{"id":577682,"date":"2026-04-16T13:45:33","date_gmt":"2026-04-16T11:45:33","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/"},"modified":"2026-04-16T13:45:33","modified_gmt":"2026-04-16T11:45:33","slug":"eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 Rechtbank Amsterdam , 10-12-2025 \/ C\/13\/757188 \/ HA ZA 24-1076"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Eindvonnis na tussentijds hoger beroep (arrest 15 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1308) van tussenvonnis van 9 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:7578). Hoogte van de vorderingen van Buma En Sena op de gefailleerde SCZOEH vastgesteld (zonder weerwoord van SCZOEH omdat die procedure is geschorst vanwege faillissement) en vervolgens bestuurdersaansprakelijk van bestuurder (andere gefailleerde gedaagde) vastgesteld en de hoogte van de vorderingen op die bestuurder in persoon.<\/p>\n<h3>RECHTBANK Amsterdam<\/h3>\n<p>Civiel recht<\/p>\n<p>Zaaknummer: C\/13\/757188 \/ HA ZA 24-1076<\/p>\n<p>Vonnis van 10 december 2025<\/p>\n<p>in de zaak van<\/p>\n<p>de vereniging<\/p>\n<p>1. VERENIGING BUMA,<\/p>\n<p>gevestigd te Amstelveen,<\/p>\n<p>hierna te noemen: Buma,<\/p>\n<p>de stichting<br \/>\n2. STICHTING TER EXPLOITATIE VAN NABURIGE RECHTEN (SENA),<\/p>\n<p>gevestigd te Hilversum,<\/p>\n<p>hierna te noemen: Sena,<\/p>\n<p>eisende partijen,<\/p>\n<p>advocaat: mr. J.W.A. Meddens,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>de stichting<\/p>\n<p>1. STICHTING COMMERCI\u00cbLE OMROEP EXPLOITATIE ZUIDHOLLAND (SCOEZH),<\/p>\n<p>gevestigd te Zevenhuizen,<\/p>\n<p>gedaagde (tegen wie de procedure in verband met haar faillissement op 5 juli 2018 is geschorst),<\/p>\n<p>hierna te noemen: Scoezh,<\/p>\n<p>2. [gedaagde 2],<\/p>\n<p>woonachtig te [woonplaats] (Brazili\u00eb),<\/p>\n<p>gedaagde,<\/p>\n<p>advocaat: mr. J.I. van Vlijmen,<\/p>\n<p>hierna te noemen: [gedaagde 2] ,<\/p>\n<p>3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid<br \/>\n[verweerder 1 (art.29 Fw)] HOLDING B.V.,<\/p>\n<p>gevestigd te [vestigingsplaats] ,<\/p>\n<p>verweerster in de zin van artikel 29 Faillissementswet (Fw),<\/p>\n<p>advocaat: mr. J.I. van Vlijmen,<\/p>\n<p>hierna te noemen: [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding,<\/p>\n<p>4. MR. [verweerder 2 (art.29 Fw)]<\/p>\n<p>in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [gedaagde 2] ,<\/p>\n<p>kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,<\/p>\n<p>verweerder in de zin van artikel 29 Fw,<\/p>\n<p>advocaat: mr. M.L. van Dokkum,<\/p>\n<p>hierna te noemen: de curator [gedaagde 2] .<\/p>\n<h3>1De procedure<\/h3>\n<p>Het verloop van de procedure blijkt uit:<\/p>\n<p>het verzoek opbrenging doorgehaalde zaak C\/13\/637492 HA ZA 17-1098,<\/p>\n<p>het procesdossier in de zaak C\/13\/637492 HA ZA 17-1098,<\/p>\n<p>de akte uitlaten na tussenarrest van de curator [gedaagde 2] , met producties,<\/p>\n<p>de akte uitlaten na tussenarrest van [gedaagde 2] en [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding, met producties,<\/p>\n<p>de akte na terugverwijzing zijdens Buma en Sena (antwoordakte op de akte zijdens [gedaagde 2] in persoon en [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding en de akte zijdens de curator [gedaagde 2] ), met producties,<\/p>\n<p>de brief van 27 mei 2025 van de rechtbank waarin de datum van de mondelinge behandeling aan partijen is medegedeeld,<\/p>\n<p>de brief van 1 juli 2025 van mr. M.L. van Dokkum met aankondiging dat mr. [verweerder 2 (art.29 Fw)] als curator in het faillissement van [gedaagde 2] is benoemd na het overlijden van mr. J.A. Dullaart,<\/p>\n<p>het verkorte proces-verbaal van mondelinge behandeling, gehouden op<br \/>\n29 september 2025, en de daarin vermelde stukken.<\/p>\n<p>De procedure is ingesteld bij dagvaarding van 23 november 2016 en heeft toen zaaknummer C\/13\/637492 HA ZA 17-1098 gekregen. De procedure is jegens Scoezh in verband met haar faillissement op 5 juli 2018 van rechtswege geschorst. De curator van Scoezh (hierna: de curator Scoezh) heeft de procedure niet op de voet van artikel 29 Fw voortgezet. In verband met het faillissement van [gedaagde 2] op 20 maart 2018 heeft de curator [gedaagde 2] de procedure jegens [gedaagde 2] overgenomen voor zover de vorderingen de boedel betreffen (de hierna onder 2.1 vermelde vorderingen 2 en 3). [gedaagde 2] heeft zelf verder geprocedeerd over de vorderingen die zijn gericht op zijn eigen nalaten en handelen, waarbij de boedel niet is betrokken (de hierna onder 2.1 vermelde vorderingen 3 en 4). [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding heeft als schuldeiser in het faillissement van [gedaagde 2] de vorderingen van Buma en Sena die de boedel raken (de hierna onder 2.1 vermelde vorderingen 2 en 3) betwist en is daarmee partij geworden in deze procedure.<\/p>\n<p>Op 15 juli 2020 is een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis). Na het tussenvonnis hebben Buma en Sena een akte toelichting schade met producties ingediend op de rol van 26 augustus 2020. Bij tussenvonnis van 9 september 2020 is op verzoek van [gedaagde 2] , de curator [gedaagde 2] en [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding tussentijds hoger beroep opengesteld tegen het tussenvonnis. Het hoger beroep is ingesteld op 6 oktober 2020. Bij arrest van 14 mei 2024 (hierna: het arrest) heeft het gerechtshof Amsterdam het bestreden vonnis deels bekrachtigd (voor zover het gaat om het aan [gedaagde 2] op te leggen inbreukverbod) en deels vernietigd (voor zover het gaat over de in het faillissement van [gedaagde 2] ingediende vorderingen van Buma en Sena) en de zaak terugverwezen naar de rechtbank. Nadat de zaak weer bij de rechtbank was opgebracht, heeft de zaak het huidige zaaknummer gekregen.<\/p>\n<p>Op de zitting van 29 september 2025 heeft de rechtbank beslist dat de volgende (onder het oude zaaknummer) ingediende aktes \u2013 die waren ingediend nadat het tussentijds hoger beroep was ingesteld \u2013 eveneens tot het procesdossier in deze procedure behoren:<\/p>\n<p>de antwoordakte, met producties, van de curator [gedaagde 2] , ingediend op de rol van 7 oktober 2020,<\/p>\n<p>de antwoordakte van 7 oktober 2020 van [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding waarin zij het verweer van de curator [gedaagde 2] integraal overneemt,<\/p>\n<p>de antwoordakte met producties van Buma en Sena, van 21 oktober 2020 (abusievelijk gedateerd 21 september 2020),<\/p>\n<p>de antwoordakte van 4 november 2020 van de curator [gedaagde 2] ,<\/p>\n<p>de antwoordakte van 4 november 2020 van [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding waarin zij het verweer van de curator [gedaagde 2] integraal overneemt.<\/p>\n<p>Verder hebben Buma en Sena op de zitting van 29 september 2025 hun vordering tot veroordeling van [gedaagde 2] in de proceskosten verminderd tot het gebruikelijke liquidatietarief en hebben zij verder verklaard dat de in hun akte toelichting schade (van<br \/>\n26 augustus 2020) opgenomen onderdelen H, I en J inmiddels geen deel meer zijn van deze procedure.<\/p>\n<p>Ten slotte is vonnis bepaald.<\/p>\n<h3>2De vorderingen van Buma en Sena<\/h3>\n<p>Zoals in het tussenvonnis al is weergegeven vorderen Buma en Sena, bij uitvoer bij voorraad te verklaren vonnis:<\/p>\n<p>[gedaagde 2] te verbieden inbreuk te (doen) maken op de rechten van Buma en de door Sena vertegenwoordigde rechthebbenden, op straffe van, naar keuze van Buma en Sena, lijfsdwang van \u00e9\u00e9n dag per muziekwerk of een dwangsom van \u20ac 20.000,00 per muziekwerk waarmee het verbod wordt overtreden,<\/p>\n<p>de vordering van Buma voor een bedrag van \u20ac 248.593,58 zoals ingediend ter verificatie in het faillissement van [gedaagde 2] te verifi\u00ebren en vast te stellen dat Buma tot een bedrag van primair \u20ac 248.593,58 subsidiair \u20ac 193.593,58 een vordering heeft op [gedaagde 2] en de curator [gedaagde 2] te bevelen de vordering van Buma zoals vastgesteld te erkennen en te plaatsen op de lijst van erkende crediteuren in het faillissement van [gedaagde 2] ,<\/p>\n<p>de vordering van Sena voor een bedrag van \u20ac 83.243,81 zoals ingediend ter verificatie in het faillissement van [gedaagde 2] te verifi\u00ebren en vast te stellen dat Sena tot een bedrag van \u20ac 83.243,81 een vordering heeft op [gedaagde 2] en de curator te bevelen de vordering van Sena zoals vastgesteld te erkennen en te plaatsen op de lijst van erkende crediteuren in het faillissement van [gedaagde 2] ,<\/p>\n<p>[gedaagde 2] te bevelen om conform artikel 6 van de Modelovereenkomst aan Buma schriftelijk een door een registeraccountant gecertificeerde opgave te doen van<\/p>\n<p>a. het werkelijk netto-gefactureerde bedrag in 2010 tot en met 2016,<\/p>\n<p>b. het verwachte netto-gefactureerde bedrag in 2016,<\/p>\n<p>c. het werkelijk gemiddeld percentage muziekgebruik van de totale zendtijd in 2010 tot en met 2016,<\/p>\n<p>d. het geschatte gemiddeld percentage muziekgebruik van de totale zendtijd in 2011,<\/p>\n<p>e. de verspreiding van het omroepsignaal in 2010 tot en met 2017 via de ether, onder vermelding van de gemeenten en hun gemiddeld aantal inwoners per 1 januari van ieder jaar,<\/p>\n<p>f. de kabelnetten waardoor het omroepsignaal is verspreid in 2010 tot en met 2017, onder vermelding van het gemiddeld aantal kabelaansluitingen per 1 januari van ieder jaar,<\/p>\n<p>5. gedaagden te veroordelen in de proceskosten.