{"id":619737,"date":"2026-04-20T09:24:18","date_gmt":"2026-04-20T07:24:18","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/"},"modified":"2026-04-20T09:24:18","modified_gmt":"2026-04-20T07:24:18","slug":"eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:HR:2023:1612 Hoge Raad , 05-12-2023 \/ 22\/03827"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. deelneming aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie, art. 140.2 (oud) Sr. Kan (bij ingang van gerechtsgebouw) dragen van kleding van verboden motorclub worden aangemerkt als \u201cvoortzetting van werkzaamheid\u201d a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr? Art. 2:20.1 BW. Hof heeft vastgesteld dat motorclub o.g.v. art. 2:20 BW is verboden verklaard en ontbonden, omdat werkzaamheid van motorclub in strijd is met openbare orde. Hof heeft geoordeeld dat tlgd. gedraging, gezien haar aard en omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet gedraging oplevert \u201cdie ten dienste staat aan voortbestaan van verboden organisatie\u201d en slechts kan worden gezien als \u201congerichte, individuele gedraging van voormalig lid van inmiddels verboden verklaarde organisatie\u201d en dat die gedraging daarom niet kan worden aangemerkt als deelnemen aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie. Hierin ligt besloten dat hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat bestanddeel \u201cvoortzetting van werkzaamheid\u201d in art. 140.2 (oud) Sr betrekking heeft op iedere gedraging die ten dienste staat aan voortbestaan van verboden organisatie. Hof heeft niettemin met zijn beslissing dat tlgd. gedraging niet kan worden aangemerkt als \u201cvoortzetting van werkzaamheid\u201d blijk gegeven van te beperkte uitleg van dat bestanddeel. Daarvoor is allereerst van belang dat in art. 140.2 (oud) Sr strafbaar gestelde gedraging een delict tegen openbare orde is en dat (mede in het licht van totstandkomingsgeschiedenis van wetsvoorstel dat heeft geleid tot verduidelijking van art. 140.2 Sr) aan bestanddeel \u201cvoortzetting van werkzaamheid\u201d een ruime uitleg toekomt, waarbij wetgever onder meer het oog heeft op organiseren van betoging, evenement of vergadering. Daarnaast neemt HR in aanmerking dat hof over aard van tlgd. gedraging en omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, heeft vastgesteld dat verdachte op weg was naar ingang van publieke ruimte (gerechtsgebouw), dat hij kleding en accessoires droeg met aanduidingen en tekens die verwezen naar motorclub en dat in dat gerechtsgebouw een zitting zou plaatsvinden tegen leden van motorclub. In dat verband is nog van belang dat uit de door hof in zijn beslissing in aanmerking genomen omstandigheden die in procedure over verbodenverklaring zijn vastgesteld, naar voren komt dat \u201cuit uitingen en gedragingen die als eigen werkzaamheid aan motorclub kunnen worden toegerekend, blijkt dat toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd \u00e9n gebagatelliseerd\u201d en dat \u201cleden bewust de naam van motorclub of hun \u201ccolors\u201d [gebruiken] om hun daden en woorden kracht bij te zetten\u201d.<\/p>\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Volgt vernietiging en terugwijzing.<\/p>\n<p>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN<\/p>\n<p>STRAFKAMER<\/p>\n<p>Nummer 22\/03827<\/p>\n<p>Datum 5 december 2023<\/p>\n<p>ARREST<\/p>\n<p>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch van 12 oktober 2022, nummer 20-002759-21, in de strafzaak<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>[verdachte] ,<\/p>\n<p>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,<\/p>\n<p>hierna: de verdachte.<\/p>\n<h3>1Procesverloop in cassatie<\/h3>\n<p>Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.<\/p>\n<p>De raadsvrouw van de verdachte, G.J.J.G. Stevens-Waltmans, advocaat te Roermond, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.<\/p>\n<p>De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof \u2019s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.<\/p>\n<h3>2Beoordeling van het cassatiemiddel<\/h3>\n<p>Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en\/of gekleed in een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en\/of in het bezit van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB naar de ingang van het gerechtsgebouw Maastricht lopen, niet kan worden aangemerkt als deelneming aan \u2018de voortzetting van de werkzaamheid\u2019 van een verboden organisatie in de zin van artikel 140 lid 2 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).