{"id":621588,"date":"2026-04-20T12:16:02","date_gmt":"2026-04-20T10:16:02","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/"},"modified":"2026-04-20T12:16:02","modified_gmt":"2026-04-20T10:16:02","slug":"eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2247 Gerechtshof &#8216;s-Hertogenbosch , 14-08-2025 \/ 200.347.654_01"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Kinderalimentatie<\/p>\n<p>GERECHTSHOF \u2019s-HERTOGENBOSCH<\/p>\n<p>Team familie- en jeugdrecht<\/p>\n<p>zaaknummer : 200.347.654\/01<\/p>\n<p>zaaknummer rechtbank : C\/03\/324466 \/ FA RK 23-4381<\/p>\n<p>beschikking van de meervoudige kamer van 14 augustus 2025<\/p>\n<p>inzake<\/p>\n<p>[de man]<br \/>\n ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>verzoeker in het principaal hoger beroep,<\/p>\n<p>verweerder in het incidenteel hoger beroep,<\/p>\n<p>hierna te noemen: de man,<\/p>\n<p>advocaat mr. M.A. Ploemen te Heerlen ,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>[de vrouw]<br \/>\n ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>verweerster in het principaal hoger beroep,<\/p>\n<p>verzoekster in het incidenteel hoger beroep,<\/p>\n<p>hierna te noemen: de vrouw,<\/p>\n<p>advocaat mr. R.P.F. Rober te Hoensbroek.<\/p>\n<h3>1Het verloop van het geding in eerste aanleg<\/h3>\n<p>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.<\/p>\n<h3>2Het geding in hoger beroep<\/h3>\n<p>De man is op 25 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.<\/p>\n<p>De vrouw heeft op 3 januari 2025 in principaal hoger beroep verweer gevoerd en is in incidenteel hoger beroep gekomen.<\/p>\n<p>De man heeft op 28 februari 2025 in incidenteel hoger beroep verweer gevoerd.<\/p>\n<p>Bij het hof is voorts ingekomen:<\/p>\n<p>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 juli 2024;<\/p>\n<p>het V8-formulier met bijlagen van 2 juni 2025, ingekomen op 4 juni 2025.<\/p>\n<p>De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2025 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn verschenen:<\/p>\n<p>de man, bijgestaan door mr. Ploemen;<\/p>\n<p>mr. Rober namens de vrouw.<\/p>\n<p>De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.<\/p>\n<p>Na de mondelinge behandeling is ingekomen:<\/p>\n<p>het V3-formulier met bijlagen van 11 juni 2025 namens de vrouw, ingekomen op 16 juni 2025;<\/p>\n<p>het V6-formulier met bijlagen van 12 juni 2025 namens de man, ingekomen op 13 juni 2025;<\/p>\n<p>het V8-formulier met bijlage van 17 juni 2025 namens de vrouw, ingekomen op 18 juni 2025;<\/p>\n<p>het V8-formulier met bijlage d.d. 2 juli 2025 namens de man.<\/p>\n<p>Namens de man zijn op 2 juni 2025 stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij sedert januari 2025 een gewijzigd inkomen heeft. De advocaat van de vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat er geen enkele reden was deze stukken pas zo laat in het geding te brengen. Het hof heeft de vrouw op haar verzoek tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toestemming gegeven op grond van deze laat overgelegde stukken desgewenst een (ander) standpunt in te nemen en desgewenst haar verzoek in incidenteel beroep te wijzigen dan wel te vermeerderen. Dat heeft zij gedaan bij het V3-formulier van 11 juni 2025. Het hof heeft de man vervolgens de mogelijkheid gegeven om daar op te reageren. Dat heeft hij gedaan bij het V6-formulier van 12 juni 2025. De man heeft echter ook, zonder dat het hof hiervoor toestemming had gegeven, bij datzelfde V6-formulier zijn verzoek gewijzigd. In de redenen die de man daartoe heeft aangevoerd ziet het hof geen reden om deze wijziging toe te laten, nu het hof dit beoordeelt als in strijd met de goede procesorde.<\/p>\n<h3>3De feiten<\/h3>\n<p>Partijen hebben een relatie met elkaar gehad die in 2023 is verbroken.<\/p>\n<p>Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).