<\/p>\n<p>Buma en Sena stellen \u2013 kort samengevat \u2013 dat Scoezh in het verleden een radiozender (Fresh FM) heeft ge\u00ebxploiteerd die via de ether en via het internet muziek heeft uitgezonden. Daarvoor was Scoezh op grond van de Auteurswet (Aw), respectievelijk de Wet op de naburige rechten (Wnr), vergoedingen verschuldigd aan Buma en Sena. Scoezh heeft die vergoedingen over de jaren 2010 tot en met mei 2016 niet betaald en heeft geen opgave van inkomsten (bijvoorbeeld uit reclames) gedaan. Hierdoor konden Buma en Sena de daadwerkelijk verschuldigde vergoedingen niet berekenen en slechts minimumvergoedingen in rekening brengen. [gedaagde 2] is als indirect bestuurder van Scoezh, dan wel als haar feitelijk beleidsbepaler, in persoon aansprakelijk voor de schade die Buma en Sena leiden als gevolg van het niet betalen van de verschuldigde vergoedingen en het negeren van rechterlijke uitspraken door Scoezh. De vorderingen van Buma en Sena op [gedaagde 2] dienen te worden vastgesteld opdat deze ter verificatie in het faillissement van [gedaagde 2] kunnen worden meegenomen, aldus steeds Buma en Sena.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] voert verweer.<\/p>\n<p>[verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding heeft zich in haar betwisting van de vorderingen van Buma en Sena op [gedaagde 2] aangesloten bij het verweer van de curator [gedaagde 2] . Waar hierna over het verweer van de curator [gedaagde 2] wordt gesproken wordt daarmee ook het verweer van [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding bedoeld.<\/p>\n<p>Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.<\/p>\n<h3>3De verdere beoordeling<\/h3>\n<p>Over de vorderingen onder 1 en onder 4<\/p>\n<p>Buma en Sena hebben onder 1 en 4 vorderingen op [gedaagde 2] ingesteld die de boedel in zijn faillissement niet raken. In het tussenvonnis is overwogen dat het onder 1 gevorderde inbreukverbod zal worden toegewezen, zonder oplegging van een dwangsom of lijfsdwang, en dat de onder 4 gevorderde opgave niet wordt toegewezen omdat die verplichting op Scoezh rust en niet op [gedaagde 2] in persoon.<\/p>\n<p>Het hof heeft in het arrest het tussenvonnis bekrachtigd voor zover het gaat om het aan [gedaagde 2] op te leggen inbreukverbod. Dit verbod zal in dit vonnis overeenkomstig worden toegewezen.<\/p>\n<p>Tegen de afwijzing in het tussenvonnis van de onder 4 gevorderde opgave is geen (incidentele) grief gericht; het hof heeft zich hierover dan ook niet uitgelaten. Partijen hebben in deze procedure geen nadere standpunten ingenomen over deze bindende eindbeslissing in het tussenvonnis. De onder 4 gevorderde opgave wordt dan ook afgewezen als is beslist in het tussenvonnis.<\/p>\n<p>Over de vorderingen onder 2 en onder 3<\/p>\n<p>In het tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde 2] heeft toegestaan, zo niet bewerkstelligd, dat Scoezh aanzienlijke betalingsachterstanden heeft opgelopen, dat langdurig en herhaaldelijk inbreuk is gemaakt op het Buma- en Sena-repertoire en dat Scoezh nimmer heeft voldaan aan haar opgaveverplichtingen. Daarmee heeft [gedaagde 2] als bestuurder, dan wel feitelijk beleidsbepaler van Scoezh \u2013 en ook persoonlijk als contractspartij van Buma en Sena \u2013 dusdanig onzorgvuldig gehandeld jegens Buma en Sena dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 2] is daarom aansprakelijk gehouden voor de als gevolg daarvan door Buma en Sena geleden schade. Buma en Sena zijn vervolgens toegelaten tot het nemen van een nadere akte over de hoogte van de schade die zij als gevolg van het onrechtmatige handelen van [gedaagde 2] hebben geleden.<\/p>\n<p>In het arrest heeft het hof \u2013 kort gezegd \u2013 overwogen dat het oordeel in het tussenvonnis over de aansprakelijkheid van [gedaagde 2] prematuur is, omdat de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde 2] pas kan worden beoordeeld nadat de hoogte van de (opeisbare) vorderingen van Buma en Sena op Scoezh is vastgesteld. Daarnaast moet \u2013 aldus het hof \u2013 zelfstandig worden onderzocht of [gedaagde 2] jegens Buma, respectievelijk Sena aansprakelijk is. Het tussenvonnis is daarom vernietigd voor zover het gaat over de in het faillissement van [gedaagde 2] ingediende vorderingen van Buma en Sena en terugverwezen naar de rechtbank voor verdere beoordeling.<\/p>\n<p>In navolging van de instructie van het hof zal in dit vonnis eerst de hoogte van de vorderingen van Buma respectievelijk Sena op Scoezh worden vastgesteld. Als blijkt dat sprake is van onbetaald gebleven (opeisbare) vorderingen van Buma en Sena op Scoezh, zal vervolgens nader worden onderzocht of [gedaagde 2] in persoon aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die Buma en Sena als gevolg daarvan hebben geleden.<\/p>\n<p>Vooraf: procedure jegens Scoezh is geschorst<\/p>\n<p>Vooraf wordt opgemerkt dat Scoezh en [gedaagde 2] tegen de vorderingen van Buma en Sena op Scoezh bij conclusie van antwoord verweer hebben gevoerd. Na die conclusie van antwoord zijn Scoezh en [gedaagde 2] gefailleerd. De curator Scoezh heeft deze procedure niet voortgezet, zodat geen reactie van Scoezh bekend is op de akte toelichting schade van<\/p>\n<p>26 augustus 2020 van Buma en Sena en de nadien door Buma en Sena verrichte proceshandelingen.<\/p>\n<p>Omdat de procedure tegen Scoezh is geschorst zal op de door haar bij conclusie van antwoord aangevoerde verweren in dit vonnis in beginsel niet worden ingegaan, behalve waar deze samenvallen met het verweer van de curator [gedaagde 2] . Dit alles leidt ertoe dat in deze procedure wel de hoogte van de vorderingen op Scoezh moet worden vastgesteld, maar dat Scoezh in de discussie daarover niet meer direct is betrokken. Wel heeft de curator Scoezh \u2013 zoals Buma en Sena onbetwist aanvoeren \u2013 de vorderingen van Buma voorlopig erkend. Dit neemt niet weg dat de vorderingen van Buma op Scoezh nog steeds in deze procedure moeten worden vastgesteld: de curator [gedaagde 2] wijst er terecht op dat het slechts om een voorlopige erkenning gaat.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] heeft de procedure op de voet van artikel 29 Fw voortgezet voor zover de vorderingen jegens [gedaagde 2] de boedel betreffen (de vorderingen 2 en 3). De verweren van de curator [gedaagde 2] tegen de gestelde vorderingen op Scoezh, die [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding zoals gezegd integraal overneemt, zullen hierna aan de orde komen.<\/p>\n<p>De (hoogte van de) door Buma en Sena gestelde vorderingen op Scoezh<\/p>\n<p>Buma en Sena hebben hun schade (bestaande uit de gestelde niet betaalde vorderingen op Scoezh) nader uitgewerkt in hun akte toelichting schade van 26 augustus 2020. De curator [gedaagde 2] en [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding hebben daarop gereageerd; kort gezegd betwisten zij dat Buma en Sena (nog) vorderingen op Scoezh hebben.<\/p>\n<p>De vordering van Buma op [gedaagde 2] \u2013 in totaal een bedrag van \u20ac 248.593,56 \u2013 bestaat uit de volgende vijf onderdelen:<\/p>\n<p>(A) een bedrag van \u20ac 13.614,59 op basis van de veroordeling van Scoezh tot betaling in het vonnis van 26 mei 2010 van deze rechtbank (zie tussenvonnis onder 2.13.);<\/p>\n<p>(B) een bedrag van \u20ac 106.625,86 aan voorschotfacturen gericht aan Scoezh voor muziekgebruik in etheruitzendingen in de periode 2010 &#8212; 2016, inclusief rente;<\/p>\n<p>(C) een bedrag van \u20ac 55.000 aan aanvullende licentievergoeding verschuldigd door Scoezh voor de etheruitzendingen over voornoemde periode 2010 &#8212; 2016;<\/p>\n<p>(D) een bedrag van \u20ac 61.663,60 aan voorschotfacturen gericht aan Scoezh voor streaming door Fresh FM in de periode 2010 &#8212; 2016, vermeerderd met rente;<\/p>\n<p>(E) een bedrag van \u20ac 11.662,53 aan proceskostenveroordelingen van Scoezh in het vonnis van deze rechtbank van 12 oktober 2016 (zie het tussenvonnis onder 2.24) en het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 juli 2017 (zie het tussenvonnis onder 2.25).