{"id":619806,"date":"2026-04-20T09:34:31","date_gmt":"2026-04-20T07:34:31","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/"},"modified":"2026-04-20T09:34:31","modified_gmt":"2026-04-20T07:34:31","slug":"eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:RBZWB:2026:174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 \/ 02-417556 FA RK 23-6115"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Verzoek gezamenlijk gezag afgewezen. Eenhoofdig gezag toegewezen. Verdrag van Istanboel. Geen basis aanwezig voor gezamenlijk gezag. De regie over de omgangsregeling wordt belegd bij de GI omdat het voor de rechtbank niet mogelijk is om een concrete basisregeling vast te stellen.<\/p>\n<p>beschikking<\/p>\n<p>RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT<\/p>\n<p>Team Familie- en Jeugdrecht<\/p>\n<p>Zittingsplaats: Breda<\/p>\n<p>Zaaknummer: C\/02\/417556 \/ FA RK 23-6115<\/p>\n<p>datum uitspraak: 15 januari 2026<\/p>\n<p>eindbeschikking over gezag en zorg- en contactregeling<\/p>\n<p>in de zaak van<\/p>\n<p>[de man]<br \/>\n ,<\/p>\n<p>hierna te noemen: de man,<\/p>\n<p>wonende te [plaats] ,<\/p>\n<p>voorheen advocaat: mr. A.J.W. Vugs te Tilburg,<\/p>\n<p>nu advocaat mr. C.C.J. Mouwen te Tilburg,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>[de vrouw] ,<\/p>\n<p>hierna te noemen de vrouw,<\/p>\n<p>wonende te [plaats] ,<\/p>\n<p>voorheen advocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda,<\/p>\n<p>nu advocaat: mr. E.M.A. Leijser te Tilburg,<\/p>\n<p>over de minderjarigen:<\/p>\n<p>&#8212; [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017,<\/p>\n<p>&#8212; [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021.<\/p>\n<p>Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.<\/p>\n<p>Informant in deze procedure is:<\/p>\n<p>de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg,<\/p>\n<p>hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).<\/p>\n<h3>1Het verdere procesverloop<\/h3>\n<p>In het dossier zitten de volgende stukken:<\/p>\n<p>&#8212; de beschikking van de rechtbank van 15 maart 2024 en alle daarin genoemde stukken;<\/p>\n<p>&#8212; de eindrapportage van [hulpverlening 1] van 6 september 2024;<\/p>\n<p>&#8212; de op 4 november 2025 ontvangen brief van de Raad;<\/p>\n<p>&#8212; het F9-formulier van de advocaat van de vrouw van 8 november 2024;<\/p>\n<p>&#8212; het F9-formulier van de advocaat van de man van 8 november 2024;<\/p>\n<p>&#8212; de eindrapportage van [hulpverlening 1] van 28 januari 2025;<\/p>\n<p>&#8212; de op 26 maart 2025 ontvangen brief van de Raad;<\/p>\n<p>&#8212; het rapport van de Raad van 29 september 2025;<\/p>\n<p>&#8212; het op 18 november 2025 ontvangen aanvullende verzoekschrift namens de vrouw;<\/p>\n<p>&#8212; het op 8 december 2025 ontvangen verweerschrift van de man op het aanvullende verzoekschrift van de vrouw;<\/p>\n<p>&#8212; het bericht van de advocaat van de vrouw van 23 december 2025, met een bijlage;<\/p>\n<p>&#8212; het bericht van de advocaat van de man van 30 december 2025.<\/p>\n<p>De verzoeken zijn verder mondeling behandeld op 19 december 2025. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. Ook waren aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad en een vertegenwoordiger namens de GI. De vrouw was aanwezig via een videoverbinding via MS Teams.<\/p>\n<p>[minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om aan de kinderrechter te zeggen wat hij van het verzoek vindt, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt. De vrouw heeft aangegeven dat zij de brief van [minderjarige 1] per post heeft verstuurd, maar de rechtbank heeft deze brief niet ontvangen.<\/p>\n<p>Deze zaak hangt nauw samen met de zaak van de Raad over de ondertoezichtstelling van beide kinderen, met het kenmerk C\/02\/440269 \/ JE RK 25-1743. Daarom heeft de rechtbank de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking. In deze op 19 december 2025 mondeling gegeven beschikking zijn de kinderen onder toezicht van de GI gesteld voor de periode van 19 december 2025 tot 19 december 2026.