<\/p>\n<p>Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:<\/p>\n<p>\u201chij op of omstreeks 21 april 2021 in de gemeente Maastricht, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de Bandidos Motorcycle Club Holland die bij onherroepelijke beslissing van de Hoge Raad der Nederlanden (nummer 19\/01401) verboden is verklaard, door gekleed met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en\/of gekleed in een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en\/of in het bezit van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB naar de ingang van het gerechtsgebouw te lopen.\u201d<\/p>\n<p>Het hof heeft de verdachte vrijgesproken. Het heeft daartoe het volgende overwogen:<\/p>\n<p>\u201cNaar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.<\/p>\n<p>Uit het dossier volgt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich op 21 april 2021 voor de ingang van de rechtbank Maastricht bevonden. Zij waren belast met het bewaken en beveiligen van het gerechtsgebouw aldaar in verband met de zitting tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. De verbalisanten hadden opdracht om leden van de Bandidos die met uiterlijke kenmerken van de verboden organisatie Bandidos, zoals kleding en dergelijke, naar de rechtbank zouden komen, aan te houden, in te sluiten en de uiterlijke kenmerken in beslag te nemen. Tevens was ge\u00efnstrueerd in voorkomende gevallen proces-verbaal op te maken ter zake van overtreding van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna telkens: Sr). Omstreeks 09.00 uur zagen de verbalisanten een man, naar later blijkt de verdachte, naar de ingang van de rechtbank komen. De verdachte droeg een zwarte baseballpet met aan de voorzijde een opdruk van het logo van de Bandidos en op de achterzijde een opdruk met de naam Bandidos. Tevens droeg hij een zwart T-shirt met op de voorzijde een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard. Verder droeg de verdachte een heuptasje met de opdruk \u2018BF 1% FB\u2019. Hierop hebben de verbalisanten de verdachte staande gehouden en hem verzocht mee te gaan naar een ruimte in de rechtbank. Vervolgens zijn het petje, het T-shirt en het heuptasje met Bandidos opdrukken inbeslaggenomen.<\/p>\n<p>Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte op of omstreeks 21 april 2021 in de gemeente Maastricht, door naar de ingang van het gerechtsgebouw te lopen terwijl hij kleding en accessoires droeg met de aanduidingen en tekens verwijzend naar de Bandidos Motorcycle Club Holland (hierna telkens: BMC Holland), zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard.<\/p>\n<p>a) De relevante verbodenverklaring in verband met de onderhavige strafzaak<\/p>\n<p>Het Openbaar Ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna telkens: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een dergelijke organisatie strafbaar (artikel 140, tweede lid Sr).<\/p>\n<p>Het Openbaar Ministerie heeft in een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank Midden-Nederland onder andere verzocht de informele vereniging BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd zou zijn met de openbare orde. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6241) BMC Holland verboden verklaard vanwege &#8212; kortweg &#8212; de binnen BMC Holland bestaande cultuur waarin het plegen van (ernstig) geweld wordt gestimuleerd. De rechtbank heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat de Bandidos zichzelf typeren als een Motorcycle Club met een cultuur van wetteloosheid, een \u2018outlawcultuur\u2019, wat de motorclub uitdraagt in kleding, zoals het dragen van het 1%-teken, een teken waarmee men aan de buitenwereld laat zien dat zij buiten de wet (willen) opereren en dat zij outlaws zijn. Ook heeft de rechtbank gewezen op de omstandigheid dat de gerichtheid van de Bandidos op het plegen van geweld en het stimuleren daarvan door de Bandidos-organisatie blijkt uit het feit dat het plegen van geweld wordt beloond met onderscheidingen (patches), waarbij de \u2018expect no mercy\u2019-patch het meest prominent is. Deze patch wordt uitgereikt aan Bandidos-leden die ten behoeve van de motorclub (ernstig) geweld hebben gepleegd. Volgens de rechtbank gebruiken de leden bewust de naam \u2018Bandidos\u2019 of hun \u2018colors\u2019 om hun daden en woorden kracht bij te zetten.