{"id":624125,"date":"2026-04-20T16:21:15","date_gmt":"2026-04-20T14:21:15","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/"},"modified":"2026-04-20T16:21:15","modified_gmt":"2026-04-20T14:21:15","slug":"eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:RBNHO:2025:11852 Rechtbank Noord-Holland , 21-08-2025 \/ C\/15\/350842 \/ FA RK 24-1583"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Verdeling. Vergoedingsrecht vanwege schenkingen ouders. Deels toegewezen, voor zover kan worden vastgesteld dat ten tijde van de schenking hieraan een uitsluitingsclausule is verbonden.<\/p>\n<h3>RECHTBANK NOORD-HOLLAND<\/h3>\n<p>Familie en Jeugd<\/p>\n<p>locatie Haarlem<\/p>\n<p>zaaknummer \/ rekestnummer: C\/15\/350842 \/ FA RK 24-1583 (echtscheiding) en<\/p>\n<p>C\/15\/356181 \/ FA RK 24-4354 (verdeling)<\/p>\n<p>Beschikking d.d. 15 oktober 2025 betreffende de echtscheiding<\/p>\n<p>in de zaak van:<\/p>\n<p>[de vrouw] ,<\/p>\n<p>wonende te [plaats] ,<\/p>\n<p>hierna te noemen de vrouw,<\/p>\n<p>advocaat mr. T.A. Bruins, gevestigd te Aerdenhout,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>[de man] ,<\/p>\n<p>wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,<\/p>\n<p>hierna te noemen de man,<\/p>\n<p>advocaat mr. J.C. van den End, gevestigd te Amsterdam.<\/p>\n<p>In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen:<\/p>\n<p>de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,<\/p>\n<p>hierna te noemen: de Raad.<\/p>\n<p>Als informant is aangemerkt:<\/p>\n<p>de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Haarlem,<\/p>\n<p>hierna te noemen: de GI.<\/p>\n<h3>1De procedure<\/h3>\n<p>Het verloop van de procedure blijkt uit:<\/p>\n<p>&#8212; het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 18 maart 2024;<\/p>\n<p>&#8212; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man met bijlagen van 30 juli 2024, ingekomen op 1 augustus 2024;<\/p>\n<p>&#8212; het F-formulier van de man met bijlage van 31 juli 2024;<\/p>\n<p>&#8212; het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek, ingekomen op 15 oktober 2024;<\/p>\n<p>&#8212; het rapport met advies van de Raad van 16 december 2024;<\/p>\n<p>&#8212; een gewijzigd verzoek van de man, ingekomen op 12 juni 2025;<\/p>\n<p>&#8212; een aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 13 juni 2025.<\/p>\n<p>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juli 2025.<\/p>\n<p>Bij die gelegenheid zijn verschenen:<\/p>\n<p>de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;<\/p>\n<p>de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal;<\/p>\n<p>[vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.<\/p>\n<p>De Raad is als gevolg van een vergissing van de rechtbank niet verschenen.<\/p>\n<p>De minderjarige [de minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven. Hij heeft zijn mening gegeven in een afzonderlijk gesprek met de kinderrechter op 10 juli 2025.<\/p>\n<p>Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank kennisgenomen van nadere stukken van de man, ingekomen op 17 juli 2025 en nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 23 juli 2025.<\/p>\n<h3>2De beoordeling<\/h3>\n<p>Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.<\/p>\n<p>De minderjarige kinderen van partijen zijn:<\/p>\n<p>&#8212; [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en<\/p>\n<p>&#8212; [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .<\/p>\n<p>Bij beschikking van deze rechtbank van 2 juli 2024 is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de kinderen worden toevertrouwd aan de vrouw, dat de man bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning en is een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage en partnerbijdrage vastgesteld. Daarnaast is de Raad verzocht om ten behoeve van de onderhavige echtscheidingsprocedure te adviseren over de zorgregeling.<\/p>\n<p>Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 27 januari 2025 zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 27 januari 2026. Vervolgens is bij beschikking van de kinderrechter van 21 mei 2025 het Leger des Heils Jeugdbescherming &amp; Reclassering als GI vervangen door De Jeugd- &amp; Gezinsbeschermers.<\/p>\n<p>Scheiding<\/p>\n<p>Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.<\/p>\n<p>Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).<\/p>\n<p>Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.<\/p>\n<p>Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.