{"id":585943,"date":"2026-04-17T12:46:26","date_gmt":"2026-04-17T10:46:26","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/"},"modified":"2026-04-17T12:46:26","modified_gmt":"2026-04-17T10:46:26","slug":"eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2379 Gerechtshof &#8216;s-Hertogenbosch , 02-09-2025 \/ 200.341.146_01 + 200.342.306_01"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Faillissement stichting. Is sprake van een feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:138 lid 7 BW? Hebben de bestuurders het bewijsvermoeden van artikel 2:138 lid 2 BW ontzenuwd? Toepassing van Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services).<\/p>\n<p>GERECHTSHOF \u2019s-HERTOGENBOSCH<\/p>\n<p>Team Handelsrecht<\/p>\n<p>arrest van 2 september 2025<\/p>\n<p>in de zaak met nummer 200.341.146\/01 van<\/p>\n<p>1. [persoon A] ,<br \/>\nwonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>appellant,<\/p>\n<p>hierna aan te duiden als [persoon A] ,<\/p>\n<p>advocaat: mr. M. Straus te Amsterdam,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>2. [persoon B] , i.z.h.v. curator in het faillissement van Stcihting [&#8212;] ,<br \/>\nwonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>ge\u00efntimeerde,<\/p>\n<p>hierna aan te duiden als de curator,<\/p>\n<p>advocaat: mr. P.C. van der Maas te Groningen ,<\/p>\n<p>en<\/p>\n<p>[persoon C] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>[persoon D] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>ge\u00efntimeerden,<\/p>\n<p>hierna aan te duiden als [persoon C] en [persoon D] ,<\/p>\n<p>advocaat: mr. F. Arts te Doetinchem,<\/p>\n<p>op het bij exploot van dagvaarding van 26 maart 2024 ingeleide hoger beroep. Dit hoger beroep richt zich tegen van het vonnis van 14 februari 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats &#039;s-Hertogenbosch, gewezen in de hoofdzaak met nummer C\/01\/377074\/ HA ZA 21-287 en in de vrijwaringszaak met nummer C\/01\/380303\/HA ZA 22-152. Het vonnis in de hoofdzaak is (voor zover in dit hoger beroep relevant) gewezen tussen de curator als eiser in conventie en verweerder in reconventie en [persoon A] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie. Het vonnis in de vrijwaringszaak is gewezen tussen [persoon C] en [persoon D] als eisers en [persoon A] als gedaagde,<\/p>\n<p>en in de zaak met nummer 200.342.306\/01 van<\/p>\n<p>[persoon C] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>[persoon D] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>appellanten,<\/p>\n<p>hierna aan te duiden als [persoon C] en [persoon D] ,<\/p>\n<p>advocaat: mr. F. Arts te Doetinchem,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>3. [persoon B] , i.z.h.v. curator in het faillissement van Stcihting [&#8212;] ,<br \/>\nwonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>ge\u00efntimeerde,<\/p>\n<p>hierna aan te duiden als de curator,<\/p>\n<p>advocaat: mr. P.C. van der Maas te Groningen ,<\/p>\n<p>en<\/p>\n<p>4. [persoon A] ,<br \/>\nwonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>ge\u00efntimeerde,<\/p>\n<p>hierna aan te duiden als [persoon A] ,<\/p>\n<p>advocaat: mr. M. Straus te Amsterdam,<\/p>\n<p>als vervolg op het arrest in het incident ex artikel 222 Rv van 26 november 2024. Dit tussenarrest is gewezen op het bij exploten van dagvaarding van 7 en 14 mei 2024 ingeleide hoger beroep. Dit hoger beroep richt zich tegen van het vonnis van 14 februari 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats &#039;s-Hertogenbosch, gewezen in de hoofdzaak met nummer C\/01\/377074\/ HA ZA 21-287 en in de vrijwaringszaak met nummer C\/01\/380303\/HA ZA 22-152. Het vonnis is (voor zover in dit hoger beroep relevant) in de hoofdzaak gewezen tussen de curator als eiser en [persoon C] en [persoon D] als gedaagde. Het vonnis in de vrijwaringszaak is gewezen tussen [persoon C] en [persoon D] als eisers en [persoon A] als gedaagde.<\/p>\n<p>1. Het geding in eerste aanleg (zaak-\/rolnummers C\/01\/377074\/ HA ZA 21-827 en C\/01\/380303\/HA ZA 22-152)<\/p>\n<p>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.<\/p>\n<h3>2Het geding in hoger beroep<\/h3>\n<p>Het verloop van de procedure met zaaknummer 200.341.146\/01 blijkt uit:<\/p>\n<p>&#8212; de memorie van grieven met producties;<\/p>\n<p>&#8212; de memorie van antwoord van de curator met producties;<\/p>\n<p>&#8212; de memorie van antwoord van [persoon C] en [persoon D] met producties;<\/p>\n<p>de mondelinge behandeling van 24 juni 2025, waarbij alle partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;<\/p>\n<p>de bij H-formulier van 13 juni 2025 door [persoon A] toegezonden producties 31-36, die [persoon A] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;<\/p>\n<p>de bij H-formulier van 13 juni 2025 door de curator toegezonden producties 5-12, die de curator bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.<\/p>\n<p>Het verloop van de procedure met zaaknummer 200.342.306\/01 blijkt uit:<\/p>\n<p>het arrest in het incident ex artikel 222 Rv van 26 november 2024 waarbij het hof voeging heeft bevolen met de zaak met nummer 200.341.146\/01 tussen [persoon A] als appellant en de curator, [persoon C] en [persoon D] als ge\u00efntimeerden;<\/p>\n<p>de mondelinge behandeling van 24 juni 2025, waarbij alle partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.<\/p>\n<p>de bij H-formulier van 13 juni 2025 door de curator toegezonden producties H1 tot en met H9, die de curator bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.<\/p>\n<p>Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.<\/p>\n<p>Het hof heeft aan het begin van de mondelinge behandeling met partijen besproken dat punten die ter zitting besproken of aangevoerd zouden worden, geacht worden te zijn besproken of aangevoerd in beide hoger beroepsprocedures.<\/p>\n<h3>3De beoordeling in beide zaken<\/h3>\n<p>Kern van de zaak<\/p>\n<p>De Stichting [&#8212;] (hierna: de stichting) is op 15 augustus 2017 in staat van faillissement verklaard. [persoon C] was ten tijde van het faillissement bestuurder van de stichting en [persoon D] was dat in het verleden. Volgens de curator was [persoon A] feitelijk bestuurder van de stichting. Het gaat in deze procedure om de vraag of [persoon C] , [persoon D] en [persoon A] op grond van artikel 2:138 BW aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. Zo ja, dan is de vraag of en in hoeverre [persoon A] [persoon C] en [persoon D] moet vrijwaren.<\/p>\n<p>De vaststaande feiten in beide zaken<\/p>\n<p>In overweging 3.2. tot en met 3.30. heeft de rechtbank een overzicht op hoofdlijnen gegeven van de vaststaande feiten. Met grief 1 komt [persoon A] op tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Het hof zal hieronder een nieuw overzicht geven van de vaststaande feiten die in dit hoger beroep van belang zijn.<\/p>\n<p>[persoon A] Holding B.V. (hierna: [persoon A] Holding) en [XX] International B.V. (hierna: ZM) zijn vennootschappen waarvan [persoon A] aandeelhouder en bestuurder is en waarmee hij zijn onderneming [XX] uitoefent. [persoon A] heeft met [XX] een digitaal platform ontwikkeld met de naam \u201cZelf aan het werk\u201d (hierna: het platform). Met dit platform komen vacatures van werkgevers en (langdurig) werklozen bij elkaar, en worden bijstandsgerechtigden aan het werk geholpen. [persoon A] was hierover sinds 2014 in contact met de gemeente [A] (hierna: de gemeente).<\/p>\n<p>Op enig moment is [persoon A] in contact gekomen met [persoon D] over het platform. [persoon D] heeft [persoon A] geholpen met de ontwikkeling van het platform, in ruil waarvoor hij een belang van 2,5% in ZM heeft gekregen.<\/p>\n<p>Vervolgens is [persoon A] in contact gekomen met [persoon J] over het platform. Op 16 oktober 2015 hebben [persoon D] en [persoon J] de stichting opgericht, met hen beiden als bestuurders. Volgens artikel 2 van de akte van oprichting heeft de stichting ten doel het bevorderen van arbeidsintegratie en participatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, en het verrichten van al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.<\/p>\n<p>[persoon J] is op 14 december 2015 afgetreden en [persoon D] op 16 augustus 2016. [persoon E] was bestuurder van de stichting van 1 november 2015 tot 16 augustus 2016 (met vanaf 13 mei 2016 een tijdelijke opzegging), [persoon F] was bestuurder van 18 april 2016 tot 1 november 2016 en [persoon G] van 1 januari 2016 tot 19 augustus 2016, waarna zij lid werd van de raad van toezicht van de stichting. [persoon C] was enig bestuurder van de stichting vanaf 1 november 2016 tot 15 augustus 2017, de datum waarop de stichting in staat van faillissement is verklaard.<\/p>\n<p>Op 9 oktober 2015 heeft [persoon J] een voorstel voor een pilot gestuurd naar de gemeente. In de begeleidende brief staat onder andere:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>\u2018Zelf aan het Werk\u2019 is een concept dat zich richt op werkzoekenden die bij de gemeente staan ingeschreven in het WWB- en\/of het WSW-bestand.<\/p>\n<p>\u2018Zelf aan het Werk\u2019 is een initiatief van de Stichting [&#8212;] .<\/p>\n<p>Voor de vervolmaking van het concept voor de genoemde doelgroep zoeken we samenwerking met circa vijf gemeentes die willen optreden als \u2018launching customer\u2019 van het initiatief.<\/p>\n<p>[\u2026]\u201d<\/p>\n<p>In het voorstel staan de werkwijze, de verwachte resultaten en de totale netto investering voor de gemeente van \u20ac 195.000,- beschreven. In het voorstel staat voorts dat men voornemens is om tijdens de pilot een congres te organiseren met als thema \u2018Zelfredzaamheid op de arbeidsmarkt\u2019, waar de resultaten van de werkwijze zullen worden gepresenteerd.<\/p>\n<p>Op 4 februari 2016 heeft een bestuursvergadering van de stichting plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren de bestuurders [persoon D] , [persoon E] en [persoon G] en, als gast, [persoon A] . Tijdens deze vergadering is onder andere gesproken over de wijze waarop de stichting vorm moet krijgen: a) als een salesorganisatie, b) als een PR en communicatie\/netwerkmedium of c) als een constructie waarin het huidige bestuur optreedt als een raad van toezicht met daaronder een directeur-bestuurder, waarbij de raad van toezicht opereert als een netwerk en dat ter beschikking stelt aan de directeur-bestuurder.<\/p>\n<p>Begin 2016 zijn de stichting en de gemeente de overeenkomst aangegaan die [persoon J] op 9 oktober 2015 aan de gemeente had gestuurd. [persoon D] heeft namens de stichting getekend. De overeenkomst hield in dat het platform aan de gemeente ter beschikking zou worden gesteld en ondertussen verder zou worden ontwikkeld. Ook zou een supportdesk worden ingericht voor de uitvoering van het project. De gemeente zou hiervoor \u20ac 195.000,- (exclusief btw) betalen aan de stichting. De gemeente stelde een ingerichte bedrijfsruimte voor de supportdesk ter beschikking voor de duur van het project (tot eind 2016) zonder dat daarvoor huur hoefde te worden betaald.<\/p>\n<p>De medewerkers van de supportdesk waren in loondienst van een payrollbedrijf. De stichting had hiertoe een overeenkomst met het payrollbedrijf en betaalde de kosten die dit bedrijf in rekening bracht. De dagelijkse aansturing van de supportdesk was in handen van een medewerker van ZM, [persoon I] .<\/p>\n<p>Op 11 mei 2016 heeft een bestuursvergadering van de stichting plaatsgevonden waarbij aanwezig waren de bestuursleden [persoon E] , [persoon G] , [persoon D] en [persoon F] . In de notulen staat dat [persoon A] is verhinderd. Tijdens de bestuursvergadering blijkt dat voor [persoon E] en [persoon G] uitsluitend de optie waarin de stichting functioneert als<\/p>\n<p>een PR en communicatie\/netwerkmedium acceptabel is. Om die reden is vanwege aansprakelijkheidsrisico\u2019s een onwenselijke situatie ontstaan nu de stichting een overeenkomst met de gemeente is aangegaan waaruit verplichtingen voor de stichting voortvloeien. Dit was reden voor [persoon E] om (tijdelijk) uit het bestuur te stappen.