<\/p>\n<p>Nu de rechtbank van oordeel was dat de cultuur van de Bandidos en de feitelijk daaruit voortvloeiende gedragingen dermate kenmerkend en structureel zijn gebleken dat er een re\u00eble kans bestaat dat Bandidos-leden in de nabije toekomst in Nederland (opnieuw) ernstige geweldsdelicten plegen die de lichamelijke integriteit van personen binnen de eigen clubsfeer en\/of van personen daarbuiten (ernstig) aantasten en de Nederlandse samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten, heeft de rechtbank BMC Holland verboden verklaard.<\/p>\n<p>In het hoger beroep van deze civielrechtelijke procedure is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10865) evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het verzoek van het Openbaar Ministerie de informele vereniging BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, moet worden toegewezen. Daarbij is door het hof overwogen dat de vaststaande feiten voldoende zijn om ervan uit te gaan dat sprake is van een naar buiten optredend landelijk organisatorisch verband van lokale verenigingen (chapters) en individuele Bandidos-leden onder de naam BMC Holland (rov. 4.18). Uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd \u00e9n gebagatelliseerd. De gedragingen van BMC Holland cre\u00ebren een cultuur van angst, zowel binnen de organisatie als overigens in de samenleving. Ook het bad standing-beleid gaat met geweld en dreiging van geweld gepaard. Een en ander vormt een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te be\u00ebindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. De gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen die ontwrichten en kunnen niet worden geduld. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel om die gedragingen te voorkomen. Ook het hof vindt daarom dat BMC Holland moet worden verboden en ontbonden, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde (rov. 4.24 &#8212; 4.26 en 4.29).<\/p>\n<p>Het hof oordeelt verder dat de lokale Nederlandse Bandidos-chapters en hun leden lid zijn van BMC Holland. Met het verbod en de ontbinding van BMC Holland is het deze (rechts)personen niet langer toegestaan van BMC Holland lid te zijn en is het hun verboden om de werkzaamheid van BMC Holland in welke vorm dan ook voort te zetten (rov. 4.32). Daarmee is niet gezegd dat het de leden van BMC Holland, waaronder de lokale chapters, verboden is om te bestaan en om hun eigen werkzaamheid &#8212; voor zover die niet (ook) als een werkzaamheid van BMC Holland kan worden aangemerkt &#8212; voort te zetten. De chapters zijn geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland, maar vormen in zichzelf een bestendige organisatie met leden. Zij zijn daarom zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid (rov. 4.33).<\/p>\n<p>Bij beschikking van 24 april 2020 heeft de civielrechtelijke kamer van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:797), nummer 19\/01401, het beroep van het Openbaar Ministerie tegen de hiervoor vermelde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018 verworpen. Het beroep richtte zich daarbij op twee onderdelen van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In cassatie was enkel nog aan de orde (i) of Bandidos Motorcycle Club (in het geding \u2018BMC Internationaal\u2019 genoemd) kon worden aangemerkt als een wereldwijd, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam of samenwerkingsverband, en (ii) of een verbod van de Nederlandse afdeling van de Bandidos Motorcycle Club (de informele vereniging BMC Holland) tot gevolg had dat ook de lokale Nederlandse \u2018chapters\u2019 verboden zouden zijn. De deelbeslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat BMC Holland moet worden verboden en ontbonden omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde, werd als zodanig in cassatie niet bestreden.<\/p>\n<p>b) Deelneming aan voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie<\/p>\n<p>De verdachte is het schenden van artikel 140, tweede lid (oud) Sr tenlastegelegd. Tot 1 januari 2022 luidde de desbetreffende delictsomschrijving (voor zover hier toepasselijk): \u2018Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard (&#8230;), wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.