<\/p>\n<p>Verblijfplaats<\/p>\n<p>De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.<\/p>\n<p>De man heeft zich daartegen niet verweerd.<\/p>\n<p>De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.<\/p>\n<p>Verdeling zorg- en opvoedingstaken<\/p>\n<p>De vrouw heeft haar verzoek tot het vaststellen van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) ingetrokken, zodat hierop geen beslissing meer hoeft te worden genomen.<\/p>\n<p>De man heeft bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht een zorgregeling vast te stellen, inhoudende:<\/p>\n<p>eenmaal per veertien dagen zijn de kinderen bij de man van vrijdag na school, en op dagen dat de kinderen geen school hebben vanaf 12.00 uur, tot zondag 18.00 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en hen weer terugbrengt;<\/p>\n<p>twee keer per week, op woensdag tussen 16.30 uur en 17.00 uur en op zaterdag tussen 13.00 uur en 15.00 uur, is er een videobelcontact tussen de man en de kinderen, met de bepaling dat het de kinderen door de vrouw mogelijk moet worden gemaakt om met hun vader te bellen op de momenten dat zij dat willen.<\/p>\n<p>In zijn gewijzigd verzoek heeft de man verzocht de beslissing over de zorgregeling aan te houden, in afwachting van de ondertoezichtstelling. Hij handhaaft zijn verzoeken, maar begrijpt dat hulpverleningstrajecten eerst moeten worden afgerond. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank of de beslissing moet worden aangehouden.<\/p>\n<p>Ter zitting is gebleken dat de GI bezig is met het opstellen van een plan van aanpak. De ouders en kinderen zijn aangemeld voor hulpverlening. Er wordt bezien welke hulpverleningsinstantie het beste aansluit bij het gezin en de hulp die nodig is. De GI heeft aangegeven dat zij de opbouw van de zorgregeling kunnen vormgeven als de rechtbank bepaalt welke zorgregeling (uiteindelijk) moet gelden.<\/p>\n<p>De rechtbank kan op dit moment nog niet vaststellen hoe de zorgregeling eruit zal komen te zien. Onduidelijk is wat haalbaar is voor de ouders en de kinderen. Daarbij speelt mee dat de man nog op grote afstand van de vrouw en kinderen woont en er op dit moment helemaal geen contact is tussen de kinderen en de man. Het is belangrijk dat eerst hulpverlening wordt ingezet om toe te werken aan contactherstel, alsmede om de samenwerking en verstandhouding tussen de ouders te verbeteren. Om die reden zal de rechtbank de beslissing over de zorgregeling pro forma aanhouden in afwachting van bericht van partijen over het verloop dan wel het resultaat van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en de door hen gewenste voortgang van de procedure.<\/p>\n<p>Onderhoudsbijdragen<\/p>\n<p>Kinderbijdrage<\/p>\n<p>De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van \u20ac 539,- per maand per kind vast te stellen.<\/p>\n<p>De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek. Hij heeft verzocht een door hem aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vast te stellen van \u20ac 452,- per kind per maand, met ingang van de datum van deze beschikking.<\/p>\n<p>De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro\u2019s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.<\/p>\n<p>Behoefte<\/p>\n<p>Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat voor het bepalen van de behoefte moet worden uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk van \u20ac 5.012,- per maand, zodat de rechtbank hierbij zal aansluiten. Verder staat vast dat de vrouw tijdens de huwelijkse samenwoning van partijen geen inkomsten had. Op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen van \u20ac 5.012,- per maand en een kindgebonden budget waar partijen aanspraak op maakten van \u20ac 67,- per maand, bedroeg de behoefte van de kinderen in 2024 \u20ac 1.221,- per maand, wat ge\u00efndexeerd naar 2025 neerkomt op \u20ac 1.300,- per maand, oftewel \u20ac 650,- per kind per maand.<\/p>\n<p>Vervolgens zal de rechtbank beoordelen op welke wijze deze kosten van het kind moeten worden verdeeld tussen de ouders.<\/p>\n<p>Draagkracht<\/p>\n<p>De man is in loondienst. Uit zijn salarisspecificaties over januari 2025 tot en met mei 2025 blijkt dat hij een bruto loon heeft van \u20ac 7.416,- per maand, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld, een ATV-toeslag van \u20ac 341,- bruto per maand en een onbelaste thuiswerkvergoeding van \u20ac 22,- per maand. Aan pensioenpremie betaalt de man \u20ac 409,- per maand en aan aanvullende pensioenpremie (excedent, ANW-hiaat en WIA-hiaat) betaalt de man \u20ac 61,- per maand.