<\/p>\n<p>De vordering van Sena op [gedaagde 2] \u2013 in totaal een bedrag van \u20ac 83.243,81 \u2013 bestaat uit de volgende twee onderdelen:<\/p>\n<p>(F) een bedrag van \u20ac 61.571 aan voorschotfacturen gericht aan Scoezh voor muziekgebruik in uitzendingen in de periode van 1 april 2010 tot en met 31 december 2016, vermeerderd met een bedrag van \u20ac 12.375,53 aan rente,<\/p>\n<p>(G) een bedrag van \u20ac 9.296,42 aan proceskostenveroordeling van Scoezh in het kortgedingvonnis van de rechtbank Den Haag van 13 september 2016 (zie het tussenvonnis onder 2.23).<\/p>\n<p>Eerst zullen de door Buma gestelde vorderingen op Scoezh worden onderzocht, daarna de door Sena gestelde vorderingen op Scoezh.<\/p>\n<p>Onderdeel (A): de vordering op grond van het vonnis van 26 mei 2010<\/p>\n<p>In het vonnis van 26 mei 2010 is Scoezh (naast [bedrijf] B.V., die in 2014 door een \u2018turboliquidatie\u2019 is ontbonden) onder meer veroordeeld tot betaling aan Buma van:<\/p>\n<p>\u20ac 4.376,90 aan voorschotvergoeding voor radio-uitzendingen in de periode juli tot en met september 2009, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 31 juli 2009,<\/p>\n<p>\u20ac 4.376.90 aan voorschotvergoeding voor radio-uitzendingen in de periode oktober tot en met december 2009, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 november 2009,<\/p>\n<p>\u20ac 2.013,92 aan (schade-)vergoeding in verband met het bij strandfeesten ten gehore brengen van tot het Buma-repertoire behorende muziek, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 juni 2009.<\/p>\n<p>Van dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.<\/p>\n<p>Buma stelt dat zij uit hoofde van dit vonnis in totaal een vordering op Scoezh heeft van \u20ac 13.614,59, zijnde: \u20ac 10.767,72 aan hoofdsommen en \u20ac 2.846,87 aan verschenen wettelijke rente over die respectievelijke hoofdsommen.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] voert allereerst aan dat dit onderdeel van de schadevordering op [gedaagde 2] is verjaard op grond van artikel 3:310 BW. Op het beroep op verjaring van de vorderingen jegens [gedaagde 2] zal hierna, nadat de hoogte van de vorderingen op Scoezh is vastgesteld, worden ingegaan. Het beroep op verjaring van de vorderingen jegens [gedaagde 2] raakt immers niet de vraag of Buma nog vorderingen op Scoezh heeft. Dat deze vordering van Buma op Scoezh is verjaard heeft de curator [gedaagde 2] niet gesteld.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] voert daarnaast aan dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis destijds is uitbesteed aan een tweetal deurwaarders, die substanti\u00eble bedragen hebben ge\u00efnd. Buma heeft ten onrechte nagelaten specificaties en afrekeningen in het geding te brengen waaruit kan blijken wat op deze vordering al is betaald. Daarmee handelt zij in strijd met artikel 21 Rv. Volgens ingewonnen informatie van de deurwaarders kan de berekening van Buma in elk geval niet juist zijn, aldus de curator [gedaagde 2] .<\/p>\n<p>In haar reactie op dit verweer weerlegt Buma naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de deurwaarders op deze vordering al substanti\u00eble bedragen hebben ge\u00efnd. De bedragen waarop de curator [gedaagde 2] doelt zien op betalingen in andere dossiers. Uitgaande van de door de curator [gedaagde 2] overgelegde informatie van de deurwaarders stelt Buma dat in elk geval per 16 juni 2011 nog \u20ac 10.151,66 openstond. De wettelijke rente daarover bedraagt tot de datum van het faillissement van [gedaagde 2] \u20ac 1.981,02. Dat Buma (mogelijk) een klein bedrag heeft gemist dat al wel op de vordering is afgeboekt maakt nog niet dat zij in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt de hoogte van deze vordering van Buma op Scoezh dan ook vast op \u20ac 12.132,68.<\/p>\n<p>Onderdeel (B): voorschotfacturen voor muziekgebruik tijdens etheruitzendingen<\/p>\n<p>Deze vorderingen van Buma betreffen voorschotfacturen voor muziekgebruik tijdens radio-uitzendingen via de ether. Dit zijn vorderingen die strekken tot nakoming van de betalingsverplichting uit de overeenkomst tussen Buma en Scoezh (de Modelovereenkomst, zie 2.11 van het tussenvonnis).<\/p>\n<p>Buma heeft de volgende facturen aan voorschotvergoedingen aan Scoezh gestuurd (alle bedragen zijn inclusief 21% btw):<\/p>\n<p>factuur van 4 februari 2010 voor een bedrag van \u20ac 4.376,90 (waarvan bij dagvaarding nog een bedrag van \u20ac 231,71 niet was voldaan) ter zake het eerste kwartaal van 2010;<\/p>\n<p>factuur van 1 april 2010 voor een bedrag van \u20ac 4.376,90 ter zake het tweede kwartaal 2010;<\/p>\n<p>factuur van 1 juli 2010 voor een bedrag van \u20ac 4.376,90 ter zake het derde kwartaal 2010;<\/p>\n<p>factuur van 1 oktober 2010 voor een bedrag van \u20ac 4.376,90 ter zake het vierde kwartaal 2010;<\/p>\n<p>factuur van 28 januari 2011 voor een bedrag van \u20ac 4.241,47 voor het eerste kwartaal 2011;<\/p>\n<p>factuur van 1 april 2011 voor een bedrag van \u20ac 4.241,47 voor het tweede kwartaal 2011;<\/p>\n<p>factuur van 1 juli 2011 voor een bedrag van \u20ac 4.241,47 voor het derde kwartaal 2011;<\/p>\n<p>factuur van 3 oktober 2011 voor een bedrag van \u20ac 4.241,47 voor het vierde kwartaal 2011;<\/p>\n<p>factuur van 22 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 9.949,50 voor het gehele jaar 2012;<\/p>\n<p>factuur van 22 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 10.188,77 voor het gehele jaar 2013;<\/p>\n<p>factuur van 22 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 10.362,40 voor het gehele jaar 2014;<\/p>\n<p>factuur van 22 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 7.818,19 voor de eerste drie kwartalen van 2015.<\/p>\n<p>Volgens Buma heeft zij op grond van deze facturen in totaal een vordering van \u20ac 81.760,36 aan hoofdsommen en van \u20ac 24.874,50 aan wettelijke rente daarover tot de dag van het faillissement van [gedaagde 2] .<\/p>\n<p>Het beroep van de curator [gedaagde 2] op verjaring van deze vorderingen slaagt deels.<\/p>\n<p>Een vordering tot nakoming verjaart na verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 BW).<\/p>\n<p>Op de facturen is een betalingstermijn van 30 dagen van toepassing. Op de dag na het einde van die betalingstermijn is de vordering tot betaling van die factuur opeisbaar. De verjaring van rechtsvordering tot nakoming wordt gestuit door een aanmaning (artikel 3:317 lid 1 BW).<\/p>\n<p>Buma heeft bij sommatie van 22 juli 2015 allereerst betaling (binnen 14 dagen) van alle voorschotfacturen uit de periode januari 2010 tot en met december 2011 met rente verlangd. Op dat moment waren de vorderingen tot betaling van de facturen van 4 februari 2010 en 1 april 2010 (opeisbaar per 2 mei 2010) al verjaard. Deze vorderingen bedragen in totaal \u20ac 4.608,61. In zoverre slaagt het beroep van Scoezh op verjaring van de vorderingen van Buma tot betaling van voorschotvergoedingen.<\/p>\n<p>De verjaring van de vordering tot betaling van de overige facturen tot en met december 2011 is gestuit door de sommatie van 22 juli 2015.<\/p>\n<p>Daarnaast heeft Buma bij die sommatie van 22 juli 2015 voorschotfacturen voor de periode januari 2012 tot en met september 2015 aan Scoezh laten betekenen met de sommatie tot betaling daarvan binnen 30 dagen. In het arrest heeft het hof overwogen dat in de beoordeling (na verwijzing) zal moeten worden betrokken dat Buma op 22 juli 2015 de afrekening over een aantal daaraan voorafgaande jaren met terugwerkende kracht heeft gefactureerd aan Scoezh.<\/p>\n<p>In dat verband wordt het volgende overwogen.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] en [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding hebben niet meer concreet betwist dat Buma met terugwerkende kracht mocht factureren. Alleen Scoezh (jegens wie zoals gezegd de procedure is geschorst) en [gedaagde 2] hebben bij conclusie van antwoord erop gewezen dat Buma en Sena na 2011 geen voorschotfacturen hebben gestuurd en ook geen opgave van reclame-inkomsten hebben gevraagd en zich op het standpunt gesteld dat het achteraf factureren niet was toegestaan onder het CBO-keurmerk dat in 2015 gold. Scoezh en [gedaagde 2] hebben daarbij evenwel niet concreet gemaakt uit welk beding onder het CBO-keurmerk volgt dat achteraf factureren niet is toegestaan, zodat aan die stelling voorbij wordt gegaan.