<\/p>\n<h3>2De nadere beoordeling<\/h3>\n<p>Bij beschikking van 15 maart 2024 heeft de rechtbank ten behoeve van de opvoeding en verzorging van de kinderen een onderhoudsbijdrage vastgesteld alsmede een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen zoals is beschreven in rechtsoverweging 4.14 van die beschikking. Daarnaast heeft de rechtbank partijen en de kinderen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) ten behoeve van de volgende te behalen resultaten:<\/p>\n<p>de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (zware systeemgerichte interventie);<\/p>\n<p>het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;<\/p>\n<p>er is inzicht in de mogelijkheden\/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);<\/p>\n<p>Indien het UHA-traject niet leidt tot een positief resultaat heeft de rechtbank de Raad verzocht om een interventie of onderzoek te verrichten. Aan de Raad is voor het onderzoek de vragen voorgelegd zoals omschreven in rechtsoverweging 4.10 van die beschikking.<\/p>\n<p>De rechtbank heeft een beslissing op de verzoeken van partijen vervolgens aangehouden in afwachting van het verloop van het UHA-traject en indien de Raad onderzoek zal doen, in afwachting van het rapport van de Raad.<\/p>\n<p>In het rapport van [hulpverlening 1] van 6 september 2024 wordt aangegeven dat de doelen in het UHA-traject niet zijn behaald.<\/p>\n<p>De Raad heeft in de op 4 november 2024 ontvangen brief na de screening geadviseerd om het UHA-traject voort te zetten.<\/p>\n<p>De advocaten van partijen hebben op 8 november 2024 bericht dat zij instemmen met een hervatting van het UHA-traject.<\/p>\n<p>Blijkens het rapport van [hulpverlening 1] van 28 januari 2025 zijn de beoogde resultaten van het UHA-traject niet behaald.<\/p>\n<p>De Raad heeft bij de op 28 maart 2025 ontvangen brief de rechtbank bericht dat de Raad een onderzoek zal gaan uitvoeren. Dit onderzoek zal worden gecombineerd met een beschermingsonderzoek.<\/p>\n<p>De Raad heeft in het rapport van 29 september 2025 een verzoek geformuleerd om de kinderen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht te stellen van de GI. De Raad is van mening dat er sprake is van een ernstige bedreigde ontwikkeling van de kinderen op het gebied van de sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling, omdat zij belast zijn door spanning, ruzies en verbaal en fysiek geweld tussen partijen, hun ouders, en vanwege het meemaken van een fysieke escalatie tussen de man en de partner van de vrouw. Er zijn zorgen over de voortdurende onrust en het gevoel van onveiligheid bij de vrouw en de invloed daarop op de ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast zijn er zorgen over het ontbreken van contact\/langdurig contactverlies tussen de kinderen en de man. Partijen zijn verder niet in staat om met elkaar afspraken te maken over de zorg- en de contactregeling. De Raad adviseert om de verzoeken over het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden voor twaalf maanden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in het kader van een ondertoezichtstelling. Er dient meer zicht te komen op de mogelijkheden van partijen om met elkaar in contact te komen over de zorg en opvoeding van de kinderen. Om dit te bereiken zal er eerst rust moeten komen en de vrouw zal weer vertrouwen moeten krijgen in de bedoeling en de mogelijkheden van de man in relatie tot de kinderen en specifiek met betrekking tot hun veiligheid. Ook zal er aandacht moeten zijn voor het contactherstel tussen de man en de kinderen waarna verder onderzoek zal plaatsvinden naar de mogelijkheden van de man om tegemoet te komen aan de opvoedingsbehoeften van de kinderen. Pas daarna kan advies worden gegeven over een passende zorg- en contactregeling. Over de invulling dan wel uitbreiding van het contact tussen de man en de kinderen adviseert de Raad dit over te laten aan de GI en de GI te verzoeken om over negen maanden te informeren over de mogelijkheden voor afstemming\/samenwerking tussen partijen en de verdeling van de zorg en opvoedingstaken.<\/p>\n<p>Aan de rechtbank ligt het verzoek van de man nog voor, inhoudende dat hij verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:<\/p>\n<p>I. de man samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over<\/p>\n<p>[minderjarige 2] ;<\/p>\n<p>II. een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij dat de man gerechtigd is tot het hebben van omgang met zijn minderjarige kinderen, gedurende \u00e9\u00e9n weekend per 14 dagen van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18:00 uur, en een verdeling van de vakanties en bijzondere feestdagen zoals aangegeven in zijn verzoekschrift:<\/p>\n<p>Zijdens de vrouw zijn op 18 november 2025 aanvullende en gewijzigde zelfstandige verzoeken ingediend. Zij verzoekt thans, onder intrekking van haar zelfstandige verzoek om een begeleide omgangsregeling vast te stellen:<\/p>\n<p>I. afwijzing van de verzoeken van de man;<\/p>\n<p>II. te bepalen dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt gewijzigd naar eenhoofdig gezag van de vrouw;<\/p>\n<p>III. te bepalen dat contact en\/of omgang tussen de man en de kinderen voor onbepaalde tijd wordt ontzegd.