<\/p>\n<p>Hoewel de man ter zitting heeft verklaard geen verklaring te hebben voor het verschil tussen zijn bruto salaris en zijn cumulatief loon zoals vermeld op de salarisspecificatie over de maand mei 2025 en hij expliciet heeft verklaard dat hij geen bonus ontvangt, is uit de door hem na de zitting overgelegde salarisspecificaties over januari 2025 en februari 2025 gebleken dat de man in deze maanden een eenmalige uitkering heeft ontvangen van \u20ac 11.124,- respectievelijk \u20ac 10.268,- bruto, dus totaal \u20ac 21.392,- bruto. De rechtbank zal daarom ook met dit bedrag rekening houden.<\/p>\n<p>Op basis van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op \u20ac 5.796,- per maand. Hij heeft dan een draagkracht van \u20ac 1.923,- per maand.<\/p>\n<p>Ten aanzien van de vrouw staat vast dat zij sinds juni 2023 in loondienst is. Zij heeft een bruto loon van \u20ac 2.200,- per maand, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld van \u20ac 176,- per maand. Tussen partijen is niet in geschil om van dit inkomen uit te gaan. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de door de vrouw betaalde pensioenpremie van \u20ac 197,- per maand, de premie WGA-hiaat van \u20ac 9,- per maand en een aanvullende pensioenpremie van \u20ac 3,- per maand en het kindgebonden budget plus alleenstaande ouderkop waar de vrouw aanspraak op maakt.<\/p>\n<p>Op basis van deze gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op \u20ac 2.868,- per maand. Zij heeft dan een draagkracht van \u20ac 489,- per maand.<\/p>\n<p>De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt \u20ac 1.206,- per kind per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de kinderen en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt \u20ac 518,- per kind per maand en het aandeel van de vrouw bedraagt \u20ac 132,- per kind per maand.<\/p>\n<p>Partijen verschillen van mening over de hoogte van de zorgkorting dat op het aandeel van de man in mindering moet worden gebracht. De vrouw stelt dat geen rekening moet worden gehouden met een zorgkorting, terwijl de man van mening is dat ten minste een zorgkorting van 5% moet worden gehanteerd. De rechtbank zal geen rekening houden met een zorgkorting aan de zijde van de man. Hij heeft al geruime tijd geen contact met de kinderen en vaststaat dat hulpverlening nodig is om toe te werken aan herstel van dit contact. Gelet hierop bestaat niet de verwachting dat de man en de kinderen op korte termijn weer zodanig contact met elkaar hebben, dat een zorgkorting aan de orde is. Dit laat onverlet dat van beide partijen wordt verwacht dat zij zich inzetten om met de hulpverlening toe te werken naar een zorgregeling. In onderling overleg kunnen zij te zijner tijd dienovereenkomstig de eventuele zorgkorting bepalen.<\/p>\n<p>Conclusie<\/p>\n<p>Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage zal vaststellen van \u20ac 518,- per kind per maand. Voor de ingangsdatum gaat de rechtbank uit van de datum van deze beschikking, overeenkomstig het verzoek van de man en nu de vrouw geen andere ingangsdatum heeft verzocht.<\/p>\n<p>Partnerbijdrage<\/p>\n<p>De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek ter zitting, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van \u20ac 524,- per maand vast te stellen.<\/p>\n<p>De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.<\/p>\n<p>De rechtbank zal ook dit verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro\u2019s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.<\/p>\n<p>Behoefte en aanvullende behoefte<\/p>\n<p>De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte berekenen aan de hand van de zogenaamde Hofnorm, inhoudende 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen waarop de kosten van de kinderen in mindering zijn gebracht.<\/p>\n<p>De rechtbank gaat uit van het netto gezinsinkomen van partijen tijdens het huwelijk van \u20ac 5.079,- per maand en de daarbij behorende kosten van de kinderen van \u20ac 1.221,- per maand, zoals hierboven bij de kinderbijdrage is vermeld. Geen rekening zal worden gehouden met de inkomsten van de vrouw, omdat zij tijdens de huwelijkse samenleving van partijen niet of nauwelijks heeft gewerkt en haar inkomsten daarom niet representatief zijn voor de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Op grond van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op \u20ac 2.315,- netto per maand in 2024. Ge\u00efndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte \u20ac 2.465,- netto per maand.