<\/p>\n<p>[minderjarige] woont bij de vrouw.<\/p>\n<h3>4De omvang van het geschil<\/h3>\n<p>Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man vanaf 8 november 2023 aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige] van \u20ac 172,- per maand moet betalen. Daarbij is bepaald dat deze bijdrage op basis van de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2024 \u20ac 183,- per maand bedraagt.<\/p>\n<p>De man heeft in principaal hoger beroep verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen.<\/p>\n<p>De vrouw heeft in principaal hoger beroep verweer gevoerd en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd. De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep verzocht, na verbetering tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, dat de bestreden beschikking wordt vernietigd ten aanzien van de ingangsdatum en opnieuw rechtdoende wordt bepaald dat de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie zal zijn gelegen op 11 september 2023.<\/p>\n<p>De man heeft in incidenteel hoger beroep verweer gevoerd en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen als onbewezen en of ongegrond, kosten rechtens.<\/p>\n<p>De vrouw heeft bij vermeerdering van haar verzoek in incidenteel beroep verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin opgenomen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] wordt bekrachtigd tot en met periode 27 januari 2025 en te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage per 27 januari 2025 wordt vastgesteld op \u20ac 285,- per maand, een en ander bij vooruitbetaling te voldoen.<\/p>\n<p>De man heeft verweer gevoerd op het vermeerderde verzoek.<\/p>\n<h3>5De motivering van de beslissing<\/h3>\n<p>Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen en per onderwerp bespreken.<\/p>\n<p>Ingangsdatum\/terugwerkende kracht<\/p>\n<p>De rechtbank heeft de ingangsdatum bepaald op 8 november 2023, zijnde de datum waarop de vrouw haar inleidend verzoekschrift heeft ingediend.<\/p>\n<p>De man voert \u2013 samengevat \u2013 het volgende aan. De rechtbank kan in het licht van de persoonlijke omstandigheden van de man niet volstaan met de overweging dat de man vanaf 8 november 2023 rekening kon houden met het moeten voldoen van kinderalimentatie. De rechtbank heeft een ingangsdatum in het verleden bepaald. Hierdoor wordt de man geconfronteerd met nog een schuld, terwijl op basis van de stukken duidelijk is dat hij reeds diverse schulden had en daarop aflost. Een extra schuld heeft ingrijpende gevolgen, te meer nu de rechtbank ook bij de berekening van zijn draagkracht geen rekening heeft gehouden met zijn WW-uitkering. De man heeft aangegeven dat hij zakken met kleren en luiers aan de vrouw heeft gegeven en op deze wijze heeft getracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . In november 2023 heeft hij \u20ac 100,- overgemaakt aan de vrouw. Gelet op de bestaande aflossingsverplichtingen en schulden moet de ingangsdatum worden bepaald op de datum van de uitspraak van het hof.<\/p>\n<p>De vrouw voert als verweer in principaal beroep en als grief in haar incidenteel beroep<\/p>\n<p>\u2013 samengevat \u2013 het volgende aan. De man heeft onvoldoende onderbouwd om welke reden van de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum moet worden afgeweken. Hij stelt dat een ingangsdatum in het verleden voor hem ingrijpende gevolgen heeft, maar beschrijft deze niet. Ook de genoemde schulden zijn onvoldoende om te stellen dat afgeweken moet worden van de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum. De man geeft niet aan of hij zich had kunnen bevrijden van eventuele extra financi\u00eble lasten. Het is bovendien onjuist dat de man heeft bijgedragen in natura. De ingangsdatum dient, anders dan de rechtbank heeft bepaald, te zijn gelegen op de dag dat het eerste sommatieschrijven namens de vrouw is uitgegaan, namelijk 11 september 2023.