<\/p>\n<p>De man verzoekt de zelfstandige verzoeken van de vrouw af te wijzen dan wel aan te houden althans een beslissing te nemen die de rechtbank juist acht.<\/p>\n<p>Door de vrouw wordt naar voren gebracht dat de situatie van de kinderen bij de man onveilig is. Tijdens de voorlopige begeleide omgang hebben zich meerdere incidenten voorgedaan. Ook zijn de kinderen opnieuw getuige geweest van ernstige (fysieke) agressie door de man. Door [hulpverlening 2] , die betrokken was bij de begeleide omgang, werd geconstateerd dat de situatie niet veilig was. De man was hierop niet aanspreekbaar. In mei 2024 is de begeleide omgang stopgezet. De begeleidster vond het niet meer verantwoord om de omgang te begeleiden. Nadat in het begin van 2025 bleek dat de man was aangehouden en veroordeeld in verband met de vondst van een vuurwapen in zijn auto en later in zijn woning heeft de vrouw vanwege de veiligheid van de kinderen het UHA-traject stopgezet. De vrouw vreesde dat de man dit vuurwapen zou gebruiken tegen haar en\/of haar nieuwe partner. Omdat de man onaangekondigd in mei 2025 verscheen op de school van de kinderen, heeft de vrouw zich genoodzaakt gezien de kinderen op een andere school in te schrijven. Voor de kinderen is het van groot belang dat er rust komt zodat onderzocht kan worden of voor hen traumatherapie nodig is als gevolg van hetgeen zij hebben meegemaakt tijdens de relatie van partijen. Om de rust te cre\u00ebren is het nodig dat er in de eerste periode geen contact zal zijn en dat partijen via een bemiddelaar zaken gaan regelen met betrekking tot de kinderen. Momenteel krijgt de vrouw opvoedingsondersteuning door [hulpverlening 3] en zal ook in het kader van deze hulpverlening een kindbehartiger voor de kinderen worden aangesteld. Ten aanzien van haar eigen verzoek om alleen met het gezag te worden belast over [minderjarige 1] voert de vrouw aan dat er al vanaf 2023 een advies ligt om bij hem onderzoek te doen naar de impulscontrole\/ADHD. Het belang van dit onderzoek wordt ook door de Raad bevestigd. De man weigert echter stelselmatig hieraan mee te werken. De kinderen hebben therapie en behandeling nodig door de opgelopen trauma\u2019s. Zij hebben tevens belang bij rust en stabiliteit. Hiervoor is het nodig dat er geen escalaties en incidenten zijn. Aan de zijde van de man blijft sprake van problematisch gedrag. Zowel tijdens als na de relatie van partijen is er stelstelmatig sprake van mishandelingen en intieme terreur. Ook richting [minderjarige 1] is er geweld gebruikt door de man. De man is niet in staat zijn agressie adequaat te reguleren. Er zijn al veel verschillende hulpverleningsinstanties betrokken geweest. De vrouw leeft echter tot op heden in angst voor de man dat hij haar iets zal aandoen. De vrouw ziet geen mogelijkheden voor partijen om met elkaar afspraken te maken over de kinderen. Zij kunnen geen direct contact met elkaar hebben. Het is daarbij zorgelijk dat de man geen advies en\/of sturing accepteert. Hierover is door verschillende instanties gerapporteerd. Ondertussen krijgt [minderjarige 1] niet de hulp die hij nodig heeft en komt zijn ontwikkeling verder in het gedrang. De vrouw is dan ook van mening dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen partijen en dat niet is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het is in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk dat het gezag alleen aan de vrouw toekomt.<\/p>\n<p>Door en namens de man is aangegeven dat hij zich aansluit bij het advies van de Raad om een beslissing op de verzoeken aan te houden. De man heeft het gevoel dat de vrouw hem volledig buitenspel wil zetten. Hij stelt dat er aan beide kanten van partijen problematiek is. De man deelt de conclusie van de Raad dat de vrouw de zorgen aan haar zijde bagatelliseert. De man is verder van mening dat hij geen vertrouwen heeft in de vrouw dat zij openstaat voor contact. De vrouw zegt iets toe, maar komt het vervolgens niet na. Ook heeft zij de informatieregeling slechts tweemaal nageleefd. Ook geeft de vrouw geen inzage in de hulpverlening door [hulpverlening 3] . De man wil de kans krijgen om met hulp van de GI te werken aan de communicatie