<\/p>\n<p>Vervolgens zal de rechtbank beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in deze behoefte kan voorzien. De man heeft gesteld dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zelf in haar behoefte voorziet. De vrouw heeft een eigen onderneming die zij vanuit haar woning voert, waarmee zij een hoger inkomen kan genereren, aldus de man. De vrouw heeft hiertegen naar voren gebracht dat zij de volledige zorg voor de kinderen draagt en dat zij naast haar parttime baan ook nog een opleiding volgt. Zij heeft nauwelijks klanten in haar salon. Gelet op deze omstandigheden -die de man niet, althans onvoldoende, gemotiveerd heeft betwist- acht de rechtbank het niet redelijk rekening te houden met een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. De rechtbank houdt daarom enkel rekening met het huidige inkomen van de vrouw, zoals hierboven in rechtsoverweging 2.8.9 is uiteengezet. Ook houdt de rechtbank rekening met het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen. De rechtbank berekent de aanvullende behoefte van de vrouw dan op \u20ac 298,- netto per maand, wat neerkomt op \u20ac 359,- bruto per maand.<\/p>\n<p>Draagkracht<\/p>\n<p>Uitgaande van het inkomen van de man zoals hierboven in rechtsoverweging 2.8.6 en 2.8.7 is uiteengezet, alsmede met het aandeel van de man in de kosten van de kinderen ter hoogte van \u20ac 1.036,- per maand, heeft de man een draagkracht van \u20ac 612,- netto per maand, oftewel \u20ac 978,- bruto per maand, om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Nu deze draagkracht de aanvullende behoefte van de vrouw overstijgt, wordt de door de man te betalen partnerbijdrage beperkt door de behoefte.<\/p>\n<p>Conclusie<\/p>\n<p>De rechtbank acht de man in staat om een partnerbijdrage aan de vrouw te voldoen van \u20ac 359,- bruto per maand. Deze bijdrage is verschuldigd met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.<\/p>\n<p>Verdeling<\/p>\n<p>Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.<\/p>\n<p>Peildatum<\/p>\n<p>De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 18 maart 2024. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.<\/p>\n<p>Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.<\/p>\n<p>Bestanddelen<\/p>\n<p>De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of \u00e9\u00e9n van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.<\/p>\n<p>1. De echtelijke woning aan het [adres] en de daarop rustende hypothecaire lening bij BLG Hypotheken<\/p>\n<p>Gebleken is dat de woning inmiddels (onder voorbehoud) is verkocht. Tussen partijen is niet in geschil dat de netto verkoopopbrengst, na aftrek van de kosten van de verkoop en na aflossing van de op de woning rustende hypothecaire lening, bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen. Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen.<\/p>\n<p>De man heeft gesteld dat hij een vergoedingsrecht heeft vanwege schenkingen die zijn ouders tijdens het huwelijk van partijen onder uitsluiting aan hem hebben gedaan. Het gaat om een bedrag van in totaal \u20ac 33.750,-. De man verzoekt de nominale vergoeding van dit bedrag. De vrouw heeft weersproken dat de schenkingen onder uitsluiting zijn gedaan.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt op basis van de door de man overgelegde stukken vast dat de ouders van de man de volgende schenkingen hebben gedaan, met nagenoemde omschrijvingen:<\/p>\n<p>op 8 juni 2014 een bedrag van \u20ac 6.000,-, zonder omschrijving;<\/p>\n<p>op 10 november 2014 een bedrag van \u20ac 500,-, zonder omschrijving;<\/p>\n<p>op 15 januari 2015 een bedrag van \u20ac 1.000,-, met als omschrijving \u201c remittance to son\u201d;<\/p>\n<p>op 14 juli 2015 een bedrag van \u20ac 4.000,-, met als omschrijving \u201cgift to his new baby\u201d;<\/p>\n<p>op 25 juli 2016 een bedrag van \u20ac 250,-, met als omschrijving \u201cremittance\u201d;<\/p>\n<p>op 23 juli 2020 een bedrag van \u20ac 20.000,-, met als omschrijving \u201cgift to son\u201d;<\/p>\n<p>op 25 juli 2021 een bedrag van \u20ac 2.000,- met als omschrijving \u201cgift to son\u201d.