<\/p>\n<p>Buma en Sena hebben ter zitting van 29 september 2025 desgevraagd verklaard dat zij na december 2011 zijn gestopt met het versturen van voorschotfacturen en het verzoeken van opgave van de reclame-inkomsten vanwege de vele procedures die over die onderwerpen moesten worden gevoerd door Buma en Sena tegen Scoezh en [bedrijf] , die ook niet aan die gerechtelijke uitspraken daartoe hebben voldaan. Daarnaast hebben Buma en Sena gewezen op de vaststellingsovereenkomst die Sena enerzijds en Scoezh en [bedrijf] anderzijds hebben gesloten in 2013 waarin Scoezh zich heeft verbonden tot betaling van vergoedingen aan Sena en het doen van opgave van reclame-inkomsten. Scoezh is ook die verplichtingen nimmer nagekomen, aldus steeds Buma en Sena.<\/p>\n<p>Onder die omstandigheden is te billijken dat Buma de facturen over 2012, 2013, 2014 en 2015 achteraf heeft laten betekenen aan Scoezh bij exploot van 22 juli 2015. Gerechtelijke uitspraken met veroordelingen tot het betalen voor de rechten op muziek en het opgeven van reclame-inkomsten (op straffe van een dwangsom) leidden immers niet tot nakoming van de verplichtingen door Scoezh. In dat verband wordt verwezen naar de vastgestelde feiten in het tussenvonnis en het arrest. Ook een vaststellingsovereenkomst waarin die verplichtingen (jegens Sena) zijn vastgelegd is niet nagekomen door Scoezh. Over die vaststellingsovereenkomst is een gerechtelijke procedure gevoerd (het vonnis van 11 juni 2015 van de rechtbank [kantoorplaats] , zie 2.15 van het tussenvonnis). Scoezh heeft ook aan de veroordelingen in dat vonnis niet voldaan.<\/p>\n<p>Scoezh heeft dus bij voortduring de belangen van Buma en Sena (en van de bij hen aangesloten rechthebbenden) geschonden. Buma (en ook Sena) stond daarom in 2015 voor een volgende gerechtelijke procedure over de verplichtingen van Scoezh en heeft toen door achteraf te factureren de verjaring van de vorderingen over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 gestuit, in het belang van de rechthebbenden voor wie zij optreedt.<\/p>\n<p>Dit alles betekent dat ook de achteraf gefactureerde vergoedingen over 2012 tot en met 2015 kunnen worden meegeteld bij de vaststelling van de hoogte van de vorderingen van Buma op Scoezh.<\/p>\n<p>De vordering van Buma op Scoezh uit hoofde van de voorschotfacturen wordt daarom begroot op \u20ac 81.760,36 minus \u20ac 4.608,61 = \u20ac 77.151,75, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente tot de dag van faillissement van Scoezh (5 juli 2018). Om proceseconomische redenen zal de rechtbank hier (en ook hierna) de rente schattenderwijs begroten. Het bedrag aan wettelijke rente over \u20ac 77.151,75 wordt geschat op 94,3% (deel van de toegewezen hoofdsom in relatie tot de door Buma gestelde hoofdsom) van \u20ac 24.874,50 (het door Buma gestelde bedrag aan verschenen wettelijke rente) =<br \/>\n\u20ac 23.456,65. Deze vordering van Buma op Scoezh komt in totaal dus neer op een bedrag van \u20ac 100.608,40.<\/p>\n<p>Daarbij wordt opgemerkt dat de wettelijke rente twee varianten kent: die uit artikel 6:119 BW (gangbaar \u201cconsumentenrente\u201d genoemd) en die uit artikel 6:119a BW (in het taalgebruik aangeduid met \u201cwettelijke handelsrente\u201d). Het is aan de rechter om te bepalen welke wettelijke rente van toepassing is, ongeacht of en hoe de wettelijke rente in de overeenkomst is genoemd.<\/p>\n<p>De Modelovereenkomst tussen Buma en Scoezh is een handelsovereenkomst als omschreven in artikel 6:119a BW, zodat de wettelijke rente als bedoeld in dat artikel dient te worden toegepast op achterstallige betalingen. Buma heeft terecht de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW berekend over haar vorderingen op Scoezh. Het verweer van de curator [gedaagde 2] dat geen handelsrente is verschuldigd houdt dus geen stand.<\/p>\n<p>Onderdeel C: aanvullende licentievergoeding<\/p>\n<p>De onder (C) gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op een begroting van de door Scoezh verschuldigde bedragen aan Buma (in aanvulling op de hiervoor besproken voorschotfacturen) voor de radio-uitzendingen in de periode 2010 tot en met 2016. Dit betreft in beginsel dus een vordering van Buma op Scoezh. De curator [gedaagde 2] heeft onweersproken gesteld dat het bedrag van \u20ac 55.000 nooit aan Scoezh is gefactureerd en dus nooit opeisbaar is geworden. Pas tijdens de eerste verificatievergadering in het faillissement van [gedaagde 2] , op 1 mei 2019, heeft Buma hierop aanspraak gemaakt. Scoezh was op dat moment al failliet. Nu uit het procesdossier verder niet is op te maken of Buma die vordering (ook) ter verificatie bij de curator Scoezh heeft ingesteld, kan deze vordering dus niet worden betrokken bij het vaststellen van (de hoogte van) de vorderingen van Buma op Scoezh. Dat neemt niet weg dat hierna (zie 3.93 en verder) nog beoordeeld zal worden of [gedaagde 2] rechtstreeks voor deze gestelde schade van Buma aansprakelijk kan worden gehouden.<\/p>\n<p>Onderdeel (D): voorschotfacturen webcasting<\/p>\n<p>Volgens Buma heeft zij in totaal een vordering van \u20ac 59.459,40 aan voorschotten voor streaming door Fresh FM, te vermeerderen met een bedrag van \u20ac 2.174,20 aan wettelijke rente tot de dag van faillissement (van wie is niet gesteld door Buma).<\/p>\n<p>Buma heeft toegelicht hoe dit bedrag is samengesteld. Uit haar productie 40 (waarvan zij de juiste versie heeft overgelegd bij haar akte van 21 oktober 2020) blijkt dat Buma op 27 mei 2016 zeven facturen heeft verstuurd aan Scoezh voor het gebruik van Buma-repertoire in de jaren 2010 tot en met 2016 op negen streamingsites. Iedere factuur bedraagt \u20ac 8.494,20 (inclusief 21% btw).<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] voert \u2013 in navolging van Scoezh en [gedaagde 2] \u2013 aan dat Scoezh nooit webcasting heeft verzorgd. De webcasting die in het verleden heeft plaatsgevonden is verzorgd door Hawta Ltd, die daarvoor een overeenkomst had gesloten met een Britse zusterorganisatie van Buma. Dit alles blijkt ook uit rechtsoverweging 3.14 van het vonnis van 26 mei 2010 (zie onder 3.14), waarin de rechtbank heeft overwogen dat Scoezh niet voor webcasting kan worden aangesproken.<\/p>\n<p>Buma stelt hier onvoldoende tegenover om aan te kunnen nemen dat Buma een vordering op Scoezh heeft ter zake webcasting van muziek. Voor zover zij nog aanvoert dat de verplichting van Scoezh om te betalen voor webcasting volgt uit de vaststellingsovereenkomst van Scoezh en Sena gaat de rechtbank daaraan voorbij. Niet valt in te zien hoe uit die vaststellingsovereenkomst een betalingsverplichting van Scoezh jegens Buma ter zake van webcasting kan worden afgeleid. Evenmin kan uit de enkele opmerking van [gedaagde 2] in een pleitnota van 2017 dat hij de domeinnaam <a href=\"http:\/\/www.fresh.fm\" rel=\"nofollow\">http:\/\/www.fresh.fm<\/a> per 26 mei 20216 heeft overgezet naar een andere entiteit en \u2018daarna geen inbreuk meer [heeft] gemaakt middels webcasting\u2019 worden afgeleid dat Buma op dit punt wel een vordering op Scoezh heeft.<\/p>\n<p>Onderdeel (E): proceskostenveroordelingen<\/p>\n<p>Buma maakt aanspraak op betaling van de proceskostenveroordelingen zoals opgenomen in het kortgedingvonnis van 12 oktober 2016 (van \u20ac 9.851,53) en het arrest van 25 juli 2017 in hoger beroep van het vonnis van 12 oktober 2016 (van \u20ac 1.811). Van dit arrest is geen cassatie ingesteld zodat deze gerechtelijke procedure is ge\u00ebindigd met de uitspraak in hoger beroep.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] betwist het bestaan van deze vordering op Scoezh niet. Vastgesteld kan dan ook worden dat Buma uit hoofde van deze gerechtelijke uitspraken een vordering van \u20ac 11.662,53 op Scoezh heeft.<\/p>\n<p>Tussenconclusie vorderingen Buma op Scoezh<\/p>\n<p>Uit hetgeen onder 3.14 tot en met 3.42 is overwogen volgt dat Buma een vordering op Scoezh heeft van in totaal \u20ac 124.403,61 (\u20ac 12.132,68 (onderdeel A) + \u20ac 100.608,40 (onderdeel B) + \u20ac 11.662,53 (onderdeel E)).<\/p>\n<p>Vorderingen van Sena op Scoezh<\/p>\n<p>Sena stelt dat zij een vordering (F) van \u20ac 61.571 (te vermeerderen met de verschenen rente van \u20ac 12.375,53) op Scoezh heeft ter zake van facturen voor muziekgebruik. Daarnaast is Scoezh de proceskostenveroordeling in het kortgedingvonnis van 13 september 2016 nog niet nagekomen (vordering G).