{"id":577370,"date":"2026-04-16T12:54:08","date_gmt":"2026-04-16T10:54:08","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/"},"modified":"2026-04-16T12:54:08","modified_gmt":"2026-04-16T10:54:08","slug":"eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 \/ AWB &#8212; 24 _ 2783"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> IB\/PVV &#8212; Nu de rechtbank aannemelijk acht dat, anders dan eiser(es) stelt, de rc-vordering van de Holding BV op eiser heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding, heeft eiser(es) een regulier voordeel genoten en is vermogen van Holding BV op eiser(es) overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. Verweerder heeft terecht de helft hiervan in box 2 als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij eiser(es) in aanmerking genomen bij de vaststelling van de aanslag IB\/PVV.<\/p>\n<p>Rechtbank DEN HAAG<\/p>\n<p>Team belastingrecht<\/p>\n<p>zaaknummer: SGR 24\/2783<\/p>\n<p>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen<\/p>\n<h3>erven [naam 1], wonende te [woonplaats], eiser<br \/>\n(gemachtigde: mr. R.J. de Jong),<\/h3>\n<p>en<\/p>\n<h3>de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,<\/h3>\n<p>en<\/p>\n<h3>de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.<\/h3>\n<h3>De bestreden uitspraak op bezwaar<\/h3>\n<p>De uitspraak van verweerder van 14 februari 2024 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\/PVV) en de daarbij vastgestelde vergrijpboete en in rekening gebrachte belastingrente.<\/p>\n<h3>Zitting<\/h3>\n<p>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025.<\/p>\n<p>Namens eiser is verschenen, zijn gemachtigde en diens kantoorgenoten mr. M.N.H. Hintzen en [naam 2], alsmede [naam 3], [naam 4] en [naam 5]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] LLM MSc en [medewerker belastingdienst 3] MSc.<\/p>\n<p>De zaak van eiser is gelijktijdig behandeld met de zaken van de echtgenote van wijlen [naam 1], [naam 6] (SGR 24\/2766), de dochter [naam 3] (SGR 24\/2794) en haar echtgenoot [naam 7] (SGR 24\/2755), van de zoon [naam 4] (SGR 24\/2770) en diens echtgenote [naam 8] (SGR 24\/2788), van de zoon [naam 5] (SGR 24\/2776), en van zijn echtgenote [naam 9] (SGR 24\/2780).<\/p>\n<h3>Beslissing<\/h3>\n<p>De rechtbank:<\/p>\n<p>verklaart het beroep ongegrond;<\/p>\n<p>veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateri\u00eble schade tot een bedrag van \u20ac 341,87;<\/p>\n<p>veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateri\u00eble schade tot een bedrag van \u20ac 33,13;<\/p>\n<p>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van \u20ac 115,36;<\/p>\n<p>veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van \u20ac 115,36;<\/p>\n<p>draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van \u20ac 25,50 aan hem te vergoeden;<\/p>\n<p>draagt de Staat op het door eiser betaalde griffierecht van \u20ac 25,50 aan hem<\/p>\n<p>te vergoeden.<\/p>\n<h3>Overwegingen<\/h3>\n<p>1. [naam 1] was geboren op [geboortedatum] 1937 en is op [datum 1] 2021 overleden. Vanaf [datum 2] 2001 was hij gehuwd met mevrouw [naam 6].<\/p>\n<p>2. Sinds 31 maart 2008 hield [naam 1] 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV (Holding BV). Holding BV hield 4% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. [naam 1] hield daarnaast vanaf 19 november 2002 20% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V., die op haar beurt 80% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. in bezit had. Zijn zonen ([naam 4] en [naam 5].) en zijn dochter ([naam 3]) hielden in dezelfde mate als [naam 1] via persoonlijke houdstervennootschappen en via rechtstreekse belangen in [bedrijfsnaam 3] B.V., middellijk aandelenbelangen in [bedrijfsnaam 2] B.V. In [bedrijfsnaam 2] B.V. werd een rijschool gedreven, naar de rechtbank begrijpt door [naam 1] en wijlen zijn zoon [naam 10].