met de vrouw. Hij wil meedenken en hij zal geen gezagsbeslissingen blokkeren. Ten aanzien van de kwestie met het paspoort voor [minderjarige 1] , waarbij hij geen toestemming heeft gegeven, wilde hij gehoord worden op de zitting omdat hij de kinderen al lange tijd niet had gezien. Hij heeft daarna zijn toestemming willen geven, maar omdat op de zitting de formulieren niet beschikbaar waren kon dat niet. Er is gezag nodig aan de zijde van de man. Ondanks de inzet van de vrouw, heeft hij twijfels of zij altijd in het belang van de kinderen handelt. De man wil meedenken. Verder wil de man alle hulpverlening accepteren om in contact te komen met de kinderen. Hij is echter van mening dat het niet zo kan zijn dat de vrouw hier steeds zoveel voorwaarden aan kan verbinden waardoor het onmogelijk wordt om hieraan te voldoen. Het zou dan ook goed zijn als er gestart kan worden met telefonisch contact en dat dit contact onder regie van de GI zal worden uitgebreid.<\/p>\n<p>Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de kinderen heel erg veel hebben meegemaakt in hun jonge leven. Er wordt inzet van een fors behandeltraject geadviseerd om hun trauma\u2019s te gaan behandelen. Daarnaast geven beide kinderen aan dat zij behoefte hebben aan het contact met hun vader. Het is echter gebleken dat het heel moeilijk is dat de kinderen op een onbelaste wijze contact kunnen hebben met de man. Het is dan ook van groot belang dat wordt bekeken op welke wijze er een veilig en onbelast contact kan gaan komen en waarbij de man aanspreekbaar is op zijn handelen. Daarbij is het ook van belang dat er duidelijke (veiligheids)afspraken gemaakt zullen worden over wanneer een omgangsmoment bijvoorbeeld wordt be\u00ebindigd. Om dit alles te realiseren acht de Raad het van belang dat de GI de regie zal hebben over de omgangsmomenten en dat zij zal bepalen op welke plek, met welke frequentie en onder welke begeleiding er omgang kan plaatsvinden. Daarnaast is het van belang dat de vrouw leert om de kinderen in deze omgangsmomenten te ondersteunen. De Raad realiseert zich dat dit veel van haar vraagt, omdat zij zelf ook de zorg heeft voor deze getraumatiseerde kinderen die extra zorg vragen en zijzelf ook met de traumatische ervaringen uit het verleden moet leven. Het is dan ook heel veel voor de vrouw. Anders dan in het rapport is aangegeven kan de Raad zich, gezien de voorgeschiedenis van partijen en het verloop van de hulpverlening, voorstellen dat de rechtbank wel een eindbeslissing neemt over de verzoeken met betrekking tot het gezag. De man heeft meermaals zaken betreffende de kinderen tegengehouden en dit als ruilmiddel ingezet om omgang met hen te krijgen. Ook dient bij die beslissing de bepalingen van het Verdrag van Istanbul in aanmerking te worden genomen.<\/p>\n<p>Namens de GI is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat er goed gekeken zal moeten worden naar de mogelijkheden voor contactherstel tussen de man en de kinderen. Daarbij moet ook goed gekeken worden naar het tempo van de kinderen. Er zullen, bij toewijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen, veiligheidsafspraken gemaakt moeten worden en er zal opvoedondersteuning ingezet moeten worden. Er is momenteel een wachttijd voordat een jeugdbeschermer van de GI de uitvoering van de ondertoezichtstelling kan oppakken. In afwachting daarvan wordt er gewerkt met een \u201cmonitoringslijst\u201d en zal er eens per vier weken contact zijn met partijen. De huidige hulpverlening door [hulpverlening 3] aan de vrouw en de kinderen kan in deze periode doorlopen en er zou ook kunnen worden gestart met een vorm van begeleide omgang, als daartoe mogelijkheden zijn.<\/p>\n<p>Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen, onder regie van de rechter, overeengekomen dat in samenwerking met de hulpverlening door [hulpverlening 3] gestart zou kunnen worden met een telefonisch contact tussen de man en de kinderen. De vrouw heeft toegezegd dit met haar hulpverleenster van [hulpverlening 3] te bespreken en te bezien of [hulpverlening 3] deze telefonische contacten tussen de kinderen en de man zou kunnen begeleiden. Gezien de lange tijd dat er geen contact is geweest tussen de man en de kinderen en er sprake is geweest van onveiligheid tijdens de contacten in het verleden dienen de kinderen goed te worden voorbereid op dit contact en dienen voorafgaand aan deze contacten (veiligheids)afspraken te worden gemaakt.