<\/p>\n<p>Het hof overweegt als volgt in principaal en incidenteel beroep<\/p>\n<p>Artikel 1:402 van het Burgerlijke Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Het hof hanteert, net als de rechtbank, als ingangsdatum 8 november 2023, zijnde de datum waarop de vrouw haar inleidend verzoekschrift heeft ingediend. Vanaf die datum kon de man in ieder geval rekening houden met een te betalen kinderalimentatie.<br \/>\nHet verzoek in incidenteel beroep van de vrouw om de bijdrage van de man vast te stellen vanaf 11 september 2023 wijst het hof af. In de e-mail van de advocaat van de vrouw van die datum wordt de advocaat van de man verzocht om toezending van financi\u00eble stukken, op basis waarvan de advocaat van de vrouw de kinderalimentatie kon berekenen. De vrouw heeft in die e-mail geen inzicht gegeven in haar financi\u00eble gegevens. De man kon door het ontbreken van die stukken op dat moment niet zelf bij benadering zijn aandeel in de kosten van [minderjarige] vaststellen.<\/p>\n<p>Behoefte [minderjarige]<\/p>\n<p>Er zijn geen grieven gericht tegen de door de rechtbank berekende behoefte van [minderjarige] van \u20ac 355,- per maand in 2023, zodat het hof hiervan uit zal gaan. Ge\u00efndexeerd bedraagt de behoefte van [minderjarige] in 2024 afgerond \u20ac 377,- en in 2025 afgerond \u20ac 402,-.<\/p>\n<p>Draagkracht man<\/p>\n<p>De rechtbank heeft overwogen dat het netto besteedbaar inkomen van de man \u20ac 2.471,- per maand bedraagt en zijn draagkracht \u20ac 388,- per maand.<\/p>\n<p>De man voert \u2013 samengevat \u2013 het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank vanaf 15 maart 2024 geen rekening gehouden met zijn WW-uitkering. Er is een WW-uitkering toegekend, hetgeen impliceert dat er geen sprake is van een benadelingshandeling en\/of verwijt dat zijn arbeidsovereenkomst niet verlengd is. De arbeidsovereenkomst is niet verlengd als gevolg van tegenvallende bedrijfsresultaten. De man was niet in staat om redelijkerwijs zijn oude inkomen te verwerven en dit kan ook niet van hem worden gevergd, althans de inkomensdaling is niet voor herstel vatbaar. Zijn inkomen bestond voor 30% uit ploegendiensten. Gelet op de inmiddels verzochte omgangsregeling kan de man geen ploegendiensten meer draaien en ligt het niet in de rede dat hij eenzelfde inkomen gaat verwerven. De man had in 2023 in loondienst een brutosalaris van \u20ac 3.602,15 per maand. Hij ontving een WW-uitkering van \u20ac 3.076,86 bruto per maand. Dit is een substantieel verschil waar rekening mee moet worden gehouden. De man heeft aan zijn sollicitatieplicht voldaan. Sinds 27 januari 2025 heeft hij een nieuwe baan.<\/p>\n<p>De rechtbank is ten onrechte niet toegekomen aan een afwijking van het woonbudget, omdat er geen sprake is van een tekort om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) dient de rechter indien met de berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien, en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait, steeds na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dat het geval is dient de rechter ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet. De man heeft onder verwijzing naar voornoemde overweging van de Hoge Raad aangevoerd dat zijn woonlasten duurzaam aanmerkelijk hoger zijn dan het woonbudget en dat daar rekening mee moet worden gehouden. Uit de Overeenkomst Kostgeld blijkt uit welke bedragen het bedrag is opgebouwd. De man verblijft ongeveer de helft van het jaar bij zijn moeder en de andere helft van het jaar in een chalet dat tijdens de relatie in samenspraak met de vrouw is aangeschaft. Ten onrechte heeft de rechtbank niet zijn werkelijke woonlasten meegenomen bij de berekening van zijn draagkracht, maar is de rechtbank uitgegaan van het woonbudget. Primair moet er met de woonlast van: \u20ac 650 (kostgeld) + \u20ac 262 (staanplaats chalet) + \u20ac 138,10 (gas\/water en licht chalet) = \u20ac 1.050,10 rekening worden gehouden. Subsidiair dient rekening te worden gehouden met een bedrag van \u20ac 792,60 voor wat betreft de woonlasten, indien het hof van mening is dat de post voeding in de Overeenkomst Kostgeld verdisconteerd is in de bijstandsnorm. Deze woonlasten van de man zijn niet vermijdbaar of verwijtbaar en in het licht van de huidige huurprijzen redelijk.