<\/p>\n<p>Onderdeel (F): facturen muziekgebruik<\/p>\n<p>Sena heeft de volgende facturen aan voorschotvergoedingen ter zake muziekgebruik aan Scoezh gestuurd (over de bedragen is geen btw berekend):<\/p>\n<p>factuur van 20 februari 2015 voor een bedrag van \u20ac 2.500 ter zake vergoeding muziekgebruik in het volledige jaar 2013;<\/p>\n<p>factuur van 20 februari 2015 voor een bedrag van \u20ac 2.500 ter zake vergoeding muziekgebruik in het volledige jaar 2014;<\/p>\n<p>factuur van 20 februari 2015 voor een bedrag van \u20ac 2.500 ter zake vergoeding muziekgebruik in het volledige jaar 2015;<\/p>\n<p>factuur van 8 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 3.896,64 ter zake muziekgebruik 9 streams (webcasting) in het volledige jaar 2010;<\/p>\n<p>factuur van 8 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 5.226,66 ter zake muziekgebruik 9 streams (webcasting) in het volledige jaar 2011;<\/p>\n<p>factuur van 8 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 5.336,46 ter zake muziekgebruik 9 streams (webcasting) in het volledige jaar 2012;<\/p>\n<p>factuur van 8 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 5.443,20 ter zake muziekgebruik 9 streams (webcasting) in het volledige jaar 2013;<\/p>\n<p>factuur van 8 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 5.519,43 ter zake muziekgebruik 9 streams (webcasting) in het volledige jaar 2014;<\/p>\n<p>factuur van 8 juli 2015 voor een bedrag van \u20ac 5.552,55 ter zake muziekgebruik 9 streams (webcasting) in het volledige jaar 2015;<\/p>\n<p>factuur van 20 januari 2016 voor een bedrag van \u20ac 5.596,92 ter zake muziekgebruik 9 streams (webcasting) in het volledige jaar 2016;<\/p>\n<p>factuur van 8 april 2016 voor een bedrag van \u20ac 833,32 ter zake muziekgebruik in januari tot en met april 2016;<\/p>\n<p>factuur van 4 mei 2016 voor een bedrag van \u20ac 208,33 ter zake muziekgebruik in de maand mei 2016;<\/p>\n<p>factuur van 25 mei 2016 voor een bedrag van \u20ac 1.458,35 ter zake vergoeding muziekgebruik in juni tot en met december 2016;<\/p>\n<p>factuur van 27 mei 2016 voor een bedrag van \u20ac 15.000 ter zake muziekgebruik 2016 als voorschot Commerci\u00eble Niet Landelijke Radiostations;<\/p>\n<p>Op de facturen van 8 april 2016 (onder 12), 4 mei 2016 (onder 13) en 25 mei 2016 (onder 14) geldt een betalingstermijn van 14 dagen, op alle andere facturen geldt een betalingstermijn van 30 dagen.<\/p>\n<p>Bovenstaande facturen tellen op tot een bedrag van \u20ac 61.571,86 en komen \u2013 afgerond \u2013 neer op het door Sena gestelde bedrag van haar vorderingen op Scoezh.<\/p>\n<p>Sena wijst ter ondersteuning van haar standpunt dat Scoezh deze facturen is verschuldigd op de vaststellingsovereenkomst van oktober 2013 tussen enerzijds haar en Scoezh en [gedaagde 2] in persoon anderzijds. In die vaststellingsovereenkomst is \u2013 voor zover van belang \u2013 opgenomen:<\/p>\n<p>\u201c(\u2026)<\/p>\n<p>1. Vergoeding over het verleden<\/p>\n<p>SCOEZH zal Sena een bedrag van in totaal EUR 30.000 (\u2026) als billijke vergoeding betalen voor het gebruik van commerci\u00eble fonogrammen in (a) de kabeluitzendingen (\u2026), (b) de etheruitzendingen (\u2026) alsmede (c) voor de internetuitzendingen van mei 2009 tot en met maart 2010.<\/p>\n<p>(\u2026)<\/p>\n<p>5. Vergoeding in de toekomst<\/p>\n<p>Vanaf 1 januari 2013 zal SCOEZH voor haar etheruitzendingen jaarlijks een bedrag aan billijke vergoeding van \u20ac 2.500,- (\u2026) aan Sena betalen. Voor haar simulcasting- en webcastingactiviteiten sinds 1 maart 2010, zal SCOEZH aan Sena een bedrag aan billijke vergoeding betalen dat in overeenstemming is met de minimumtarieven en percentages die Sena met de NLCR zal overeenkomen, (\u2026).<\/p>\n<p>6. Finale kwijting (\u2026)<\/p>\n<p>Bij tijdige en volledige voldoening van hetgeen in artikel 1 tot en met 4 van deze overeenkomst is bepaald, zal Sena SCOEZH finale kwijting verlenen (\u2026) voor de afdracht van de billijke vergoeding voor web- en simulcasting tot 1 maart 2010 (\u2026).<\/p>\n<p>(\u2026)\u201d<\/p>\n<p>De facturen 1 t\/m 3 (muziekgebruik in etheruitzendingen in 2013 t\/m 2015)<\/p>\n<p>Gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst wordt vastgesteld dat Sena een vordering op Scoezh heeft voor de facturen betreffende muziekgebruik in radio-uitzendingen via de ether over de jaren 2013, 2014 en 2015 (in totaal voor \u20ac 7.500, de facturen opgenomen onder 1, 2 en 3). Het feit dat dat in het vonnis van 11 juni 2015 van de rechtbank Den Haag de betaling van de facturen 1 en 2 al is toegewezen jegens (ook) [gedaagde 2] doet daaraan geen afbreuk. Anders dan de curator [gedaagde 2] betoogt gaat het in deze procedure niet om een tweede veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van deze facturen, maar (allereerst) om een vaststelling van de (hoogte van de) vorderingen van Scoezh aan Sena en (vervolgens) om de vraag of de schade die Sena leidt als gevolg van het niet betalen van deze vorderingen als verifieerbare vordering in het faillissement van [gedaagde 2] kan worden meegenomen.<\/p>\n<p>Het bedrag \u20ac 7.500 is 12,2% van het door Sena gestelde bedrag aan vorderingen. De over dit bedrag verschuldigde rente wordt begroot op 12,2% van \u20ac 12.375,53 = \u20ac 1.509,81.<\/p>\n<p>De facturen 11 t\/m 14 (muziekgebruik in etheruitzendingen in 2016)<\/p>\n<p>Voor het muziekgebruik in de radio-uitzendingen via de ether zijn verder de facturen opgesomd onder 11, 12, 13 en 14 door Sena aan Scoezh gestuurd.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] erkent \u2013 uitgaande van het jaarlijks verschuldigde bedrag van<br \/>\n\u20ac 2.500 \u2013 dat de facturen 11 en 12 juist zijn, maar betwist dat factuur 13 is verschuldigd. In de maanden juni t\/m december 2016 heeft Scoezh namelijk geen Sena-repertoire meer uitgezonden.<\/p>\n<p>Sena weerspreekt niet concreet dat Scoezh de tweede helft van 2016 geen Sena-repertoire heeft uitgezonden, zodat ook de rechtbank hiervan uitgaat. Factuur 13 van 25 mei 2016 voor een bedrag van \u20ac 1.448,13 voor de maanden juni t\/m december 2016 wordt daarom buiten beschouwing gelaten bij de begroting van de vorderingen van Sena op Scoezh.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] heeft factuur 14 van 27 mei 2016 voor een bedrag van \u20ac 15.000 over het jaar 2016 een spookfactuur genoemd. Deze factuur is \u2013 zonder nadere toelichting \u2013 drie dagen na het hiervoor genoemde vonnis van 24 mei 2016 verstuurd en heeft betrekking op dezelfde periode als de facturen 11, 12 en 13. Sena heeft hierop niet meer gereageerd en daarmee onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat zij voor dit bedrag een vordering op Sena heeft. De curator wijst er terecht op dat dit \u2018voorschot\u2019 ook niet is te rijmen met de voorschotten over de voorgaande jaren en de in 2016 al in rekening gebrachte bedragen. Bij gebrek aan toelichting op factuur 14 kan deze factuur niet worden meegeteld bij het vaststellen van de vorderingen van Sena op Scoezh.<\/p>\n<p>Al met al wordt de vordering van Sena op Scoezh uit hoofde van niet betaald muziekgebruik in radio-uitzendingen over het jaar 2016 begroot op \u20ac 1.041,65, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW tot de dag van het faillissement van Scoezh. De vaststellingsovereenkomst tussen Sena en Scoezh betreft de verschuldigde vergoeding voor radio-uitzendingen van Sena-repertoire. De verschuldigde vergoeding is een verbintenis uit een eerdere licentieovereenkomst tussen Sena en Scoezh. Die licentieovereenkomst is een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW (zie ook 3.34 en 3.35).<\/p>\n<p>Volgens Sena is over het door haar gestelde bedrag van \u20ac 61.571 een rente verschuldigd van \u20ac 12.375,53. Het toegekende bedrag over 2016 is 1,69% van het gestelde bedrag, zodat de verschenen rente wordt begroot op 1,69% van \u20ac 12.375,53 = \u20ac 209,15.<\/p>\n<p>De facturen 4 t\/m 10 (webcasting)<\/p>\n<p>Sena onderbouwt haar vordering op Scoezh verder met zeven facturen voor webcasting van muziek (facturen 4 tot en met 10). Sena betoogt daartoe dat in de vaststellingsovereenkomst van oktober 2013 is overeengekomen dat Scoezh een bedrag aan Sena zal betalen ter zake het uitzenden van muziek uit het Sena-repertoire in web- en simulcasting.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] voert daartegen (net als bij onderdeel D) aan dat Scoezh nooit webcasting heeft verzorgd. Webcasting is volgens hem ten onrechte opgenomen in de vaststellingsovereenkomst: eigenlijk is daar alleen simulcasting bedoeld. Simulcasting is het streamen van etheruitzendingen en daarvoor is geen vergoeding verschuldigd. Verder is in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat voor een vergoeding voor simulcasting en webcasting zal worden aangesloten bij de minimumvergoeding die wordt vastgesteld door \u201cCommerci\u00eble Niet Landelijke Radiostations\u201d (NLCR). NLCR behartigt echter geen belangen inzake webcasting. Webcasting is ook niet geregeld in de huidige (de rechtbank begrijpt: van 1998) licentieovereenkomst van Sena. Daarin is opgenomen dat \u201cwebcasting buiten het bestek van deze overeenkomst valt\u201d. Uit dit alles blijkt dat Sena ten onrechte facturen voor webcasting heeft verstuurd aan Scoezh, aldus steeds de curator [gedaagde 2] .