<\/p>\n<p>3. In de aangiften vennootschapsbelasting (hierna: VPB) van Holding BV voor de jaren 2010 tot en met 2014 zijn onder de post \u201c649 Vorderingen\u201d onder \u201cVorderingen particip.\/mijen waarin deelgenomen\u201d bedragen vermeld van respectievelijk \u20ac 213.932, \u20ac 263.759, \u20ac 324.138, \u20ac 363.849, \u20ac 391.551 en \u20ac 408.749. Partijen verstaan deze bedragen als een op de balans van Holding BV geboekte rekening-courant vordering (rc-vordering) op [naam 1].<\/p>\n<p>4. In de aangifte IB\/PVV voor het jaar 2013 heeft [naam 1] onder de post \u201c30 schulden\u201d voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, een rekening-courantschuld (rc-schuld) aan Holding BV aangegeven van \u20ac 363.849.<\/p>\n<p>5. Tot 30 november 2015 was [naam 1] enig bestuurder van Holding BV. Op die datum is hij afgetreden als bestuurder en is Stichting [stichting 1] aangetreden als bestuurder. Gelijktijdig met deze bestuurswisseling is de leiding van Holding BV verplaatst naar [adres 1] te [plaats 1].<\/p>\n<p>6. Op 25 mei 2016 is [naam 1] met Holding BV een vaststellingsovereenkomst overgekomen waarin voor zover van belang, het volgende is vermeld:<\/p>\n<p>\u201c** na de bestuurswisseling en adreswisseling de nieuwe bestuurder de ontvangen administratie heeft gecontroleerd.<\/p>\n<p>** na voornoemde controle nader uitvoerig onderzoek noodzakelijk bleek op het punt van de Rekening-Courant schuld van de vorige bestuurder in priv\u00e9, welke als zodanig op de balans van de BV staat vermeld.<\/p>\n<p>** bij het nadere onderzoek naar deze Rekening-Courant schuld in priv\u00e9 aan de BV ongegrond is gebleken en aldus niet bestaat.<\/p>\n<p>** de administratie van de [bedrijfsnaam 1] BV aangepast dient te worden.<\/p>\n<p>(\u2026)<\/p>\n<p>Komen overeen dat;<\/p>\n<p>1. de Rekening-Courant schuld welke thans op de balans van [bedrijfsnaam 1] BV als een vordering op de heer [naam 1] in priv\u00e9 staat, na nader onderzoek vanwege de huidige bestuurder, als niet correct dient te worden aangemerkt.<\/p>\n<p>2. de vordering groot \u20ac 449.318,51 bestempeld als priv\u00e9 schuld van de heer [naam 1] aan zijn voormalige holding per heden als foutief aangemerkt moet worden.<\/p>\n<p>3. de Rekening-Courant schuld, onder 2 hierboven vermeld, van de heer [naam 1] in zijn geheel, vanwege de reden beschreven onder 1 hierboven, wordt kwijtgescholden.<\/p>\n<p>4. de balans van de [bedrijfsnaam 1] BV zal worden aangepast.<\/p>\n<p>5. beide partijen over en weer thans niets meer van elkaar te vorderen hebben.\u201d<\/p>\n<p>7. Per 30 augustus 2016 is de leiding van Holding BV verplaatst naar [adres 2], [plaats 2] te [land].<\/p>\n<p>8. Op 21 oktober 2016 heeft wederom een bestuurswisseling bij Holding BV plaatsgevonden, waarbij Stichting [stichting 1] is afgetreden als bestuurder en Stichting [stichting 2] is aangetreden als nieuwe bestuurder.<\/p>\n<p>9. Holding BV is ontbonden op 21 december 2016.<\/p>\n<p>10. [naam 1] heeft een aangifte IB\/PVV 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van \u20ac 109.638, bestaande uit een loon van \u20ac 99.594 van [bedrijfsnaam 4] BV en een AOW-uitkering voor een bedrag van \u20ac 10.044. De rechtbank verstaat dat de rijschool van [bedrijfsnaam 2] B.V. op enig moment is voortgezet in [bedrijfsnaam 4] B.V.<\/p>\n<p>11. Naar aanleiding van de op 29 september 2017 ingediende aangifte IB\/PVV 2016 heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rekening-courantverhouding tussen [naam 1] en Holding BV.<\/p>\n<p>12. Bij brief van 11 augustus 2020 is een voornemen tot afwijken van de ingediende aangifte IB\/PVV 2016 en een kennisgeving van de vergrijpboete verzonden naar [naam 1].<\/p>\n<p>13. Op 7 oktober 2020 heeft een gesprek tussen verweerder en [naam 1] plaatsgevonden waarvan een verslag is opgemaakt.