<\/p>\n<p>Verder heeft [persoon D] tijdens de bestuursvergadering een toelichting gegeven op de status van de gesprekken met andere gemeentes en, door afwezigheid van [persoon A] , op de ontwikkeling van het platform, en worden er idee\u00ebn besproken zoals het idee om gezien de doelstelling van de stichting in te gaan op aspecten als schuldhulpverlening en armoede.<\/p>\n<p>Op 19 mei 2016 heeft [persoon D] per e-mail aan [persoon G] met [persoon E] , [persoon F] en [persoon A] in cc, een aantal vragen van [persoon G] beantwoord over de stichting. Hier staat met betrekking tot \u201c [A] \u201d:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>Ten aanzien van het financi\u00eble aspect en het proces het volgende:<\/p>\n<p>In [A] is een contract afgesloten dat uit drie elementen bestaat:<\/p>\n<p>a. licenties voor het platform a 60.000, te leveren door [XX]<\/p>\n<p>b. implementatie, projectmanagement en aansluiting onderwijs door een projectleider a 40.000 te leveren door [XX]<\/p>\n<p>c. een supportdesk die door de stichting betaald wordt via een payrollbedrijf vanuit het contract a 95.000<\/p>\n<p>Bij aanvang van het project is een startfactuur aan [A] gestuurd voor a en b en heeft de stichting een startfactuur ontvangen van [XX] voor a en b. Elke maand worden aanvullende deelfacturen gestuurd voor de supportdesk (c) en ontvangt de stichting deelfacturen van het payrollbedrijf. Op deze manier wordt het een project van no profit no loss voor de stichting.<\/p>\n<p>[\u2026]\u201d<\/p>\n<p>Tijdens de bestuursvergadering van 24 juni 2016 waren aanwezig de bestuursleden [persoon G] , [persoon F] en [persoon D] . Dit was een ingelaste vergadering omdat \u201cdoor sommige leden ruis is ervaren waardoor het noodzaak is om alle bestuursleden weer op een lijn te krijgen\u201d. Tijdens de vergadering zijn onder andere de volgende afspraken gemaakt:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>MC richt zich alleen op de not for profit markt. Grote werkgevers worden rechtstreeks naar [XX] verwezen. Dit vergt nog nadere uitwerking.<\/p>\n<p>1. Zodra [B] [ [persoon D] , toev. hof] terug is van vakantie (medio juli) zal [B] elke 2 weken een email aan het bestuur sturen met daarin een overzicht van kansen, genomen en te nemen acties, zodanig dat alle bestuursleden op de hoogte zijn en blijven. [B] zal dit tevoren afstemmen met de uitvoerders in de diverse projecten.<\/p>\n<p>2. Afspraak is gemaakt dat er geen verplichtingen worden aan gegaan zonder dat het bestuur hierover is gehoord. Immers iedereen is persoonlijk aansprakelijk voor alle daden die binnen de stichting vallen.<\/p>\n<p>3. [B] heeft naast zijn rol bij MC ook een rol en een verplichting naar [XX] . Dat maakt dat er goed gekeken moet worden door [C] [ [persoon F] . toev. hof] of [D] [ [persoon G] , toev. hof] naar contracten die afgesloten worden. Zodat [B] niet in verlegenheid gebracht kan worden.<\/p>\n<p>4. [C] en [D] hebben nu geen directe financi\u00eble afhankelijkheid van MC of [XX]<\/p>\n<p>[\u2026]\u201d<\/p>\n<p>In zijn e-mail van 25 juni 2016 aan [persoon G] , met [persoon F] en [persoon A] in cc, heeft [persoon D] geschreven:<\/p>\n<p>\u201c Dag [D]<\/p>\n<p>T.a.v. [A] : mak je geen zorgen. Behalve de startfactuur stuur ik elke maand een factuur aan [A] van . 7176,-<\/p>\n<p>Elke week ontvang ik facturen van het payrollbedrijf waarmee er op maandbasis nagenoeg hetzelfde bedrag uit gaat.<\/p>\n<p>Per saldo zal het resultaat aan het einde van het jaar een klein bedrag positief zijn.<\/p>\n<p>Supportdeskmedewerkers worden op weekbasis betaald zodat ook de overeenkomst tussen het payrollbedrijf<\/p>\n<p>&#8212; MC en de medewerker op weekbasis kan worden be\u00ebindigd zonder dat daar kosten voor gemaakt behoeven te worden.<\/p>\n<p>Verder zijn er voor wat betreft [A] geen verplichtingen aangegaan die we niet waarmaken of kunnen<\/p>\n<p>voldoen waaruit als gevolg daarvan claims zouden kunnen komen.<\/p>\n<p>N.b. heb ik voor het overzicht dat ik je gisteren gaf (Balans en W-V) een externe belastingadviseur \/<\/p>\n<p>administratiekantoor gevraagd dat op te stellen, ook hij kwam met enkele vragen.<\/p>\n<p>[\u2026]\u201d<\/p>\n<p>Op 24 juli 2016 heeft [persoon A] namens ZM een e-mail aan [persoon D] gestuurd waarin staat:<\/p>\n<p>\u201cVolgende week komen er facturen bij je binnen van [persoon H] (2.500\u20ac excl.), [persoon I] (1.500\u20ac excl.) en [F] (2.500\u20ac excl.). Ik neem aan dat deze middelen beschikbaar zijn in MC?\u201d<\/p>\n<p>[persoon D] heeft daarop gereageerd:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>Nee er is niet zoveel geld beschikbaar. Zoals jij weet zijn de volgende betalingen gedaan vanuit de 20.000:<\/p>\n<p>[persoon H] (4729)<\/p>\n<p>[persoon I] (3370)<\/p>\n<p>Zoso (5000)<\/p>\n<p>[persoon D] (3000)<\/p>\n<p>Totaal ca. 16100.<\/p>\n<p>Resteert 3900 en volgens mij wil [D] ook nog dat de statuten gewijzigd worden.<\/p>\n<p>Ergo ik schat dat er nog ca. 3000-3500 over is. Ik weet niet hoe je dat met de mensen moet regelen.<\/p>\n<p>[\u2026]\u201d<\/p>\n<p>[persoon G] heeft gereageerd, in een e-mail aan [persoon D] , [persoon F] en [persoon A] :<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>De door [G] [ [persoon A] , toev. hof] genoemde facturen zijn niet te betalen door MC [de stichting, toev. hof]. Die financi\u00eble ruimte is er gewoon niet. Ik zie zelf verlies op de maandelijkse facturen van [A] en de verplichtingen op de helpdesk.[\u2026]\u201d<\/p>\n<p>[persoon A] heeft hier vervolgens op gereageerd met &#8212; onder andere &#8212; de mededeling dat hij het kwalijk vindt dat [persoon D] een bedrag aan zichzelf heeft overgemaakt zonder dat dat was afgesproken, dat hij de hele administratie wil inzien en dat hij graag overleg wil over [A] :<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>Hoewel MC de contractpartij is, zie ik [A] als mijn klant. Ik sta niet toe dat MC schade toebrengt aan [A] . [\u2026]\u201d<\/p>\n<p>Hierop heeft [persoon G] gereageerd met de mededeling dat zij [persoon A] zal bellen en dat het haar goed lijkt dat binnen heel korte termijn strikte afspraken worden gemaakt.<\/p>\n<p>Vervolgens heeft [persoon A] namens ZM op 28 juli 2016 een e-mail aan [persoon G] gestuurd waarin staat:<\/p>\n<p>\u201cJe vertelde me eerder deze week dat er 1.900\u20ac beschikbaar is in MC. Graag zou ik MC een factuur willen sturen voor dat bedrag. Dat stelt mij in staat om betaling te doen. [\u2026]\u201d<\/p>\n<p>[persoon G] heeft dit verzoek vervolgens doorgestuurd aan [persoon D]<\/p>\n<p>\u201c[\u2026] Kun jij onderstaande regelen? Als het goed is hebben we dan nog genoeg voor statutenwijziging.\u201d<\/p>\n<p>[persoon C] is omstreeks oktober 2016 in contact gekomen met [persoon A] . [persoon C] heeft toen met ZM een agentuurovereenkomst gesloten om naast [A] ook andere gemeenten binnen te halen voor gebruik van het platform, waarvoor [persoon C] dan provisie zou ontvangen. Op 1 november 2016 is [persoon C] bovendien enig bestuurder van de stichting geworden.<\/p>\n<p>Op 15 november 2016 heeft [persoon A] naar aanleiding van een gesprek met [persoon G] de avond daarvoor, een e-mail aan [persoon G] gestuurd waarin staat:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>Dank voor gesprek van gister. Fijn dat we in alle rust door opties hebben kunnen lopen. Jammer dat [H] heeft afgezien van zijn positie in RVT [hof: raad van toezicht]- ik wist dat zijn nieuwe bedrijf veel tijd van hem vraagt. Het is in ieder geval duidelijk nu dat we iemand anders moeten zoeken.<\/p>\n<p>We hebben gister het volgende besloten:<\/p>\n<p>\u2022 [D] neemt met [C] [hof: [persoon F] ] contact op over &#039;doorschuiven&#039; naar RVT. Je hebt me gister gebeld met de mededeling dat [C] plaats wenst te nemen in RVT. Dat is fijn. Op 25 NOV is er bestuursvergadering en daar zal dit besluit worden bekrachtigd en formulieren ingevuld voor KVK.<\/p>\n<p>\u2022 [G] [hof: [persoon A] ] neemt contact op met [E] [rb: [persoon C] ] over het innemen van de positie van Directeur Bestuurder MC [hof: de stichting ]. Indien [E] de positie wenst in te nemen dan zal hij aanwezig zijn op bestuursvergadering van 25 NOV in Utrecht (ik dacht om 15.00?). Indien hij dat niet gaat doen, dan neem ik die taak op me. Ik hoop vandaag je meer te kunnen laten weten.<\/p>\n<p>\u2022 ZM is de contractpartner van klanten. Vanaf 2017 zal MC geen contractpartner meer zijn bij [A] .<\/p>\n<p>\u2022 Tussen MC en ZM komt een eenvoudige agentuurovereenkomst. Ik zal die opstellen voor meeting van 25 NOV. De afspraken uit mijn presentatie voor bestuur van MC passen daar volledig in.<\/p>\n<p>\u2022 MC zal zich richten op \u2018PR en marketing&#039; binnen de doelstellingen van MC . Jij hebt idee\u00ebn hoe je MC ook bij KM-houders van BoW onder de aandacht kunt brengen. Het &#039;openstellen&#039; van relaties voor MC via het bestuur zou erg fijn zijn. [C] heeft naar [E] al actie genomen voor [O] . Ook dat is goed.<\/p>\n<p>\u2022 [G] neemt verdere actie voor SIB [hof: Support International Business]. [G] maakt afspraak met Rabo en doet het gesprek met Deloitte op 24 NOV. [persoon I] en [E] zijn hierbij aanwezig.<\/p>\n<p>\u2022 Indien het mogelijk blijkt om een SIB te starten dan zal [G] dit aan het bestuur voorleggen. Het lijkt er voor het moment op dat MC de betere partij is voor een SIB dan ZM maar voor het moment sluit ik niets uit.<\/p>\n<p>Jij hebt nog een punt gemaakt dat de RVA van ZM mogelijk in contact moet komen met RVT van MC . Ik kan me dat voorstellen.<\/p>\n<p>Mijn eerste zorg is nu [A] veiligstellen.<\/p>\n<p>Is dit een correcte weergave van gesprek?\u201d<\/p>\n<p>Diezelfde dag heeft [persoon A] per e-mail de gemeente hierover ge\u00efnformeerd:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>Gisteravond is er bestuursvergadering geweest van MC. Het bestuur heeft besloten dat [C] [persoon F] zal toetreden tot de RvT om [persoon G] verder te ondersteunen. De positie van Directeur Bestuurder is vanaf vandaag komen te liggen bij [persoon C] . [E] heeft namens MC de positie om ZM te vertegenwoordigen bij gemeenten en overheidsorganisaties.<\/p>\n<p>Vanaf vandaag zal ik geen verdere acties meer nemen in deze markt anders dan op verzoek van [E] . Ook de contacten met [I] liggen vanaf nu bij [E] . De overdracht zal [E] verder zelf verzorgen via [J] of rechtstreeks. Gezien de korte periode tot aan eind november zal [E] vanaf vandaag actie nemen naar WIMP.<\/p>\n<p>[E] heeft een uitgebreid netwerk in de overheid. In het verleden was hij verantwoordelijk bij Randstad voor de 31 grootste gemeenten. [A] was zijn belangrijkste klant. [E] woont in [K] en zal vanuit de SupportDesk zijn activiteiten gaan invullen.<\/p>\n<p>Ik ben blij met deze wijzigingen. Donderdag ben ik nog in [A] (o.a. om gesprek bij Alfa College te voeren). Het zou fijn zijn om jullie dan nog even te mogen spreken. Mocht dat niet lukken dan wil ik jullie beiden graag bedanken voor alle hulp en ondersteuning de laatste 18 maanden (voor [L] een jaar meer). Het was een plezier om met jullie te werken. Ik wens andere afdelingen de spirit toe die ik bij EZ heb mogen ervaren.\u201d<\/p>\n<p>Op 30 november 2016 heeft [persoon C] met [persoon K] van de gemeente gesproken over voorzetting van de pilot en een nieuw voorstel gedaan tot samenwerking in 2017. [persoon K] heeft hierop gereageerd met een e-mail aan [persoon C] met de mededeling dat hij dit de volgende dag gaat bespreken en dat hij garant staat voor de kosten van de supportdesk zolang er nog geen definitieve go\/no go is. [persoon C] heeft hierop per e-mail aan [persoon K] gereageerd dat hij hoopt dat [persoon K] de volgende dag concreter kan aangeven wanneer hij een definitieve beslissing verwacht te nemen want \u201cVanuit mijn rol bij [&#8212;] ben ik tevens verantwoordelijk voor het juist en tijdig informeren van onze samenwerkingspartner\u201d. De reactie van de gemeente op het voorstel kwam uiteindelijk op 8 december 2016. [persoon C] heeft deze doorgestuurd naar onder andere [persoon A] met daarin het verzoek te overleggen over hoe hierop te reageren.