<\/p>\n<p>Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de man de gaskosten op de camping van de bijstandsnorm dient te voldoen. Het gasverbruik van de camping en het gasgebruik bij de moeder overstijgt de wooncomponent ad \u20ac 189,- in de bijstandsnorm, reden waarom de man het gasverbruik niet uit de bijstandsnorm kan voldoen, mede gelet op zijn andere woonkosten. Ook moet rekening worden gehouden met de lening en rente bij [financi\u00eble instelling] en de advocaatkosten. De lening bij [financi\u00eble instelling] is aangegaan tijdens de relatie ten behoeve van de aankoop van het chalet op de camping waar partijen samen naartoe zouden gaan. De vrouw heeft dit erkend. De man kan deze last niet betalen van het niet benutte deel van het woonbudget, aangezien de in aanmerking te nemen woonlasten hoger liggen dan het woonbudget. De advocaatkosten zijn, omdat de man niet in aanmerking komt voor een toevoeging en niet in persoon kan procederen, een niet-vermijdbare en niet-verwijtbare last.<\/p>\n<p>De man heeft rekening houdend met zijn werkelijke woonlasten en zijn extra lasten geen resterende draagkracht die hij kan benutten om schulden af te lossen. De man heeft ook geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .<\/p>\n<p>De vrouw voert in principaal en incidenteel beroep \u2013 samengevat \u2013 het volgende aan. De man geeft enkel aan dat hij een WW-uitkering ontvangt en dat dit voldoende moet zijn om te concluderen dat hij een lager inkomen heeft gehad. De zorgregeling die hij aanhaalt is nog niet definitief vastgesteld, zodat hier geen rekening mee gehouden kan worden. Bovendien blijkt nergens uit dat de man heeft voldaan aan de sollicitatieverplichting. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van het inkomen uit 2023 uit kan worden gegaan. Vanaf 27 januari 2025 moet rekening worden gehouden met het nieuwe inkomen van de man. Uit de berekeningen met de nieuw overgelegde cijfers van de man volgt dat de man in staat moet worden geacht met ingang van 27 januari 2025 een bijdrage als kinderalimentatie te voldoen van \u20ac 285,- per maand, hetgeen de vrouw het hof dan ook in incidenteel beroep verzoekt te bepalen.<\/p>\n<p>De man verbindt geen consequenties aan zijn stellingen omtrent de woonlasten. De vrouw betwist dat de man het chalet tijdens de relatie in samenspraak met de vrouw heeft aangeschaft. Het woonbudget is voldoende en behoeft enkel en alleen aanpassing wanneer de gezamenlijk draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte te voorzien. Dat is niet het geval. Er zijn geen zeer bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan met de werkelijke woonlasten moet worden gerekend, in afwijking van het woonbudget<\/p>\n<p>Als de man extra gas op de camping verbruikt dient hij dit te voldoen uit het vrij te laten bedrag.<br \/>\nMet de advocaatkosten moet geen rekening gehouden worden omdat het een alimentatieprocedure betreft en geen echtscheidingsprocedure.<br \/>\nWat betreft de lening bij [financi\u00eble instelling] heeft de rechtbank een duidelijk afweging gemaakt en toegelicht waarom deze niet ten laste van de draagkracht kan worden gebracht, nog daargelaten dat de vrouw betwist dat het chalet in samenspraak is aangeschaft. De man probeert de lening en de woonlasten te combineren en zo het een en ander dubbel in de draagkrachtberekening op te voeren. De man kan zich zoals de rechtbank heeft overwogen van deze last bevrijden, dan wel anderszins kan het niet zo zijn dat hij aan de ene kant woonlasten opvoert en aan de andere kant nog eens chaletkosten.