<\/p>\n<p>14. Met dagtekening 6 november 2020 is ten aanzien van [naam 1] de definitieve aanslag IB\/PVV 2016 vastgesteld naar een verzamelinkomen van \u20ac 334.297, waarbij als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang de helft, te weten \u20ac 224.659, van de kwijtgescholden rc-schuld in aanmerking is genomen (de andere helft is bij de fiscale partner (zaaknummer SGR 24\/2766) in aanmerking genomen). Daarnaast is een vergrijpboete van 50%, zijnde \u20ac 28.082 opgelegd en is \u20ac 7.287 aan belastingrente in rekening gebracht.<\/p>\n<p>15. Nadat de erven [naam 1] op 4 augustus 2023 verweerder heeft laten weten af te zien van het recht om te worden gehoord, heeft verweerder op 14 februari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan waarbij de aanslag IB\/PVV 2016 is gehandhaafd en de vergrijpboete is vernietigd in verband met het overlijden van [naam 1].<\/p>\n<p>16. In geschil is de hoogte van de aanslag. Meer in het bijzonder is in geschil of door de kwijtschelding van de rc-schuld, eiser een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten.<\/p>\n<p>17. Eiser heeft gesteld dat de rc-vordering zoals ook is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, nooit heeft bestaan, zodat er geen regulier voordeel kan zijn genoten uit aanmerkelijk belang. Immers, zo stelt eiser, heeft [naam 1] nooit geld opgenomen van de vennootschap. Eiser wijst daartoe op de aan verweerder overlegde bankafschriften. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel en geen oog heeft gehad voor de menselijke maat. Voorts acht eiser deze heffing over fictief inkomen in strijd met het ongestoorde recht op eigendom, en vormt deze voor hem een individuele en buitensporige last.<\/p>\n<p>18. Verweerder betwist de stelling van eiser dat er nooit een rc-vordering op [naam 1] heeft bestaan, aangezien in de ingediende aangiften VPB voor de jaren 2010 tot en met 2014 een rc-vordering is opgenomen van Holding BV op [naam 1]. Deze vordering loopt in de loop der jaren enkel op; er is niet gebleken van rentebetalingen of aflossingen. Er is daarom gedurende alle jaren geen sprake van een sluimerende post die jaren achtereen lukraak werd opgevoerd; integendeel, de balanspost muteerde jaarlijks. Daarbij blijkt tevens van een corresponderende schuld in de aangifte IB\/PVV 2013 van [naam 1]. Aangezien het niet bestaan van de rc-schuld slechts berust op een blote stelling van eiser, is de kwijtschelding daarvan volgens verweerder onzakelijk en is deze terecht (voor de helft) als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij eiser in aanmerking genomen. Gegeven de omvang van de correctie stelt verweerder dat de vereiste aangifte niet is gedaan.<\/p>\n<p>Vereiste aangifte<\/p>\n<p>19. Voor de heffing van IB\/PVV (hierna: belasting) geldt dat bijvoorbeeld bij het niet aangeven van een bepaald genoten voordeel, slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van \u00e9\u00e9n of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.<\/p>\n<p>Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang<\/p>\n<p>20. Op verweerder rust de bewijslast van \u00e9\u00e9n of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De correctie wordt gevormd door de bijtelling van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang die zijn oorzaak vindt in de kwijtschelding van de rc-schuld van [naam 1] aan Holding BV. Voor die kwijtschelding zijn volgens verweerder geen zakelijke redenen, immers voor Holding BV verdwijnt met de kwijtschelding het belangrijkste activum dat stond tegenover een in omvang vergelijkbare schuld van Holding BV aan groepsvennootschappen. Door deze kwijtschelding is vermogen van Holding BV overgegaan op [naam 1] die zonder daar iets tegenover te stellen werd bevrijd van zijn rc-schuld. De kwijtschelding heeft daarom geleid tot een voordeel voor [naam 1], in zijn hoedanigheid van aandeelhouder opgekomen als vermomd of verkapt dividend. Voor zijn stelling dat de rc-vordering tot het moment van kwijtschelding jarenlang heeft bestaan, heeft verweerder gewezen op de aangiften VPB van Holding BV voor de jaren 2010 tot en met 