<\/p>\n<p>Op 17 januari 2017 heeft een bespreking plaatsgevonden waarbij aanwezig waren [persoon C] , [persoon G] , [persoon A] , [persoon I] (een werknemer van ZM) en [persoon L] , een financieel adviseur van [bedrijf A] . Tijdens deze bespreking zijn onder andere afspraken gemaakt:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>1. Werkkapitaal MC (3): [M] [ [persoon L] , toev. hof] gaat [E] [ [persoon C] , toev. hof] helpen. Eerste doel is werkkapitaal. Het tweede doel is SIB.<\/p>\n<p>2. Onderlinge afspraken (3): [E] en [G] [ [persoon A] , toev. hof] doen een voorstel.<\/p>\n<p>[\u2026]\u201d<\/p>\n<p>Op 19 januari 2017 hebben de stichting en de gemeente een nieuwe overeenkomst gesloten waarmee het pilotproject werd verlengd tegen betaling door de gemeente [A] van \u20ac 150.000,- (exclusief btw) voor het jaar 2017. Het platform zou worden doorontwikkeld en Cockpitwerk (een instrument voor data-analyse) zou worden gerealiseerd. Afgesproken werd daarbij dat de gemeente nog tot 1 april 2017 voor huisvesting voor de supportdesk zou zorgen, daarna moest de stichting dat zelf en op eigen kosten regelen. De gemeente zou de helft van de totale opdrachtsom direct betalen, de andere helft in zes maandelijkse termijnen van \u20ac 12.500,- (exclusief btw).<\/p>\n<p>Van de bedragen die de gemeente heeft betaald, heeft de stichting in de eerste drie maanden het overgrote deel ad \u20ac 113.562,- (excl. BTW) aan ZM betaald.<\/p>\n<p>Op 3 februari 2017 heeft [persoon C] een e-mail gestuurd aan [persoon A] met als onderwerp \u201cSamenvatting Overleg MC Bestuur en RvT 2-2-2017\u201d. Dit overleg heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de bespreking op 17 januari 2017. In de e-mail staat onder andere:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>Gister avond is er een overleg geweest tussen het bestuur van MC en Raad van Toezicht. Dit<\/p>\n<p>naar aanleiding van het voorstel vanuit [bedrijf A] om ons te ondersteunen bij het financieren van het benodigde werkkapitaal voor MC. Tijdens dit overleg hebben wij het business model dat als basis dient voor het benodigde werkkapitaal goed doorgenomen. Daarnaast hebben we stilgestaan bij de samenwerking MC en [XX] en de Agentuurovereenkomst die er nu ligt om deze samenwerking in te gieten.<\/p>\n<p>Onze bevindingen zijn als volgt:<\/p>\n<p>&#8212; Belangenverstrengeling bestuurder MC ivm inkomensafhankelijkheid [XX] . Dit staat een goede uitoefening van de rol van Bestuurder van MC in de weg;<\/p>\n<p>&#8212; Samenwerking tussen MC en [XX] nog steeds niet helder en staat niet beschreven. Basis is wat ons betreft de uitkomsten uit ons laatste gezamenlijke overleg In Eindhoven. [XX] als productie- en ontwikkelbedrijf en MC als Marketing, Verkoop en PR-bedrijf. Het voorgestelde Agentuurovereenkomst dekt niet de lading van partnership en samenwerking;<\/p>\n<p>[\u2026]<\/p>\n<p>Wij stellen voor om vanuit MC een businessmodel te maken, waarbij uiteraard het huidige businessmodel mede als input zal doenen. Binnen nu en 2 weken komt MC met een eigen businessmodel en met een concreet voorstel tot samenwerking tussen [XX] en MC.<\/p>\n<p>[\u2026]\u201d<\/p>\n<p>Op 16 en 17 februari 2017 heeft er een e-mailwisseling tussen [persoon A] en [persoon C] plaatsgevonden met [persoon G] , [persoon L] en [persoon I] in de cc waarin het volgende staat:<\/p>\n<p>[persoon C] schrijft:<\/p>\n<p>\u201cIk heb alle contactpersonen die wij kennen of moeten leren kennen binnen de gemeente [A] op een rij gezet. Willen jullie je eigen contactpersonen die er wellicht niet op staan aan toevoegen? Dan hebben we 1 document met alle relevante contactpersonen en hebben we ook helder wie verantwoordelijk is voor welke contactpersoon. Het is een eerste opzet.\u201d<\/p>\n<p>[persoon A] reageert:<\/p>\n<p>\u201cMooie lijst. Ik zal er morgen naar kijken en aanvullen.<\/p>\n<p>Ter volledigheid: op strategisch niveau zal ik bij alle gesprekken aanwezig zijn. Sinds twee weken geleden heb ik [E] [hof: [persoon C] ] aangegeven om ook bij (zoveel mogelijk) sales gesprekken aanwezig te zijn.<\/p>\n<p>In Oost- [A] , EemsDelta, IWCN, EZ, OTP, provincie, SER ben ik altijd aanwezig.\u201d<\/p>\n<p>[persoon C] reageert:<\/p>\n<p>\u201cAfgelopen maandag zijn wij in het overleg, onder begeleiding van [persoon L] , tot de conclusie gekomen dat:<\/p>\n<p>&#8212; MC [hof: de stichting] het verkoopbedrijf is;<\/p>\n<p>&#8212; En [XX] het productie-\/ontwikkelbedrijf is.<\/p>\n<p>Dat betekent dat Sales onder de verantwoordelijkheid van MC valt. Indien MC gedurende het Salesproces ondersteuning nodig heeft van [XX] dan zal zij dit aangeven.<\/p>\n<p>In het overleg daarvoor waren wij ook al tot dezelfde conclusie gekomen. Daarom zit ik vol verbazing naar je mailbericht te kijken en vraag me af wat de waarde is van de afspraken die wij maken.<\/p>\n<p>Mochten er redenen zijn waarom je terugkomt op gemaakte afspraken, dan hoor ik dat graag.\u201d<\/p>\n<p>[persoon A] reageert:<\/p>\n<p>\u201cWe leven in twee werelden. Er zijn afgelopen maandag VIER entiteiten besproken. Elk van de drie is benoemd en daar zijn activiteiten aan toegekend:<\/p>\n<p>[&#8212;] is de entiteit van waaruit \u2018PR en Events\u2019 wordt gedaan<\/p>\n<p>[E] doet sales en heeft met [XX] een agentuurovereenkomst daarvoor<\/p>\n<p>SIB is de (toekomstige) is de financier van projecten<\/p>\n<p>[XX] doet al het overige werk<\/p>\n<p>Jij hebt me gister aangegeven dat je niet weet hoe jij in jouw inkomen kunt voorzien. Dat had je maandagavond ook al aangegeven aan [D] , [M] , [persoon I] en mij. Ik heb geen idee wat jij nu gaat doen. Je vertelde me gister dat je dat zelf ook niet weet. Ik kan het niet toestaan dat sales dadelijk in het slop geraakt als jij zou besluiten om (voor een deel van je tijd) iets anders te doen.<\/p>\n<p>Ik bewaak de continu\u00efteit van de activiteiten waar ik al ietsje langer mee bezig ben. Dat is wat iedereen van mij mag verwachten \u2013 blijvend commitment en actie. Ik werk je niet tegen \u2013 ik wil graag samen met je werken.\u201d<\/p>\n<p>Bij e-mail van 30 maart 2017 heeft [persoon C] gereageerd op een mail van [persoon A] namens ZM. In deze e-mail staat onder andere het volgende:<\/p>\n<p>\u201c [\u2026]<\/p>\n<p>\u2022 De stichting [&#8212;] heeft met de gemeente [A] een contract getekend voor uitvoering van het project \u2018Zelf aan het Werk\u2019. In dit contract is opgenomen dat de gemeente tot 1 april 2017 garandeert dat er kantoorruimte is voor de mensen van de SupportDesk. Het is duidelijk geworden dat de gemeente de stichting niet tegemoet gaat komen in het beschikbaar stellen van kantoorruimte vanaf 1 april. Naast de kantoorruimte heeft de stichting ook een verantwoordelijkheid naar de mensen die zij in dienst heeft.<\/p>\n<p>\u2022 Antwoord\/opmerking [E] [ [persoon C] , toev. hof]: MC is inderdaad opdrachtnemer van Gemeente [A] . De deal die met instemming van [XX] is gemaakt is dat gemeente [A] in totaal \u20ac 150.000 in 2017 gaat betalen aan MC. Hiermee zal MC de dienstverlening zoals dat ook in 2016 het geval was voortzetten, inclusief loonkosten SupportDesk, begeleiding SupportDesk, Kosten gebruik Platform, huisvesting en overige kosten. Inderdaad heeft gemeente [A] huisvesting tot 1-4-2017 gegarandeerd. Ik heb een verzoek gedaan richting [persoon K] en [persoon M] om de datum van 1 april op te rekken, echter dit is voor de gemeente geen optie.<\/p>\n<p>\u2022 [XX] stelt haar software beschikbaar via de [&#8212;] aan de gemeente [A] en ondersteunt de SupportDesk via [persoon I] . In het geval er geen kantoorruimte is, zullen de medewerkers mogelijk vanaf thuis moeten werken en zal [persoon I] de mensen op een aangepaste manier moeten ondersteunen. Een complicerend probleem is dat er a.s. maandag twee nieuwe medewerkers zullen starten. Als er geen lantoorruimte is dan zullen we vandaag of morgen samen moeten oplossen hoe we hiermee omgaan.<\/p>\n<p>\u2022 Antwoord\/opmerking [E] : Indien er geen nieuwe ruimte op korte termijn kan worden gevonden, zal ik met de nieuwe medewerkers in overleg treden dat zij later starten. Sinds 1 maart geef ik leiding aan de SupportDesk, aangezien [persoon N] een andere baan heeft gevonden. Daarmee is de directe, dagelijkse ondersteuning van [persoon I] minder noodzakelijk geworden. Het zou fijn zijn als [XX] en MC als partners hierin samen een oplossing proberen te vinden. Dat lijkt me de enige manier om met elkaar samen te werken.<\/p>\n<p>[\u2026]<\/p>\n<p>\u2022 Indien er geen kantoorruimte gevonden wordt is dat commercieel schadelijk voor zowel de [&#8212;] als voor [XX] . Dit had niet mogen gebeuren. Ik reken het mezelf aan dat ik niet scherper aan de wind heb gevaren. Tegelijk wil ik me maximaal inspannen om het contract met de gemeente [A] uit te blijven voeren.<\/p>\n<p>\u2022 Antwoord\/opmerking [E] : Ik ben en voel me verantwoordelijk voor uitvoering van het contract, terwijl ik de financi\u00eble middelen niet heb om dit goed te kunnen uitvoeren. Richting de toekomst wil ik het anders organiseren. Indien MC met instemming van [XX] verplichtingen aangaat met partijen zal zij minimaal het bedrag dat vereist is voor uitvoering van het contract moeten achterhouden in de Stichting.<\/p>\n<p>\u2022 In het geval dat [&#8212;] niet in staat blijkt om woonruimte te regelen voor vrijdag 31 april 12.00H, verzoek ik je om mij dat te laten weten. Ik stel voor dat ik namens [XX] het contract met de gemeente overneem en zal zorgen dat er een oplossing gevonden zal worden en dat het team verder kan. Tevens stel ik voor dat [XX] vanaf dat moment de arbeidscontracten met de medewerkers overneemt van de stichting zodat we continu\u00efteit kunnen waarborgen.<\/p>\n<p>\u2022 Antwoord\/Opmerking: Gemeente [A] heeft een bewuste keuze gemaakt om het contract met MC aan te gaan en niet in [XX] . [persoon K] heeft letterlijk gezegd dat hij geen zaken wil doen met [XX] , maar met MC. De relatie die net een beetje aan het herstellen, is zou hiermee weer beschadigd worden. Met dit besluit cre\u00eber je pas maximale commerci\u00eble schade.<\/p>\n<p>\u2022 Namens [XX] verzoek ik de stichting indien dat nodigt mocht blijken, om medewerking te verlenen bij het aanpassen van de relevante contracten. Hiermee hoop ik de commerci\u00eble schade zo veel mogelijk te beperken en de commerci\u00eble acties in de gemeente [A] en elders in de regio veilig te stellen.<\/p>\n<p>\u2022 Antwoord\/Opmerking [E] : Overname contract en contractafspraken gemeente [A] is geen optie. Sowieso zal dat in overleg met gemeente [A] moeten gebeuren en [persoon K] zal hier nooit mee akkoord gaan. En zonder zijn akkoord dit in gang zetten, is schadelijk voor de samenwerking met gemeente [A] , maar ook commercieel schadelijk voor verdere groei in deze arbeidsmarktregio, waarvan hij de trekker is.<\/p>\n<p>Vervolgens heeft [persoon C] een e-mail gestuurd met als aanhef \u201cbeste allen\u201d, waarin staat dat hij kantoorruimte voor de supportdesk heeft gevonden die bekostigd kan worden uit de maandelijkse betalingen van de gemeente, maar dat hij nog \u20ac 1.500,- tekortkomt voor computers.<\/p>\n<p>Op 14 april 2017 heeft [persoon C] een brief aan [persoon A] gestuurd waarin hij de uitgangspunten van de overeenkomst met de gemeente op een rij zet en een voorstel doet voor afspraken met ZM. Hierin staat onder andere het volgende:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>Onderlinge mondelinge afspraken tussen MC en [XX] t.a.v. het contract met gemeente<\/p>\n<p>[A] zijn:<\/p>\n<p>\u2022 MC besteedt de aansturing, begeleiding en alle overige zaken die te maken hebben met het<\/p>\n<p>runnen van de SupportDesk zoals: huisvesting, systemen, telefonie enz. uit aan [XX] .<\/p>\n<p>[persoon I] heeft vanaf begin af aan de SupportDesk aangestuurd;<\/p>\n<p>\u2022 [XX] stelt haar platform &#039;Zelf aan het Werk&#039; beschikbaar voor heel 2017;<\/p>\n<p>\u2022 In overleg met [persoon A] is besloten dat de directeur bestuurder van MC per 1-3-2017 de<\/p>\n<p>aansturing en begeleiding voor zijn rekening zou nemen. [\u2026]<\/p>\n<p>Wat constateren wij?