<\/p>\n<p>Het hof overweegt als volgt in principaal en incidenteel beroep.<\/p>\n<p>Niet in geschil is dat het inkomen van de man in de periode 2023 tot 15 maart 2024, op basis van zijn jaaropgave, \u20ac 44.229,- bruto bedroeg. Daaruit volgt een netto besteedbaar inkomen (NBI) van \u20ac 2.471,- per maand en draagkracht van \u20ac 388,- per maand.<\/p>\n<p>Eveneens is niet in geschil dat de man vanaf 15 maart 2024 een WW-uitkering heeft ontvangen. Ter discussie staat of hier rekening mee moet worden gehouden voor de berekening van zijn draagkracht ten behoeve van kinderalimentatie. Het hof is van oordeel dat hiermee rekening moet worden gehouden. Feit is dat de arbeidsovereenkomst van de man niet is verlengd en hij in aanmerking kwam voor een WW-uitkering. Hieruit is op te maken dat het ontslag niet verwijtbaar was. De man heeft onbetwist aangevoerd dat zijn arbeidsovereenkomst niet is verlengd als gevolg van tegenvallende bedrijfsresultaten. Bovendien is niet gebleken dat de man niet aan zijn sollicitatieverplichting heeft voldaan. Het hof zal dus rekening houden met zijn inkomen uit WW-uitkering. Op basis van de jaaropgave 2024 bedroeg zijn inkomen uit WW-uitkering \u20ac 27.625 bruto. Deze jaaropgave ziet op de uitkering vanaf 15 maart 2024 tot eind 2024, zijnde 9,5 maand. Gerekend over een periode van twaalf maanden zou zijn WW-inkomen dan (\u20ac27.625,-\/ 9,5 maanden * 12 maanden =) \u20ac 34.895,- hebben bedragen, ofwel afgerond \u20ac 2.908,- bruto per maand. Daaruit volgt vanaf de datum van 15 maart 2024 een NBI van \u20ac 2.057,- per maand en een draagkracht van \u20ac 116,- per maand.<\/p>\n<p>Ook is niet in geschil dat de man vanaf 27 januari 2025 een nieuw baan heeft waar hij \u20ac 3.450,- bruto per maand verdient. Daaruit volgt na vermeerdering met vakantiegeld en na aftrek van een pensioenpremie van \u20ac 86,- per maand, de verschuldigde loonbelasting en de heffingskortingen een NBI van \u20ac 2.967,- per maand en een draagkracht van \u20ac 537,- per maand.<\/p>\n<p>De vraag die voorligt is of, en zo ja met welke bijzondere omstandigheden rekening moet worden gehouden bij de draagkracht van de man.<\/p>\n<p>Het hof zal ten behoeve van de draagkracht van de man rekenen met het woonbudget en hier niet van afwijken. Het hof merkt op dat een onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn\/haar inkomen te kunnen voldoen. Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen, ook vanuit het woonbudget moet betalen. Pas als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kan met die extra lasten rekening worden gehouden, indien deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake zou zijn van duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten dan het woonbudget. Ten aanzien van de Overeenkomst Kostgeld merkt het hof op dat niet alle daarin benoemde kosten in aanmerking kunnen worden genomen als woonlasten, zoals \u201cbijdrage abonnementen (tv, Amazon Prime)\u201d, \u201cvoeding\u201d en \u201cwas- en schoonmaakkosten\u201d. Bovendien voert de man dit kostgeld op voor het hele jaar, terwijl hij tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven slechts ongeveer de helft van het jaar bij zijn moeder te verblijven. Hetzelfde geldt voor de kosten voor het chalet die hij voor het hele jaar opvoert terwijl hij hier maar de helft van het jaar verblijft. Kosten als gas en energielasten hoeven dan ook niet het hele jaar op beide plekken betaald te worden. Wat betreft de lening bij [financi\u00eble instelling] heeft de man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat deze grotendeels is aangegaan ten behoeve van de financiering van het chalet waar de man ongeveer de helft van het jaar verblijft. Naar het oordeel van het hof dient dit deel van de lening derhalve aangemerkt te worden als woonlasten en moet dus uit het woonbudget worden voldaan.