken. Ik<\/p>\n<p>heb er bij gestaan dat [persoon A] tegen [appellant sub 1] zei dat hij daar mocht bouwen. Ik zeg<\/p>\n<p>daarbij dat als iemand bij ons op het kamp komt, we allemaal meteen naar buiten gaan om<\/p>\n<p>erbij te staan.<\/p>\n<p>[persoon A] kwam in het begin vaker op het kamp aan [adres] . Hij kwam<\/p>\n<p>gewoon praten en buurten en een bakje koffie drinken. Ook andere ambtenaren van de<\/p>\n<p>gemeente kwamen vaker bij ons op het kamp. Volgens mij kwam [persoon A] ook kijken of<\/p>\n<p>alles wel in orde was. Hij vond alles altijd goed.<\/p>\n<p>Toen [E] nog op nummer [xx] woonde was er volgens mij al bestrating op dat perceel.<\/p>\n<p>Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>U vraagt mij hoeveel mensen erbij stonden toen [persoon A] tegen [appellant sub 1] zei dat hij de<\/p>\n<p>schutting mocht bouwen. Dat vind ik moeilijk om te zeggen want dat is al heel lang geleden.<\/p>\n<p>Ik denk dat er zo\u2019n zes of zeven mensen bij waren, waaronder die andere man van de<\/p>\n<p>gemeente. Volgens mij was [persoon F] , die man die toen straks hier ook was, er ook bij. Ik dacht<\/p>\n<p>ook nog wat andere mensen van het kamp. [persoon F] woont niet bij ons op het kamp, maar hij<\/p>\n<p>was er wel. Zoals ik al zei als bij ons iemand het kamp opkomt dan komen mensen al snel<\/p>\n<p>naar buiten om erbij te staan.\u201d<\/p>\n<p>[H] , heeft het volgende verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>Ik ben zelfstandige en beheer op dit moment woonwagenlocaties in de regio [A] .<\/p>\n<p>Voorheen verrichtte ik het beheer in de gemeente [A] . In de periode dat ik de<\/p>\n<p>woonwagenlocatie aan [adres] beheerde, was in eerste instantie de gemeente<\/p>\n<p>[A] eigenaar. Vervolgens is de locatie overgedragen aan Wooninc (niet in eigendom).<\/p>\n<p>Dat was in 2003. Wooninc heeft toen aan mij gevraagd om voor haar het beheer te doen voor<\/p>\n<p>die locatie.<\/p>\n<p>Ik heb in de periode van 2003 tot 2006 het beheer uitgevoerd over de woonwagenlocatie<\/p>\n<p>Welschapsedijk. Ik had medewerkers in dienst, waaronder [J] . Mijn activiteiten<\/p>\n<p>heb ik ondergebracht in het bedrijf [zz] B.V. Mijn functie was het namens de<\/p>\n<p>gemeente\/Wooninc verrichten van technisch en sociaal beheer. Als voorbeeld van sociaal<\/p>\n<p>beheer noem ik dat als er een betalingsachterstand was bij een bepaalde bewoner, ik in<\/p>\n<p>overleg ging en probeerde een betalingsregeling tot stand te brengen. Met technisch beheer<\/p>\n<p>bedoel ik dat als er gebreken waren op de locatie, ik die ging beoordelen en indien nodig<\/p>\n<p>zorgde voor reparatie.<\/p>\n<p>Ik oefende geen controle uit op bouwwerken die door de bewoners werden gebouwd of op<\/p>\n<p>gronden die de bewoners in gebruik hadden. Dat was ook niet mijn taak. Dat was de taak van<\/p>\n<p>[persoon A] .<\/p>\n<p>Toen de overdracht plaatsvond van de gemeente naar Wooninc heb ik samen met [persoon A]<\/p>\n<p>alle woonwagenlocaties in [A] bezocht. Hij vertelde me wat er speelde en ik<\/p>\n<p>heb kennis gemaakt met de bewoners. Dat was dus in 2003. Ik ben toen ook op de locatie aan<\/p>\n<p>[adres] geweest. [persoon A] heeft me toen niet verteld dat er sprake was van illegale<\/p>\n<p>bouwwerken.<\/p>\n<p>(\u2026)<\/p>\n<p>Op vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>U vraagt mij of ik me kan herinneren hoe het perceel [adres] van de familie<\/p>\n<p>[appellant sub 1] er in 2003 uit zag. Ik herinner me dat er sprake was van een stenen gebouw (hun<\/p>\n<p>woning) en dat er aan die woning een serre was. We hebben toen in die serre koffie zitten<\/p>\n<p>drinken. Ik meen dat links van de woning een dubbele garage stond. Er was ook een strook<\/p>\n<p>grond naast de garage naar de weg toe. De familie [appellant sub 1] had die strook in gebruik. Voor<\/p>\n<p>zover ik me kan herinneren was er sprake van een omheining. Volgens mij liep het perceel<\/p>\n<p>niet helemaal tot aan de weg.<\/p>\n<p>Ik weet dat [persoon A] liever had dat de stroken grond in gebruik gegeven werden aan<\/p>\n<p>de bewoners dan dat ze braak lagen, want de bewoners hielden die stukken dan netjes bij. Ik<\/p>\n<p>weet dat omdat [persoon A] me dat zelf heeft verteld.<\/p>\n<p>Ik weet niet of [persoon A] de bevoegdheid had om stroken grond in gebruik te geven. Ik<\/p>\n<p>weet wel dat [persoon A] mijn aanspreekpunt bij de gemeente was voor alles.<\/p>\n<p>Ik weet niet of [persoon A] zelfstandig beslissingen nam voor bijvoorbeeld de uitgifte<\/p>\n<p>van bouwgrond en dergelijke.