<\/p>\n<p>Toen er huisvesting per 1-4-2017 geregeld moest worden trok onze partner [XX] zich volledig terug met de mededeling dat MC het contract met gemeente [A] heeft en dat dit haar verantwoordelijkheid is. [XX] gaf aan alles wel te willen regelen, onder de voorwaarde dat zij het contract met gemeente [A] zou overnemen. De directeur bestuurder van MC heeft op dat moment aangegeven dat dit geen optie is, aangezien de gemeente bewust geen zaken wil doen met Zoomee en de persoon [persoon A] .<\/p>\n<p>Aangezien MC eindverantwoordelijk is voor het contract heeft de directeur bestuurder van MC alles met betrekking tot huisvesting, systemen en telefonie geregeld. Dit heeft MC ook gefinancierd vanuit de beperkte middelen die zij beschikbaar had. Op alle voorstellen die de directeur bestuurder van MC richting [XX] deed om alles te regelen kwam de vraag: wie betaalt dit? Dit getuigt niet van Partnership en meedenken. Temeer omdat MC zich wel een betrouwbare en meedenkende partner richting [XX] heeft getoond. [XX] heeft begin van het jaar aangegeven een groot deel van de inkomsten vanuit gemeente [A] nodig te hebben om te kunnen overleven, totdat er nieuwe klanten en daarmee nieuwe inkomsten beschikbaar zouden komen. MC heeft haar partner willen helpen en heeft een groot deel van de inkomsten vanuit gemeente [A] overgemaakt aan [XX] . Tot nu toe zijn in 2017 de volgende bedragen overgemaakt aan [XX] :<\/p>\n<p>[volgt tabel waaruit blijkt dat er een totaalbedrag van \u20ac 113.562, &#8212; excl. BTW is overgemaakt, toev. hof]<\/p>\n<p>[\u2026]\u201d<\/p>\n<p>In de brief staat vervolgens dat de stichting met maandtermijnen van de gemeente over de maanden mei en juni 2017 de kosten van de stichting nog tot 1 juli 2017 kan financieren en dat er daarna, tot 1 januari 2018, nog een financiering van \u20ac 53.012,40 excl. BTW nodig is. De brief sluit af met het verzoek aan [persoon A] als directeur van ZM om te reageren op het voorstel om de noodzakelijke financiering voor zijn rekening te nemen en om op korte termijn een afspraak te maken met de door de raad van toezicht ingehuurde adviseur om de wijze van samenwerken, de voorwaarden en de condities te bespreken.<\/p>\n<p>Bij brief van 26 april 2017 van [persoon G] en [persoon C] aan [persoon A] constateren zij dat [persoon A] niet heeft geantwoord op de vragen in de brief van 14 april 2017. Zij concluderen dat de stichting geen vertrouwen meer heeft in de uitvoering van de supportdesk door ZM en nemen de aansturing hiervan direct in eigen hand. Zij verzoeken ten slotte om terugbetaling van een deel van het bedrag dat de stichting aan ZM heeft betaald om in de financieringsbehoefte over 2017 te kunnen voorzien.<\/p>\n<p>Op 27 april 2017 heeft [persoon C] aan ZM geschreven:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026] [persoon A] geeft zich naar buiten toe nog steeds uit als bevoegd persoon voor de Stichting. Dit is meerdere malen mondeling en per mail aangegeven dat dit niet kan. Een recent voorbeeld is de voordracht van Zelf aan het Werk voor de innovatieprijs van MKB Nederland. Dit is zeer tegen de zin van de Stichting in, we staan hier niet achter. We vorderen dat u dit per ommegaande ongedaan maakt. We zien hiervan de schriftelijke bevestiging. [\u2026]\u201d<\/p>\n<p>Op 19 mei 2017 heeft [persoon C] aan [persoon A] in een e-mail geschreven dat hij constateert dat de stichting ondanks de toezeggingen van [persoon A] geen volledige toegang meer heeft tot het platform en verzoekt hij dit te herstellen.<\/p>\n<p>Bij brief van 29 mei 2017 van ZM (vertegenwoordigd door [persoon A] ) aan de stichting (ter attentie van [persoon C] ) heeft ZM geschreven dat als de stichting de facturen van ZM niet betaalt, de toegang tot het platform zal worden geblokkeerd. ZM heeft voorts geschreven dat zij de samenwerking met de stichting opzegt, effectief per 1 juli 2017.<\/p>\n<p>Bij e-mail van 13 juni 2017 aan [persoon A] , constateert [persoon C] dat ZM niet aan de sommatie in de brief van 26 april 2017 heeft voldaan en verzoekt hij ZM alsnog te betalen. In deze e-mail staat voorts:<\/p>\n<p>\u201c[\u2026]<\/p>\n<p>In de eerste maanden van het jaar (januari t\/m april) heeft de Stichting een groot deel van de omzet vanuit de gemeente [A] \u20ac 113.500 doorgestort aan [XX] BV. Dit vanuit de overtuiging dat alles wat met de SupportDesk te maken had was uitbesteed aan [XX] BV. En dat een deel van de middelen zou worden besteed aan de doorontwikkeling van het platform. Echter vanaf 1 april pakt u uw verantwoordelijkheid voor de SupportDesk niet meer en is de Stichting genoodzaakt geweest dit in eigen beheer te doen. [\u2026]<\/p>\n<p>Ondertussen heeft u de samenwerking met Stichting [&#8212;] effectief per 1 juli aanstaande eenzijdig opgezegd. [\u2026]\u201d<\/p>\n<p>[persoon A] heeft hierop gereageerd dat ZM de claim van de stichting verwerpt en de stichting gesommeerd om over te gaan tot betaling van twee facturen van in totaal \u20ac 15.000,- excl. BTW.<\/p>\n<p>Op 3 juli 2017 heeft [persoon A] [persoon C] gemaild met de mededeling dat de stichting geen toegang meer heeft tot de CRM-module van het platform, dat de software zelf zal blijven functioneren en het platform gewoon zal blijven draaien.<\/p>\n<p>Eveneens op 3 juli 2017 heeft de gemeente aan de stichting geschreven dat zij uit de mededelingen van [persoon C] opmaakt dat vanwege het staken van de diensten door ZM de uitvoering van het project per 1 juli 2017 vervalt en dat zij betaling van het nog openstaande bedrag van \u20ac 15.125,- incl. BTW om die reden opschort.<\/p>\n<p>Op aanvraag van [persoon C] namens de stichting is op 15 augustus 2017 het faillissement van de stichting uitgesproken.<\/p>\n<p>Om helderheid te krijgen over de activiteiten van de stichting en de oorzaak van het faillissement, heeft de curator alle (oud)bestuurders van de stichting en ook [persoon A] uitgenodigd voor een gesprek op 29 augustus 2017. [persoon A] was bij die bespreking niet aanwezig. De curator heeft ook nadien niet met [persoon A] gesproken.<\/p>\n<p>De curator heeft op 19 juni 2019 een verzoekschrift ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. In juni 2020 zijn [persoon D] , [persoon J] , en [persoon G] gehoord. In februari 2021 is [persoon C] gehoord. [persoon E] en [persoon F] hebben op verzoek van de curator een schriftelijke verklaring afgelegd. [persoon A] is niet als getuige gehoord.<\/p>\n<p>Op 22 oktober 2021 heeft de curator conservatoir beslag laten leggen op de woningen van [persoon D] , [persoon C] en [persoon A] , waarna de dagvaardingen in de hoofdzaak door hem zijn uitgebracht.<\/p>\n<p>De curator heeft het boedeltekort tot 1 november 2021 voorlopig becijferd op \u20ac 258.804,76. In het openbaar faillissementsverslag van de stichting staat dat het boedeltekort op 15 januari 2015 meer dan \u20ac 361.000,- bedroeg.<\/p>\n<p>ZM is per 1 april 2019 ontbonden.<\/p>\n<p>De vorderingen van partijen en het geschil in eerste aanleg<\/p>\n<p>In de hoofdzaak vorderde de curator in conventie samengevat dat de rechtbank voor recht verklaart dat [persoon C] , [persoon D] en\/of [persoon A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van de stichting en hen hoofdelijk veroordeelt:<\/p>\n<p>primair<\/p>\n<p>tot voldoening van dit tekort aan de curator, tot aan de dag van dagvaarden begroot op \u20ac 258.000,-, vermeerderd met rente,<\/p>\n<p>subsidiair<\/p>\n<p>tot voldoening van dit tekort aan de curator, op te maken bij staat en vermeerderd met rente, en tot betaling van \u20ac 75.000,- bij wijze van voorschot,<\/p>\n<p>primair en subsidiair<\/p>\n<p>tot betaling van de proceskosten en de beslagkosten.<\/p>\n<p>[persoon A] vorderde in reconventie primair opheffing van het beslag op zijn aandeel in de woning in [N] en subsidiair veroordeling van de curator tot opheffing van dit beslag op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de curator in de kosten in reconventie.<\/p>\n<p>In vrijwaringszaak I vorderden [persoon C] en [persoon D] samengevat dat de rechtbank voor recht verklaart dat [persoon A] is gehouden hen te vrijwaren voor al hetgeen zij in de hoofdzaak aan de curator moeten betalen, met inbegrip van rente en kosten en met veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze vrijwaringsprocedure.<\/p>\n<p>In vrijwaringszaak II vorderden [persoon C] en [persoon D] samengevat dat de rechtbank voor recht verklaart dat [persoon B] pro se is gehouden hen te vrijwaren voor al hetgeen zij in de hoofdzaak aan de curator moeten betalen, met inbegrip van rente en kosten en met veroordeling van [persoon B] pro se in de kosten van de deze vrijwaringsprocedure.<\/p>\n<p>De rechtbank heeft in de hoofdzaak in conventie voor recht verklaard dat [persoon C] , [persoon D] en [persoon A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in het faillissement van de stichting en hen hoofdelijk veroordeeld om aan de curator te voldoen het boedeltekort in het faillissement van de stichting, welk tekort dient te worden opgemaakt bij staat.<\/p>\n<p>De rechtbank heeft [persoon C] , [persoon D] en [persoon A] voorts hoofdelijk veroordeeld in de proces- en beslagkosten van de curator in conventie van \u20ac 18.233,51 en ieder afzonderlijk in de beslagkosten van \u20ac 378,99 resp. \u20ac 376,51 resp. \u20ac 374,34.<\/p>\n<p>De overige vorderingen van de curator heeft de rechtbank afgewezen, net als de vorderingen van [persoon A] in reconventie, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten van de curator in reconventie.<\/p>\n<p>In vrijwaringszaak I heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [persoon A] , [persoon C] en [persoon D] in hun onderlinge verhouding jegens elkaar onderscheidenlijk voor 50%, 25% en 25% dienen bij te dragen aan het tekort in het faillissement van de stichting, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten van [persoon C] en [persoon D] in vrijwaringszaak I.<\/p>\n<p>In vrijwaringszaak II heeft de rechtbank de vorderingen van [persoon C] en [persoon D] op [persoon B] pro se afgewezen, met veroordeling van [persoon C] en [persoon D] in de proceskosten van [persoon B] pro se in vrijwaringszaak II.<\/p>\n<p>Het geschil in hoger beroep<\/p>\n<p>[persoon A] heeft in de zaak met nummer 200.341.146 twaalf grieven gericht tegen het bestreden vonnis. [persoon A] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis in de hoofdzaak en het vonnis in vrijwaringszaak I en tot terugbetaling van hetgeen hij op grond van het bestreden vonnis aan de curator resp. [persoon C] en [persoon D] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente, met hoofdelijke veroordeling van de curator, [persoon C] en [persoon D] in de proceskosten in beide instanties.<\/p>\n<p>De curator heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis in de hoofdzaak, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten in het hoger beroep.<\/p>\n<p>Ook [persoon C] en [persoon D] hebben verweer gevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep van [persoon A] in vrijwaringszaak I, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten in het hoger beroep.<\/p>\n<p>[persoon C] en [persoon D] hebben in de zaak met nummer 200.342.306 acht grieven gericht tegen het bestreden vonnis. Het oordeel van de rechtbank in vrijwaringszaak II is onderwerp van een afzonderlijk hoger beroep, dat bij dit hof aanhangig is onder nummer 200.355.685. Het gaat in dit hoger beroep met nummer 200.342.306 dus uitsluitend om de hoofdzaak en vrijwaringszaak I.<\/p>\n<p>[persoon C] en [persoon D] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis in de hoofdzaak en in vrijwaringszaak I. Zij hebben voorts geconcludeerd tot (i) afwijzing van de vorderingen van de curator in de hoofdzaak en tot terugbetaling van al hetgeen zij op grond van het vonnis waarvan beroep aan de curator hebben voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente en (ii) toewijzing van hun vorderingen op [persoon A] , met veroordeling van de curator en [persoon A] in de proceskosten in beide instanties.