{"id":626960,"date":"2026-04-20T21:21:04","date_gmt":"2026-04-20T19:21:04","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/"},"modified":"2026-04-20T21:21:04","modified_gmt":"2026-04-20T19:21:04","slug":"eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:GHARL:2024:6991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2024 \/ 200.330.880\/01"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Ex-samenlevers. Partijen hebben in 2018 bij notaris overeenkomst laten opstellen, die niet is ondertekend. Uit uitblijven van voor man kenbaar protest van vrouw tegen conceptovereenkomst en vervolgens uitvoering geven aan gemaakte afspraken (verbreking samenleving\/gescheiden financi\u00eble huishouding\/maandelijkse betalingen) mocht man in gegeven omstandigheden redelijkerwijs afleiden dat overeenkomst tot stand was gekomen.<\/p>\n<p>GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN<\/p>\n<p>locatie Leeuwarden<\/p>\n<p>afdeling civiel recht, handel<\/p>\n<p>zaaknummer gerechtshof 200.330.880\/01<\/p>\n<p>(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 538432)<\/p>\n<p>arrest van 12 november 2024<\/p>\n<p>in de zaak van<\/p>\n<p>[appellante]<br \/>\n ,<\/p>\n<p>die woont in [woonplaats1] ,<\/p>\n<p>appellante,<\/p>\n<p>die bij de rechtbank optrad als eiseres,<\/p>\n<p>hierna: de vrouw,<\/p>\n<p>advocaat: mr. M. Dickhoff, die kantoor houdt te Diemen,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>[ge\u00efntimeerde]<br \/>\n ,<\/p>\n<p>die woont in [woonplaats1] ,<\/p>\n<p>ge\u00efntimeerde,<\/p>\n<p>die bij de rechtbank optrad als gedaagde,<\/p>\n<p>hierna: de man,<\/p>\n<p>advocaat: mr. E.P. van der Ree, die kantoor houdt te Bronkhorst.<\/p>\n<h3>1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep<\/h3>\n<p>Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 26 september 2023 over.<\/p>\n<p>In dat arrest is een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald, die op<br \/>\n11 december 2023 heeft plaatsgevonden.<\/p>\n<p>Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:<br \/>\n&#8212; het proces-verbaal van de op 11 december 2023 gehouden mondelinge behandeling na<\/p>\n<p>aanbrengen;<\/p>\n<p>&#8212; de memorie van grieven met producties;<\/p>\n<p>&#8212; de memorie van antwoord;<\/p>\n<p>&#8212; een journaalbericht namens de vrouw van 10 oktober 2024 met bijlage(n).<\/p>\n<p>Op 24 oktober 2024 heeft een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van die mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Ook de namens de man bij journaalbericht van 4 november 2024 en de namens de vrouw bij journaalbericht van 6 november 2024 toegezonden opmerkingen bij het proces-verbaal zijn toegevoegd aan het dossier. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft het hof arrest bepaald.<\/p>\n<h3>2De kern van de zaak<\/h3>\n<p>Het gaat in deze zaak om de vraag of de tussen partijen in 2018 gemaakte afspraken, die door een notaris zijn vastgelegd in een onderhandse akte, maar welke akte door partijen niet is ondertekend, gelden.<\/p>\n<p>Het hof komt net als de rechtbank tot het oordeel dat partijen in 2018 met elkaar hebben afgerekend. Hoe het hof tot dat oordeel is gekomen, wordt hieronder uitgelegd, waarbij eerst de feiten van deze zaak en de vorderingen van partijen zullen worden vermeld.<\/p>\n<h3>3De feiten<\/h3>\n<p>Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [kind1] , geboren [in] 2004 en [kind2] , geboren [in] 2007.<\/p>\n<p>Partijen zijn in 1998 gaan samenwonen. Aanvankelijk woonden zij in de aan de man in eigendom toebehorende woning aan de [adres1] te [plaats1] . Daarna woonden zij in de aan de man in eigendom toebehorende woning aan de [adres2] te [woonplaats1] .