\u2019 Artikel 140, tweede lid Sr ziet daarmee op het negeren van de rechterlijke beslissing tot (onherroepelijke) verboden verklaring van de organisatie, maar omschrijft niet concreet welke gedragingen strafbaar zijn na een verbodenverklaring. Voor wat betreft het \u2018deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie\u2019 stelt het hof, mede met het oog op de op grond van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden bewijs- en kwalificatievraag, op grond van het navolgende vast dat de contouren van de begripsinhoud van de diverse bestanddelen van de op artikel 140, tweede lid (oud) Sr gebaseerde delictsomschrijving niet (geheel) scherp zijn.<\/p>\n<p>Voor wat betreft het begrip \u2018deelnemen\u2019 blijkt dat uit de omstandigheid dat de wetgever overeenkomstig het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, het \u2018verwarrende\u2019 bestanddeel \u2018deelneming aan\u2019 bij inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310) per 1 januari 2022 heeft geschrapt. Een aparte bewezenverklaring van \u2018deelneming\u2019 wordt niet meer van belang geacht (Kamerstukken II 2019-2020, 35366, nr. 3, p. 26 en Kamerstukken II 2019-2020, 35366, nr. 4, p. 9). Voor de beoordeling van de onderhavige strafzaak gaat het hof ervan uit dat het begrip \u2018deelnemen\u2019 zoals tenlastegelegd op grond van artikel 140, tweede lid (oud) Sr, gelijk de feitelijke uitleg die daaraan in het eerste lid van artikel 140 Sr wordt verleend, ziet op het hebben van een aandeel in, dan wel het ondersteunen van de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon.<\/p>\n<p>Voor wat betreft de inhoud van het bestanddeel \u2018de voortzetting van de werkzaamheid\u2019 van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon stelt het hof het volgende vast.<\/p>\n<p>In de civielrechtelijke context wordt op grond van artikel 2:20, eerste lid BW een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie verboden verklaard en ontbonden. Het begrip \u2018werkzaamheid\u2019 is in de desbetreffende kamerstukken als volgt toegelicht: \u2018Het woord werkzaamheid is in zijn gewone betekenis gebruikt en omvat dus die daden die de rechtspersoon stelt en de woorden die hij spreekt en schrijft, ongeacht op welke wijze blijkt dat die zijn gesteld, gesproken of geschreven in het kader van de organisatie met rechtspersoonlijkheid. Daartoe behoren de middelen waarmee hij zijn doel nastreeft, maar ook bijvoorbeeld het stelselmatig niet afdragen van premies. De enkele overtreding van een of meer verboden stempelt een rechtspersoon nog niet tot ongeoorloofd. Dergelijke overtredingen moeten zijn geworden tot een schakel in de werkwijze om als werkzaamheid te worden aangemerkt en bovendien zo ernstig zijn, dat die werkzaamheid binnen de termen van artikel 15 valt.\u2019 (Opmerking hof: de verwijzing betreft naar art. 15 (oud) Boek 2 BW, dat sinds 1992 is vernummerd naar art. 20 Boek 2 BW (Kamerstukken II 1984-1985, 17476, nrs. 5-7, p. 9-10).)<\/p>\n<p>Verder wordt in de desbetreffende kamerstukken opgemerkt: \u2018Met deze leden meen ik dat een enkele losse, niet symptomatische handeling te weinig is om als werkzaamheid te gelden. Ik reken tot de werkzaamheid niet alleen handelingen die een rechtspersoon op grond van de eigen doelstelling verricht, maar ook het verdere optreden met uitzondering van misstappen die buiten het patroon van het gehele optreden vallen. Een onderscheid tussen hoofd- en nevenwerkzaamheid zou ik in dit verband niet willen maken en lijkt hier zelfs zonder belang.\u2019 (Kamerstukken II 1985-1986, 17476, nr. 12, p. 4.)<\/p>\n<p>De Hoge Raad overwoog in de beschikking van 26 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1124, rov. 3.6, inzake Hells Angels Northcoast Harlingen) ten aanzien van de uitleg van het begrip \u2018werkzaamheid\u2019 dat onvoldoende is dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden, geen of onvoldoende afstand heeft genomen. \u2018Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, waaronder \u201cmembers\u201d zelf, niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen werkzaamheid worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven.\u2019<\/p>\n<p>In de strafrechtelijke context stelt het hof vast dat de wetgever, ondanks aansporingen daartoe, uitdrukkelijk niet heeft aangegeven welke gedragingen onder \u2018de voortzetting van de werkzaamheid\u2019 van de verboden verklaarde en ontbonden organisatie vallen en derhalve bewust heeft afgezien van het opnemen van een opsomming van werkzaamheden die strijd kunnen opleveren met de openbare orde (Kamerstukken II 1984-1985, 17476, nrs. 5-7, p. 3-4). Dit wordt bevestigd tijdens de behandeling van de reeds vermelde Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310), welke per 1 januari 2022 heeft geleid tot aanpassing van onder andere artikel 140, tweede lid Sr. De wetgever stelt op dit punt dienaangaande: \u2018De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welk doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip \u201cvoortzetting van de werkzaamheid\u201d, bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z\u2019n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr. Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het \u201cin de lucht\u201d houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon. De casu\u00efstiek is hier dermate groot, dat iedere wettelijke opsomming, zelfs een indicatieve, bij voorbaat te kort zou schieten, en voor de rechtsontwikkeling misschien zelfs een onnodig verstarrend effect zou kunnen hebben.\u2019 (Kamerstukken II 2019-2020, 35366, nr. 4, p. 9.)<\/p>\n<p>Uit de wetsgeschiedenis leidt het hof af dat het voor de vaststelling of sprake is van de voortzetting van de werkzaamheden van een verboden organisatie, vereist is om te bezien of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Daarbij dien(t)(en) de tenlastegelegde gedraging(en) van de verdachte een aandeel te hebben in, dan wel de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon te ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voortgaat op een wijze die strijdig is met de openbare orde.<\/p>\n<p>Het hof acht tegen de achtergrond van hetgeen in het voorgaande is weergegeven, ondanks dat volgens de wetgever dienaangaande een ruime uitleg dient te worden gehanteerd, het tenlastegelegde &#8212; zijnde het enkel lopen van de verdachte naar de ingang van het gerechtsgebouw, zijnde een publieke ruimte, terwijl hij gekleed is met een baseballpet met een opdruk van het logo en de naam van de Bandidos en een T-shirt met een opdruk van het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en in het bezit is van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB &#8212; gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet een gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het uiterlijk vertoon dat bestaat uit het zichtbaar hebben van kleding en goederen dat verband houdt met een verboden en ontbonden organisatie kan wellicht als maatschappelijk onwenselijk worden gezien, te meer omdat het plaatsvond in een publieke ruimte. Maar tegen de achtergrond van met name de in de kamerstukken gegeven voorbeelden van voortzettingsgedragingen zoals opgenomen bij de Wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 2021,310) &#8212; waar volgens het hof (meer) nadrukkelijk de gerichtheid van de genoemde gedragingen ter zake van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden verklaarde organisatie voorop staat &#8212; wordt naar het oordeel van het hof het tenlastegelegde gedrag van de verdachte enkel gezien als een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie. Deze gedraging kan volgens het hof echter niet worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie. Derhalve acht het hof niet bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard.<\/p>\n<p>De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het tenlastegelegde.\u201d<\/p>\n<p>Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.<\/p>\n<p>&#8212; Artikel 2:20 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:<\/p>\n<p>\u201cEen rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.\u201d<\/p>\n<p>&#8212; Artikel 140 lid 2 Sr is geplaatst in Titel V van Boek 2 (\u201cMisdrijven tegen de openbare orde\u201d) en luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit (voorafgaand aan de inwerkingtreding van de onder 2.3.2 te noemen wet):<\/p>\n<p>\u201cDeelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.\u201d<\/p>\n<p>Het nader rapport bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310) houdt onder meer het volgende in:<\/p>\n<p>\u201cDe Afdeling constateert dat de strafbaarheid wegens voortzetting van de activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon, als bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr, in feite een dode letter is, mede omdat onduidelijkheid bestaat over de betekenis en reikwijdte daarvan. Duidelijker zou moeten worden wat wordt verstaan onder \u00abde werkzaamheid\u00bb van een verboden organisatie in de zin van artikel 140 lid 2 Sr. Tevens stelt de Afdeling dat de effectiviteit van artikel 140 lid 2 Sr zou kunnen worden vergroot door het verwarrende bestanddeel \u00abdeelneming\u00bb te schrappen en door opname in de wet van een niet-limitatieve opsomming van concrete voortzettingsgedragingen. De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welke doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip \u00abvoortzetting van de werkzaamheid\u00bb, bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z\u2019n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr.<\/p>\n<p>Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het \u00abin de lucht\u00bb houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon.<\/p>\n<p>De casu\u00efstiek is hier dermate groot, dat iedere wettelijke opsomming, zelfs een indicatieve, bij voorbaat te kort zou schieten, en voor de rechtsontwikkeling misschien zelfs een onnodig verstarrend effect zou kunnen hebben. Daarom is volstaan met de genoemde verduidelijking in de toelichting. Wel is, overeenkomstig het advies van de Afdeling, het verwarrende bestanddeel \u00abdeelneming aan\u00bb geschrapt. Daarmee wordt verduidelijkt dat het voor de strafbaarheid ex artikel 140 lid 2 Sr moet gaan om de daadwerkelijke \u00abvoortzetting\u00bb van de activiteiten van een verboden rechtspersoon. Een aparte bewezenverklaring van \u00abdeelneming\u00bb, zoals de huidige tekst van artikel 140 lid 2 Sr zou kunnen suggereren, is daarbij niet van belang.\u201d<\/p>\n<p>(Kamerstukken II 2019\/20, 35366, nr. 4, p. 8-9.)<\/p>\n<p>Het hof heeft vastgesteld dat Bandidos Motorcycle Club Holland (hierna: BMC Holland) op grond van artikel 2:20 BW is verboden verklaard en ontbonden, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde. Over de aanleiding van die op 24 april 2020 onherroepelijk geworden verbodenverklaring komt uit de door het hof vastgestelde en bij zijn beslissing in aanmerking genomen omstandigheden naar voren dat \u201cuit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd \u00e9n gebagatelliseerd. De gedragingen van BMC Holland cre\u00ebren een cultuur van angst, zowel binnen de organisatie als overigens in de samenleving. Ook het bad standing-beleid gaat met geweld en dreiging van geweld gepaard. Een en ander vormt een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te be\u00ebindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. De gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen die ontwrichten en kunnen niet worden geduld.\u201d<\/p>\n<p>Het hof heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde gedraging, gezien haar aard en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet een gedraging oplevert \u201cdie ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie\u201d en slechts kan worden gezien als \u201ceen ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie\u201d en dat die gedraging daarom niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie.<br \/>\nHierin ligt besloten dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het bestanddeel \u2018voortzetting van de werkzaamheid\u2019 in artikel 140 lid 2 (oud) Sr betrekking heeft op iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het hof heeft niettemin met zijn beslissing dat de tenlastegelegde gedraging niet kan worden aangemerkt als \u2018voortzetting van de werkzaamheid\u2019 blijk gegeven van een te beperkte uitleg van dat bestanddeel. Daarvoor is allereerst van belang dat de in artikel 140 lid 2 (oud) Sr strafbaar gestelde gedraging een delict tegen de openbare orde is en dat \u2013 mede in het licht van wat onder 2.3.2 is weergegeven uit de totstandkomingsgeschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot een verduidelijking van artikel 140 lid 2 Sr \u2013 aan het bestanddeel \u2018voortzetting van de werkzaamheid\u2019 een ruime uitleg toekomt, waarbij de wetgever onder meer het oog heeft op het organiseren van een betoging, evenement of vergadering. Daarnaast neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof over de aard van de tenlastegelegde gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, heeft vastgesteld dat de verdachte op weg was naar de ingang van een publieke ruimte \u2013 een gerechtsgebouw \u2013, dat hij kleding en accessoires droeg met aanduidingen en tekens die verwezen naar BMC Holland en dat in dat gerechtsgebouw een zitting zou plaatsvinden tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. In dat verband is nog van belang dat uit de door het hof in zijn beslissing in aanmerking genomen omstandigheden die in de procedure over de verbodenverklaring zijn vastgesteld, naar voren komt dat \u201cuit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd \u00e9n gebagatelliseerd\u201d en dat \u201cde leden bewust de naam \u2018Bandidos\u2019 of hun \u2018colors\u2019 [gebruiken] om hun daden en woorden kracht bij te zetten\u201d.