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt voorop dat een uitsluitingsclausule aan een schenking moet worden verbonden uiterlijk op het moment van de schenking. De door de man overgelegde verklaring van zijn ouders van 20 oktober 2024 kan er daarom niet toe leiden dat met terugwerkende kracht een uitsluitingsclausule is verbonden aan alle schenkingen. Gezien de omschrijvingen die de ouders van de man hebben vermeld bij de schenkingen, constateert de rechtbank dat aan de schenkingen van 15 januari 2015 (\u20ac 1.000,-), 23 juli 2020 (\u20ac 20.000,-) en 25 juli 2021 (\u20ac 2.000,-) uitdrukkelijk een uitsluitingsclausule is verbonden. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man een vergoedingsrecht toekomt ter hoogte van dit bedrag van in totaal \u20ac 23.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man geen feiten en omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat de man op grond van de redelijkheid en billijkheid een vergoedingsrecht toekomt gelijk aan het volledige bedrag van de schenkingen van \u20ac 33.750,-. Dat de ouders van de man in India woonachtig zijn en niet bekend zijn met het Nederlandse rechtssysteem en dat zij altijd de bedoeling hebben gehad dat de schenkingen alleen toekomen aan de man, is daartoe onvoldoende. De man woont immers al lange tijd in Nederland en had zijn ouders kunnen voorlichten.<\/p>\n<p>Het vergoedingsrecht van de man ter hoogte van \u20ac 23.000,- moet worden verrekend bij de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, in die zin dat van de verkoopopbrengst eerst het vergoedingsrecht aan de man moet worden voldaan, waarna de resterende verkoopopbrengst (na aftrek van de kosten en aflossing van de resterende hypothecaire lening) bij helfte wordt verdeeld tussen partijen. Mocht de levering al zijn afgerond, dan zal de vrouw dit bedrag binnen twee weken na deze beschikking aan de man dienen te voldoen.<\/p>\n<p>2. Bankrekeningen en advocaatkosten<\/p>\n<p>De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de verdeling van de banksaldi voor de peildatum van 31 mei 2023 moet worden uitgegaan, zijnde de datum waarop zij het eerste verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. De man heeft zich hiertegen verweerd.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt voorop dat voor de banksaldi in beginsel wordt uitgegaan van de hoogte per datum indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Partijen kunnen een andere peildatum overeenkomen. Ook kan op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere peildatum worden aangehouden. Vast staat dat partijen geen overeenstemming hebben over een andere peildatum voor wat betreft de waardering van de banksaldi. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid uit te gaan van een andere peildatum, zoals door de vrouw is verzocht. Hoewel de vrouw eerder op 31 mei 2023 een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend, heeft zij ervoor gekozen om dit verzoek in te trekken, omdat partijen voornemens waren om zich te verzoenen. Op dat moment is de huwelijksgemeenschap tussen partijen herleefd, wat meebrengt dat betalingen door de man gedaan na 31 mei 2023, uit de gemeenschap zijn voldaan. Partijen zijn echter ingevolge artikel 1:81 BW gehouden elkaar het nodige te verschaffen. De rechtbank ziet in de door de vrouw gestelde omstandigheden daarom geen reden om van een andere peildatum uit te gaan. Dit betekent dat de banksaldi per 18 maart 2024 in de verdeling moeten worden betrokken.<\/p>\n<p>Subsidiair heeft de vrouw gesteld dat de man alle facturen van zijn advocaat tot 18 maart 2024 in het geding moet brengen en dat het saldo van deze facturen moet worden opgeteld bij de banksaldi van de man per 18 maart 2024, omdat deze kosten aan hem zijn verknocht. De man heeft betwist dat de door hem betaalde advocaatkosten zijn verknocht.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt vast dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de man v\u00f3\u00f3r de peildatum (18 maart 2024) advocaatkosten heeft voldaan vanuit gemeenschapsgeld. Volgens vaste rechtspraak dienen advocaatkosten in het kader van een echtscheiding te worden gedragen door de echtgenoot aan wiens kant deze kosten zijn opgekomen. Dat betekent dat de man de door hem betaalde advocaatkosten aan de gemeenschap dient te vergoeden, wat er per saldo op neerkomt dat hij de helft van deze kosten aan de vrouw dient te voldoen. Nu onbekend is hoe hoog de door de man betaalde advocaatkosten zijn, zal de rechtbank bepalen dat de man binnen twee weken na deze beschikking aan de vrouw inzage moet geven in zijn advocaatkosten tot 18 maart 2024, door middel van het overleggen van de desbetreffende facturen, waarna hij de helft van deze kosten binnen een week aan de vrouw dient te vergoeden.