2014, op de aangifte IB\/PVV ten name van [naam 1] voor het jaren 2013, alsmede op de vaststellingsovereenkomst (zie onder 6). Ook heeft verweerder in dit verband erop gewezen dat de aangiften VPB namens [naam 1] steeds door een professioneel accountantskantoor en later administratie\/belastingadvieskantoor werden opgesteld en ingediend; gesteld noch gebleken is dat door deze kantoren ooit vraagtekens zijn geplaatst bij de rc-vordering. Ook uit de vaststellingsovereenkomst leidt verweerder af dat de rc-vordering wel degelijk heeft bestaan, aangezien daarin is vermeld dat de schuld uit de vordering wordt kwijtgescholden.<\/p>\n<p>Dat [naam 1] de aangifte IB\/PVV 2016 heeft ingediend, door of namens hem de voormelde aangiften VPB zijn ingediend, door hem de vaststellingsovereenkomst is getekend, en hij alle aandelen hield in Holding BV, maakt dat hij zich bewust was van deze bevoordeling.<\/p>\n<p>21. Tegen hetgeen verweerder heeft gesteld en aangevoerd, heeft eiser ingebracht dat nooit sprake is geweest van een rc-schuld aan Holding BV. Dat deze vordering wel meerdere jaren op de balans van Holding BV heeft gestaan en ook was opgenomen als corresponderende schuld in box 3, berust volgens eiser op onjuiste, foute boekingen. Dat sprake was van foute boekingen is vastgesteld door een accountant die was ingeschakeld door [naam 11] namens Stichting [stichting 1], die daarover een rapport had opgemaakt.<\/p>\n<p>22. Met hetgeen verweerder heeft gesteld en aangevoerd, acht de rechtbank aannemelijk dat de rc-schuld van [naam 1] aan Holding BV heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding. Tevens acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat vanwege deze kwijtschelding [naam 1] een regulier voordeel heeft genoten en vermogen van Holding op [naam 1] is overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. [naam 1] is daardoor van zijn \u2013 na jaren hoog opgelopen \u2013 rc-schuld aan Holding BV bevrijd. Aangezien voor de kwijtschelding er geen zakelijke redenen waren, is dat voordeel tot [naam 1] gekomen als een verkapte uitdeling. Dat [naam 1], zijnde 100% aandeelhouder en voormalig bestuurder, zich hiervan bewust was, acht de rechtbank aannemelijk met hetgeen verweerder overigens in dit verband heeft aangevoerd.<\/p>\n<p>Hetgeen eiser daar tegenin heeft gebracht, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt daartoe dat [naam 1] als directeur-aandeelhouder een eigen verantwoordelijkheid had voor de fiscale verplichtingen van Holding BV en die van hemzelf. Daarbij komt dat door zijn dochter en zonen [naam 5] en [naam 4]. is verklaard dat [naam 1] en wijlen zijn zoon [naam 10], verantwoordelijk waren voor de administratie. Dat de administratie in 2015 bij de bestuurswisseling geheel uit handen is gegeven aan de nieuwe bestuurder, en daarvan niets is terug te vinden, dient voor rekening en risico van [naam 1] te blijven. Dat geldt ook \u2013 althans zo begrijpt de rechtbank de verklaring ter zitting van eiser \u2013 voor het feit dat [naam 11] en de heer [naam 12], administrateur van de rijschool, niet hebben willen of kunnen verklaren over het vermeende onderzoek naar de rc-vordering of over andere zaken die mogelijk licht zouden kunnen werpen op het ontstaan van de rc-vordering. De rechtbank overweegt voorts dat eiser weliswaar heeft gewezen op door een accountant verricht onderzoek naar de rc-vordering die daarvan een rapport had vervaardigd, maar eiser tevens verklaart de naam van deze accountant, die volgens eiser inmiddels is overleden, niet te kennen en het rapport zelf nooit te hebben gezien. Aangezien ook overigens niets is gebleken omtrent het bestaan van dit onderzoek en rapport, moet de rechtbank constateren dat het \u2013 zoals ook verweerder heeft vastgesteld \u2013 blijft bij blote stellingen van eiser.