{"id":591257,"date":"2026-04-18T02:54:42","date_gmt":"2026-04-18T00:54:42","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/"},"modified":"2026-04-18T02:54:42","modified_gmt":"2026-04-18T00:54:42","slug":"eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:RBDHA:2025:27591 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 \/ NL24.8479"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> derdelander Oekra\u00efne; terugkeerbesluit.<\/p>\n<p>RECHTBANK DEN HAAG<\/p>\n<p>Bestuursrecht<\/p>\n<p>zaaknummer: NL24.8479<\/p>\n<h3>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen<\/h3>\n<h3>[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser<\/h3>\n<p>(gemachtigde: mr. M.E. Muller),<\/p>\n<p>en<\/p>\n<p>de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder<\/p>\n<p>(gemachtigde: mr. F. Mahler).<\/p>\n<h3>Inleiding<\/h3>\n<p>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 7 februari 2024 en het beroep tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 11 augustus 2025.<\/p>\n<p>Verweerder heeft met het besluit van 7 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd. Gelijktijdig met het beroep van eiser daartegen heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dit verzoek is reeds toegewezen. Op 11 augustus 2025 heeft verweerder dat terugkeerbesluit ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 uit Nederland moet vertrekken.<\/p>\n<p>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.<\/p>\n<p>2. De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.<\/p>\n<h3>Beoordeling door de rechtbank<\/h3>\n<p>Waar gaat deze zaak over?<\/p>\n<p>3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser had in Oekra\u00efne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekra\u00efne. Eiser is vanuit Oekra\u00efne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.<\/p>\n<p>Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, geregistreerd met zaaknummer NL24.8479.<\/p>\n<p>Op 11 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is be\u00ebindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens verweerder prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. Verweerder heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het bestreden besluit van 11 augustus 2025.<\/p>\n<p>Wat vindt eiser in beroep?<\/p>\n<p>4. Eiser wijst erop dat na afloop van de tijdelijke bescherming het verblijf van een vreemdeling niet automatisch illegaal wordt, omdat sommige personen een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en op grond van die aanvraag dus rechtmatig verblijf hebben. Een vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, mag namelijk gedurende deze periode in een lidstaat blijven en dit eindigt pas wanneer het verzoek wordt afgewezen. Eiser stelt echter dat zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Hij erkent dat een asielaanvraag buiten behandeling kan worden gesteld als een vreemdeling nalaat te reageren op verzoeken om informatie te verstrekken over elementen ter staving van de asielaanvraag. Eiser stelt dat in de brieven die door verweerder zijn gestuurd weliswaar deze vraag wordt gesteld, maar daarbij tevens is aangegeven dat het niet noodzakelijk was deze vraag te beantwoorden. Eiser concludeert dat hij op dit moment rechtmatig verblijft op grond van de toegewezen voorlopige voorziening en bevriezingsmaatregel, ofwel dat eiser niet als illegaal verblijvend kan worden aangemerkt. Daarbij stelt eiser dat het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 prematuur is genomen.<\/p>\n<p>Wat is het oordeel van de rechtbank?<\/p>\n<p>Ontvankelijkheid<\/p>\n<p>5. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb inhoudelijk beoordelen.<\/p>\n<p>Nu verweerder het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 15.<\/p>\n<p>Opleggen terugkeerbesluit 11 augustus 2025<\/p>\n<p>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 terecht heeft opgelegd. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.<\/p>\n<p>7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij niet illegaal verblijft omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend, die ten onrechte buiten behandeling is gesteld. De rechtbank overweegt weliswaar dat in het arrest Kaduna en Abkez is geoordeeld dat het verblijf van personen die facultatieve tijdelijke bescherming genieten, niet automatisch illegaal wordt vanaf de datum waarop deze bescherming wordt be\u00ebindigd. Zo kunnen sommige personen die bijvoorbeeld een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend uit hoofde daarvan recht hebben om op het grondgebied van de betrokken lidstaat te blijven. Eiser verwijst ook terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, waarin is geoordeeld dat verweerder asielaanvragen van derdelanders met tijdelijke bescherming niet buiten behandeling mag stellen als zij niet hebben geantwoord op het door haar toegezonden vragenformulier. Het beroep op deze uitspraak kan eiser echter niet baten, omdat hij geen beroep heeft ingesteld tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag, waardoor het besluit in rechte vaststaat. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat deze uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025 de formele rechtskracht van het besluit tot buiten behandelingstelling niet aantast. Van andere verblijfsrechtelijke procedures die aan het nemen van een terugkeerbesluit in de weg zouden kunnen staan is niet gebleken. Dat eiser op 27 augustus 2025 een reguliere aanvraag heeft ingediend doet eveneens niet af aan de rechtmatigheid van het eerder opgelegde terugkeerbesluit. Daarmee is in het geval van eiser geen sprake van een situatie waarop het arrest Kaduna en Akbez van toepassing is. Vanaf het moment dat de tijdelijke bescherming van eiser op 4 maart 2024 is ge\u00ebindigd, heeft hij geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland.<\/p>\n<p>8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen, want het terugkeerbesluit is opgelegd nadat het recht op tijdelijke bescherming is be\u00ebindigd. Uit het arrest Kaduna en Abkez volgt \u2013 kort samengevat \u2013 dat verweerder de facultatieve bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekra\u00efne vroegtijdig mocht be\u00ebindigen. Verweerder heeft per 4 maart 2024 de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser be\u00ebindigt. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekra\u00efne op 4 maart 2024 mocht be\u00ebindigen. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 11 augustus 2025 en verweerder om die reden bevoegd en verplicht was om een terugkeerbesluit op te leggen. Daarbij is het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 nu juist ingetrokken.<\/p>\n<p>9. Dat het eiser daarnaast op basis van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 onrechtmatig is. De bevriezingsmaatregel is geen verlenging van de tijdelijke bescherming en houdt enkel in dat eiser nog tijdelijk gebruik mag maken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had.