<\/p>\n<p>Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>Ik had een overeenkomst met Wooninc, niet met de gemeente. U vraagt mij of [persoon A]<\/p>\n<p>in 2003 met pensioen is gegaan. Dat weet ik niet. U vraagt mij of [persoon A] in de<\/p>\n<p>periode 2003 tot 2006, toen ik het beheer deed van de woonwagenlocaties, mijn contact is<\/p>\n<p>gebleven. Ik antwoord dat ik na de overdracht aan Wooninc betrokken was bij allerlei<\/p>\n<p>werkgroepen. Volgens mij zat [persoon A] daar niet meer bij, maar dat weet ik niet<\/p>\n<p>zeker. U vraagt mij wie de controle deed op de aanwezigheid van illegale bouwwerken na<\/p>\n<p>het vertrek van [persoon A] . Ik antwoord u dat ik aanneem dat dat aan iemand anders bij<\/p>\n<p>de gemeente is overgedragen, maar ik weet niet aan wie. Ik weet wel dat er luchtfoto\u2019s van<\/p>\n<p>de woonwagenlocaties werden gemaakt, waarop illegale bouwwerken te zien zouden zijn<\/p>\n<p>geweest.<\/p>\n<p>(\u2026)<\/p>\n<p>U vraagt mij hoe ik mij op het getuigenverhoor in<br \/>\n beide<br \/>\n zaken van vandaag heb voorbereid.<\/p>\n<p>Ik ben met de auto langs de woonwagenlocatie aan [adres] gereden en heb bij<\/p>\n<p>mezelf heel lang nagedacht over wat ik nog wist. Toen ik erlangs reed heb ik geen vreemde<\/p>\n<p>dingen gezien. Het beeld dat ik in mijn hoofd had klopte nog steeds. Ik ben wel even uit de<\/p>\n<p>auto gestapt maar heb met niemand gesproken.<\/p>\n<p>Ik heb geen stukken uit deze procedure of andere stukken nagelezen in verband met deze<\/p>\n<p>zitting.<\/p>\n<p>Ik heb van mr. Van de Laar gehoord waar het over ging. Ik heb contact met hem gezocht<\/p>\n<p>toen ik de oproep kreeg en heb hem gevraagd waarom ik als getuige moest komen over<\/p>\n<p>zoiets van zo lang geleden. Mr. Van de Laar gaf toen aan dat hij mij over de situatie van toen<\/p>\n<p>vragen wilde stellen. Nu u dit dicteert kan ik een aanvulling daarop verklaren, dat ik ook de<\/p>\n<p>gemeente heb gebeld of ze me in verband met deze zitting wilden helpen aan luchtfoto\u2019s. De<\/p>\n<p>man die ik aan de telefoon had vond het een terechte vraag, maar belde mij na 2 weken terug<\/p>\n<p>en deelde mee dat hij ze niet aan mij mocht geven. Ik kijk na in mijn papieren en ik zie dat ik<\/p>\n<p>gesproken heb met [persoon I] .\u201d<\/p>\n<p>[J] , bouwkundige, heeft het volgende verklaard:<\/p>\n<p>\u201cOp vragen van mr. Van de Laar antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>U vraagt mij of ik voor deze zitting contact met u heb gehad. Ik heb alleen schriftelijk<\/p>\n<p>contact met u gehad naar aanleiding van uw brieven die hardnekkig binnen bleven komen.<\/p>\n<p>Ik ken de familie [appellant sub 1] uit het verleden als bewoners van de woonwagenlocatie aan [adres]<\/p>\n<p>. Ik heb enkel beroepsmatig met de familie [appellant sub 1] contact gehad in de tijd dat<\/p>\n<p>ik het technisch en sociaal beheer op deze locatie deed. Ik kijk even in mijn CV en zie dat ik<\/p>\n<p>in 1987 ben gaan werken als algemeen bouwkundige bij de dienst beheer woningen en<\/p>\n<p>gebouwen. Een deel van mijn taken was om het technisch en sociaal beheer op<\/p>\n<p>woonwagenlocaties te doen. In het kader van die taak ben ik in contact gekomen met [persoon A]<\/p>\n<p>. Ik werkte niet \u201conder\u201d [persoon A] , maar met [persoon A] . [persoon A] had als<\/p>\n<p>enige taak het onderhouden van contacten met de bewoners van de woonwagenlocaties. Ik<\/p>\n<p>werd als 25-jarige snotneus met hem meegestuurd. Van 2008 tot en met 2010 ben ik als<\/p>\n<p>zzp\u2019er via [zz] B.V. technisch en sociaal beheer op de woonwagenlocaties gaan doen.<\/p>\n<p>Ik ben vanaf 2010 niet meer werkzaam op woonwagenlocaties.<\/p>\n<p>Mijn functie is in de jaren dat ik werkzaam was op woonwagenlocaties hetzelfde gebleven.<\/p>\n<p>Ik was bouwkundige en ik hield me bezig met het technisch en sociaal beheer op die locaties.<\/p>\n<p>Een deel van onze taak was om de contacten te onderhouden tussen de bewoners en de<\/p>\n<p>gemeente en daarmee de rust te bewaren.<\/p>\n<p>U vraagt mij wat de taak van [persoon A] was in die tijd. Hij deed het beheer van de<\/p>\n<p>woonwagenlocaties en alles wat daarmee samenhing. Hij was de man van de<\/p>\n<p>woonwagenlocaties. Ik weet niet welke bevoegdheden van [persoon A] schriftelijk zijn vastgelegd,<\/p>\n<p>maar hij had zodanig aanzien en zo\u2019n goede contacten met de directeur [persoon J] ,<\/p>\n<p>dat hij dingen geregeld kreeg zonder tegenspraak van de ambtenarij.<\/p>\n<p>[persoon A] en [persoon J] hadden wekelijkse overleg. [persoon J] was een<\/p>\n<p>politiek dier. Hij kreeg regelmatig vragen uit de gemeenteraad en van het college over hoe<\/p>\n<p>het ging op die locaties. Er waren in die tijd regelmatig spanningen op die locaties en hij<\/p>\n<p>wilde goed op de hoogte gehouden worden van de situatie. Hij steunde [persoon A]<\/p>\n<p>maximaal. Ik wil hierbij nog enige uitleg geven. Er was in die tijd heel veel aan de hand. De<\/p>\n<p>grote locatie op [K] werd opgedeeld in kleine locaties en mensen moesten<\/p>\n<p>verhuizen\/verplaatsen. Het is dus niet zo dat ik bedoel te zeggen dat er met de bewoners<\/p>\n<p>onderling spanningen waren, maar er was gewoon veel aan de hand.