<\/p>\n<p>De vrouw heeft stukken overgelegd waaruit de volgende bankrekeningen blijken:<\/p>\n<p>[rekeningnummer] (betaalrekening), met een beginsaldo per peildatum van \u20ac 22,33;<\/p>\n<p>[rekeningnummer] (betaalrekening), met een beginsaldo per peildatum van \u20ac 52,98<\/p>\n<p>[rekeningnummer] (Oranje Spaarrekening), met een saldo per peildatum van \u20ac 0,94;<\/p>\n<p>[rekeningnummer] (Oranje Spaarrekening), met een saldo per peildatum van \u20ac 282,19;<\/p>\n<p>[rekeningnummer] (Oranje Spaarrekening), met een saldo per peildatum van \u20ac 489,43.<\/p>\n<p>De man heeft stukken overgelegd waaruit de volgende bankrekening blijkt:<\/p>\n<p>&#8212; [rekeningnummer] , met een beginsaldo per peildatum van \u20ac 716,91.<\/p>\n<p>De man heeft gesteld dat hij geen andere bankrekeningen heeft en dat hij zijn geld niet op een spaarrekening zet, maar dit gebruikt om de hypothecaire lening van de echtelijke woning af te lossen. Gelet op de hoogte van het inkomen van de man ten opzichte van de hoogte van de aflossingen op de hypotheek, zoals blijkt uit de Aangiften Inkomstenbelasting over 2023 en 2024 (\u20ac 8.232,- per jaar), acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat de man geen andere bankrekeningen of spaargeld heeft en dat hij al zijn beschikbare gelden aanwendt om de hypothecaire lening af te lossen. De rechtbank kan echter niets bepalen ten aanzien van bestanddelen die niet zijn komen vast te staan. Nu het saldo van de bankrekening van de man niet veel verschilt van het totaalbedrag van de saldi van de bankrekeningen van de vrouw, acht de rechtbank het redelijk te bepalen dat ieder van partijen bovenstaande saldi van de op zijn of haar naam staande bankrekeningen krijgt toebedeeld, zonder verrekening van waarde.<\/p>\n<p>3. Inboedel en auto<\/p>\n<p>Partijen verschillen van mening over de verdeling van de inboedel en de auto van partijen, de [automerk] met kenteken [kenteken] . Uit hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht, leidt de rechtbank af dat geen van partijen de inboedel en de auto toebedeeld wenst te krijgen. Partijen verschillen bovendien van mening over wat een re\u00eble waarde is. De man wenst uit te gaan van de waarde van de auto volgens de ANWB-koerslijst, maar volgens de vrouw heeft de auto schade waardoor de waarde lager is. Verder stelt de man dat de inboedel een geringe waarde heeft, maar volgens de vrouw staan in de woning dure meubels van Riviera Maison die een hoge waarde vertegenwoordigen.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt vast dat partijen elkaar niet vertrouwen om de inboedel of de auto door de ander te laten verkopen, waarna de verkoopopbrengst kan worden verdeeld. Nu de man in de echtelijke woning verblijft en dus de beschikking heeft over de inboedel en de vrouw de auto in haar bezit heeft, zal de rechtbank in redelijkheid bepalen dat de inboedel aan de man wordt toebedeeld en dat de auto aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder verrekening van waarde. Het staat partijen vervolgens vrij om de inboedel dan wel de auto te verkopen.<\/p>\n<p>4. Familiejuwelen<\/p>\n<p>De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen de familiejuwelen aan de man af te geven binnen \u00e9\u00e9n week na de datum van de beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van \u20ac 200,- voor iedere dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft. De man heeft daartoe gesteld dat zijn familie de juwelen al meerdere generaties in haar bezit heeft. Deze juwelen zijn tijdens het huwelijk van partijen aan de man geschonken. Het is nimmer de bedoeling geweest dat de juwelen deel zouden uitmaken van de huwelijksgemeenschap van partijen. De vrouw heeft de juwelen meegenomen, maar deze vertegenwoordigen een grote emotionele waarde voor de man en zijn familie. De vrouw heeft ter zitting gesteld dat zij een deel van de juwelen heeft gekregen van de moeder van de man en dat dit een gift was aan haar.<\/p>\n<p>De rechtbank constateert dat onduidelijk is welke familiejuwelen er zijn, welke juwelen aan (\u00e9\u00e9n van) partijen zijn geschonken en wie van partijen deze juwelen nu in zijn of haar bezit heeft. Ook is de waarde van de juwelen niet gesteld of gebleken. Voor zover de man heeft gesteld dat de juwelen onder uitsluiting aan hem zijn geschonken, dan wel dat deze aan hem zijn verknocht vanwege de emotionele waarde, heeft hij deze stellingen onvoldoende onderbouwd en aangetoond. De rechtbank kan daarom geen beslissing nemen over de (verdeling van de) familiejuwelen, zodat het verzoek van de man op dit punt zal worden afgewezen.