<\/p>\n<p>De curator heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis in de hoofdzaak, met veroordeling van [persoon C] en [persoon D] in de kosten van het hoger beroep. De curator heeft voorts een incidentele vordering tot voeging met de procedure met nummer 200.341.146 ingesteld. Deze vordering heeft het hof in het tussenarrest van 26 november 2024 toegewezen.<\/p>\n<p>[persoon A] heeft geconcludeerd tot (i) ongegrondverklaring van het hoger beroep in vrijwaringszaak I dan wel het afwijzen van alle vorderingen van [persoon C] en [persoon D] , (ii) vaststelling dat de curator zijn onderzoekstaak onzorgvuldig en\/of ondeskundig en\/of niet voortvarend heeft verricht zoals de Insolad richtlijnen dat voorschrijven en (iii) het vonnis in de hoofdzaak te vernietigen, met hoofdelijke veroordeling van [persoon C] , [persoon D] en de curator in de proceskosten in beide instanties.<\/p>\n<p>Voor wat betreft de vorderingen (i) voor zover het betreft het afwijzen van alle vorderingen van [persoon C] en [persoon D] , (ii) en (iii) oordeelt het hof dat [persoon A] niet-ontvankelijk is. Deze procedure (met nummer 200.342.306) betreft het hoger beroep van [persoon C] en [persoon D] in de hoofdzaak en in vrijwaringszaak I. In het hoger beroep van de hoofdzaak is de curator ge\u00efntimeerde en in het hoger beroep van vrijwaringszaak I is [persoon A] ge\u00efntimeerde. Dit betekent dat [persoon A] uitsluitend kan antwoorden in hoger beroep in vrijwaringszaak I en eventueel in incidenteel hoger beroep zelf grieven kan richten tegen het vonnis in vrijwaringszaak I (hetgeen hij niet heeft gedaan). [persoon A] is dus niet-ontvankelijk in zijn vordering tot het afwijzen van alle vorderingen van [persoon C] en [persoon D] , in zijn vordering tot vernietiging van het vonnis in de hoofdzaak en in zijn vordering tot vaststelling dat de curator zijn onderzoekstaak onzorgvuldig en\/of ondeskundig en\/of niet voortvarend heeft verricht zoals de Insolad richtlijnen dat voorschrijven. [persoon A] wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Hij heeft immers zelf ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de hoofdzaak en het vonnis in vrijwaringszaak I (de procedure met zaaknummer 200.341.146\/01).<\/p>\n<p>Plan van aanpak<\/p>\n<p>De vorderingen van de curator zijn gebaseerd op artikel 2:138 BW. Gezien de inhoud van de grieven van [persoon A] en van [persoon C] en [persoon D] gaat het in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of zij op grond van artikel 2:138 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in het faillissement van de stichting (de hoofdzaak). Vervolgens, indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, gaat het om de vraag naar de onderlinge draagplicht tussen [persoon A] , [persoon C] en [persoon D] (vrijwaringszaak I).<\/p>\n<p>Het hof zal hieronder dan ook eerst ingaan op de vraag of [persoon C] , [persoon D] en [persoon A] op grond van artikel 2:138 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort.<\/p>\n<p>Tussen partijen is ook in hoger beroep in geschil of dit artikel op grond van artikel 2:300a (oud) BW van overeenkomstige toepassing is op de stichting, of [persoon A] kwalificeert als een feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:138 lid 7 BW en of het bestuur van de stichting heeft voldaan aan de boekhoudplicht op grond van artikel 2:10 BW.<\/p>\n<p>Het hof zal veronderstellenderwijs aannemen dat artikel 2:138 BW van toepassing is en eerst de vraag beantwoorden of [persoon A] feitelijk beleidsbepaler is.<\/p>\n<p>Vervolgens zal het hof beoordelen of het bestuur van de stichting op grond van artikel 2:138 lid 1 en\/of 2 BW aansprakelijk is voor het boedeltekort.<\/p>\n<p>[persoon A] feitelijk beleidsbepaler?<\/p>\n<p>Ingevolge art. 2:138 lid 7 BW wordt voor de toepassing van artikel 2:138 BW met een bestuurder gelijkgesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder (ook wel genoemd: feitelijk beleidsbepaler). Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Met de zinsnede in de wetsgeschiedenis dat een feitelijke terzijdestelling van het formele bestuur vereist is om iemand als \u201cbeleidsbepaler als ware hij bestuurder\u201d te kunnen aanmerken, is kennelijk niet beoogd tot uitdrukking te brengen dat de feitelijk beleidsbepaler moet hebben bestuurd in plaats en met uitsluiting van het formele bestuur. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat de feitelijk beleidsbepaler zich ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid moet hebben toege\u00ebigend, en op die manier het beleid heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. Uit het woord \u2018mede\u2019 in art. 2:138 lid 7 BW kan worden afgeleid dat van zodanige beleidsbepaling ook sprake kan zijn in de situatie dat daarnaast een of meer formele bestuurders hun taken als bestuurder bleven uitoefenen. Vgl. Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445.<\/p>\n<p>Ter onderbouwing van zijn stelling dat [persoon A] feitelijk beleidsbepaler is in de zin van artikel 2:138 lid 7 BW stelt de curator dat:<\/p>\n<p>de stichting is opgericht op initiatief van [persoon A] ,<\/p>\n<p>[persoon A] de bestuurders heeft benaderd,<\/p>\n<p>de overeenkomst met de gemeente al klaar was, en<\/p>\n<p>hij bij de eerste bestuursvergadering van de stichting aanwezig was om de bestuurders welkom te heten en een toelichting te geven op het ontstaan en de doelstelling van de stichting.<\/p>\n<p>[persoon A] stuurde volgens de curator de bestuurders aan. De stichting handelde als verkoopvehikel van ZM en had geen zelfstandige rol bij het sluiten en het uitvoeren van de overeenkomsten met de gemeente, zo volgt uit de door partijen overgelegde e-mails. De overeenkomsten werden feitelijk uitgevoerd door de supportdesk onder leiding van een medewerker van ZM. [persoon A] oefende via de agentuurovereenkomst tussen ZM en [persoon C] invloed uit op [persoon C] . De curator beroept zich ten slotte op de verklaringen van de (voormalige) bestuurders van de stichting waaruit zou blijken dat:<\/p>\n<p>de acties van ZM en de stichting door elkaar liepen,<\/p>\n<p>[persoon A] vaak belde met instructies en de stichting alleen maar wilde gebruiken als vehikel om geld te verdienen, en<\/p>\n<p>[persoon A] zeer dwingend was en feitelijk de financi\u00ebn bestierde ( [persoon G] ).<\/p>\n<p>Dit alles wordt door [persoon A] betwist. Volgens [persoon A] is de stichting op wens van de gemeente door onder andere [persoon D] opgericht. De stichting was geen verkoopvehikel van ZM, maar een zelfstandige rechtspersoon met een eigen bestuur, dat niet door [persoon A] werd aangestuurd. [persoon A] was uitsluitend namens ZM betrokken als leverancier van de stichting, omdat ZM de leverancier was van het platform. [persoon C] heeft als bestuurder van de stichting zelfstandig de onderhandeling met de gemeente gevoerd over de tweede overeenkomst, aldus nog steeds [persoon A] .<\/p>\n<p>Bij de beantwoording van de vraag of [persoon A] feitelijk beleidsbepaler is in de zin van artikel 2:138 lid 7 BW gaat het om de waardering van de omstandigheden van het geval in het licht van de hiervoor in rov. 3.6.1. genoemde maatstaf. Naar het oordeel van het hof kan [persoon A] niet als feitelijk beleidsbepaler worden gekwalificeerd. Het hof komt dus tot een andere waardering van de feiten dan de rechtbank. Hiervoor is het volgende redengevend.<\/p>\n<p>Uit de hiervoor onder rov. 3.2.1. e.v. weergegeven vaststaande feiten volgt een nauwe verbondenheid tussen [persoon A] , ZM en de stichting. [persoon A] was sinds 2014 in contact met de gemeente over een samenwerking, hetgeen heeft geleid tot de overeenkomst uit 2016 en de oprichting van de stichting. Hiermee is een structuur ontstaan waarbinnen [persoon A] , als directeur\/eigenaar van ZM, de stichting en de gemeente samenwerkten in het kader van de pilot met het platform. Uit de hiervoor in rov. 3.2.10. en 3.2.12. genoemde correspondentie volgt dat de stichting en ZM in 2016 hadden afgesproken dat ZM het platform zou leveren en door middel van \u00e9\u00e9n van haar werknemers zou zorgen voor de implementatie daarvan. De stichting zou door middel van een overeenkomst met een payrollbedrijf de personeelslasten dragen van de werknemers van de supportdesk. Deze maandelijkse lasten werden door de stichting betaald uit de maandelijkse vergoeding van de gemeente, en alles wat er overbleef ging naar ZM als vergoeding voor het gebruik van het platform en de implementatiewerkzaamheden. Hiermee werd gezorgd voor een situatie van \u201cno profit no loss\u201d voor de stichting.<\/p>\n<p>Uit de vaststaande feiten volgt voorts dat bij de uitvoering van de eerste overeenkomst in 2016 conform deze afspraken is gehandeld. Het bestuur van de stichting bepaalde hierin zijn eigen beleid, zo blijkt uit het feit dat betalingsverzoeken van ZM niet werden uitgevoerd indien niet was gewaarborgd dat de stichting voldoende financi\u00eble middelen zou overhouden om aan haar eigen financi\u00eble verplichtingen te voldoen (zie rov. 3.2.13. en 3.2.14. hiervoor).<\/p>\n<p>Uit deze gang van zaken blijkt niet dat [persoon A] zich in 2016 ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid heeft toege\u00ebigend, en op die manier het beleid heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. Dat [persoon A] , zoals de curator stelt, het initiatief heeft genomen tot oprichting van de stichting en de samenstelling van het bestuur, waarna de stichting en de gemeente in 2016 de door [persoon A] opgestelde overeenkomst konden tekenen, is hiervoor, gezien de gang van zaken zoals die blijkt uit de vaststaande feiten, onvoldoende.<\/p>\n<p>De curator stelt terecht dat [persoon A] aanwezig was op de vergadering van 4 februari 2016 en daar de nieuwe bestuursleden heeft verwelkomd en een toelichting heeft gegeven op het ontstaan en de doelstelling van de stichting. De curator stelt echter niet dat [persoon A] op de bestuursvergaderingen het beleid (mede) heeft bepaald, en dit blijkt ook niet uit de door partijen overlegde notulen van de bestuursvergaderingen van 4 februari 2016, 11 mei 2016 en 24 juni 2016 (zie rov. 3.2.7., 3.2.9. en 3.2.11.). Op de vergadering van 4 februari 2016 was [persoon A] aanwezig als gast en heeft hij, zo volgt uit de notulen, deelgenomen aan de beraadslagingen over de agendapunten. Besluitvorming heeft echter niet plaatsgevonden. Bij de vergaderingen van 11 mei 2016 en 24 juni 2016 was [persoon A] niet aanwezig. Tijdens de vergadering van 24 juni 2016 is gesproken over de verhouding tussen ZM en de stichting en hebben de bestuursleden afspraken gemaakt over de wijze waarop [persoon D] als voorzitter het bestuur informeert. Daarbij is ook gesproken over de noodzaak dat de andere bestuursleden zouden meekijken naar de contracten die [persoon D] zou afsluiten aangezien [persoon D] niet alleen verplichtingen had jegens de stichting maar ook jegens ZM. Dit duidt er juist niet op dat [persoon A] het beleid van de stichting mede heeft bepaald in die zin dat hij zich een deel van de bestuursbevoegdheid heeft toege\u00ebigend.<\/p>\n<p>De curator heeft erop gewezen dat uit de verklaringen van [persoon F] en [persoon G] volgt dat [persoon A] en ZM belang hadden bij de wijze waarop de stichting opereerde en dat [persoon A] probeerde invloed uit te oefenen op de besluitvorming door het bestuur van de stichting. De hiervoor genoemden notulen van de bestuursvergaderingen in 2016 en de e-mailwisselingen tussen [persoon D] en [persoon G] (rov. 3.2.10, 3.2.12 en 3.2.13) laten inderdaad zien dat de structuur van de stichting en de afstemming van taken en verantwoordelijkheden in de samenwerking met ZM nog vorm moesten krijgen en dat daarover discussies plaatsvonden tussen [persoon A] en het bestuur van de stichting. Dat [persoon A] hierbij probeerde invloed uit te oefenen op de besluitvorming door het bestuur van de stichting is echter onvoldoende om te concluderen dat [persoon A] zich ook daadwerkelijk bestuursbevoegdheden heeft toege\u00ebigend. Uit de notulen van de bestuursvergaderingen in 2016 blijkt juist dat het bestuur desondanks zijn eigen beleid bepaalde. Dat hierbij de belangen en wensen van [persoon A] en ZM een rol speelden is gezien de hiervoor in rov. 3.6.4. beschreven nauwe verbondenheid logisch en noodzakelijk.