<\/p>\n<p>De advocaat van de vrouw heeft op 23 december 2025 de rechtbank bericht dat hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is gezegd door de vrouw is besproken met de hulpverlening van [hulpverlening 3] . [hulpverlening 3] adviseert een systeemgerichte aanpak waarbij de GI de regie zal hebben over de invulling van de omgangsmomenten. Op dit moment kan [hulpverlening 3] nog geen inschatting maken over de veiligheid van de kinderen. De vrouw verzoekt in deze procedure te bepalen dat de omgang tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden onder regie van de GI, zoals dit eerder door de Raad is geadviseerd.<\/p>\n<p>Zijdens de man is aangegeven dat er zo spoedig mogelijk contactherstel dient plaats te vinden. Hij begrijpt dat dit wel op een zorgvuldige en opbouwende wijze dient te gebeuren. De rechtbank heeft gevraagd of deze omgang (in beginsel telefonisch contact) zou kunnen worden begeleid door [hulpverlening 3] . Een systemisch onderzoek is hiervoor naar de mening van de man niet nodig. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken is het wenselijk om tot een minimumregeling te komen. Indien de rechtbank van oordeel is dat het begeleid contact zonder voorafgaand systemisch onderzoek kan worden opgestart dan kan de rechtbank deze opdracht aan de GI geven in deze beschikking.<\/p>\n<p>Gezag<\/p>\n<p>De rechtbank overweegt ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot het gezag als volgt.<\/p>\n<p>In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn of haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.<\/p>\n<p>In artikel 1:253n van het BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan be\u00ebindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over het kind krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar \u00e9\u00e9n ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.<\/p>\n<p>De wet heeft als uitgangspunt dat ouders, ook na het einde van hun relatie, samen het gezag hebben over hun minderjarige kinderen. Als er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals voornoemd kan daarvan worden afgeweken. De rechtbank overweegt dat in de onderhavige zaak sprake van forse en complexe problematiek. Tijdens en na de relatie is er tussen partijen sprake geweest van huiselijk geweld. De man is in het verleden strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling van de vrouw. De vrouw heeft ook meerdere malen aangifte gedaan tegen de man vanwege mishandeling. Ook heeft er een fysieke confrontatie plaatsgevonden tussen de man en de huidige partner van de vrouw, waarvan de kinderen getuige zijn geweest. Tijdens deze procedure is de man aangehouden en veroordeeld voor het in het bezit hebben van een vuurwapen. Hoewel het in deze procedure niet aan de rechtbank is om hier een oordeel over te vellen, kan de rechtbank wel invoelen dat dit feit niet ten goede komt aan het vertrouwen van de vrouw in de man en dat dit mogelijk haar angsten heeft vergroot, dit mede gezien het gewelddadige verleden van partijen. De afgelopen jaren is in het vrijwillige kader heel veel hulpverlening ingezet en was er sprake van een begeleide omgang. Desondanks bleven zich conflicten voordoen tussen partijen. Ook de inzet van UHA heeft niet geleid tot een gewenst resultaat. De vrouw heeft inmiddels meerdere trajecten van hulpverlening doorlopen en krijgt momenteel opvoedondersteuning door [hulpverlening 3] en daarnaast staat zij zelf bij de GGZ op de wachtlijst voor schematherapie. In tegenstelling tot de vrouw heeft de man echter de afgelopen periode niet geprofiteerd van de hulpverlening. Ondanks een aanbod van hulpverlening door Amarant is hij hier tot op heden niet ingegaan. Ook heeft de man niet op een andere wijze zich ingezet om hulpverlening in te schakelen voor zichzelf in het vrijwillige kader, terwijl het voor hem duidelijk had moeten zijn dat dit noodzakelijk is om te komen tot contactherstel met de kinderen. Het is immers mede aan zijn eigen handelen te wijten dat de begeleide contacten zijn stopgezet. Hoewel de man aangeeft dat hij weer contact wil met de kinderen lijkt er aan zijn zijde, hetgeen ook bleek tijdens de mondelinge behandeling, weinig inzicht te zijn in zijn eigen handelen en erkenning van de gebeurtenissen in het verleden. De man heeft verder aangegeven dat hij geen gezagsbeslissingen meer zal blokkeren. Hij heeft dit echter in het verleden wel gedaan met als enige doel om tot contactherstel met de kinderen te komen. Ook heeft hij tot op heden niet zijn