{"id":592695,"date":"2026-04-18T07:08:11","date_gmt":"2026-04-18T05:08:11","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/"},"modified":"2026-04-18T07:08:11","modified_gmt":"2026-04-18T05:08:11","slug":"eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:RBAMS:2025:10891 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 \/ 11678159 CV EXPL 25-6680"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> aandelenlease, tussenpersoon<\/p>\n<p>vonnis<\/p>\n<p>RECHTBANK AMSTERDAM<\/p>\n<p>Zaaknummer: 11678159 CV EXPL 25-6680<\/p>\n<p>vonnis van de kantonrechter van 30 oktober 2025<\/p>\n<p>in de zaak van<\/p>\n<p>[eiser \/ verzoeker] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] (Duitsland),<\/p>\n<p>eisende partij in conventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het (voorwaardelijke) incident,<\/p>\n<p>verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,<\/p>\n<p>gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,<\/p>\n<p>gevestigd te Amsterdam,<\/p>\n<p>gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het (voorwaardelijke) incident,<\/p>\n<p>eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,<\/p>\n<p>gemachtigde: USG Legal Professionals.<\/p>\n<p>Partijen worden hierna [eiser \/ verzoeker] en Dexia genoemd.<\/p>\n<h3>1Kern van de zaak<\/h3>\n<p>[eiser \/ verzoeker] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [eiser \/ verzoeker] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser \/ verzoeker] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [eiser \/ verzoeker] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser \/ verzoeker] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser \/ verzoeker] geleden schade helemaal moet vergoeden.<\/p>\n<p>Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser \/ verzoeker] geleden schade helemaal moet vergoeden.<\/p>\n<h3>2De procedure<\/h3>\n<p>Het verloop van de procedure blijkt uit:<\/p>\n<p>de dagvaarding van 23 april 2025;<\/p>\n<p>de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een (voorwaardelijk) incidenteel verzoek;<\/p>\n<p>de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie.<\/p>\n<p>Dexia heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie ingediend.<\/p>\n<p>Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.<\/p>\n<h3>3<\/p>\n<p>3. De feiten<\/h3>\n<p>[eiser \/ verzoeker] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:<\/p>\n<p>Nr.<\/p>\n<p>Contractnr.<\/p>\n<p>Datum<\/p>\n<p>Naam overeenkomst<\/p>\n<p>I.<\/p>\n<p>[contractnummer]<\/p>\n<p>12-12-2000<\/p>\n<p>Profit Effect Vooruitbetaling<\/p>\n<p>Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:<\/p>\n<p>Nr.<\/p>\n<p>Datum eindafrekening<\/p>\n<p>Resultaat<\/p>\n<p>Betaald<\/p>\n<p>I.<\/p>\n<p>17-05-2006<\/p>\n<p>&#8212; \u20ac 4.762,81<\/p>\n<p>\u20ac 138,30 verrekend met dividentopbrengsten<\/p>\n<p>Volgens opgave van Dexia heeft [eiser \/ verzoeker] op grond van de overeenkomst \u2013 al dan niet bij wijze van vooruitbetaling \u2013 een bedrag van \u20ac 3.717,34 aan maandtermijnen en een bedrag van \u20ac 138,30 \u2013 door verrekening met diverse dividendopbrengsten \u2013 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser \/ verzoeker] \u2013 na verrekening \u2013 \u20ac 576,22 aan dividenden ontvangen en \u20ac 215,40 aan fiscaal voordeel genoten.<\/p>\n<p>De gemachtigde van [eiser \/ verzoeker] , Leaseproces, heeft bij brief van 11 oktober 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en\/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.<\/p>\n<h3>4De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident<\/h3>\n<p>[eiser \/ verzoeker] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:<\/p>\n<p>&#8212; voorwaardelijk, voor zover Dexia na te noemen stukken niet in het geding brengt,:<\/p>\n<p>\uf0b7 Dexia zal veroordelen het aanvraagformulier en haar versie van de ondertekende overeenkomst aan [eiser \/ verzoeker] te verstrekken,<\/p>\n<p>&#8212; in de hoofdzaak:<\/p>\n<p>\uf0b7 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser \/ verzoeker] en\/of toerekenbaar is tekort geschoten,<\/p>\n<p>\uf0b7 voor recht zal verklaren dat [eiser \/ verzoeker] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,<\/p>\n<p>\uf0b7 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser \/ verzoeker] van al datgene dat [eiser \/ verzoeker] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,<\/p>\n<p>\uf0b7 voor recht zal verklaren dat [eiser \/ verzoeker] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,<\/p>\n<p>\uf0b7 Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser \/ verzoeker] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van \u20ac 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van \u20ac 20.000,00,<\/p>\n<p>\uf0b7 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser \/ verzoeker] , met rente,<\/p>\n<p>\uf0b7 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.