<\/p>\n<p>Uit de e-mail van 15 november 2016 (rov. 3.2.16.) van [persoon A] aan [persoon G] (op dat moment lid van de raad van toezicht van de stichting) volgt dat [persoon A] betrokken is geweest bij de invulling van het bestuur van de stichting na het aftreden van [persoon E] en [persoon D] en het doorschuiven van [persoon F] naar de raad van toezicht. Uit dit e-mailbericht volgt ook dat zij afspraken hebben gemaakt over de samenwerking tussen ZM en de stichting. Zij gingen er, zo volgt uit de tekst van de e-mail, van uit dat ZM de contractpartner van de klanten zou zijn en dat de gemeente vanaf 2017 geen contractpartner meer van de stichting zou zijn. Ook gingen zij er van uit dat de stichting zich binnen haar doelstelling zou bezighouden met PR en marketing en dat er een eenvoudige agentuurovereenkomst zou komen tussen ZM en de stichting. Ook hiervoor geldt dat de hierboven in rov. 3.6.4. beschreven nauwe samenwerking dergelijke afspraken logisch en noodzakelijk maakte. Dit betekent naar het oordeel van het hof niet dat [persoon A] kan worden gekwalificeerd als feitelijk beleidsbepaler van de stichting. Uit de e-mailwisseling blijkt immers niet dat [persoon A] zich bestuursbevoegdheden heeft toege\u00ebigend.<\/p>\n<p>Dit wordt niet anders door de opmerking van [persoon A] in de e-mail dat zijn eerste zorg nu is \u201c [A] \u201d veiligstellen. ZM heeft hierbij als eigenaar van het platform immers een groot belang, te meer aangezien zowel [persoon A] als de stichting er op dat moment kennelijk van uit gaan dat ZM (en dus niet de stichting) vanaf 2017 de contractpartner van de gemeente zal zijn.<\/p>\n<p>[persoon A] heeft vervolgens ook conform deze afspraken gehandeld. Dit blijkt uit de e-mail die [persoon A] op 15 november 2016 naar de gemeente ( [persoon O] en [persoon P] ) heeft gestuurd en waarin hij [persoon C] introduceert als directeur-bestuur van de stichting en degene die namens de stichting ZM vertegenwoordigt bij gemeenten en overheidsorganisaties (rov. 3.2.16.).<\/p>\n<p>De curator heeft nog aangevoerd dat [persoon K] van de gemeente op diezelfde dag contact heeft opgenomen met de stichting over een offerte die zij van ZM hadden ontvangen. Dit doet aan het voorgaande niet af. Het kan immers zo zijn dat de boodschap van [persoon A] nog niet bij [persoon K] terecht was gekomen. Op 30 november 2016 heeft [persoon C] (en niet [persoon A] ) bovendien met [persoon K] gesproken over de offerte en hem een nieuw voorstel voor samenwerking gedaan (rov. 3.2.17. hiervoor). Dat [persoon C] de reactie van de gemeente op dit voorstel vervolgens heeft doorgestuurd binnen de stichting en naar [persoon A] met het verzoek te overleggen hoe hierop te reageren, betekent niet dat [persoon A] zich een deel van bestuursbevoegdheid heeft toege\u00ebigend. Kern van de nieuwe overeenkomst was immers het gebruik door de gemeente van het platform en de (door)ontwikkeling daarvan en van Cockpitwerk en dit maakte de betrokkenheid van ZM en [persoon A] bij de inhoud en uitvoering van de overeenkomst noodzakelijk.<\/p>\n<p>Uit de vaststaande feiten blijkt dat er ook in 2017 zowel binnen de stichting, door het bestuur en de raad van toezicht, als tussen de stichting en ZM is gesproken over de samenwerking, de verdeling van taken en verantwoordelijkheden en de financiering (zie rov. 3.2.18. e.v.). Ook hieruit blijkt naar het oordeel van het hof niet dat [persoon A] zich een deel van de bestuursbevoegdheid heeft toege\u00ebigend. Uit de geciteerde e-mails blijkt wel dat [persoon A] heeft geprobeerd om het bestuur van de stichting van zijn visie te overtuigen, maar daaruit blijkt ook dat het bestuur een eigen visie heeft en die niet wil prijsgeven. Zo benadrukt [persoon C] in de e-mailwisseling op 16 en 17 februari 2017 naar aanleiding van de opmerking van [persoon A] dat hij zoveel mogelijk bij de salesgesprekken aanwezig zal zijn, dat is afgesproken dat de stichting het verkoopbedrijf is en ZM het productie-\/ontwikkelbedrijf en dat sales dus onder de verantwoordelijkheid van de stichting valt (rov. 3.2.22.).<\/p>\n<p>Uit de correspondentie in de periode vanaf 30 maart 2017 blijkt dat het bestuur van de stichting ZM en [persoon A] vervolgens voortdurend aanspreekt op de afspraken die zijn gemaakt (rov. 3.2.23. e.v.). De stichting doet een beroep op de verantwoordelijkheid van ZM en [persoon A] met betrekking tot de kosten van huisvesting vanaf 1 april 2017 en het verschaffen van de noodzakelijke financiering, verzoekt [persoon A] om zich naar buiten toe niet uit te geven als een bevoegd persoon namens de stichting en weigert betalingsverzoeken van ZM. Hieruit blijkt juist dat het bestuur van de stichting het niet toelaat dat [persoon A] het beleid bepaalt.<\/p>\n<p>Dat [persoon D] een belang van 2,5% in ZM had en een vergoeding van \u20ac 6.000,- heeft ontvangen en dat [persoon C] gedurende enige tijd een agentuurovereenkomst met ZM had op grond waarvan hij commissie zou ontvangen indien hij een overeenkomst tussen ZM en een derde tot stand zou brengen, leidt niet tot een ander oordeel. Hieruit blijkt op zichzelf immers niet dat [persoon D] en [persoon C] als bestuurder van de stichting uitsluitend instructies van [persoon A] uitvoerden, of dat [persoon A] anderszins het beleid van de stichting mede bepaalde. Het hof verwijst in dit verband naar het voorgaande, waaruit juist blijkt dat geen sprake was van het daadwerkelijk aansturen door [persoon A] van [persoon D] en [persoon C] in die zin dat hij zich een deel van de bestuursbevoegdheid toe\u00ebigende, ondanks dat [persoon A] wel een andere visie had en pogingen deed het bestuur daarvan te overtuigen.<\/p>\n<p>Ook hetgeen is verklaard door [persoon D] , [persoon J] , [persoon G] en [persoon C] in het voorlopig getuigenverhoor en door [persoon E] en [persoon F] buiten rechte, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens deze betrokkenen liepen de acties van de stichting en ZM in 2016 door elkaar, bemoeide [persoon A] zich overal mee en was hij zeer dominant. Ook indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat de in deze verklaringen naar voren gebrachte visie een juist beeld geeft, is dit in het licht van het voorgaande echter onvoldoende om te kunnen oordelen dat [persoon A] zich een deel van de bestuursbevoegdheid toe\u00ebigende.<\/p>\n<p>Op een vraag van de curator naar aanleiding van de e-mailwisseling op 24 juli 2016 over het betalingsverzoek van [persoon A] (zie rov. 3.2.13.), antwoordde [persoon D] dat [persoon A] absoluut de senioriteit had en aan de touwtjes trok. Uit deze mailwisseling volgt echter juist dat [persoon D] het betalingsverzoek van [persoon A] weigerde en in strijd met de wens van [persoon A] een bedrag van \u20ac 3.000,- aan zichzelf heeft betaald. Andere voorbeelden waaruit zou blijken dat [persoon A] feitelijk aan de touwtjes trok, geeft [persoon D] niet in zijn verklaring.<\/p>\n<p>[persoon G] heeft verklaard dat het er dicht tegenaan zat dat [persoon A] feitelijk de financi\u00ebn bestierde en dat de rol van [persoon A] bij de stichting zeer groot was, zoals blijkt uit het feit dat [persoon A] begin 2017 heeft voorgesteld dat de stichting een lening zou aangegaan die uiteindelijk aan ZM ten goede zou komen. Uit de verklaring van [persoon G] blijkt echter ook dat zij als lid van raad van toezicht heeft geadviseerd om dit niet te doen, en dat [persoon C] als bestuurder van de stichting hieraan ook niet heeft meegewerkt. Hieruit blijkt juist, net als uit het voorgaande, dat het bestuur van de stichting zelf besliste over de financi\u00ebn en de plannen en voorstellen van [persoon A] niet uitvoerde indien dit niet in het belang van de stichting was.<\/p>\n<p>De door de curator overgelegde verklaringen zijn in het licht van de vaststaande feiten dus onvoldoende ter onderbouwing van zijn stelling dat [persoon A] moet worden gekwalificeerd als feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:138 lid 7 BW.<\/p>\n<p>Uit het voorgaande volgt dat [persoon A] niet kan worden gekwalificeerd als feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:138 lid 7 BW. Dit betekent dat de vordering op [persoon A] moet worden afgewezen. De curator heeft aan zijn vordering op [persoon A] immers uitsluitend artikel 2:138 BW ten grondslag gelegd, zoals hij tijdens de zitting in hoger beroep desgevraagd heeft bevestigd.<\/p>\n<p>Zijn [persoon D] en [persoon C] aansprakelijk voor het boedeltekort?<\/p>\n<p>[persoon D] en [persoon C] waren bestuurder van de stichting (zie rov. 3.2.5.). Zij hebben geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW is voldaan. Dit betekent dat vaststaat dat het bestuur van de stichting zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat onbehoorlijke taakververvulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:138 lid 2 BW). De vraag die het hof vervolgens moet beantwoorden is of dit bewijsvermoeden is ontzenuwd.<\/p>\n<p>Het hof stelt hierbij het volgende voorop. Voor het ontzenuwen van het vermoeden dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator om op de voet van artikel 2:138 lid 1 BW aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Naast van buiten komende oorzaken, kan ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat weliswaar een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest maar dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert, en waarvan dus niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld, voldoende zijn voor ontzenuwing van het in artikel 2:138 lid 2 BW bedoelde vermoeden.<\/p>\n<p>Dit wordt niet anders doordat artikel 2:138 lid 2 BW bepaalt dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld indien het niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 BW of art. 2:394 BW, en in de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat hiermee is bedoeld dat uit deze tekortkomingen wordt afgeleid dat het bestuur zijn taak ook in het algemeen onbehoorlijk heeft vervuld en daartegen geen tegenbewijs openstaat. Een en ander moet immers worden gelezen in het licht van het aan art. 2:138 BW ten grondslag liggende uitgangspunt dat het niet erom gaat de bestuurders persoonlijk voor het gehele tekort aansprakelijk te maken wegens het enkele feit van het onbehoorlijke bestuur, ook al heeft dit niet tot het faillissement geleid. Met dit laatste strookt dat in de wetsgeschiedenis ook is opgemerkt dat het bestuur in verband met het bijeenbrengen van tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden dat kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, bewijs ervan kan leveren dat het zich voor het overige wel behoorlijk van zijn taak heeft gekweten. Zie Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services).<\/p>\n<p>De stellingen van [persoon D] en [persoon C] komen erop neer dat het faillissement van de stichting is veroorzaakt door het geschil van de stichting met ZM over de uitvoering van de overeenkomst met de gemeente. Volgens het bestuur van de stichting was er met ZM mondeling afgesproken dat ZM zou zorgen voor de financiering van de huisvesting van de supportdesk als de gemeente daarmee zou stoppen. Toen ZM dat weigerde, en bovendien de toegang van de stichting tot het platform afsloot, ontstond een acuut financieel probleem voor de stichting. Dit laatste was voor de gemeente immers aanleiding om de betaling van de maandelijkse fee op te schorten.