toestemming gegeven voor onderzoek naar de impulscontrole van [minderjarige 1] , terwijl dit onderzoek al sinds 2023 door de hulpverlening wordt geadviseerd. Hiermee laat de man zien dat hij niet in het belang van [minderjarige 1] handelt. Daar komt bij dat er in de komende periode in het belang van de (trauma)behandeling van de kinderen veel zal moeten gebeuren. Voor het inzetten van de gepaste therapie\u00ebn en onderzoeken dienen de kinderen niet afhankelijk te zijn van de toestemming van de man als hij zich op deze wijze blijft opstellen. Hij heeft tot op heden niet laten zien dat hij zich onvoorwaardelijk inzet voor de kinderen en ook ten behoeve van zijn eigen problematiek zelf de hulpverlening inschakelt en werkt aan zijn emotieregulatie.<\/p>\n<p>Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank niet van de vrouw worden verwacht dat zij actief met de man gaat overleggen om beslissingen over de kinderen te nemen. De rechtbank neemt hierbij onder meer de volgende omstandigheden in aanmerking:<\/p>\n<p>er is sprake geweest van huiselijk geweld en veroordelingen van de man voor geweldshandelingen tegen de vrouw;<\/p>\n<p>na het verbreken van de relatie hebben zich verschillende (fysieke en verbale) conflicten voorgedaan tussen de man en de vrouw en\/of haar partner, waarvan ook de kinderen meermalen getuige zijn geweest;<\/p>\n<p>er lijkt aan de zijde van de man sprake te zijn van onvoldoende probleeminzicht en erkenning van de gebeurtenissen in het verleden;<\/p>\n<p>de man heeft tot op heden geen hulpverlening geaccepteerd of ge\u00efnitieerd om te werken aan zijn emotie-\/agressieregulatie;<\/p>\n<p>De vrouw en de kinderen dienen in deze zaak in bescherming te worden genomen. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het op 1 maart 2016 in Nederland in werking getreden Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanboel). Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. In de memorie van toelichting bij de goedkeuring van het Verdrag van Istanboel staat bij artikel 2 lid 2 dat het Verdrag van toepassing is op alle slachtoffers van huiselijk geweld, dus ook mannen en kinderen. In artikel 18 lid 1 van het Verdrag staat dat de verdragsluitende staten maatregelen dienen te nemen die nodig zijn ter bescherming van alle slachtoffers tegen verdere daden van geweld.<\/p>\n<p>De rechtbank is van oordeel dat tussen partijen een basis ontbreekt om gezamenlijk het gezag over de kinderen uit te oefenen. Dit komt voort uit de voornoemde omstandigheden en de gewelddadige relatie van partijen alsmede het zwaarwegende belang van de kinderen. Daar komt ook bij dat partijen niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen over de kinderen en de man zijn gezag inzet als middel om omgang te krijgen. Bij gezamenlijk gezag bestaat hierdoor het risico dat de kinderen erg klem komen te zitten tussen hun ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek van de man om ook hem met het gezag over [minderjarige 2] te belasten moet worden afgewezen en het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag te belasten over [minderjarige 1] moet worden toegewezen. Gezien hun traumatische verleden hebben zij nog meer specifieke hulpverlening en opvoedingsbehoeften waardoor het nog belangrijker is dat hierover beslissingen genomen kunnen worden en deze niet kunnen worden geblokkeerd waardoor de hulpverlening niet kan worden ingezet dan wel onnodige vertraging oploopt.<\/p>\n<p>Omgangsregeling<\/p>\n<p>De rechtbank overweegt voorts ten aanzien van de omgangsregeling als volgt.<\/p>\n<p>In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van \u00e9\u00e9n ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van \u00e9\u00e9n van de volgende omstandigheden:<\/p>\n<p>omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;<\/p>\n<p>de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;<\/p>\n<p>het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;<\/p>\n<p>er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.<\/p>\n<p>Tijdens de mondelinge behandeling is uitgebreid gesproken of er mogelijkheden zijn om tot afspraken te komen over een minimumregeling om de omgang tussen de man en de kinderen op te starten. Daarbij is gesproken om te starten met een videobelmoment. De vrouw zou met haar hulpverlener van [hulpverlening 3] bespreken of een dergelijk moment door [hulpverlening 3] zou kunnen worden begeleid. Namens de vrouw is na de mondelinge behandeling aangegeven dat [hulpverlening 3] adviseert om de omgang op te starten met een systeemgerichte aanpak waarbij de GI de regie zal hebben over de invulling van de omgangscontacten. De man wenst zo spoedig mogelijk contactherstel en is van mening dat de (telefonische) omgang onder begeleiding van [hulpverlening 3] kan worden opgestart zonder voorafgaand systemisch onderzoek.