<\/p>\n<p>Ook met (de kosten van) het overige deel van de lening bij [financi\u00eble instelling] zal het hof geen rekening houden. Het is op geen enkele wijze inzichtelijk geworden hoe deze lening is opgebouwd. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling op zijn telefoon laten zien dat er nog een bedrag van ruim \u20ac 18.000,- open staat. Het is voor het hof niet inzichtelijk in hoeverre het resterende bedrag ziet op zaken waarmee rekening moet worden gehouden bij de draagkracht van de man.<\/p>\n<p>Ook de door de man opgevoerde advocaatkosten zijn niet inzichtelijk geworden. Onduidelijk is hoeveel kosten de man heeft gehad of wat hij bijvoorbeeld hiervoor heeft geleend.<\/p>\n<p>Gelet op het voorgaande heeft de man onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van duurzaam aanmerkelijke hogere woonlasten of van andere niet-vermijdbare en niet-verwijtbare lasten waar het hof rekening mee kan houden. Gelet daarop gaat het hof uit van de draagkracht in de respectievelijke periodes zoals benoemd onder rov. 5.10.2. t\/m 5.10.4.<\/p>\n<p>Draagkracht vrouw<\/p>\n<p>De door de rechtbank berekende NBI en draagkracht van de vrouw in 2023 van respectievelijk \u20ac 2.134,- en \u20ac 223,- per maand is niet in geschil, zodat het hof hiervan uit zal gaan.<\/p>\n<p>Volgens de jaaropgaaf 2024 had de vrouw een belastbaar inkomen van \u20ac 29.803,-. Hieruit volgt een NBI en een draagkracht van respectievelijk \u20ac 2.294,- en \u20ac 235,- per maand in 2024.<\/p>\n<p>Volgens de betaalspecificaties van april en mei 2025 ontvangt de vrouw in 2025 \u20ac 2.406,20 per maand (excl. vakantiegeld). Hieruit volgt een NBI en een draagkracht van respectievelijk \u20ac 2.286,- en \u20ac 203,- per maand in 2025.<\/p>\n<p>Draagkrachtvergelijking<\/p>\n<p>Periode van 8 november 2023 tot 15 maart 2024<\/p>\n<p>De behoefte van [minderjarige] in 2023 bedraagt \u20ac 355,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt \u20ac 388,- per maand en de draagkracht van de vrouw bedraagt \u20ac 223,- per maand. Partijen hebben samen een draagkracht van \u20ac 611,- en dus genoeg draagkracht om in de behoefte te voorzien. Daarom wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt.<\/p>\n<p>Het door de man bij te dragen deel bedraagt van 8 november 2023 tot 1 januari 2024 (\u20ac 388,- : \u20ac 611,-) * \u20ac 355,- = \u20ac 225,-. Ge\u00efndexeerd bedraagt het door de man bij te dragen deel van 1 januari 2024 tot 15 maart 2024 \u20ac 239,-.<\/p>\n<p>Periode van 15 maart 2024 tot 27 januari 2025<\/p>\n<p>De behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2024 ge\u00efndexeerd \u20ac 377,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt \u20ac 116,- per maand en de draagkracht van de vrouw \u20ac 235,- per maand in 2024 en \u20ac 203,- in 2025. Partijen hebben samen een draagkracht van \u20ac 351,- en dus niet genoeg om in de behoefte te voorzien (tekort = \u20ac 26,-). Dit betekent dat partijen hun volledige draagkracht moeten aanwenden.<\/p>\n<p>Periode na 27 januari 2025<\/p>\n<p>De behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2025 ge\u00efndexeerd \u20ac 402,- per maand, de draagkracht van de man \u20ac 537,- per maand en de draagkracht van de vrouw \u20ac 203,- per maand. Partijen hebben samen een draagkracht van \u20ac 740,- en dus genoeg om in de behoefte te voorzien. Daarom wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt.<\/p>\n<p>Het door de man bij te dragen deel bedraagt in deze periode (\u20ac 537,- : \u20ac 740,-) * \u20ac 402 = \u20ac 292,-.