<\/p>\n<p>De door [persoon D] en [persoon C] geschetste gang van zaken blijkt uit de correspondentie tussen [persoon C] en [persoon A] vanaf 30 maart 2017 (zie rov. 3.2.23. e.v.) en de brief van de gemeente aan de stichting van 3 juli 2017 (zie rov. 3.2.32.), en uit de door de curator overgelegde verklaringen van [persoon G] en [persoon C] in het voorlopig getuigenverhoor.<\/p>\n<p>Naar het oordeel van de het hof hebben [persoon D] en [persoon C] hiermee het vermoeden dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur van de stichting een belangrijke oorzaak van het faillissement is, ontzenuwd. Zij hebben een andere belangrijke oorzaak van het faillissement aannemelijk gemaakt, die geen kennelijk onbehoorlijke taakvervulling vormt in de zin van artikel 2:138 lid 1 BW.<\/p>\n<p>Dit betekent dat het aan de curator is om op de voet van artikel 2:138 lid 1 BW aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Stelplicht en bewijslast dat van een dergelijke onbehoorlijke taakvervulling sprake is rusten op de curator, omdat [persoon D] en [persoon C] het vermoeden van art. 2:138 lid 2 BW hebben ontzenuwd (zie 3.7.3.).<\/p>\n<p>Volgens de curator is er sprake van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als oorzaak van het faillissement omdat \u2013 kort gezegd &#8212; (i) het bestuur niet heeft gezorgd voor een deugdelijke schriftelijke vastlegging van de afspraken met ZM en (ii) omdat het overgrote deel van de door de gemeente aan de stichting betaalde bedragen aan ZM is overgemaakt. Hierdoor was sprake van een risicovolle structuur met een precaire financi\u00eble situatie. [persoon D] en [persoon C] hebben zich hierbij primair laten leiden door het belang van ZM en niet door het belang van de stichting en hebben toegelaten dat [persoon A] de stichting feitelijk bestuurde, aldus de curator. De rechtbank is het met de curator eens (rov. 5.33. en 5.34. van het bestreden vonnis). Tegen dit oordeel komen [persoon D] en [persoon C] in hoger beroep op, zo volgt uit de grieven 2 en 4 van [persoon D] en [persoon C] en de toelichting daarop.<\/p>\n<p>Van belang is dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben (Hoge Raad 7 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2096 en Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053). De vraag of het bestuur zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, moet beoordeeld worden naar hetgeen het bestuur voorzag of kon voorzien op het moment dat het die taak vervulde (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 3). Hierbij is het niet de bedoeling bestuurders te straffen voor onopzettelijke domheden en beleidsfouten. Door het woord \u2018kennelijk\u2019 wordt uitgedrukt dat slechts een in het oog springende, bij wijze van spreken elke twijfel uitsluitende onbehoorlijkheid van de taakvervulling in aanmerking moet worden genomen (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 21) De bestuurders moeten hebben gehandeld met de (objectieve) wetenschap dat de schuldeisers zullen worden benadeeld (Handelingen II 1984\/85, 16631, p. 6337).<\/p>\n<p>Het hof volgt de curator niet dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [persoon D] en [persoon C] . Hiervoor is het volgende redengevend.<\/p>\n<p>Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6.1. e.v. is overwogen, volgt al dat [persoon D] en [persoon C] zich niet primair hebben laten leiden door het belang van ZM in plaats van dat van de stichting. Ook hebben zij niet toegelaten dat [persoon A] de stichting feitelijk bestuurde, ondanks de rol van [persoon A] en ZM bij de oprichting van de stichting en de met de gemeente en het payrollbedrijf gemaakte afspraken, en de financi\u00eble afhankelijkheid van [persoon D] en [persoon C] van ZM.<\/p>\n<p>Vast staat dat de afspraken die de stichting volgens [persoon C] en [persoon D] met ZM heeft gemaakt, niet in een schriftelijke overeenkomst zijn vastgelegd. Vast staat echter ook dat er wel daadwerkelijk sprake was van afspraken en dat het overgrote deel van de bedragen die de stichting van de gemeente heeft ontvangen, conform die gemaakte afspraken aan ZM is overgemaakt. Zo hebben tot eind maart 2017 zowel (het bestuur van) de stichting als ZM conform de gemaakte afspraken gehandeld, in die zin dat de stichting de maandelijkse lasten van het payrollbedrijf en de overige kosten van de stichting heeft betaald uit de maandelijkse vergoeding van de gemeente, en dat alles wat er overbleef ging naar ZM als vergoeding voor het gebruik van het platform en de implementatie- en ontwikkelingswerkzaamheden. Hiermee werd de beoogde \u201cno profit no loss\u201d situatie voor de stichting bereikt. Naar het oordeel van het hof is hiermee geen sprake van een dusdanig risicovolle structuur dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op deze wijze zou hebben gehandeld. Hierbij is van belang dat [persoon C] in staat is gebleken om binnen de financi\u00eble ruimte van de stichting per 1 april 2017 huisvesting voor de supportdesk te organiseren (zie rov. 3.2.24. en 3.2.25.), waardoor de verdere uitvoering van de overeenkomst met de gemeente tot 1 juli 2017 was gewaarborgd, en [persoon C] bij brieven van 14 en 26 april 2017 ZM heeft aangesproken tot terugbetaling van een deel van de overgemaakte bedragen om in de financieringsbehoefte van de stichting te voorzien (zie rov. 3.2.25. en 3.2.26.). Dat ZM hieraan geen gehoor heeft gegeven, en dat het bestuur van de stichting ten onrechte heeft vertrouwd op de afspraken met ZM, heeft niet tot gevolg dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de hiervoor bedoelde zin. Het is bij de toepassing van artikel 2:138 BW immers niet de bedoeling om bestuurders te \u2018straffen\u2019 voor onopzettelijke domheden en beleidsfouten.<\/p>\n<p>De curator heeft nog aangevoerd dat de reden om alleen [persoon D] en [persoon C] , en niet de andere (voormalige) bestuurders van de stichting, aansprakelijk te stellen, is gelegen in het feit dat zij financieel gewin hebben genoten. Uit de vaststaande feiten volgt dat [persoon D] als bestuurder van de stichting aan zichzelf een vergoeding voor zijn werkzaamheden van \u20ac 3.000,- heeft betaald. [persoon C] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij voor zijn werkzaamheden voor de stichting \u00e9\u00e9n keer een bedrag van \u20ac 2.500,- heeft ontvangen en van ZM nog twee keer een bedrag van \u20ac 500,-. Van zelfverrijking in de wetenschap dat schuldeisers worden benadeeld is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake. Het enkele feit dat [persoon C] en [persoon D] de hiervoor genoemde geringe bedragen hebben ontvangen is hiervoor niet voldoende, en een verdere onderbouwing door de curator ontbreekt. De betalingen aan [persoon C] en [persoon D] leiden dan ook niet tot de conclusie dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de hiervoor vermelde zin.<\/p>\n<p>De conclusie is dus dat [persoon D] en [persoon C] niet aansprakelijk zijn voor het boedeltekort op grond van artikel 2:138 BW. Dit betekent dat de vorderingen op [persoon D] en [persoon C] moeten worden afgewezen. De curator heeft aan zijn vorderingen op [persoon D] en [persoon C] immers uitsluitend artikel 2:138 BW ten grondslag gelegd, zoals hij ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft bevestigd.<\/p>\n<p>De vordering van [persoon A] tot opheffing van het door de curator gelegde beslag<\/p>\n<p>Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 704 lid Rv een gelegd beslag van rechtswege vervalt indien de eis in hoofdzaak is afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Dit betekent dat als dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan, het door de curator ten laste van [persoon A] gelegde beslag op (zijn aandeel in) zijn woonhuis van rechtswege vervalt.<\/p>\n<p>De enkele afwijzing van de vordering van de curator is op zichzelf geen grond om voordat die afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan, het beslag op te heffen. Opheffing is in dat geval slechts aan de orde indien de afweging van de wederzijdse belangen van partijen daartoe aanleiding geeft, waarbij de omstandigheid dat het hof de vordering van de curator afwijst zal meewegen. Vgl. Hoge Raad 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559.<\/p>\n<p>Ter onderbouwing van zijn vordering tot opheffing van het beslag heeft [persoon A] aangevoerd dat de curator geen belang meer heeft bij handhaving van het beslag indien zijn vordering wordt afgewezen en dat het boedeltekort niet vaststaat en dus de vordering van de curator zelfs summierlijk niet vast staat. Hiermee heeft [persoon A] zijn vordering tot opheffing onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat de vordering van curator wordt afgewezen is hiervoor immers onvoldoende. [persoon A] heeft bovendien niet gesteld wat zijn belang is bij opheffing van het beslag op (zijn aandeel in) zijn woonhuis en waarom dat belang zwaarder zou moeten wegen dan het belang van de curator bij handhaving van het beslag.<\/p>\n<p>Slotsom<\/p>\n<p>In het hoger beroep met nummer 200.341.146\/01<\/p>\n<p>tussen [persoon A] en de curator (hoofdzaak)<\/p>\n<p>Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de grieven van [persoon A] tegen het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak in conventie slagen, danwel geen bespreking behoeven. Dit betekent dat het hof het vonnis in de hoofdzaak voor zover in conventie gewezen tussen [persoon A] en de curator zal vernietigen, de vorderingen van de curator jegens [persoon A] alsnog zal afwijzen en de curator zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [persoon A] op grond van het vonnis in de hoofdzaak reeds heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling.<\/p>\n<p>Uit het bovenstaande volgt verder dat de grief van [persoon A] tegen het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak in reconventie niet slaagt. Het hof zal dan ook het vonnis van de rechtbank voor zover in reconventie gewezen tussen [persoon A] en de curator bekrachtigen.<\/p>\n<p>tussen [persoon A] en [persoon D] \/ [persoon C] (vrijwaringszaak I)<\/p>\n<p>Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt voorts dat de grief van [persoon A] tegen het vonnis in vrijwaringszaak I slaagt. Aangezien het hof in het hoger beroep met nummer 200.342.306\/01 de vorderingen van de curator op [persoon D] en [persoon C] zal afwijzen (zie hoger beroep nummer 200.342.306\/01), is [persoon A] ook niet gehouden hen te vrijwaren.<\/p>\n<p>Dit betekent dat het hof het vonnis in vrijwaringszaak I zal vernietigen, de vorderingen van [persoon D] en [persoon C] alsnog zal afwijzen en [persoon D] en [persoon C] hoofdelijk zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [persoon A] op grond van het vonnis in vrijwaringszaak I reeds heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling.<\/p>\n<p>proceskosten<\/p>\n<p>[persoon A] heeft gevorderd dat de curator, [persoon D] en [persoon C] hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. De curator geldt in de hoofdzaak als de in het ongelijk gestelde partij. [persoon D] en [persoon C] gelden in vrijwaringszaak I als de in het ongelijk gestelde partij.<\/p>\n<p>De hoofdzaak en vrijwaringszaak I betreffen in eerste aanleg verschillende procedures. Het hof zal de curator veroordelen in de proceskosten van [persoon A] in eerste aanleg in de hoofdzaak in conventie (de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in reconventie valt onder de bekrachtiging van het vonnis in reconventie). Verder zal het hof [persoon D] en [persoon C] hoofdelijk veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg in vrijwaringszaak I.<\/p>\n<p>De grieven van [persoon A] zijn voor het overgrote deel gericht tegen het vonnis in de hoofdzaak en de vernietiging van het vonnis in vrijwaringszaak I vloeit logischerwijs voort uit de vernietiging van het vonnis in de hoofdzaak tussen de curator en [persoon D] en [persoon C] in het hoger beroep met nummer 200.342.306\/01 (zie hierna in rov. 3.9.6.). De curator en [persoon C] en [persoon D] hebben niet dezelfde advocaat en hebben ook geen gelijkluidend verweer gevoerd. Dit maakt dat het hof de curator zal veroordelen in 90% en [persoon D] en [persoon C] hoofdelijk in 10% van de proceskosten van [persoon A] in dit hoger beroep.