<\/p>\n<p>De rechtbank overweegt nog dat anders dan eiser lijkt te stellen, voor het aannemen van een verkapt dividend, niet behoeft te worden bewezen dat [naam 1] daadwerkelijk geld heeft opgenomen van rekeningen op naam van Holding BV, nog afgezien van het feit dat verweerder een dergelijke opname niet heeft gesteld en door hem onweersproken is geconstateerd dat er veel hiaten zijn in de overgelegde bankafschriften.<\/p>\n<p>Omkering en verzwaring bewijslast<\/p>\n<p>23. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat verweerder de door hem aangebrachte correctie voor het volledige bedrag aannemelijk heeft gemaakt. Gegeven de omvang van de correctie, in dit geval \u20ac 224.659, heeft het niet aangeven van het regulier voordeel uit aanmerkelijk belang ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. [naam 1] had zich hier bewust van moeten zijn, in die zin dat hij had behoren te weten dat door het voordeel niet in zijn aangifte op te nemen, een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit betekent dat [naam 1] niet de vereiste aangifte heeft gedaan met als gevolg dat de in artikel 27e, eerste lid, AWR voorziene sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast wordt toegepast, inhoudende dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank overweegt dat eiser met al hetgeen hij heeft gesteld en aangevoerd niet overtuigend heeft aangetoond dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. Aangezien verweerder voor de correctie is aangesloten bij (de helft) van het bedrag van de kwijtschelding, is geen sprake van een onredelijke of willekeurige bijtelling. Verweerder heeft derhalve terecht de helft van de kwijtgescholden vordering als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in box 2 in aanmerking genomen.<\/p>\n<p>Evenredigheidsbeginsel\/menselijke maat<\/p>\n<p>24. Anders dan eiser stelt, is niet gebleken dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld en geen oog zou hebben gehad voor de menselijke maat. De rechtbank overweegt in dit verband dat gesteld zou kunnen worden dat geen sprake is van een evenredige heffing in geval deze niet zou berusten op een bewezen rc-schuld die is kwijtgescholden door Holding BV. In dat geval ook zou met het handhaven van de aanslag de menselijke maat uit het oog verloren kunnen worden.<\/p>\n<p>Aangezien de rechtbank echter het bestaan van de rc-schuld wel bewezen acht, ontvalt daarmee de grond voor deze standpunten van eiser. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat aan eiser in de bezwaarfase mogelijkheden zijn geboden, en benut, om met verweerder meermaals in contact te treden, niet alleen om bezwaren in te kunnen brengen tegen de navorderingsaanslag, maar ook om de mogelijkheid van een compromis te beproeven. Ook heeft verweerder gepoogd de zaak in der minne te schikken.<\/p>\n<p>Eigendomsrecht en individuele en buitensporige last<\/p>\n<p>25. Eiser heeft aangevoerd dat het betalen van de aanslag mogelijk leidt tot het moeten interen op vermogen. Verweerder heeft in dit verband opgemerkt dat met de ontvanger afspraken zijn te maken omtrent betalingsregelingen.<\/p>\n<p>De rechtbank acht hetgeen eiser dit verband heeft aangevoerd onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij zal moeten interen op vermogen. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser geen enkel inzicht heeft verschaft in zijn huidige inkomen en vermogen. De rechtbank concludeert daarom dat niet aannemelijk is dat de aanslag leidt tot een individuele en buitensporige last en mitsdien geen sprake is van strijd met het eigendomsrecht.<\/p>\n<p>In het voorgaande is reeds geoordeeld dat eiser vanwege de kwijtschelding van de rc-schuld aan Holding BV een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Het standpunt van eiser dat het in de belastingheffing betrekken van dit voordeel in strijd is met het eigendomsrecht van artikel 1 EP bij het EVRM, berust op een onjuiste rechtsopvatting.