<\/p>\n<p>Zorgkorting<\/p>\n<p>De man voert \u2013 samengevat \u2013 het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank een zorgkorting toegepast van 15%. Inmiddels is er een voorlopige zorgregeling waarbij de zorgkorting 15% bedraagt, zonder daarbij rekening te houden met de reisafstand en daarmee gemoeide kosten, die de man weer volledig voor zijn rekening neemt. De man legt vier keer per week in totaal 300 km af om \u00e9\u00e9n dag per week omgang met zijn zoon te hebben. Het is derhalve redelijk dat deze reiskosten worden meegenomen in de zorgkorting, zodat dit 25% moet zijn.<\/p>\n<p>De vrouw voert \u2013 samengevat \u2013 het volgende aan. De vrouw woont in [woonplaats] . De man zou ook in deze omgeving kunnen gaan wonen, maar hij heeft ervoor gekozen om in [regio] te wonen. Dat dient voor zijn rekening en risico te komen. De reiskosten kunnen niet in mindering worden gebracht door het stellen dat er sprake is van een hogere zorgkorting. Een zorgkorting van 15% is re\u00ebel.<\/p>\n<p>Het hof overweegt als volgt.<\/p>\n<p>Hoewel de man minder dan gemiddeld twee dagen per week contact met [minderjarige] heeft, is onbetwist naar voren gekomen dat hij het halen en brengen voor zijn rekening neemt en een grote reisafstand aflegt. Gelet hierop acht het hof een zorgkorting van 25% redelijk.<\/p>\n<p>Het bedrag aan zorgkorting wordt voor de periodes dat de ouders voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien volledig in mindering gebracht op het door de man aan de vrouw te betalen bedrag.<\/p>\n<p>In de periode dat er onvoldoende draagkracht is zal het hof, omdat de helft van het tekort (zie onder rov. 5.17, helft van \u20ac 26,- is \u20ac 13,- en helft van \u20ac 83,- is afgerond \u20ac 42,-) minder is dan de zorgkorting, de helft van het tekort in mindering brengen op de zorgkorting.<\/p>\n<p>Periode van 8 november 2023 tot 15 maart 2024<\/p>\n<p>De behoefte van [minderjarige] in 2023 bedraagt \u20ac 355,- per maand. Het door de man te dragen deel bedraagt in de periode van 8 november 2023 tot 1 januari 2024 \u20ac 225,- en in de periode van 1 januari 2024 tot 15 maart 2024 \u20ac 239,- per maand.<\/p>\n<p>De zorgkorting bedraagt (0,25 * \u20ac 355,- =) \u20ac 89 per maand. Rekening houdend met deze zorgkorting moet de man van 8 november 2023 tot 1 januari 2024 aan de vrouw kinderalimentatie betalen van (\u20ac 225,- &#8212; \u20ac 89,- =) \u20ac 136,- per maand. Ge\u00efndexeerd moet de man van 1 januari 2024 tot 15 maart 2024 aan de vrouw kinderalimentatie betalen van \u20ac 144,- per maand.<\/p>\n<p>Periode van 15 maart 2024 tot 27 januari 2025<\/p>\n<p>De behoefte van [minderjarige] in 2024 bedraagt \u20ac 377,- per maand. De man moet zijn volledige draagkracht aanwenden, zijnde \u20ac 116,- per maand. De zorgkorting bedraagt (0,25 * \u20ac 377,- =) \u20ac 94,-. De zorgkorting minus de helft van het tekort (zie onder rov. 5.22.2 en 5.17) bedraagt in (\u20ac 94,- &#8212; \u20ac 13,- =) \u20ac 81,-. Gelet hierop moet de man aan de vrouw van 15 maart 2024 tot 1 januari 2025 kinderalimentatie betalen van (\u20ac 116,- &#8212; \u20ac 81,- =) \u20ac 35,- per maand. Ge\u00efndexeerd moet de man van 1 januari 2025 tot 27 januari 2025 aan de vrouw kinderalimentatie betalen van \u20ac 37,- per maand.<\/p>\n<p>Periode na 27 januari 2025<\/p>\n<p>De behoefte van [minderjarige] in 2025 bedraagt \u20ac 402,- per maand en het door de man bij te dragen deel bedraagt in deze periode \u20ac 292,-. Rekening houdend met een de zorgkorting van (0,25 * \u20ac 402 =) afgerond \u20ac 101,- moet de man aan de vrouw kinderalimentatie betalen van (\u20ac 292,- \u2013 \u20ac 101,- =) \u20ac 191,- per maand.<\/p>\n<p>Slotsom<\/p>\n<p>Gelet op het vorenstaande zal het hof beslissen als volgt.