<\/p>\n<p>U vraagt mij of ik weet of [persoon A] bewoners toestemming gaf om te bouwen zonder<\/p>\n<p>vergunning. Ik kan niet uit eigen wetenschap verklaren dat hij dat deed, maar ik kan het me<\/p>\n<p>wel voorstellen. U vraagt mij waarom ik mij dat kan voorstellen. Ik antwoord u dat er soms<\/p>\n<p>dingen moesten gebeuren op de locaties, zoals bijvoorbeeld het herstellen van kapotte<\/p>\n<p>gebouwen of het afbreken daarvan en de ambtenaren van bouw en woningtoezicht gingen<\/p>\n<p>niet graag naar de woonwagenlocaties toe. Ik kan mij voorstellen dat [persoon A] in die<\/p>\n<p>situatie toestemming heeft gegeven en als hij dat heeft gedaan, zal hij dat zeker<\/p>\n<p>teruggekoppeld hebben naar de directeur. Het is juist dat ik dat veronderstel en niet uit eigen<\/p>\n<p>wetenschap weet. U vraagt mij waarom ik dat veronderstel. Ik antwoord u dat ik een keer het<\/p>\n<p>verzoek kreeg van [persoon J] om een inventarisatie te maken van wat er legaal en<\/p>\n<p>illegaal op de locaties was gebouwd. Nadat ik die lijst had opgesteld, zei [persoon J]<\/p>\n<p>\u201cmooie lijst, we doen er niets mee\u201d. Wat illegaal was, was illegaal en sommige dingen zijn<\/p>\n<p>met toestemming van [persoon A] daar neergezet, zo zei [persoon J] .<\/p>\n<p>U vraagt mij wat ik me kan herinneren over de bebouwing die er in de tijd dat ik werkzaam<\/p>\n<p>was op woonwagenlocaties op perceel [xx] aan [adres] aanwezig was. Ik herinner<\/p>\n<p>me dat er bebouwing was en dat die in bouwkundige opzicht niet al te best was. Later is dat<\/p>\n<p>door iemand verbeterd en zag het er netjes uit. Onze taak was ook om ervoor te zorgen dat<\/p>\n<p>het er netjes uit zag op de locatie.<\/p>\n<p>Ik weet niet of er uitbreidingen door de familie [appellant sub 1] hebben plaatsgevonden op de locatie.<\/p>\n<p>Ik sprak zojuist over de garage. Ik heb de garage niet groter zien worden. Het was ook niet<\/p>\n<p>mijn taak om daarop te letten. De bebouwingen waren geen onderdeel van het gehuurde. De<\/p>\n<p>gemeente verhuurde de standplaatsen met een sanitaire ruimte. De woonwagens en<\/p>\n<p>gebouwtjes waren geen eigendom van de gemeente en ik had daar geen zeggenschap over.<\/p>\n<p>Ik weet niet of de familie [appellant sub 1] het perceel groter heeft gemaakt, bijvoorbeeld door het<\/p>\n<p>verplaatsen van een schutting. Ik kan me dat ook niet herinneren.<\/p>\n<p>Ik weet van een discussie tussen de gemeente en de familie [appellant sub 1] over het uitbreiden van het<\/p>\n<p>perceel. Ik kijk nu even in mijn eigen aantekeningen om te zien hoe het zat. Eind 2009 is er<\/p>\n<p>een gesprek geweest tussen de wethouder en de familie [appellant sub 1] . Dat gesprek ging over het<\/p>\n<p>voornemen van de gemeente om het stuk grond waar de garage op stond in gebruik of in<\/p>\n<p>huur te geven aan [persoon M] . Zelf ben ik niet bij dat gesprek geweest. [H]<\/p>\n<p>wel. Van [H] heb ik vernomen dat het er heftig aan toe ging tijdens dat gesprek.<\/p>\n<p>Uiteindelijk is de gemeente niet tot een besluit gekomen en is het stuk grond niet aan Teke in<\/p>\n<p>gebruik gegeven.<\/p>\n<p>Ik kan de schuur op perceel [xx] niet omschrijven.<\/p>\n<p>Op vragen van mr. Hagelaars antwoord ik als volgt:<\/p>\n<p>U vraagt mij hoe vaak ik op de locatie aan [adres] kwam. In de tijd dat ik via<\/p>\n<p>[zz] werkte, kwam ik er in ieder geval een keer per twee weken. Als de noodzaak<\/p>\n<p>aanwezig was, kwam ik er soms twee keer per week.<\/p>\n<p>In de tijd dat ik als ambtenaar bij de gemeente werkte, ging ik naar de locatie toe, als er een<\/p>\n<p>vraag kwam of als er een probleem was. [persoon A] vroeg mij dan om mee te gaan. Ik kan niet<\/p>\n<p>zeggen hoe vaak ik in die tijd op de locatie kwam.\u201d<\/p>\n<p>De gemeente heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enqu\u00eate.<\/p>\n<p>[woonplaats] hebben een memorie na enqu\u00eate genomen en hebben daarbij vier producties overgelegd. De gemeente heeft een memorie van antwoord na enqu\u00eate, tevens verzoek tot aanhouding, genomen, met productie 1. De gemeente heeft verzocht de zaak aan te houden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in een aan deze kwestie verwante zaak. [woonplaats] hebben bij akte bezwaar gemaakt tegen het verzoek om aanhouding. Het hof heeft de zaak bij rolbeslissing aangehouden.<\/p>\n<p>Nadat de Hoge Raad bij arrest van 11 april 2025 arrest had gewezen (ECLI:NL:HR:2025:561), hebben beide partijen zich bij akte uitgelaten over de gevolgen van dat arrest voor de onderhavige zaak.