<\/p>\n<p>De kosten voor de procedure in eerste aanleg in de hoofdzaak aan de zijde van [persoon A] in conventie zullen worden vastgesteld op:<\/p>\n<p>Griffierecht \u20ac 1.666,-<\/p>\n<p>Salaris advocaat \u20ac 5.428,- (2 punten x tarief VI)<\/p>\n<p>Totaal \u20ac 7.094,-<\/p>\n<p>De kosten voor de procedure in eerste aanleg in vrijwaringszaak I aan de zijde van [persoon A] zullen worden vastgesteld op \u20ac 5.428,- (2 punten x tarief VI) aan salaris advocaat.<\/p>\n<p>De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [persoon A] zullen vastgesteld worden op:<\/p>\n<p>Explootkosten \u20ac 135,97<\/p>\n<p>Griffierechten \u20ac 349,-<\/p>\n<p>Salaris advocaat \u20ac 17.712,- (4 punten x tarief VI)<\/p>\n<p>Nakosten \u20ac 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)<\/p>\n<p>Totaal \u20ac 18.374,97<\/p>\n<p>Van dit bedrag komt 90% (\u20ac 16.537,47) voor rekening van de curator en 10% (\u20ac 1.837,50) voor rekening van [persoon C] en [persoon D] .<\/p>\n<p>In de zaak met nummer 200.342.306\/01<\/p>\n<p>tussen [persoon D] \/ [persoon C] en de curator<\/p>\n<p>Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de grieven van [persoon D] en [persoon C] tegen het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak slagen, danwel geen bespreking behoeven. Dit betekent dat het hof het vonnis in de hoofdzaak gewezen tussen de curator en [persoon D] \/ [persoon C] zal vernietigen, de vorderingen van de curator alsnog zal afwijzen en de curator zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [persoon D] en [persoon C] op grond van het vonnis van de hoofdzaak reeds hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling.<\/p>\n<p>tussen [persoon D] \/ [persoon C] en [persoon A]<\/p>\n<p>De grieven van [persoon D] en [persoon C] tegen het vonnis in vrijwaringszaak I waren erop gericht om alsnog tot volledige toewijzing van hun vordering op [persoon A] te komen. Aangezien het hof de vorderingen van de curator op [persoon D] en [persoon C] zal afwijzen, is [persoon A] niet gehouden tot vrijwaring van [persoon D] en [persoon C] . De grieven van [persoon D] en [persoon C] slagen om die reden niet. Bekrachtiging van het vonnis in vrijwaringszaak I is echter niet aan de orde. In het hoger beroep met nummer 200.341.146\/01 tussen [persoon A] enerzijds en [persoon C] en [persoon D] anderzijds is dit vonnis immers vernietigd. Het hof zal dit vonnis ook in dit hoger beroep met nummer 200.342.306\/01 vernietigen, om misverstanden te voorkomen.<\/p>\n<p>proceskosten<\/p>\n<p>Uit het voorgaande volgt dat het hof de curator zal veroordelen in de proceskosten van [persoon D] en [persoon C] in eerste aanleg in de hoofdzaak en in hoger beroep.<\/p>\n<p>Voor wat betreft de proceskosten van [persoon A] in het hoger beroep van [persoon C] en [persoon D] tegen het vonnis in vrijwaringszaak I geldt het volgende. In het hoger beroep met nummer 200.341.146\/01 tussen [persoon A] enerzijds en [persoon D] en [persoon C] anderzijds heeft het hof [persoon D] en [persoon C] al veroordeeld in de proceskosten van [persoon A] in eerste aanleg in vrijwaringszaak I. Het hof zal [persoon D] en [persoon C] in dit hoger beroep met nummer 200.342.306\/01 dan ook niet (opnieuw) veroordelen in de proceskosten van [persoon A] in eerste aanleg in vrijwaringszaak I. Voor wat betreft de proceskosten van [persoon A] in dit hoger beroep geldt dat het hof in de bijzonderheden en de samenhang tussen beide hoger beroepszaken aanleiding ziet om in deze hoger beroepsprocedure de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt.<\/p>\n<p>De kosten voor de procedure in eerste aanleg in de hoofdzaak aan de zijde van [persoon D] en [persoon C] zullen worden vastgesteld op:<\/p>\n<p>Griffierecht \u20ac 1.666,-<\/p>\n<p>Salaris advocaat \u20ac 5.428,- (2 punten x tarief VI)<\/p>\n<p>Totaal \u20ac 7.094,-<\/p>\n<p>De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [persoon D] en [persoon C] zullen vastgesteld worden op:<\/p>\n<p>Explootkosten \u20ac 135,97<\/p>\n<p>Griffierechten \u20ac 349,-<\/p>\n<p>Salaris advocaat \u20ac 17.712,- (4 punten x tarief VI)<\/p>\n<p>Nakosten \u20ac 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)<\/p>\n<p>Totaal \u20ac 18.374,97<\/p>\n<p>De door [persoon D] en [persoon C] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.<\/p>\n<h3>4De uitspraak<\/h3>\n<p>Het hof:<\/p>\n<p>in de zaak met 200.341.146\/01<\/p>\n<p>tussen de curator en [persoon A]<\/p>\n<p>vernietigt het bestreden vonnis in de hoofdzaak in conventie tussen de curator en [persoon A] gewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende,<\/p>\n<p>wijst de vorderingen van de curator in de hoofdzaak op [persoon A] af;<\/p>\n<p>veroordeelt de curator om binnen acht dagen na betekening van dit arrest aan [persoon A] terug te betalen hetgeen [persoon A] op basis van het vonnis in de hoofdzaak in conventie reeds heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag betaling tot aan de dag der algehele voldoening;<\/p>\n<p>veroordeelt de curator in de proceskosten van de eerste aanleg in de hoofdzaak in conventie van \u20ac 7.094,- en van het hoger beroep van \u20ac 16.537,47, te betalen binnen 14 dagen na heden. Als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de curator \u20ac 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;<\/p>\n<p>bekrachtigt het bestreden vonnis in de hoofdzaak in reconventie;<\/p>\n<p>tussen [persoon A] en [persoon D] \/ [persoon C]<\/p>\n<p>vernietigt het bestreden vonnis in vrijwaringszaak I en opnieuw rechtdoende,<\/p>\n<p>wijst de vorderingen van [persoon D] en [persoon C] in vrijwaringszaak I af;<\/p>\n<p>veroordeelt [persoon D] en [persoon C] hoofdelijk om binnen acht dagen na betekening van dit arrest aan [persoon A] terug te betalen hetgeen [persoon A] op basis van het vonnis in de hoofdzaak reeds heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag betaling tot aan de dag der algehele voldoening;<\/p>\n<p>veroordeelt [persoon D] en [persoon C] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg in vrijwaringszaak I van \u20ac 5.428,- en van het hoger beroep van \u20ac 1.837,50, te betalen binnen 14 dagen na heden. Als [persoon D] en [persoon C] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de curator \u20ac 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;<\/p>\n<p>verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.<\/p>\n<p>in de zaak met 200.342.306\/01<\/p>\n<p>verklaart [persoon A] niet-ontvankelijk in zijn in rov. 3.4.8. hiervoor genoemde vorderingen;<\/p>\n<p>tussen [persoon D] \/ [persoon C] en de curator<\/p>\n<p>vernietigt het bestreden vonnis in de hoofdzaak en, opnieuw rechtdoende,<\/p>\n<p>wijst de vorderingen van de curator op [persoon D] en [persoon C] in de hoofdzaak af;<\/p>\n<p>veroordeelt de curator om binnen acht dagen na betekening van dit arrest aan [persoon D] en [persoon C] terug te betalen hetgeen zij op basis van het vonnis in de hoofdzaak reeds hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag betaling tot aan de dag der algehele voldoening;<\/p>\n<p>veroordeelt de curator in de proceskosten van de eerste aanleg in de hoofdzaak van \u20ac 7.094,- en van het hoger beroep van \u20ac 18.374,97, te betalen binnen 14 dagen na heden. Als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de curator \u20ac 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;<\/p>\n<p>veroordeelt de curator in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;<\/p>\n<p>tussen [persoon D] \/ [persoon C] en [persoon A]<\/p>\n<p>vernietigt het vonnis in vrijwaringszaak I en opnieuw rechtdoende,<\/p>\n<p>wijst de vorderingen van [persoon D] en [persoon C] in vrijwaringszaak I af;<\/p>\n<p>compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten in hoger beroep draagt;<\/p>\n<p>wijst af het meer of anders gevorderde;<\/p>\n<p>verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.<\/p>\n<p>Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, P.M. Arnoldus-Smit en<\/p>\n<p>C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op<\/p>\n<p>2 september 2025.<\/p>\n<p>griffier rolraadsheer<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2379\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Faillissement stichting. Is sprake van een feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:138 lid 7 BW? Hebben de bestuurders het bewijsvermoeden van artikel 2:138 lid 2 BW ontzenuwd? Toepassing van Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services).<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[8088],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[7813,13517,8136,9170,9171],"kji_language":[7671],"class_list":["post-585943","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-gerechtshof-s-hertogenbosch","kji_year-8463","kji_subject-divers","kji_keyword-artikel","kji_keyword-faillissement","kji_keyword-gerechtshof","kji_keyword-ghshe","kji_keyword-s-hertogenbosch","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:GHSHE:2025:2379 Gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch , 02-09-2025 \/ 200.341.146_01 + 200.342.306_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:GHSHE:2025:2379 Gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch , 02-09-2025 \/ 200.341.146_01 + 200.342.306_01\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Faillissement stichting. Is sprake van een feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:138 lid 7 BW? Hebben de bestuurders het bewijsvermoeden van artikel 2:138 lid 2 BW ontzenuwd? Toepassing van Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services).\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"69 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:GHSHE:2025:2379 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 02-09-2025 \\\/ 200.341.146_01 + 200.342.306_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-17T10:46:26+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:GHSHE:2025:2379 Gerechtshof &lsquo;s-Hertogenbosch , 02-09-2025 \\\/ 200.341.146_01 + 200.342.306_01\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2379 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 02-09-2025 \/ 200.341.146_01 + 200.342.306_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2379 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 02-09-2025 \/ 200.341.146_01 + 200.342.306_01","og_description":"Faillissement stichting. Is sprake van een feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:138 lid 7 BW? Hebben de bestuurders het bewijsvermoeden van artikel 2:138 lid 2 BW ontzenuwd? Toepassing van Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services).","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"69 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/","name":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2379 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 02-09-2025 \/ 200.341.146_01 + 200.342.306_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-17T10:46:26+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252379-gerechtshof-s-hertogenbosch-02-09-2025-200-341-146_01-200-342-306_01\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2379 Gerechtshof &lsquo;s-Hertogenbosch , 02-09-2025 \/ 200.341.146_01 + 200.342.306_01"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/585943","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=585943"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=585943"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=585943"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=585943"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=585943"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=585943"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=585943"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=585943"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}