<\/p>\n<p>Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, met een voorwaardelijk incidenteel verzoek dat als onvoorwaardelijk verzoek wordt aangemerkt, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:<\/p>\n<p>&#8212; in het incident:<\/p>\n<p>\uf0b7 [eiser \/ verzoeker] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser \/ verzoeker] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,<\/p>\n<p>&#8212; in de hoofdzaak:<\/p>\n<p>\uf0b7 [eiser \/ verzoeker] zal veroordelen om aan Dexia te betalen de som van \u20ac 1.449,30, vermeerderd met wettelijke rente,<\/p>\n<p>\uf0b7 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser \/ verzoeker] gesloten overeenkomst met nummer [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [eiser \/ verzoeker] verschuldigd is,<\/p>\n<p>\uf0b7 [eiser \/ verzoeker] zal veroordelen in de proceskosten.<\/p>\n<p>Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.<\/p>\n<p>5. De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en het verzoek in het incident<\/p>\n<p>rechtsmacht Nederlandse rechter<\/p>\n<p>5.1. Nu [eiser \/ verzoeker] in het buitenland woonachtig is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Die vraag wordt bevestigend beantwoord en wel op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215\/2012 (Brussel I bis-Verordening), nu Dexia woonplaats heeft in Nederland.<\/p>\n<p>Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht overweegt de kantonrechter als volgt. De bepaling van het toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO-verdrag), nu Nederland bij dit verdrag partij is en de vordering betrekking heeft op door het verdrag bestreken onderwerpen. Dexia en [eiser \/ verzoeker] hebben &#8212; overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van dit verdrag in de tussen hen gesloten overeenkomst een expliciete keuze gedaan voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht. Derhalve is op de onderhavige vordering Nederlands recht van toepassing.<\/p>\n<p>algemeen<\/p>\n<p>5.3. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer \u00e9\u00e9n miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 \u00e0 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak \u00e9\u00e9n van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser \/ verzoeker] .<\/p>\n<p>De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.<\/p>\n<p>Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:<\/p>\n<p>er is sprake van huurkoop;<\/p>\n<p>er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en\/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;<\/p>\n<p>Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;<\/p>\n<p>[eiser \/ verzoeker] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;<\/p>\n<p>er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.<\/p>\n<p>verjaring<\/p>\n<p>Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser \/ verzoeker] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door \u00e9\u00e9n van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.<\/p>\n<p>tussenpersoon<\/p>\n<p>[eiser \/ verzoeker] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [naam adviesbureau] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudici\u00eble beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens \u2013 naar Dexia wist of behoorde te weten \u2013 als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een \u2018verkooppraatje\u2019 kan worden gekarakteriseerd.<\/p>\n<p>De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser \/ verzoeker] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser \/ verzoeker] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser \/ verzoeker] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser \/ verzoeker] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.<br \/>\nBij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd \u2013 in elk geval sinds de opt-out door [eiser \/ verzoeker] in 2007 \u2013 weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.<\/p>\n<p>[eiser \/ verzoeker] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:<\/p>\n<p>De financieel adviseur van [naam adviesbureau] , te weten de heer [naam adviseur] (hierna: de adviseur), was de vaste belastingadviseur van [eiser \/ verzoeker] . De adviseur regelde al meerdere jaren de belastingaangiftes van [eiser \/ verzoeker] . Zij stonden derhalve in een bestaande adviesrelatie tot elkaar. Tijdens een kantoorbezoek om de belastingaangifte van [eiser \/ verzoeker] te verzorgen, kwam de adviseur met het voorstel om de mogelijkheden voor het opbouwen van vermogen van [eiser \/ verzoeker] te onderzoeken. Hiermee stemde [eiser \/ verzoeker] in. Gelet op de bestaande adviesrelatie, was de adviseur al v\u00f3\u00f3r het gesprek bekend met de gehele financi\u00eble situatie van [eiser \/ verzoeker] . De adviseur was reeds op de hoogte van het werk, het inkomen en de maandlasten van [eiser \/ verzoeker] . Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur ge\u00efnformeerd naar de wensen en nader ge\u00efnformeerd naar de financi\u00eble situatie van [eiser \/ verzoeker] . Zo is met de adviseur gesproken over het spaargeld van [eiser \/ verzoeker] . Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser \/ verzoeker] om vermogen opbouwen voor de toekomst, om bijvoorbeeld een auto te kopen of ingeval [eiser \/ verzoeker] financieel krap zat. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.<\/p>\n<p>De adviseur adviseerde [eiser \/ verzoeker] om een Profit Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 4.800,-. De adviseur adviseerde [eiser \/ verzoeker] om de eerste 36 maanden vooruit te betalen vanuit zijn spaargeld; daarna moest [eiser \/ verzoeker] maandelijks een bedrag inleggen in het product. [eiser \/ verzoeker] heeft in samenspraak met de adviseur de hoogte van de vooruit- en maandbetalingen vastgesteld aan de hand van wat [eiser \/ verzoeker] aangaf te kunnen missen. [eiser \/ verzoeker] woonde destijds bij zijn ouders en had lage financi\u00eble lasten, waardoor hij het geldbedrag kon missen. Volgens de adviseur zou [eiser \/ verzoeker] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser \/ verzoeker] flink vermogen zou opbouwen voor de toekomst. Bovendien gaf de adviseur aan dat [eiser \/ verzoeker] maandelijks dividenduitkeringen van de Profit Effect overeenkomst zou ontvangen, waardoor [eiser \/ verzoeker] tussentijds vermogen ter beschikking kreeg. Ook zou volgens de adviseur enkel worden belegd in betrouwbare fondsen, waarmee hoge rendementen behaald zou worden en kon er derhalve niets misgaan. De adviseur ondersteunde zijn advies aan de hand van rekenvoorbeelden met zeer positieve rendementen. De adviseur heeft [eiser \/ verzoeker] niet ge\u00efnformeerd over de specifieke risico\u2019s. Als [eiser \/ verzoeker] op deze risico\u2019s gewezen was had hij de Profit Effect overeenkomst nooit afgesloten. [eiser \/ verzoeker] \u2013 destijds werkzaam als logistiek medewerker \u2013 had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financi\u00eble producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser \/ verzoeker] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor het Profit Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is tijdens een volgend kantoorbezoek ondertekend.<\/p>\n<p>[eiser \/ verzoeker] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:<br \/>\n&#8212; een kopie van de overeenkomst van 12 december 2000 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst: \u201c [begeleidende tekst] \u201d,<\/p>\n<p>&#8212; een uittreksel uit de Kamer van Koophandel, waaruit blijkt dat [naam adviesbureau] zich van 1998 tot 2006 onder andere bezighield met bemiddeling bij het tot stand komen van financieringen, verzekeringen, hypotheken, sparen en leasing.<\/p>\n<p>aanhoudingsverzoek<\/p>\n<p>Dexia heeft grote bezwaren tegen de \u2013 door haar zo genoemde \u2013 \u2018bewijsconstructie\u2019 omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie\/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven \u2019s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.<\/p>\n<p>Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.<\/p>\n<p>(nieuwe) argumenten Dexia<\/p>\n<p>Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:<\/p>\n<p>dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;<\/p>\n<p>dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;<\/p>\n<p>dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en<\/p>\n<p>dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.<\/p>\n<p>Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt \u2013 evenals in vergelijkbare zaken \u2013 als uitgangspunt dat, zoals [eiser \/ verzoeker] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser \/ verzoeker] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser \/ verzoeker] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser \/ verzoeker] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser \/ verzoeker] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser \/ verzoeker] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potenti\u00eble klanten zoals [eiser \/ verzoeker] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.<\/p>\n<p>wetenschap Dexia<\/p>\n<p>5.15. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser \/ verzoeker] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser \/ verzoeker] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo\u2019n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser \/ verzoeker] voor rekening van Dexia.<\/p>\n<p>aansprakelijkheid Dexia<\/p>\n<p>5.16. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser \/ verzoeker] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser \/ verzoeker] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser \/ verzoeker] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.<\/p>\n<p>vorderingen van [eiser \/ verzoeker]<\/p>\n<p>5.17. De door [eiser \/ verzoeker] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser \/ verzoeker] heeft gehandeld door [eiser \/ verzoeker] als cli\u00ebnt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser \/ verzoeker] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser \/ verzoeker] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat de dientengevolge geleden schade door Dexia dient te worden vergoed. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.<\/p>\n<p>De als gevolg hiervan door [eiser \/ verzoeker] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financi\u00eble overzicht waarvan de juistheid door [eiser \/ verzoeker] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Niet in geschil is dat het fiscaal voordeel \u20ac 215,40 bedraagt. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [eiser \/ verzoeker] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financi\u00eble overzicht in de conclusie van repliek in conventie\/antwoord in reconventie de schade berekend op \u20ac 2.925,72. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.<\/p>\n<p>Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.<\/p>\n<p>Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser \/ verzoeker] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.<\/p>\n<p>BKR-registratie<\/p>\n<p>Dexia zal &#8212; voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser \/ verzoeker] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven &#8212; worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eiser \/ verzoeker] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op \u20ac 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van \u20ac 10.000,00.<\/p>\n<p>het voorwaardelijk verzoek van [eiser \/ verzoeker]<\/p>\n<p>Nu aan de voorwaarde is voldaan, dient het verzoek van [eiser \/ verzoeker] te worden beoordeeld. [eiser \/ verzoeker] vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier en de bij Dexia in bezit zijnde ondertekende overeenkomst. Uit het voorgaande volgt dat [eiser \/ verzoeker] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.<\/p>\n<p>het incidentele verzoek van Dexia<\/p>\n<p>Dexia verzoekt dat [eiser \/ verzoeker] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.<\/p>\n<p>Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser \/ verzoeker] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in d\u00edt geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.<\/p>\n<p>De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser \/ verzoeker] worden begroot op \u20ac 82,00.<\/p>\n<p>vorderingen Dexia<\/p>\n<p>Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.<\/p>\n<p>proceskosten<\/p>\n<p>Omdat [eiser \/ verzoeker] inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser \/ verzoeker] gevallen.<\/p>\n<p>Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.<\/p>\n<p>De proceskosten van [eiser \/ verzoeker] worden begroot op:<\/p>\n<p>&#8212; dagvaarding \u20ac 144,47<\/p>\n<p>&#8212; griffierecht \u20ac 90,00<\/p>\n<p>&#8212; salaris gemachtigde \u20ac 542,00 (2 x tarief \u20ac 271,00)<\/p>\n<p>&#8212; nakosten \u20ac 135,00<\/p>\n<p>Totaal \u20ac 911,74.<\/p>\n<p>De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.<\/p>\n<h3>6De beslissing<\/h3>\n<p>De kantonrechter<\/p>\n<p>in het incident van [eiser \/ verzoeker]<\/p>\n<p>wijst het verzoek af,<\/p>\n<p>compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,<\/p>\n<p>in het incident van Dexia<\/p>\n<p>wijst het verzoek af,<\/p>\n<p>veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser \/ verzoeker] , tot op heden begroot op \u20ac 82,00,<\/p>\n<p>in conventie<\/p>\n<p>verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser \/ verzoeker] heeft gehandeld door [eiser \/ verzoeker] als cli\u00ebnt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser \/ verzoeker] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser \/ verzoeker] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,<\/p>\n<p>verklaart voor recht dat [eiser \/ verzoeker] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,<\/p>\n<p>verklaart voor recht dat [eiser \/ verzoeker] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,<\/p>\n<p>veroordeelt Dexia om aan [eiser \/ verzoeker] te betalen een bedrag van \u20ac 2.925,72, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.18.,<\/p>\n<p>veroordeelt Dexia &#8212; voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser \/ verzoeker] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven \u2013 om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eiser \/ verzoeker] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van \u20ac 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van \u20ac 10.000,00.