<\/p>\n<p>[woonplaats] hebben in hun antwoord-akte bezwaar gemaakt tegen de akte uitlating van de gemeente. Zij voeren daartoe onder meer aan dat partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op het punt van rechtsverwerking debat hebben gevoerd, dat de rechtbank het beroep op rechtsverwerking heeft afgewezen en dat de gemeente haar standpunt op dit punt dus zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar voren heeft gebracht. De kwestie ligt dus anders dan die in de zaak die heeft geleid tot voornoemd arrest van de Hoge Raad en een herhaald debat op dit onderdeel kan volgens [woonplaats] niet worden toegestaan.<\/p>\n<p>Het hof volgt haar daarin niet. Aan [woonplaats] kan worden toegegeven dat de gemeente al in randnummer 5.3. van haar memorie van antwoord is ingegaan op het beroep op rechtsverwerking. De inhoud van de akte uitlating moet echter worden gezien als een nadere precisering van dat verweer, hetgeen is toegestaan. [woonplaats] hebben daarop bij antwoord akte en tijdens de mondelinge behandeling ook in voldoende mate kunnen reageren. De akte wordt niet geweigerd.<\/p>\n<p>Op hetgeen partijen in de memories na enqu\u00eate en de aktes verder hebben aangevoerd, wordt hierna zo nodig nader ingegaan.<\/p>\n<p>De bewijswaardering<\/p>\n<p>Het hof stelt bij de waardering van het bewijs het volgende voorop. De getuigen zijn gehoord over gebeurtenissen die zich een of meer decennia geleden hebben voorgedaan. Herinneringen kunnen worden veranderd, elke keer dat ze uit het geheugen worden opgehaald. Deze aanvullingen op en wijzigingen van herinneringen kunnen \u2018vals\u2019 zijn, bijvoorbeeld door wat \u2018collaborative storytelling\u2019 wordt genoemd. Er kan \u2013 ook zonder dat men het doorheeft en dus ook zonder dat dit de bedoeling is \u2013 sociale be\u00efnvloeding optreden als mensen met elkaar praten over hun ervaringen. De uiteenlopende interpretaties kunnen dan versmelten tot een gezamenlijk verhaal. Op die manier kan de ene persoon vol overtuiging informatie van de ander als onderdeel van zijn eigen waarneming gaan beschouwen, ook als dat ongefundeerd is. Onderzoek hiernaar heeft aangetoond dat getuigen die met elkaar hebben gepraat, regelmatig details vertellen die ze zelf niet hebben gezien of waargenomen, als onderdeel van hun eigen waarneming.<\/p>\n<p>Het hof acht het risico dat enkele van de gehoorde getuigen zich in de loop der tijd door elkaar hebben laten be\u00efnvloeden en dat \u2018collaborative storytelling\u2019 is opgetreden, re\u00ebel. De bewoners van het woonwagenpark vormen een hechte gemeenschap. Uit de verklaringen van onder meer [persoon E] , [persoon K] , [persoon F] en [persoon G] volgt dat op het kamp onderling vaak over deze zaak en over de gebeurtenissen in het verleden is \u2013 en wordt \u2013 gesproken. [persoon G] heeft daar nog aan toegevoegd dat als er iemand \u201cbij ons op het kamp komt\u201d, ze allemaal naar buiten gaan om erbij te gaan staan. [persoon F] heeft ook verklaard dat ze het er onderling vaker over hebben gehad \u201cdat die man van de gemeente het allemaal goed vond\u201d. Hoewel niet duidelijk is \u00f3f, en zo ja in welke mate er be\u00efnvloeding heeft plaatsgevonden, kan dit niet worden uitgesloten. Dit alles betekent naar het oordeel van het hof echter niet dat de verklaringen niet bruikbaar zijn, maar wel dat ze met enige terughoudendheid moeten worden bezien.<\/p>\n<p>Ten aanzien van de verklaringen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] geldt dat zij als partijgetuigen zijn gehoord. Dat betekent dat de verklaringen in beginsel vrije bewijskracht hebben, zoals andere getuigenverklaringen, zodat de rechter overeenkomstig artikel 152 lid 2 Rv vrij is in de waardering daarvan. Daarop brengt het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en op grond van het overgangsrecht voor deze procedure gelding heeft behouden, een beperking aan, die ertoe leidt dat met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essenti\u00eble punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voor handen bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren.<\/p>\n<p>Zijn [woonplaats] geslaagd in het onder 1) opgedragen bewijs?<\/p>\n<p>Het hof komt tot het oordeel dat [woonplaats] niet geslaagd zijn in het hen opgedragen bewijs. Het hof overweegt als volgt.