<\/p>\n<p>Deze verweren van de curator [gedaagde 2] kunnen niet leiden tot het niet meetellen van de facturen voor webcasting van Sena-repertoire bij de vaststelling van de hoogte van de vorderingen van Sena op Scoezh. Daartoe wordt het volgende overwogen.<\/p>\n<p>Aan de stelling van de curator [gedaagde 2] dat de webcasting die in het verleden heeft plaatsgevonden verzorgd is door Hawta Ltd wordt voorbijgegaan. Voor de beoordeling van de vordering van Sena voor webcasting is \u2013 anders dan bij de beoordeling van de vordering van Buma voor webcasting \u2013 leidend wat partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen.<\/p>\n<p>In de vaststellingsovereenkomst, die dateert van na het sluiten van de laatste licentieovereenkomst, hebben Scoezh en [gedaagde 2] het verzorgen van web- en simulcasting erkend. In randnummer 1 van de vaststellingsovereenkomst wordt de term \u201cinternetuitzending\u201d gebruikt. In het vervolg van de vaststellingsovereenkomst worden de termen \u201cwebcasting\u201d en \u201csimulcasting\u201d (gelijktijdig) gebruikt. Voor webcasting en simulcasting is nadrukkelijk afgesproken dat Scoezh daarvoor een vergoeding is verschuldigd aan Sena. De curator [gedaagde 2] heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat desondanks de vaststellingsovereenkomst redelijkerwijs zo moet worden opgevat dat Scoezh geen vergoeding is verschuldigd aan Sena voor webcasting. Het betoog van de curator [gedaagde 2] dat \u201cwebcasting\u201d per abuis is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst wordt dan ook verworpen.<\/p>\n<p>Het verweer van de curator [gedaagde 2] dat NLCR geen belangen behartigt inzake webcasting, maakt dit niet anders. De vaststellingsovereenkomst wordt redelijkerwijs aldus begrepen dat Sena in overleg zal treden met NLCR over een billijke vergoeding voor web- (en simul)casting. Dat NLCR geen belangen behartigt inzake deze onderwerpen was toen kennelijk geen probleem voor Scoezh en [gedaagde 2] om deze afspraak te maken.<\/p>\n<p>Voor zover de curator [gedaagde 2] de hoogte van de gefactureerde vergoeding voor webcasting nog in twijfel trekt, wordt daaraan voorbij gegaan. De verwijzing naar een publicatie van Stichting Webcasting Nederland (SWN) die over 2015 veel lagere tarieven hanteert is daartoe onvoldoende. In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen afgesproken dat Sena zou aansluiten bij de met NLCR overeen te komen tarieven. Waarom desondanks aansluiting zou moeten worden gezocht bij de tarieven van SWN heeft de curator [gedaagde 2] niet toegelicht. Bovendien kan uit het overgelegde overzicht van SWN zonder nadere toelichting, die ontbreekt, nog niet worden afgeleid dat SWN beduidend lagere tarieven hanteert.<\/p>\n<p>Dat Sena ervoor heeft gekozen deze facturen ineens in 2015 te versturen valt gelet op de opstelling van Scoezh en [gedaagde 2] (zie 3.30 t\/m 3.32) te billijken en maakt niet dat van spookfacturen kan worden gesproken.<\/p>\n<p>Onder deze omstandigheden tellen de facturen van Sena voor webcasting in de jaren 2010 tot en met 2015 mee bij de vaststelling van de vordering van Sena op Scoezh, met dien verstande dat de factuur van 20 januari 2016 niet volledig is verschuldigd. Deze factuur voor een bedrag van \u20ac 5.596,92 betreft het gehele jaar van 2016. Dit wordt gehalveerd omdat eerder al is aangenomen dat Scoezh na mei 2016 geen Sena-repertoire heeft uitgezonden via de radio (ether), zodat ook wordt aangenomen dat via het web evenmin Sena-repertoire is uitgezonden.<\/p>\n<p>Het totaalbedrag aan deze specifieke facturen is \u20ac 33.773,40. Dat is 54,9% van het door Sena gestelde totaalbedrag (\u20ac 61.571), zodat de verschenen rente wordt begroot op dit percentage van \u20ac 12.375,53 = \u20ac 6.794,17.<\/p>\n<p>Onderdeel (G): proceskostenveroordeling<\/p>\n<p>Sena verwijst hier naar een kostenveroordeling van Scoezh in een kortgedingvonnis van 13 september 2016. De curator [gedaagde 2] betwist het bestaan van deze vordering op Scoezh niet.<\/p>\n<p>Sena heeft uit hoofde van dit kortgedingvonnis dus een vordering op Scoezh van \u20ac 9.296,42.<\/p>\n<p>Tussenconclusie vorderingen Sena op Scoezh<\/p>\n<p>Uit hetgeen onder 3.45 tot en met 3.67 is overwogen volgt dat Sena de volgende vorderingen op Scoezh heeft:<\/p>\n<p>\u20ac 7.500 + \u20ac 1.509,81<\/p>\n<p>\u20ac 1.041,65 + \u20ac 209,15<\/p>\n<p>\u20ac 33.773,40 + \u20ac 6.794,17<\/p>\n<p>\u20ac 9.296,42<\/p>\n<p>In totaal een bedrag van \u20ac 60.124,60 inclusief de (begrote) rente over de hoofdsommen.<\/p>\n<p>Vorderingen Buma en Sena op [gedaagde 2] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid<\/p>\n<p>Uit het bovenstaande volgt dat Buma en Sena gezamenlijk in totaal vorderingen op Scoezh hebben ter hoogte van (\u20ac 124.403,61 + \u20ac 60.124,60 = ) \u20ac 184.528,21. Vast staat dat (de boedel van) Scoezh geen verhaal biedt voor deze vorderingen van Buma en Sena.<\/p>\n<p>Is [gedaagde 2] persoonlijk ernstig te verwijten dat de vorderingen van Buma en Sena op Scoezh onbetaald zijn gebleven?<\/p>\n<p>In het arrest is bepaald dat de vraag of [gedaagde 2] als bestuurder\/feitelijk beleidsbepaler en\/of op basis van een eigen onrechtmatige daad\/wanprestatie onlosmakelijk is verbonden met de door de rechtbank nog niet beantwoorde vraag naar de hoogte van de vorderingen van Buma en Sena op Scoezh. Die laatste vraag is nu in dit vonnis beantwoord. Partijen hebben na het arrest onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat deze rechtbank voor het overige dient terug te komen op de overwegingen<br \/>\n4.17 tot en met 4.28 van het tussenvonnis. Ook in dit vonnis wordt uitgegaan van de daarin verwoorde uitgangspunten.<\/p>\n<p>Gelet op de hoogte van de in deze procedure vastgestelde vorderingen van Buma en Sena op Scoezh blijft de rechtbank ook bij het oordeel in het tussenvonnis wat betreft de gebleken betalingsonwil van [gedaagde 2] als indirect bestuurder\/beleidsbepaler van Scoezh. Buma en Sena behoefden in 2016 geen genoegen te nemen met het \u2013 ontoereikende \u2013 aanbod van Scoezh om de toen aanhangige procedures te be\u00ebindigen tegen betaling van \u20ac 100.000. Hun vorderingen bedroegen beduidend meer dan het aangeboden bedrag. Dat Buma en Sena gelet op het (betalings)verleden van Scoezh daarop afwijzend hebben gereageerd valt alleszins te begrijpen.<\/p>\n<p>Dat de onrechtmatig gelegde derdenbeslagen van On Tower Netherlands B.V. (OTN) aantonen dat van betalingsonwil geen sprake is, zoals [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding ter zitting opnieuw heeft verwoord, wordt niet gevolgd. Daarvoor verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4.25 van het tussenvonnis.<\/p>\n<p>Ter zitting van 29 september 2025 heeft [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding verder nog gesteld dat uit het arrest [naam 1] \/Amstelland volgt dat een Beklamel-vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt als de crediteur zelf van de hoed en de rand wist wat betreft de financi\u00eble situatie van de rechtspersoon. Zij heeft betoogd dat de constructie van een licentiehouder (Scoezh) en een andere uitvoerende vennootschap ( [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding) volstrekt gebruikelijk is in de radiowereld en dat Buma en Sena lange tijd wisten van deze organisatiestructuur en de rol van [gedaagde 2] daarin. Volgens haar maakt dat gegeven dat van een vordering op [gedaagde 2] geen sprake kan zijn.<\/p>\n<p>Dat betoog gaat niet op. [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding heeft op geen enkele wijze aangetoond dat Buma en Sena wisten althans redelijkerwijs behoorden te begrijpen, laat staan ermee instemden, dat Scoezh als contracterende wederpartij in de modelovereenkomst (met Buma) of de vaststellingsovereenkomst (met Sena) geen verhaal zou bieden. Dat [gedaagde 2] het via Scoezh zo had geregeld dat de producent (eerst [bedrijf] B.V. en later [verweerder 1 (art.29 Fw)] Management B.V.) \u2013 die de omzet maakte \u2013 de verplichtingen van Scoezh zou voldoen kan niet aan Buma en Sena worden tegengeworpen.