<\/p>\n<p>veroordeelt Dexia in de proceskosten van \u20ac 911,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,<\/p>\n<p>veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,<\/p>\n<p>verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,<\/p>\n<p>wijst het meer of anders gevorderde af,<\/p>\n<p>in reconventie<\/p>\n<p>wijst de vorderingen af,<\/p>\n<p>veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser \/ verzoeker] gevallen, tot op heden begroot op nihil.<\/p>\n<p>Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.<\/p>\n<p>typ: FB<\/p>\n<p>coll:<\/p>\n<h3>Voetnoten<\/h3>\n<ol>\n<li>In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).<\/li>\n<li>zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.<\/li>\n<li>Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.<\/li>\n<li>Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof \u2019s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.<\/li>\n<li>Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.<\/li>\n<li>Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.<\/li>\n<\/ol>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10891\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>aandelenlease, tussenpersoon<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[7998],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7702],"kji_keyword":[21494,8000,7999,7675,9990],"kji_language":[7671],"class_list":["post-592695","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-rechtbank-amsterdam","kji_year-8463","kji_subject-immobilier","kji_keyword-aandelenlease","kji_keyword-amsterdam","kji_keyword-rbams","kji_keyword-rechtbank","kji_keyword-tussenpersoon","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.4 (Yoast SEO v27.4) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:RBAMS:2025:10891 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 \/ 11678159 CV EXPL 25-6680 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:RBAMS:2025:10891 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 \/ 11678159 CV EXPL 25-6680\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"aandelenlease, tussenpersoon\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"23 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u044b\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:RBAMS:2025:10891 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 \\\/ 11678159 CV EXPL 25-6680 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-18T05:08:11+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:RBAMS:2025:10891 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 \\\/ 11678159 CV EXPL 25-6680\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:RBAMS:2025:10891 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 \/ 11678159 CV EXPL 25-6680 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:RBAMS:2025:10891 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 \/ 11678159 CV EXPL 25-6680","og_description":"aandelenlease, tussenpersoon","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"23 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u044b"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/","name":"ECLI:NL:RBAMS:2025:10891 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 \/ 11678159 CV EXPL 25-6680 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-18T05:08:11+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbams202510891-rechtbank-amsterdam-30-10-2025-11678159-cv-expl-25-6680\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:RBAMS:2025:10891 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 \/ 11678159 CV EXPL 25-6680"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/592695","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=592695"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=592695"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=592695"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=592695"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=592695"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=592695"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=592695"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=592695"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}