<\/p>\n<p>De standplaats was begrensd met een laag muurtje, zoals het hof tijdens de zitting op de overlegde foto\u2019s ook heeft waargenomen. [woonplaats] hebben een aanzienlijk perceel naast de standplaats in gebruik dat is omheind, (deels) is verhard en er is bebouwing op opgericht. [I] heeft verklaard dat de standplaatsen allemaal ongeveer dezelfde omvang hadden en dat de schuur van [woonplaats] op de grond n\u00e1\u00e1st de standplaats stond (en nog staat). De verhuur betrof de verhuur van standplaatsen en niet van de grond n\u00e1\u00e1st de standplaatsen, zo heeft hij verklaard. De bewoners van de locaties wisten volgens hem heel goed waar hun standplaats ophield. Uit de verklaring van [J] volgt dat de gemeente standplaatsen met sanitaire ruimte verhuurde en dat de bebouwingen geen onderdeel uitmaakten van het gehuurde. [appellant sub 1] heeft daarover verklaard dat het perceel [xx] toen hij er kwam al dezelfde omvang had als dat het nu heeft: aan de voorzijde van het perceel aan de weg \u2013 bij de stroomhokken \u2013 stonden toen bomen, op het perceel stond een woonwagen en de rest was tuin. Hij heeft echter niets verklaard over afspraken die bij aanvang van de huurovereenkomst ten aanzien van de standplaats en het naastgelegen perceel zijn gemaakt. Over de in de memorie van grieven gestelde mondelinge afspraken heeft hij niet verklaard. Uit zijn verklaring kan geen huur- of gebruiksrecht ten aanzien van het perceel naast de standplaats worden afgeleid.<\/p>\n<p>Aan [appellant sub 1] &#8212; [persoon F] is de vraag gesteld of de verhuurder destijds, toen zij naar nummer [xx] verhuisden, heeft gezegd dat zij nummer [xx] inclusief het zijstuk zouden gaan huren. Zij heeft daarop geantwoord dat zij altijd voor zichzelf heeft geweten dat het hele perceel dus inclusief zijstuk bij elkaar hoorde en dat het net zo groot was als nu. Ze heeft nooit een huurcontract gezien. Dat is naar het oordeel van het hof echter niet voldoende concreet. Ook zij heeft immers niet verklaard over de gestelde mondelinge afspraken en niet verklaard dat de grond door of namens de gemeente aan hen is verhuurd of in gebruik is gegeven.<\/p>\n<p>Ook de door [woonplaats] als productie 3 bij memorie na enqu\u00eate ingebrachte verklaring die naar hun zeggen al in januari 2022 door [persoon A] is opgesteld, draagt niet (voldoende) bij aan het bewijs. Hij is zelf niet als getuige gehoord. Dat kon ook niet meer want hij is intussen overleden. Zelfs als de overgelegde verklaring door hem is opgesteld en is ondertekend, dan nog levert dit niet het benodigde aanvullende bewijs op. In die verklaring staat onder meer:<\/p>\n<p>\u201cIk was bevoegd tot toewijzing van standplaatsen en in gebruik geven van braakliggende stroken grond naast de hoekstandplaatsen.<\/p>\n<p>B en W ,met de wethouder die woonwagenzaken in zijn portefeuille had, [persoon L] , is afgesproken dat de grond naast de hoekstand plaatsen op het woonwagenkamp aan [adres] te [A] in gebruik gegeven zal worden aan de bewoners van de hoek-standplaatsen.<\/p>\n<p>Dit zou ook gelden voor de opvolgende bewoners van de hoekstandplaatsen.<\/p>\n<p>(\u2026)\u201d<\/p>\n<p>[persoon A] verklaart hier uitsluitend over zijn bevoegdheid en de afspraken die intern bij de gemeente zouden zijn gemaakt. Hij heeft niet verklaard dat hij aan [woonplaats] heeft toegezegd dat zij de grond in gebruik mochten nemen. Daarbij komt dat de gemeente er terecht op heeft gewezen \u2013 en door [woonplaats] niet is weersproken \u2013 dat uit het door [woonplaats] bij memorie na enqu\u00eate overgelegde interview met [persoon A] volgt dat [persoon A] heeft aangegeven dat \u201calles werd vastgelegd\u201d. Anders dan in andere zaken het geval is geweest, heeft de gemeente ten aanzien van het perceel van [woonplaats] dergelijke schriftelijke afspraken niet kunnen vinden. Het hof ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. [appellant sub 1] zelf heeft ook verklaard dat [persoon A] hem zou hebben gezegd dat de door hem gemaakte aantekeningen niet meer bij de gemeente aanwezig zijn. [woonplaats] hebben ook zelf geen schriftelijke bevestiging ingebracht, zodat moet worden aangenomen dat die er niet is. De in de memorie van grieven met naam genoemde andere ambtenaren ( [persoon B] , [persoon C] en [persoon J] ) die zouden kunnen verklaren over de gemaakte afspraken, zijn niet gehoord.<\/p>\n<p>Ook uit de verklaring van [I] volgt slechts in het algemeen dat er ten aanzien van woonwagenlocaties soms (tijdelijke) gedoogconstructies waren om overlastsituaties te voorkomen, waarbij hij als voorbeeld een andere locatie noemt waarop toestemming is gegeven aan de huurder voor het gebruik van een strook grond naast de standplaats om te voorkomen dat derden op dit braakliggende stukje grond vuil zouden leggen. Hij weet niet of dat ten aanzien van [woonplaats] ook het geval is. Datzelfde geldt voor de verklaring van [H] : zijn opmerking dat hij weet dat [persoon A] liever had dat de stroken grond in gebruik gegeven werden aan de bewoners dan dat ze braak lagen, is ten aanzien van de te bewijzen feiten te weinig concreet.<\/p>\n<p>Uit het voorgaande volgt dat de door [woonplaats] gestelde afspraak niet is komen vast te staan.<\/p>\n<p>Zijn [woonplaats] geslaagd in het onder 2) opgedragen bewijs?<\/p>\n<p>Het hof komt tot het oordeel dat [woonplaats] ook op dit onderdeel niet geslaagd zijn in het opgedragen bewijs. Het hof overweegt daartoe als volgt.