<\/p>\n<p>Het cassatiemiddel slaagt.<\/p>\n<h3>3Beslissing<\/h3>\n<p>De Hoge Raad:<\/p>\n<p>&#8212; vernietigt de uitspraak van het hof;<\/p>\n<p>&#8212; wijst de zaak terug naar het gerechtshof \u2019s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.<\/p>\n<p>Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. R\u00f6ttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2023.<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2023:1612\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. deelneming aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie, art. 140.2 (oud) Sr. Kan (bij ingang van gerechtsgebouw) dragen van kleding van verboden motorclub worden aangemerkt als \u201cvoortzetting van werkzaamheid\u201d a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr? Art. 2:20.1 BW. Hof heeft vastgesteld dat motorclub o.g.v. art. 2:20 BW is verboden verklaard en ontbonden, omdat &#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[7834],"kji_chamber":[],"kji_year":[24566],"kji_subject":[7632],"kji_keyword":[15164,7673,26357,16728,26356],"kji_language":[7671],"class_list":["post-619737","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-hoge-raad","kji_year-24566","kji_subject-penal","kji_keyword-gedraging","kji_keyword-heeft","kji_keyword-motorclub","kji_keyword-verboden","kji_keyword-werkzaamheid","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.4 (Yoast SEO v27.4) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:HR:2023:1612 Hoge Raad , 05-12-2023 \/ 22\/03827 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:HR:2023:1612 Hoge Raad , 05-12-2023 \/ 22\/03827\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. deelneming aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie, art. 140.2 (oud) Sr. Kan (bij ingang van gerechtsgebouw) dragen van kleding van verboden motorclub worden aangemerkt als \u201cvoortzetting van werkzaamheid\u201d a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr? Art. 2:20.1 BW. Hof heeft vastgesteld dat motorclub o.g.v. art. 2:20 BW is verboden verklaard en ontbonden, omdat ...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"24 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u044b\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:HR:2023:1612 Hoge Raad , 05-12-2023 \\\/ 22\\\/03827 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-20T07:24:18+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:HR:2023:1612 Hoge Raad , 05-12-2023 \\\/ 22\\\/03827\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:HR:2023:1612 Hoge Raad , 05-12-2023 \/ 22\/03827 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:HR:2023:1612 Hoge Raad , 05-12-2023 \/ 22\/03827","og_description":"OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. deelneming aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie, art. 140.2 (oud) Sr. Kan (bij ingang van gerechtsgebouw) dragen van kleding van verboden motorclub worden aangemerkt als \u201cvoortzetting van werkzaamheid\u201d a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr? Art. 2:20.1 BW. Hof heeft vastgesteld dat motorclub o.g.v. art. 2:20 BW is verboden verklaard en ontbonden, omdat ...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"24 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u044b"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/","name":"ECLI:NL:HR:2023:1612 Hoge Raad , 05-12-2023 \/ 22\/03827 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-20T07:24:18+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20231612-hoge-raad-05-12-2023-22-03827\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:HR:2023:1612 Hoge Raad , 05-12-2023 \/ 22\/03827"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/619737","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=619737"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=619737"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=619737"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=619737"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=619737"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=619737"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=619737"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=619737"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}