<\/p>\n<p>Uit de door [gedaagde 2] opgetuigde organisatiestructuur (zie ook het tussenvonnis onder 2.28) blijkt wel dat [gedaagde 2] in ieder geval tot eind mei 2016 als enige natuurlijke persoon kon beslissen over waar de inkomsten uit de exploitatie van de radiozender Fresh FM terecht kwamen. Ook tijdens de periode dat [naam 2] (formeel) bestuurder was van Scoezh heeft [gedaagde 2] echter feitelijk het beleid van Scoezh bepaald (zie het tussenvonnis onder 4.22) en was hij dus degene die bepaalde hoe de inkomsten van Fresh FM werden aangewend. Vast staat dat die inkomsten door [gedaagde 2] niet zijn gebruikt om Scoezh in de gelegenheid te stellen om aan haar betalingsverplichtingen jegens Buma en Sena te voldoen. Dit wringt te meer waar [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding haar reclame-inkomsten slechts kon verkrijgen omdat aan Scoezh een licentie was verleend voor het gebruik van de muziekrechten die door Buma en Sena worden beheerd. De rechtbank onderschrijft dan ook de conclusie van de curator Scoezh, zoals neergelegd in zijn faillissementsverslag, dat [gedaagde 2] Scoezh bewust heeft verstoken van inkomsten als gevolg waarvan Scoezh haar verplichtingen niet kon voldoen en afstevende op een faillissement.<\/p>\n<p>De tussenconclusie is dat [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt is te maken dat Scoezh haar betalingsverplichtingen jegens Buma en jegens Sena niet is nagekomen en daarom in persoon aansprakelijk is voor de schade die Buma en Sena daardoor hebben geleden. Hierna zal nog worden ingegaan op een aantal verweren die de curator [gedaagde 2] tegen de (hoogte van de) vorderingen jegens [gedaagde 2] heeft gevoerd.<\/p>\n<p>Verjaring van de vordering tot schadevergoeding jegens [gedaagde 2]<\/p>\n<p>Volgens de curator [gedaagde 2] is dat de vordering van Buma en Sena op [gedaagde 2] tot vergoeding van schade over de periode gelegen v\u00f3\u00f3r 23 november 2011 verjaard. Daartoe stelt hij dat uit de eigen stellingen van Buma en Sena blijkt dat zij in de periode 2001 tot 2010 bekend zijn geworden met zowel de schade als de aansprakelijke persoon, zodat de verjaringstermijn ergens in die periode een aanvang heeft genomen. Die verjaring is nooit gestuit.<\/p>\n<p>Dit verweer slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.<\/p>\n<p>Zoals in het tussenvonnis onder 4.17 al is overwogen verjaart een vordering tot schadevergoeding \u2013 voor zover hier van belang \u2013 door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 lid 1 BW). Ook overigens sluit de rechtbank zich aan bij wat op dit punt in het tussenvonnis is overwogen.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] heeft zijn beroep op verjaring als volgt onderbouwd.<br \/>\nBuma en Sena hebben aan hun vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ten grondslag gelegd dat [gedaagde 2] vanaf het begin (2001) langdurig structureel en dus onrechtmatig heeft gehandeld. Vanaf juni 2001 was [gedaagde 2] enig (middellijk) bestuurder van Scoezh en van [bedrijf] B.V. Buma en Sena hebben aangevoerd dat de bedragen die Scoezh op grond van diverse gerechtelijke uitspraken aan hen was verschuldigd niet werden voldaan en dat Scoezh ook de jarenlang doorgaande inbreuken, waarmee [gedaagde 2] bekend was, niet heeft gestaakt. [gedaagde 2] maakte afspraken met Buma en Sena, die Scoezh niet nakwam, en hij was degene die ervoor zorgde dat Scoezh niet aan haar betalingsverplichtingen voldeed. Ook deed [gedaagde 2] volgens Buma en Sena bewust nooit opgave van de omzet van Scoezh. Al met al heeft [gedaagde 2] in de visie van Buma en Sena vanaf 2001 zeer bewust gehandeld om onder de betalingsverplichtingen van Scoezh uit te komen.<\/p>\n<p>Buma en Sena hebben dit betoog van de curator [gedaagde 2] onvoldoende weersproken. In het tussenvonnis zijn verschillende gerechtelijke uitspraken opgenomen waarin Scoezh als gedaagde in het ongelijk is gesteld:<\/p>\n<p>\uf02d het vonnis van 23 mei 2000 van rechtbank Den Haag (zie 2.7 van het tussenvonnis) waarin Scoezh is veroordeeld tot betaling van onbetaalde voorschotfacturen voor het uitzenden van Sena-repertoire op basis van een uit 1998 daterende overeenkomst tussen Sena en Scoezh;<\/p>\n<p>\uf02d het vonnis van 2 juli 2008 van deze rechtbank (zie 2.10 van het tussenvonnis) waarin op vordering van Buma voor recht is verklaard dat Scoezh en [bedrijf] B.V. over de periode 2003 tot en met 2007 vergoedingen aan Buma zijn verschuldigd;<\/p>\n<p>\uf02d het vonnis van 26 mei 2010 (zie onder 3.14).<\/p>\n<p>Vastgesteld kan worden dat Buma en Sena in elk geval na de laatste uitspraak in 2010 hebben geweten, dan wel hadden moeten weten, dat zij schade lijden als gevolg van het handelen van [gedaagde 2] . Buma en Sena hebben dit onvoldoende concreet weersproken. Uiteindelijk hebben Buma en Sena [gedaagde 2] \u2013 naast Scoezh \u2013 gedagvaard op 23 november 2016 en toen pas voor het eerst aanspraak gemaakt jegens [gedaagde 2] op de schade die zij als gevolg van zijn handelwijze als bestuurder van Scoezh leden. Omdat ervan wordt uitgegaan dat Buma en Sena in 2010 al met de (toen bestaande) schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend waren, kan [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Scoezh alleen nog aansprakelijk worden gehouden voor de schade die Buma en Sena n\u00e1 23 november 2011 als gevolg van zijn handelen hebben geleden.<\/p>\n<p>Dit betekent dat de volgende vorderingen van Buma op [gedaagde 2] op het moment van de dagvaarding op 23 november 2016 zijn verjaard:<\/p>\n<p>\uf02d de vordering gebaseerd op het vonnis van 26 mei 2010: verjaard op 27 mei 2015 (onderdeel A);<\/p>\n<p>\uf02d de vordering gebaseerd op de niet betaalde zes voorschotfacturen van Buma verzonden in de periode 1 juli 2010 tot en met 3 oktober 2011 (zie onder 3.21): de laatste factuur is verjaard op 3 november 2016.<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] heeft daarnaast aangevoerd dat de vordering van Buma op [gedaagde 2] moet worden verminderd met de daarin begrepen btw, omdat over een schadevergoeding geen btw is verschuldigd. Buma had de btw op de oninbare facturen van Buma ook terug kunnen vragen, aldus de curator [gedaagde 2] .<\/p>\n<p>Buma heeft in haar antwoordakte van 21 oktober 2020 te kennen gegeven dat nog niet vast staat dat zij de btw kan terugvragen. Op de vraag van de rechtbank ter zitting van 25 september 2025 over het terugvragen van btw is Buma het antwoord schuldig gebleven.<\/p>\n<p>Dat niet inbare btw kan worden teruggevraagd bij de belastingdienst volgt uit de wet (artikel 29 lid onderdeel a Wet Omzetbelasting 1968). Buma heeft het standpunt van de curator [gedaagde 2] op dit punt onvoldoende weersproken. Daarom wordt voor de schade van Buma op grond van het onbetaald laten van haar voorschotfacturen door Scoezh (dit betreft alleen vordering B) uitgegaan van de gefactureerde bedragen zonder btw. Daarbij gaat het dus om de facturen over 2012, 2013, 2014 en 2015 (zie ook onder 3.83). Over 2016 heeft Buma geen voorschotfacturen in het geding gebracht.<\/p>\n<p>Buma heeft in haar antwoordakte onder 19 de bedragen over de jaren 2010 tot en met 2016 zonder btw opgesomd, met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over ieder jaar tot 21 maart 2018 (de dag waarop [gedaagde 2] failliet is verklaard). Uit 3.83 volgt dat de vorderingen van Buma ter zake schadevergoeding voor onbetaald laten van de voorschotfacturen uit de jaren 2010 en 2011 zijn verjaard op de dag van dagvaarding. Buma heeft niet eerder of op andere wijze dan in deze antwoordakte de voorschotfacturen over het jaar 2016 ter sprake gebracht bij onderdeel (B) (zie onder 3.20 en 3.21) of onderbouwd met facturen. Over dit jaar is dus niet vastgesteld dat Buma een vordering op (inmiddels de boedel van) Scoezh heeft. De bedragen voor de jaren 2010, 2011 en 2016 blijven daarom buiten beschouwing. Dan resteert (overeenkomstig het overzicht van Buma):<\/p>\n<p>Jaar Bedrag zonder btw rente tot 21 maart 2018<\/p>\n<p>2012: \u20ac 8.222,73 \u20ac 1.817,91<\/p>\n<p>2013: \u20ac 8.420,47 \u20ac 1.861,62<\/p>\n<p>2014: \u20ac 8.563,97 \u20ac 1.893,35<\/p>\n<p>2015: \u20ac 6.461,31 \u20ac 1.428,49<\/p>\n<p>De curator [gedaagde 2] heeft deze bedragen verder niet betwist.<\/p>\n<p>Dit betekent dat de hoogte van de vordering van Buma op [gedaagde 2] als gevolg van het onbetaald blijven van vordering (B) kan worden vastgesteld op \u20ac 38.669,85.<\/p>\n<p>De totale vordering van Buma op [gedaagde 2] wordt daarmee tussentijds (onderdeel (C) komt hierna nogmaals aan de orde) vastgesteld op \u20ac 38.669,85 (onderdeel (B) onbetaald gelaten voorschotfacturen) + \u20ac 11.622,53 (onderdeel (E) niet voldane proceskostenveroordelingen) = \u20ac 50.292,38.