<\/p>\n<p>Vooropgesteld wordt dat geen van de getuigen die in het verleden namens de gemeente en\/of Wooninc. op enige wijze betrokken waren bij het beheer van de standplaatsen aan [adres] uit eigen wetenschap hebben verklaard dat [woonplaats] toestemming hadden om het naastgelegen perceel in te richten op de wijze zoals dat er thans bij ligt. [I] verklaart in het algemeen dat hij denkt dat [persoon A] in afstemming met zijn directeur [persoon J] kon beslissen of er werd gebouwd en dat [persoon A] niet zelfstandig bevoegd was over onroerend goed van de gemeente te beschikken. Hij weet niet of [persoon A] zelf, dus zonder toestemming van zijn directeur, in die tijd toestemming gaf voor het oprichten van schuttingen en het maken van kleine bouwwerken. De verklaring van [H] ziet op een beperkte periode (2003-2006) en is ook slechts algemeen van inhoud. Hij heeft aangegeven dat [persoon A] controle uitoefende op de bouwwerken die door bewoners werden gebouwd. Hij weet niet of [persoon A] zelfstandig besliste over de uitgifte van bouwgrond en dergelijke. In de periode dat [H] betrokken was, is [persoon A] overigens ook met pensioen gegaan (omstreeks 2003, zoals blijkt uit het eerdergenoemde krantenartikel). [J] heeft verklaard dat hij niet uit eigen wetenschap kan verklaren dat [persoon A] de bewoners toestemming gaf om te bouwen. Zijn veronderstellingen hierover zijn onvoldoende concreet om aan het bewijs bij te dragen. Uit zijn verklaring blijkt ook niet of \u2013 en zo ja welke \u2013 bebouwing op het perceel van [woonplaats] op de door hem genoemde lijst stond.<\/p>\n<p>Toen [woonplaats] de standplaats op perceel nummer [xx] gingen huren, stond op het naastgelegen perceel een schuur, met vergunning opgericht door een rechtsvoorganger ( [E] ). Die schuur is op enig moment vervangen, waarbij een grotere schuur is geplaatst. [appellante sub 2] heeft verklaard dat [persoon C] , [persoon B] en [persoon A] hebben gezegd dat ze geen vergunning hoefden aan te vragen voor die grotere schuur. [appellant sub 1] heeft verklaard dat [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] op het kamp zijn gekomen en dat zij hebben gesproken over een nieuwe schuur. Zijn moeder was daarbij. Uit de verklaring van [appellant sub 1] kan worden afgeleid dat [persoon A] toestemming zou hebben gegeven voor een grotere schuur van 6 bij 8 meter, zoals [appellant sub 1] die daarna heeft gebouwd. Geen van de andere personen die bij dat gesprek aanwezig zouden zijn geweest, is als getuige gehoord. Uit de schriftelijke verklaring van [persoon A] volgt evenmin een bevestiging, zodat de verklaring van partijgetuige [appellant sub 1] op zichzelf staat. Weliswaar heeft [persoon K] verklaard dat [persoon A] toestemming zou hebben gegeven voor de schuur, maar hij heeft niet aangegeven dat hij bij enig gesprek daarover met [persoon A] aanwezig is geweest. [appellant sub 1] heeft zijn naam ook niet genoemd als een van de personen die daarbij aanwezig waren, zodat moet worden aangenomen dat [persoon K] dit op een andere manier heeft vernomen. Dat [persoon G] erbij zou zijn geweest, zoals uit zijn verklaring lijkt te volgen, is niet voldoende aannemelijk omdat [appellant sub 1] dat zelf niet heeft verklaard. Dat betekent dat er onvoldoende aanvullend bewijs voorhanden is om de partijgetuigenverklaring van [appellant sub 1] voldoende geloofwaardig te maken.<\/p>\n<p>Uit verschillende verklaringen ( [woonplaats] , [persoon K] , [persoon G] ) blijkt dat er eerst bomen aan de rand van het perceel stonden. [appellant sub 1] heeft daar verder over verklaard dat aan de zijkant elektriciteitshokken stonden en dat er een hekwerk van ruim een meter hoog met gaas tussen de bomen stond en dat aan de voorkant van het perceel coniferen en een lage schutting stonden. Uit zijn verklaring volgt verder dat hij op twee momenten de omheining heeft aangepast: ongeveer 34 of 35 jaar geleden heeft hij op de plek van het gaaswerk een schutting neergezet en zo\u2019n 15 of 16 jaar geleden heeft hij die coniferen en lage schutting weggehaald en een hogere schutting geplaatst. [appellant sub 1] noch [appellant sub 1] &#8212; [persoon F] hebben verklaard of en wanneer en door wie daarvoor toestemming is verleend.