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt vast dat er geen overeenstemming is tussen partijen over de wijze waarop de (begeleide) omgang kan worden hervat. Tegelijkertijd is de situatie zeer complex en dient te allen tijde de veiligheid van de kinderen te worden gewaarborgd. De rechtbank begrijpt dat de man wenst dat de (begeleide) omgang zo spoedig mogelijk wordt opgestart, maar het belang van de kinderen dat deze omgang veilig en gestructureerd wordt opgestart weegt zwaarder. Daar komt bij, zoals eerder al genoemd, dat de begeleide omgang eerder door het onveilige handelen van de man is stopgezet. Voorkomen moet worden dat de kinderen opnieuw in een dergelijke situatie terechtkomen. Er is inmiddels een ondertoezichtstelling door de kinderrechter uitgesproken en het is in hun belang dat de GI in dat kader verder gaat werken aan het herstel van omgang. Er zal moeten worden onderzocht wat noodzakelijk is om het veilig te maken voor de kinderen om een onbelast omgang te kunnen hebben met de man. Het tempo van het herstel van de omgang zal worden bepaald door de mogelijkheden van de kinderen. Daarbij zal ook de man in ogenschouw moeten nemen dat de kinderen veel hebben meegemaakt en zijn blootgesteld in het verleden aan onveiligheid.<\/p>\n<p>De uitvoering van de ondertoezichtstelling zal door de GI moeten worden opgestart. Reeds is [hulpverlening 3] betrokken, die binnenkort een kindbehartiger zal aanstellen. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat er niet direct een jeugdbeschermer zal worden aangewezen, maar dat dit niet een herstel van begeleide omgang in de weg hoeft te staan. Aangezien [hulpverlening 3] is betrokken en zij zicht heeft op de kinderen hoopt de rechtbank dat de GI, wellicht na het verkrijgen van informatie [hulpverlening 3] , op korte termijn ook zicht heeft op de situatie en een traject kan opstarten om de mogelijkheden naar herstel van de (begeleide) omgang te onderzoeken. Dit traject is door de ondertoezichtstelling naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd. De rechtbank ziet op dit moment onder de gegeven omstandigheden echter geen mogelijkheden om een concrete basisregeling voor de omgang vast te stellen, omdat er in het kader van de ondertoezichtstelling nog heel veel te gebeuren staat en dit de nodige tijd zal gaan kosten. De rechtbank ziet hierdoor eveneens geen aanleiding om deze procedure verder aan te houden en zal dan ook definitief beslissen op het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling. Ook heeft de rechtbank hierin vertrouwen vanwege de positieve grondhouding van de vrouw ten opzichte van het opstarten van de begeleide omgang. De rechtbank zal bepalen dat de GI de regie zal voeren over de invulling van de (begeleide) omgangsregeling, voor zowel wat betreft de opbouw, frequentie, de duur als de vorm van de omgang tussen de kinderen en de man.<\/p>\n<p>De rechtbank overweegt daarbij, wellicht ten overvloede, dat op het moment dat de GI een omgangsregeling heeft gerealiseerd die passend en in het belang van de kinderen wordt geacht, zij bij de kinderrechter in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling altijd een verzoek kan doen om deze regeling vast te leggen (artikel 1:265g BW).<\/p>\n<p>De rechtbank zal de in het dictum onder 3.1 en 3.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat deze beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.<\/p>\n<p>Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet dragen.<\/p>\n<p>Omdat de kinderen onder toezicht zijn gesteld van de GI bij beschikking op 19 december 2025 en aan de GI onder meer opdracht wordt gegeven om de regie te voeren over de omgangsregeling, zal aan haar een afschrift van deze beschikking worden verzonden.<\/p>\n<p>Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.