<\/p>\n<p>Ook voor Sena betekent het geslaagde beroep op verjaring dat haar vordering op [gedaagde 2] niet gelijk is aan de hoogte van haar vastgestelde vorderingen op Scoezh. Op het totale bedrag van \u20ac 60.124,60 voor haar vorderingen op Scoezh moet een bedrag van<br \/>\n\u20ac 3.896,64 (ter zake muziekgebruik 9 streams (webcasting) in het volledige jaar 2010) +<br \/>\n\u20ac 4.791,10 (zijnde 11\/12de deel van \u20ac 5.226,66 over 2011) in mindering worden gebracht (zie de facturen 4 en 5 onder 3.45). Dit is in totaal een bedrag van \u20ac 8.687,74 of 14,4% van het totale door Sena gestelde bedrag aan vorderingen op Scoezh. De door Sena gestelde rente dient ter zake de schadevergoeding die [gedaagde 2] dient te betalen daarom verder te worden verminderd met \u20ac 1.225,89.<\/p>\n<p>Al met al wordt de vordering van Sena op [gedaagde 2] begroot op:<\/p>\n<p>\u20ac 60.124,60 (de in dit vonnis begrote totale schuld van Scoezh aan Sena, zie onder 3.68)<\/p>\n<p>minus \u20ac 3.896,64 (factuur webcasting over 2010)<\/p>\n<p>minus \u20ac 4.791,10 (11\/12de deel van factuur webcasting over 2011)<\/p>\n<p>minus \u20ac 1.225,89 (geschatte rente over die twee verminderingen)<\/p>\n<p>= \u20ac 50.210,97.<\/p>\n<p>Onderdeel (C): aanvullende schadevergoeding<\/p>\n<p>Zoals hiervoor onder 3.36 is overwogen heeft Buma eerst op 1 mei 2019 bij de verificatievergadering in het faillissement van [gedaagde 2] aanspraak gemaakt op betaling van<br \/>\n\u20ac 55.000. Volgens haar toelichting zou Scoezh dit bedrag aan Buma verschuldigd zijn geweest (in aanvulling op de eerder \u2013 zie onderdeel (B) \u2013 besproken voorschotfacturen) voor de radio-uitzendingen in de periode 2010 tot en met 2016<\/p>\n<p>Vast staat evenwel dat dit bedrag nooit aan Scoezh is gefactureerd en daarmee dus ook nooit door Scoezh verschuldigd is geworden. Dat [gedaagde 2] desondanks \u2013 persoonlijk \u2013 voor de betaling van dit bedrag kan worden aangesproken volgt de rechtbank niet. Buma leidt de aansprakelijkheid voor dit bedrag af van een \u2013 in haar ogen bestaande \u2013 betalingsverplichting van Scoezh. Waar zij zelf heeft nagelaten Scoezh dit bedrag eerder in rekening te brengen, kan zij niet aan [gedaagde 2] verwijten dat dit bedrag niet is betaald.<\/p>\n<p>Deze vordering komt dus niet voor verificatie in aanmerking.<\/p>\n<p>Overige stellingen Buma en Sena: [gedaagde 2] heeft onrechtmatig gehandeld<\/p>\n<p>Voor zover Buma en Sena nog hebben gesteld dat [gedaagde 2] ook persoonlijk als contractspartij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (zie het tussenvonnis onder 4.28), geldt dat zij onvoldoende hebben toegelicht welke schade \u2013 anders dan hiervoor besproken \u2013 zij als gevolg hiervan hebben geleden. Deze stelling kan dus niet leiden tot verificatie van andere vorderingen van Buma en Sena op [gedaagde 2] .<\/p>\n<p>Conclusie en proceskosten<\/p>\n<p>Al met al worden de vorderingen van Buma op [gedaagde 2] geverifieerd voor een totaalbedrag van \u20ac 50.292,38. De vorderingen van Sena op [gedaagde 2] worden geverifieerd op een totaalbedrag van \u20ac 50.210,97.<\/p>\n<p>Omdat partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld krijgen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.<\/p>\n<h3>4De beslissing<\/h3>\n<p>De rechtbank<\/p>\n<p>verbiedt [gedaagde 2] inbreuk te (doen) maken op de rechten van Buma en de door Sena vertegenwoordigde rechthebbenden,<\/p>\n<p>stelt de vordering van Buma in het faillissement van [gedaagde 2] vast op \u20ac 50.292,38,<\/p>\n<p>stelt de vorderingen van Sena in het faillissement van [gedaagde 2] vast op \u20ac 50.210,97,<\/p>\n<p>beveelt de curator [gedaagde 2] bovenstaande vastgestelde vorderingen van Buma en Sena te erkennen en te plaatsen op de lijst van erkende crediteuren in het faillissement van [gedaagde 2] ,<\/p>\n<p>compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,<\/p>\n<p>verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.4 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,<\/p>\n<p>wijst het meer of anders gevorderde af.<\/p>\n<p>Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.<\/p>\n<h3>Voetnoten<\/h3>\n<ol>\n<li>Rechtbank Amsterdam, 15 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3870<\/li>\n<li>Gerechtshof Amsterdam, 14 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1308<\/li>\n<li>Zie overwegingen 4.4 en 4.9<\/li>\n<li>Zie overwegingen 4.18 tot en met 4.28<\/li>\n<li>Zie overwegingen 4.7 en 4.8<\/li>\n<li>Rechtbank Amsterdam, 26 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BO0292<\/li>\n<li>Zie overweging 4.8<\/li>\n<li>Zie overweging 4.26 van het tussenvonnis<\/li>\n<li>ECLI:NL:HR:1999:AA3362<\/li>\n<\/ol>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11296\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Eindvonnis na tussentijds hoger beroep (arrest 15 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1308) van tussenvonnis van 9 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:7578). Hoogte van de vorderingen van Buma En Sena op de gefailleerde SCZOEH vastgesteld (zonder weerwoord van SCZOEH omdat die procedure is geschorst vanwege faillissement) en vervolgens bestuurdersaansprakelijk van bestuurder (andere gefailleerde gedaag&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[7998],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[17655,8086,7999,17656,8169],"kji_language":[7671],"class_list":["post-577682","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-rechtbank-amsterdam","kji_year-8463","kji_subject-divers","kji_keyword-gefailleerde","kji_keyword-hoogte","kji_keyword-rbams","kji_keyword-sczoeh","kji_keyword-vorderingen","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 Rechtbank Amsterdam , 10-12-2025 \/ C\/13\/757188 \/ HA ZA 24-1076 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 Rechtbank Amsterdam , 10-12-2025 \/ C\/13\/757188 \/ HA ZA 24-1076\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Eindvonnis na tussentijds hoger beroep (arrest 15 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1308) van tussenvonnis van 9 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:7578). Hoogte van de vorderingen van Buma En Sena op de gefailleerde SCZOEH vastgesteld (zonder weerwoord van SCZOEH omdat die procedure is geschorst vanwege faillissement) en vervolgens bestuurdersaansprakelijk van bestuurder (andere gefailleerde gedaag...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"43 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u044b\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 Rechtbank Amsterdam , 10-12-2025 \\\/ C\\\/13\\\/757188 \\\/ HA ZA 24-1076 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-16T11:45:33+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 Rechtbank Amsterdam , 10-12-2025 \\\/ C\\\/13\\\/757188 \\\/ HA ZA 24-1076\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 Rechtbank Amsterdam , 10-12-2025 \/ C\/13\/757188 \/ HA ZA 24-1076 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 Rechtbank Amsterdam , 10-12-2025 \/ C\/13\/757188 \/ HA ZA 24-1076","og_description":"Eindvonnis na tussentijds hoger beroep (arrest 15 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1308) van tussenvonnis van 9 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:7578). Hoogte van de vorderingen van Buma En Sena op de gefailleerde SCZOEH vastgesteld (zonder weerwoord van SCZOEH omdat die procedure is geschorst vanwege faillissement) en vervolgens bestuurdersaansprakelijk van bestuurder (andere gefailleerde gedaag...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"43 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u044b"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/","name":"ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 Rechtbank Amsterdam , 10-12-2025 \/ C\/13\/757188 \/ HA ZA 24-1076 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-16T11:45:33+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202511296-rechtbank-amsterdam-10-12-2025-c-13-757188-ha-za-24-1076\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 Rechtbank Amsterdam , 10-12-2025 \/ C\/13\/757188 \/ HA ZA 24-1076"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/577682","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=577682"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=577682"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=577682"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=577682"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=577682"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=577682"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=577682"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=577682"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}