<\/p>\n<p>Ten aanzien van de verharding en omheining van het perceel heeft [persoon K] verklaard dat hij bij een gesprek aanwezig is geweest waarin [persoon A] daarvoor toestemming gaf. Hij herinnert zich dat zij met een man of vijf of zes op de plaats van [woonplaats] stonden toen ze dat gesprek met [persoon A] hadden. Volgens hem waren er drie of vier ambtenaren van de gemeente bij. [persoon G] heeft verklaard dat hij ook bij een gesprek over het vervangen van de bomen rondom het perceel door een schutting aanwezig was en dat [persoon A] toestemming gaf. Hij verklaart dat naast [persoon A] nog een andere ambtenaar bij het gesprek aanwezig was en dat er in totaal zes of zeven mensen bij waren. Volgens hem was getuige [persoon F] er ook bij. [persoon F] heeft echter verklaard dat hij naderhand heeft gehoord dat er toestemming is gegeven voor een betonnen schutting en dat hij er niet bij was toen die toestemming aan zijn zwager zou zijn gegeven. Ook heeft hij aangegeven dat hij zich meent te herinneren dat de verharding is aangelegd tegelijkertijd met het vervangen van de schuur door een grotere garage, dus op een ander moment. Het hof constateert dat de getuigenverklaringen niet concludent zijn. Bovendien is ook niet duidelijk of is verklaard over hetzelfde gesprek of over een ander gesprek, en of dit ging over het plaatsen van een schutting aan de zijkant of aan de voorkant van het perceel: volgens [appellant sub 1] heeft dit immers op twee verschillende momenten plaats gevonden. Tot slot verwijst het hof naar hetgeen in rov. 9.8.2. is overwogen over de waardering van deze verklaringen.<\/p>\n<p>Ook ten aanzien van de overkapping aan de zijkant van de schuur en de carport is niet komen vast te staan dat, wanneer en door wie daarvoor toestemming is gegeven. [appellant sub 1] heeft aangegeven dat hij bij de gemeente heeft ge\u00efnformeerd of er een vergunning nodig was voor de carport naast de garage en dat daar destijds volgens de gemeenteambtenaar geen vergunning voor nodig was. [appellant sub 1] &#8212; [persoon F] bevestigt die mededeling. Dat is echter een mededeling van algemene strekking over het al dan niet vereist zijn van publiekrechtelijke toestemming, die iets anders omvat dan dat door of namens de gemeente toestemming wordt gegeven voor de bouw van een carport op haar grond. Beiden hebben niets verklaard over toestemming voor de bouw. [persoon K] heeft wel verklaard dat [persoon A] toestemming gaf voor de overkapping, maar niet duidelijk is hoe hij dat weet. [persoon G] heeft verklaard dat hij er bij heeft gestaan toen [persoon A] zei dat [appellant sub 1] \u201cdaar mocht bouwen\u201d, maar niet duidelijk is waar dat op ziet. Ook heeft hij verklaard dat [appellant sub 1] de carport mocht laten staan: als de gemeente iets niet goed vond moest je het volgens deze getuige meteen afbreken. De verklaring is onvoldoende concreet. Datzelfde geldt voor de verklaring van [persoon F] , waaruit niet meer kan worden afgeleid dan dat onderling is besproken dat de gemeenteman het goed vond dat de grotere garage en de andere dingen werden gebouwd.<\/p>\n<p>Tot slot verwijst het hof ook ten aanzien van dit deel van de bewijsopdracht naar hetgeen hiervoor al in rov. 9.9.4. is overwogen. Niet gebleken is dat [persoon A] ten aanzien van de bouwwerken op en de inrichting van het perceel naast de standplaats van [woonplaats] schriftelijk heeft vastgelegd dat \u2013 en welke \u2013 afspraken zijn gemaakt.<\/p>\n<p>Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat niet is gebleken dat [woonplaats] het perceel naast de standplaats zoals dat nu is begrensd, met medeweten en toestemming van de gemeente exclusief voor zichzelf hebben gebruikt en daartoe hebben ingericht. Er is geen sprake van een situatie waarin de gemeente actief heeft bijgedragen aan het laten ontstaan en het laten voortbestaan van de feitelijke situatie. Niet kan worden staande gehouden dat van de gemeente redelijkerwijs een bepaald handelen kon worden verwacht om te voorkomen dat zij enig recht zou verwerken. Er is niet voldaan aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking, zoals omschreven in overweging 6.7.2. van het tussenarrest van 19 december 2023. Nu [woonplaats] dezelfde feiten ten grondslag hebben gelegd aan hun verweer tegen de vordering tot ontruiming dat sprake is van misbruik van recht, faalt dat verweer om dezelfde reden. Daarbij overweegt het hof dat niet kan worden vastgesteld dat de gemeente haar bevoegdheid tot het vorderen van ontruiming uitoefent met geen ander doel dan [woonplaats] te schaden of met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid om weer te kunnen beschikken over de eigen grond is verleend. Gelet op wat de gemeente heeft aangevoerd over het belang dat zij heeft om weer te kunnen beschikken over de door [woonplaats] naast zijn standplaats ingenomen grond, waarvan niet in geschil is dat die aan de gemeente in eigendom toebehoort, is er ook geen sprake van onevenredigheid tussen het belang van de gemeente bij ontruiming van haar bij [woonplaats] in gebruik zijnde grond en het belang van [woonplaats] dat door het uitoefenen van het recht op ontruiming wordt geschaad, waardoor de gemeente naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar recht zou kunnen komen.<\/p>\n<p>Conclusie<\/p>\n<p>[woonplaats] zijn niet geslaagd in het opgedragen bewijs, zodat de grieven I tot en met III en VI niet slagen. De grieven IV en V waren al verworpen. Het hoger beroep slaagt niet.