<\/p>\n<h3>3De beslissing<\/h3>\n<p>De rechtbank:<\/p>\n<p>bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017;<\/p>\n<p>bepaalt dat de man en de minderjarige kinderen<\/p>\n<p>&#8212; [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017,<\/p>\n<p>&#8212; [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021,<\/p>\n<p>recht hebben op omgang met elkaar waarbij de opbouw, de vorm, frequentie en duur van de omgangsmomenten door en onder regie van de GI worden bepaald;<\/p>\n<p>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;<\/p>\n<p>compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;<\/p>\n<p>wijst het meer of anders verzochte af;<\/p>\n<p>bepaalt dat de griffie een afschrift van deze beschikking ook toestuurt aan de GI.<\/p>\n<p>Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026 in aanwezigheid Boink, de griffier.<\/p>\n<p>Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:<\/p>\n<p>door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,<\/p>\n<p>door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.<\/p>\n<p>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het<\/p>\n<p>gerechtshof \u2019s-Hertogenbosch.<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:174\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Verzoek gezamenlijk gezag afgewezen. Eenhoofdig gezag toegewezen. Verdrag van Istanboel. Geen basis aanwezig voor gezamenlijk gezag. De regie over de omgangsregeling wordt belegd bij de GI omdat het voor de rechtbank niet mogelijk is om een concrete basisregeling vast te stellen.<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[8149],"kji_chamber":[],"kji_year":[7610],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[9894,9897,7675],"kji_language":[7671],"class_list":["post-619806","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-rechtbank-zeeland-west-brabant","kji_year-7610","kji_subject-divers","kji_keyword-gezag","kji_keyword-gezamenlijk","kji_keyword-rechtbank","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:RBZWB:2026:174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 \/ 02-417556 FA RK 23-6115 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:RBZWB:2026:174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 \/ 02-417556 FA RK 23-6115\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Verzoek gezamenlijk gezag afgewezen. Eenhoofdig gezag toegewezen. Verdrag van Istanboel. Geen basis aanwezig voor gezamenlijk gezag. De regie over de omgangsregeling wordt belegd bij de GI omdat het voor de rechtbank niet mogelijk is om een concrete basisregeling vast te stellen.\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"27 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:RBZWB:2026:174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 \\\/ 02-417556 FA RK 23-6115 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-20T07:34:31+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:RBZWB:2026:174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 \\\/ 02-417556 FA RK 23-6115\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:RBZWB:2026:174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 \/ 02-417556 FA RK 23-6115 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:RBZWB:2026:174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 \/ 02-417556 FA RK 23-6115","og_description":"Verzoek gezamenlijk gezag afgewezen. Eenhoofdig gezag toegewezen. Verdrag van Istanboel. Geen basis aanwezig voor gezamenlijk gezag. De regie over de omgangsregeling wordt belegd bij de GI omdat het voor de rechtbank niet mogelijk is om een concrete basisregeling vast te stellen.","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"27 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/","name":"ECLI:NL:RBZWB:2026:174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 \/ 02-417556 FA RK 23-6115 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-20T07:34:31+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb2026174-rechtbank-zeeland-west-brabant-15-01-2026-02-417556-fa-rk-23-6115\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:RBZWB:2026:174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 \/ 02-417556 FA RK 23-6115"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/619806","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=619806"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=619806"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=619806"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=619806"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=619806"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=619806"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=619806"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=619806"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}