<\/p>\n<p>Overige verzoeken<\/p>\n<p>Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek om een gebruiksvergoeding vast te stellen, ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.<\/p>\n<p>De man heeft verzocht te bepalen dat de door hem gedane aflossingen op de hypothecaire geldlening vanaf de peildatum tot aan de levering van de woning, volledig aan hem ten goede komen en moet worden verrekend bij de eindafrekening bij de notaris (de rechtbank begrijpt: na verkoop en levering van de echtelijke woning aan een derde). Ter zitting heeft de man zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.<\/p>\n<p>Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man gesteld dat hij alle hypotheeklasten voldoet sinds de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten. De man acht het redelijk en billijk dat de door hem na de peildatum gedane aflossingen op de hypotheek aan hem toekomen, temeer nu hiermee geen rekening is gehouden in de voorlopige voorzieningenprocedure. Dit brengt mee dat de man een hogere draagkracht heeft waardoor de vrouw een hogere partnerbijdrage ontvangt, terwijl zij ook meedeelt in de waardevermeerdering van de woning in het kader van de verdeling. Deze dubbeltelling moet worden voorkomen.<\/p>\n<p>De vrouw heeft zich verweerd tegen dit verzoek, daartoe stellende dat met de volledige woonlasten van de man rekening is gehouden bij de bepaling van zijn draagkracht in het kader van de voorlopige voorzieningen, zodat geen sprake is van de door de man gestelde dubbeltelling.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt voorop dat het geschil tussen partijen ziet op de vraag of bij de bepaling van de draagkracht van de man in de voorlopige voorzieningen, al dan niet rekening is gehouden met de door de man gedane aflossingen op de hypothecaire geldlening. Indien hiermee geen rekening is gehouden, zou de man een hogere draagkracht hebben en wordt de vrouw hierdoor begunstigd. Indien hiermee wel rekening is gehouden, zou de man worden begunstigd indien de aflossingen na de peildatum volledig aan hem toekomen.<\/p>\n<p>De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat sprake is van een dubbeltelling indien de door hem gedane aflossingen niet worden verrekend tussen partijen. Uit de draagkrachtberekening die bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 2 juli 2024 is gevoegd, leidt de rechtbank af dat aan de zijde van de man rekening is gehouden met het woonbudget, inhoudende 30% van het netto besteedbaar inkomen. Dit woonbudget is voor de man berekend op \u20ac 1.504,- per maand. De man heeft gesteld dat hij aan aflossing en rente voor de hypothecaire geldlening \u20ac 894,- per maand voldoet. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het woonbudget voldoende is om deze woonlasten te voldoen. Dit betekent dat op die wijze rekening is gehouden met de aflossingen, die op de draagkracht van de man drukken, en dat de man geen verrekening toekomt bij de levering van de woning aan een derde. Het verzoek van de man daartoe zal daarom worden afgewezen.<\/p>\n<h3>3De beslissing<\/h3>\n<p>De rechtbank:<\/p>\n<p>spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;<\/p>\n<p>bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;<\/p>\n<p>bepaalt dat de man \u20ac 518,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, met ingang van de datum van deze beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;<\/p>\n<p>bepaalt dat de man \u20ac 359,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;<\/p>\n<p>stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast:<\/p>\n<p>aan de vrouw wordt toegedeeld:<\/p>\n<p>de auto, type [automerk] , zonder verrekening van waarde;<\/p>\n<p>de saldi van de op haar naam staande bankrekeningen, zonder verrekening;<\/p>\n<p>aan de man wordt toegedeeld:<\/p>\n<p>de inboedel, zonder verrekening van waarde;<\/p>\n<p>de saldi van de op zijn naam staande bankrekeningen, zonder verrekening;<\/p>\n<p>bepaalt dat de man een vordering heeft op de gemeenschap van \u20ac 23.000,- (drie\u00ebntwintig duizend euro), te verrekenen uit de verkoopopbrengst bij de levering van de echtelijke woning na verkoop aan een derde dan wel voor zover reeds is