<\/p>\n<p>26. Aangezien verweerder de belastingrente op grond van artikel 30fc AWR heeft berekend over het positieve bedrag van de belastingaanslag over de door hem aangegeven periode, is niet gebleken dat de belastingrente niet tot de juiste hoogte is vastgesteld.<\/p>\n<p>27. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.<\/p>\n<p>Verzoek om een immateri\u00eble schadevergoeding<\/p>\n<p>28. Eiser heeft verzocht om een immateri\u00eble schadevergoeding aangezien eiser door overschrijding van de redelijke termijn immateri\u00eble schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Eiser heeft bij brief van 7 december 2020 bezwaar gemaakt, de uitspraak op bezwaar is van 14 februari 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 13 november 2025, zodat hiermee de redelijke termijn van twee jaar met afgerond 34 maanden is overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die een verlenging van de redelijke termijn zouden rechtvaardigen.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt de immateri\u00eble schadevergoeding vast op \u20ac 3.000 (\u20ac 500 per half jaar) en bepaalt dat deze vergoeding voor een bedrag van \u20ac 2.735 (31\/34*\u20ac 3000) dient te worden toegerekend aan de bezwaarfase zodat verweerder veroordeeld wordt tot vergoeding van dit bedrag aan eiser en de overige vergoeding \u20ac 265 (3\/34*\u20ac 3.000) dient te worden toegerekend aan de beroepsfase, zodat de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag. In de omstandigheid dat de zaak van eiser gezamenlijk is behandeld met de zaken van zeven andere familieleden die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, vindt de rechtbank aanleiding om het bedrag van de immateri\u00eble schadevergoeding te matigen. Aan eiser wordt derhalve een vergoeding toegekend van in totaal \u20ac 375 ([\u20ac 2.735+265]*1\/8).<\/p>\n<p>29. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel vast op \u20ac 1.845,75 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van \u20ac 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van \u20ac 907, met een factor 1,5 wegens samenhang en een wegingsfactor 0,5). In de omstandigheid dat verweerder slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser wegens vergoeding voor immateri\u00eble schade, vindt de rechtbank aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te hanteren van 0,5 (licht). Tevens moet hierbij in aanmerking worden genomen dat de zaken die gelijktijdig met deze zaak op zitting zijn behandeld met elkaar samenhangen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Daarmee komt de proceskostenvergoeding voor de onderhavige zaak op \u20ac 230,72 (\u20ac 1.845,75\/8). Verweerder en de Staat nemen hierbij ieder de helft voor hun rekening.<\/p>\n<p>30. Eiser heeft in zijn aanvullend beroepschrift van 30 mei 2024 verzocht om vergoeding van immateri\u00eble schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, die op 18 januari 2023 was overschreden, zodat eiseres recht heeft op vergoeding van het betaalde griffierecht. Verweerder en de Staat nemen hierbij ieder de helft voor hun rekening.<\/p>\n<p>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.<\/p>\n<p>griffier rechter<\/p>\n<p>Afschrift verzonden aan partijen op:<\/p>\n<h3>Rechtsmiddel<\/h3>\n<p>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).<\/p>\n<p>Dat kan digitaal via <a href=\"http:\/\/www.rechtspraak.nl\" rel=\"nofollow\">http:\/\/www.rechtspraak.nl<\/a>, daar klikt u op \u201cFormulieren en inloggen\u201d. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.<\/p>\n<p>Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:<\/p>\n<p>1 &#8212; bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;<\/p>\n<p>2 &#8212; het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.<\/p>\n<p>Verder vermeldt u ten minste het volgende:<\/p>\n<p>a. de naam en het adres van de indiener;<\/p>\n<p>b. de datum van verzending;<\/p>\n<p>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;<\/p>\n<p>d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).