<\/p>\n<h3>6De beslissing<\/h3>\n<p>Het hof:<\/p>\n<p>in principaal en incidenteel hoger beroep:<\/p>\n<p>vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 juli 2024, en opnieuw beschikkende:<\/p>\n<p>bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal betalen:<\/p>\n<p>&#8212; van 8 november 2023 tot 1 januari 2024: \u20ac 136,- per maand;<\/p>\n<p>&#8212; van 1 januari 2024 tot 15 maart 2024: \u20ac 144,- per maand;<\/p>\n<p>&#8212; van 15 maart 2024 tot 1 januari 2025: \u20ac 35,- per maand;<\/p>\n<p>&#8212; van 1 januari 2025 tot 27 januari 2025: \u20ac 37,- per maand;<\/p>\n<p>&#8212; vanaf 27 januari 2025: 191,- per maand,<\/p>\n<p>de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;<\/p>\n<p>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;<\/p>\n<p>wijst af het meer of anders verzochte.<\/p>\n<p>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, G.M. Goes en K.A. Boshouwers en is op 14 augustus 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2247\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Kinderalimentatie<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[8088],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[8136,9170,9895,9171],"kji_language":[7671],"class_list":["post-621588","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-gerechtshof-s-hertogenbosch","kji_year-8463","kji_subject-divers","kji_keyword-gerechtshof","kji_keyword-ghshe","kji_keyword-kinderalimentatie","kji_keyword-s-hertogenbosch","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:GHSHE:2025:2247 Gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch , 14-08-2025 \/ 200.347.654_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:GHSHE:2025:2247 Gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch , 14-08-2025 \/ 200.347.654_01\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Kinderalimentatie\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"21 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u0430\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:GHSHE:2025:2247 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-08-2025 \\\/ 200.347.654_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-20T10:16:02+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:GHSHE:2025:2247 Gerechtshof &lsquo;s-Hertogenbosch , 14-08-2025 \\\/ 200.347.654_01\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2247 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-08-2025 \/ 200.347.654_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2247 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-08-2025 \/ 200.347.654_01","og_description":"Kinderalimentatie","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"21 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u0430"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/","name":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2247 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-08-2025 \/ 200.347.654_01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-20T10:16:02+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghshe20252247-gerechtshof-s-hertogenbosch-14-08-2025-200-347-654_01\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:GHSHE:2025:2247 Gerechtshof &lsquo;s-Hertogenbosch , 14-08-2025 \/ 200.347.654_01"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/621588","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=621588"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=621588"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=621588"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=621588"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=621588"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=621588"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=621588"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=621588"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}