geleverd binnen twee weken door de vrouw te voldoen;<\/p>\n<p>bepaalt dat de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking inzage dient te geven aan de vrouw in de door hem betaalde advocaatkosten tot 18 maart 2024, door middel van het overleggen van de desbetreffende facturen en\/of bankafschriften, waarna hij de helft van deze kosten binnen een week aan de vrouw dient te vergoeden;<\/p>\n<p>verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de kinderbijdrage, de partnerbijdrage en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;<\/p>\n<p>wijst het meer of anders verzochte tot zover af;<\/p>\n<p>houdt de beslissing over de zorgregeling pro forma aan tot 6 januari 2026, waarbij partijen de rechtbank schriftelijk dienen te berichten over het verloop dan wel resultaat van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en de door hen gewenste voortgang van de procedure.<\/p>\n<p>Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 15 oktober 2025.<\/p>\n<p>Tegen deze beschikking kan &#8212; voor zover er definitief is beslist &#8212; door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:11852\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Verdeling. Vergoedingsrecht vanwege schenkingen ouders. Deels toegewezen, voor zover kan worden vastgesteld dat ten tijde van de schenking hieraan een uitsluitingsclausule is verbonden.<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[7895],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[11281,11300,8393,8392,7675],"kji_language":[7671],"class_list":["post-624125","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-rechtbank-noord-holland","kji_year-8463","kji_subject-divers","kji_keyword-echtscheiding","kji_keyword-nevenvoorzieningen","kji_keyword-noord-holland","kji_keyword-rbnho","kji_keyword-rechtbank","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:RBNHO:2025:11852 Rechtbank Noord-Holland , 21-08-2025 \/ C\/15\/350842 \/ FA RK 24-1583 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:RBNHO:2025:11852 Rechtbank Noord-Holland , 21-08-2025 \/ C\/15\/350842 \/ FA RK 24-1583\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Verdeling. Vergoedingsrecht vanwege schenkingen ouders. Deels toegewezen, voor zover kan worden vastgesteld dat ten tijde van de schenking hieraan een uitsluitingsclausule is verbonden.\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"26 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:RBNHO:2025:11852 Rechtbank Noord-Holland , 21-08-2025 \\\/ C\\\/15\\\/350842 \\\/ FA RK 24-1583 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-20T14:21:15+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:RBNHO:2025:11852 Rechtbank Noord-Holland , 21-08-2025 \\\/ C\\\/15\\\/350842 \\\/ FA RK 24-1583\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:RBNHO:2025:11852 Rechtbank Noord-Holland , 21-08-2025 \/ C\/15\/350842 \/ FA RK 24-1583 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:RBNHO:2025:11852 Rechtbank Noord-Holland , 21-08-2025 \/ C\/15\/350842 \/ FA RK 24-1583","og_description":"Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Verdeling. Vergoedingsrecht vanwege schenkingen ouders. Deels toegewezen, voor zover kan worden vastgesteld dat ten tijde van de schenking hieraan een uitsluitingsclausule is verbonden.","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"26 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/","name":"ECLI:NL:RBNHO:2025:11852 Rechtbank Noord-Holland , 21-08-2025 \/ C\/15\/350842 \/ FA RK 24-1583 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-20T14:21:15+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbnho202511852-rechtbank-noord-holland-21-08-2025-c-15-350842-fa-rk-24-1583\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:RBNHO:2025:11852 Rechtbank Noord-Holland , 21-08-2025 \/ C\/15\/350842 \/ FA RK 24-1583"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/624125","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=624125"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=624125"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=624125"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=624125"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=624125"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=624125"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=624125"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=624125"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}