<\/p>\n<h3>Voetnoten<\/h3>\n<ol>\n<li>HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526<\/li>\n<li>HR juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193 en HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411.<\/li>\n<li>vgl. HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2875, r.o. 3.2.4.<\/li>\n<li>vgl. HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382<\/li>\n<li>HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1-7.1.2.<\/li>\n<\/ol>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22443\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>IB\/PVV &#8212; Nu de rechtbank aannemelijk acht dat, anders dan eiser(es) stelt, de rc-vordering van de Holding BV op eiser heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding, heeft eiser(es) een regulier voordeel genoten en is vermogen van Holding BV op eiser(es) overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. Verweerder heeft terecht de helft hiervan in box 2 als regulier voordeel uit aanmerk&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[7670],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[7672,7673,9625,7675,10746],"kji_language":[7671],"class_list":["post-577370","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-rechtbank-den-haag","kji_year-8463","kji_subject-divers","kji_keyword-eiser","kji_keyword-heeft","kji_keyword-holding","kji_keyword-rechtbank","kji_keyword-regulier","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 \/ AWB - 24 _ 2783 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 \/ AWB - 24 _ 2783\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"IB\/PVV - Nu de rechtbank aannemelijk acht dat, anders dan eiser(es) stelt, de rc-vordering van de Holding BV op eiser heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding, heeft eiser(es) een regulier voordeel genoten en is vermogen van Holding BV op eiser(es) overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. Verweerder heeft terecht de helft hiervan in box 2 als regulier voordeel uit aanmerk...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"18 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 \\\/ AWB - 24 _ 2783 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-16T10:54:08+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 \\\/ AWB &#8211; 24 _ 2783\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 \/ AWB - 24 _ 2783 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 \/ AWB - 24 _ 2783","og_description":"IB\/PVV - Nu de rechtbank aannemelijk acht dat, anders dan eiser(es) stelt, de rc-vordering van de Holding BV op eiser heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding, heeft eiser(es) een regulier voordeel genoten en is vermogen van Holding BV op eiser(es) overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. Verweerder heeft terecht de helft hiervan in box 2 als regulier voordeel uit aanmerk...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"18 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/","name":"ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 \/ AWB - 24 _ 2783 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-16T10:54:08+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202522443-rechtbank-den-haag-13-11-2025-awb-24-_-2783\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 \/ AWB &#8211; 24 _ 2783"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/577370","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=577370"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=577370"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=577370"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=577370"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=577370"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=577370"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=577370"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=577370"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}