<\/p>\n<p>10. Eisers standpunt dat verweerder geen terugkeerbesluit aan eiser kan opleggen omdat eiser materieel rechtmatig verblijf heeft vanwege de voorlopige voorziening, slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 26 april 2024 de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit heeft opgeschort en heeft bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. Eiser mag de verblijfsrechtelijke procedure weliswaar op het grondgebied afwachten, maar dit laat onverlet dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland. Hoogstens wordt de werking van het terugkeerbesluit opgeschort voor de duur van de getroffen voorlopige voorziening. Nu de tijdelijke bescherming is ge\u00ebindigd was verweerder bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen.<\/p>\n<p>11. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat verweerder bij het opleggen van een terugkeerbesluit naar behoren rekening moet houden met onder meer het priv\u00e9leven van de betrokken vreemdeling. Uit die rechtspraak volgt verder dat verweerder, wanneer hij voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen, de vreemdeling de gelegenheid moet bieden alle relevante informatie naar voren te brengen die kan rechtvaardigen dat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. In dit geval heeft verweerder eiser de gelegenheid gegeven om in zijn zienswijze dergelijke omstandigheden naar voren te brengen. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij een partner heeft die ook hier verblijft en dat hij hier werkt, maar heeft dit geenszins onderbouwd. Mede in aanmerking genomen dat het hier gaat om een terugkeerbesluit na het van rechtswege be\u00ebindigen van tijdelijke bescherming, vormen deze niet onderbouwde omstandigheden geen grond voor het oordeel dat van een terugkeerbesluit had moeten worden afgezien.<\/p>\n<p>12. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Marokko.<\/p>\n<h3>Conclusie en gevolgen<\/h3>\n<p>13. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk.<\/p>\n<p>14. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 11 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 terecht heeft opgelegd.<\/p>\n<p>15. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op \u20ac 907,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van \u20ac 907,- en een wegingsfactor 1).<\/p>\n<h3>Beslissing<\/h3>\n<p>De rechtbank<\/p>\n<p>verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;<\/p>\n<p>verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 11 augustus 2025 ongegrond;<\/p>\n<p>veroordeelt verweerder tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van \u20ac 907,-.<\/p>\n<p>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van<\/p>\n<p>mr. L.W.H. Schippers, griffier.<\/p>\n<p>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:<\/p>\n<p>Informatie over hoger beroep<\/p>\n<p>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.<\/p>\n<h3>Voetnoten<\/h3>\n<ol>\n<li>NL24.15368.<\/li>\n<li>Richtl\u0133n 2001\/55\/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van t\u0133del\u0133ke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.<\/li>\n<li>Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\/3822.<\/li>\n<li>Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.<\/li>\n<li>Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez), r.o. 154.<\/li>\n<li>Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1999.<\/li>\n<li>Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.<\/li>\n<li>Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.<\/li>\n<li>Uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.<\/li>\n<li>Op basis van artikel 6, eerste lid, van de terugkeerrichtlijn.<\/li>\n<li>Uitspraak van het Hof van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 (K.A. e.a.) punt 102, in samenhang met de uitspraak van het Hof van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913 (X) punt 92.<\/li>\n<\/ol>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27591\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>derdelander Oekra\u00efne; terugkeerbesluit.<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[7670],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[8141,8142,7674,7675,13549],"kji_language":[7671],"class_list":["post-591257","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-rechtbank-den-haag","kji_year-8463","kji_subject-divers","kji_keyword-derdelander","kji_keyword-oekraine","kji_keyword-rbdha","kji_keyword-rechtbank","kji_keyword-terugkeerbesluit","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.4 (Yoast SEO v27.4) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:RBDHA:2025:27591 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 \/ NL24.8479 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:RBDHA:2025:27591 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 \/ NL24.8479\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"derdelander Oekra\u00efne; terugkeerbesluit.\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"10 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:RBDHA:2025:27591 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 \\\/ NL24.8479 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-18T00:54:42+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:RBDHA:2025:27591 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 \\\/ NL24.8479\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:RBDHA:2025:27591 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 \/ NL24.8479 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:RBDHA:2025:27591 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 \/ NL24.8479","og_description":"derdelander Oekra\u00efne; terugkeerbesluit.","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"10 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/","name":"ECLI:NL:RBDHA:2025:27591 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 \/ NL24.8479 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-18T00:54:42+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202527591-rechtbank-den-haag-18-11-2025-nl24-8479\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:RBDHA:2025:27591 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 \/ NL24.8479"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/591257","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=591257"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=591257"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=591257"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=591257"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=591257"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=591257"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=591257"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=591257"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}