<\/p>\n<p>Het hof zal [woonplaats] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.<\/p>\n<p>De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente zullen vastgesteld worden op:<\/p>\n<p>griffierechten \u20ac 783,-<\/p>\n<p>salaris advocaat \u20ac 3.870,- (3 punt(en) x tarief II)<\/p>\n<p>nakosten \u20ac 189,- + (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)<\/p>\n<p>Totaal \u20ac 4.842,-<\/p>\n<p>Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen. De rechter kan in de omstandigheden van het geval aanleiding zien om anders te bepalen, bijvoorbeeld als de in de kosten te veroordelen partijen niet bij dezelfde advocaat of gemachtigde zijn verschenen en geen gelijkluidend verweer hebben gevoerd. Die omstandigheden doen zich niet voor.<\/p>\n<p>Ter vermijding van misverstanden wijst het hof erop dat de kosten van de op verzoek van [woonplaats] gehoorde getuigen voor hun rekening blijven: zij dienen die te betalen. Daarbij merkt het hof op dat de getuige [H] is gehoord in zowel de zaak van [woonplaats] als in de zaak van [persoon H] . De kosten van het horen van de getuige [H] (\u20ac 360,00 ex BTW aan verletkosten en \u20ac 12,50 parkeerkosten) dienen voor de helft ( \u20ac 180,00 ex BTW verletkosten en \u20ac 6,25 parkeerkosten) door [woonplaats] te worden voldaan aan de getuige.<\/p>\n<h3>10De uitspraak<\/h3>\n<p>Het hof:<\/p>\n<p>bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van de rechtbank Oost-Brabant van 15 december 2021;<\/p>\n<p>veroordeelt [woonplaats] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep van \u20ac 4.842,-, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [woonplaats] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [woonplaats] \u20ac 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;<\/p>\n<p>verklaart bovenstaande veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.<\/p>\n<p>Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, J.I.M.W. Bartelds en J.J.M. Saelman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 april 2026.<\/p>\n<p>griffier rolraadsheer<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:922\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>huur of gebruiksrecht strook grond naast standplaats woonwagen; bewijswaardering. Rechtsverwerking?<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[8088],"kji_chamber":[],"kji_year":[7610],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[10414,8136,9170,9171,10415],"kji_language":[7671],"class_list":["post-563653","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-gerechtshof-s-hertogenbosch","kji_year-7610","kji_subject-divers","kji_keyword-gebruiksrecht","kji_keyword-gerechtshof","kji_keyword-ghshe","kji_keyword-s-hertogenbosch","kji_keyword-strook","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch , 07-04-2026 \/ 200.306.250_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch , 07-04-2026 \/ 200.306.250_01\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"huur of gebruiksrecht strook grond naast standplaats woonwagen; bewijswaardering. Rechtsverwerking?\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"59 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-04-2026 \\\/ 200.306.250_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-15T00:19:30+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof &lsquo;s-Hertogenbosch , 07-04-2026 \\\/ 200.306.250_01\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-04-2026 \/ 200.306.250_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-04-2026 \/ 200.306.250_01","og_description":"huur of gebruiksrecht strook grond naast standplaats woonwagen; bewijswaardering. Rechtsverwerking?","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"59 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/","name":"ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-04-2026 \/ 200.306.250_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-15T00:19:30+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe2026922-gerechtshof-s-hertogenbosch-07-04-2026-200-306-250_01\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof &lsquo;s-Hertogenbosch , 07-04-2026 \/ 200.306.250_01"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/563653","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=563653"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=563653"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=563653"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=563653"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=563653"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=563653"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=563653"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=563653"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}