<br \/>\nOp 28 november 2005 hebben partijen een notari\u00eble samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten. Hierin is \u2013 voor zover van belang \u2013 het volgende opgenomen:<br \/>\n\u201c GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING<\/p>\n<p>Artikel 6<\/p>\n<p>1. Indien partijen gezamenlijk wonen in een woning welke \u00e9\u00e9n van hen toebehoort, heeft deze geen recht op vergoeding door de andere partij behoudens het in artikel 4 lid 3 bepaalde. (\u2026)<\/p>\n<p>EINDE<\/p>\n<p>Artikel 7<\/p>\n<p>Deze overeenkomst eindigt:<\/p>\n<p>a. door opzegging door \u00e9\u00e9n van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij, waarbij een opzegtermijn van ten minste een maand in acht genomen moet worden. (\u2026)<\/p>\n<p>d. indien, zonder dat een opzegging als sub a bedoeld heeft plaatsgevonden, partijen in gezamenlijk overleg de overeenkomst feitelijk hebben be\u00ebindigd en zijn overgegaan tot verdeling van hun gezamenlijke vermogensbestanddelen.<\/p>\n<p>(\u2026)<\/p>\n<p>HUWELIJK\/GEREGISTREERD PARTNERSCHAP<\/p>\n<p>Artikel 9 (\u2026)<\/p>\n<p>5. Indien door de ene partij een uitkering wegens overbedeling moet worden gedaan aan de andere partij, zal de schuldenaar de bevoegdheid hebben de uitkering te voldoen in vier gelijke opvolgende termijnen van drie maanden, waarvan de eerste termijn vervalt drie maanden na het eindigen van de overeenkomst.<\/p>\n<p>Over het nog niet betaalde deel van de uitkering is door de schuldenaar een rentevergoeding verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente.<\/p>\n<p>De schuldeiser heeft de bevoegdheid zekerheidstelling te vragen voor de nakoming van de uit dit lid voortvloeiende verplichtingen.<\/p>\n<p>(TIJDELIJKE) VOORTZETTING WOONGENOT<\/p>\n<p>Artikel 10 (\u2026)<\/p>\n<p>3. Indien de woning toebehoort aan beide partijen of toebehoort aan de partij, die er niet in blijft wonen, dient de partij die blijft wonen over gemelde periode een redelijke vergoeding te betalen.<\/p>\n<p>4. De vergoeding zal worden vastgesteld door partijen in onderling overleg. Indien partijen het over de vergoeding niet eens kunnen worden, zullen zij deze laten bepalen door een door de kantonrechter te benoemen deskundige. (\u2026)<\/p>\n<p>WAARDEVERREKENING WONING<\/p>\n<p>Artikel 11.<\/p>\n<p>Ten aanzien van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning aan de [adres2]<\/p>\n<p>te [woonplaats1] , hierna te noemen: \u2018de woning\u2019, welke in eigendom toebehoort aan<\/p>\n<p>[ge\u00efntimeerde] , zijn partijen nog het navolgende overeengekomen:<\/p>\n<p>In aanmerking nemende dat:<\/p>\n<p>&#8212; [appellante] een bedrag aan priv\u00e9geld ter grootte van vijfentwintigduizend euro (\u20ac 25.000,00) in de woning investeert;<\/p>\n<p>&#8212; [appellante] tevens haar arbeid en kennis investeert in de woning mede in verband met de aanzienlijke verbouwing van de woning na de eigendomsverkrijging daarvan door [ge\u00efntimeerde] ;<\/p>\n<p>&#8212; partijen het als een verplichting van moraal en fatsoen beschouwen dat tegenover de investeringen van [appellante] als hiervoor vermeld een tegenprestatie staat van [ge\u00efntimeerde] jegens [appellante] ;<\/p>\n<p>1. Indien de samenwoning tussen partijen wordt verbroken anders dan door overlijden, zal tien procent (10%) van de waarde van de woning op het moment van verbreking van de samenwoning, door [ge\u00efntimeerde] met [appellante] worden afgerekend.<\/p>\n<p>2. De grootte van het bedrag dat tien procent (10%) van de woning uitmaakt zal in onderling overleg worden vastgesteld door partijen of indien zij daaromtrent binnen \u00e9\u00e9n maand na verbreking van de samenwoning geen overeenstemming bereiken door een be\u00ebdigd deskundige, aan te wijzen door partijen gezamenlijk of, indien opnieuw geen overeenstemming wordt bereikt, door de notaris, bewaarder van deze akte.<\/p>\n<p>3. Zodra het bedrag van tien procent (10%) van de woning is vastgesteld, zal dit door [ge\u00efntimeerde] aan [appellante] worden uitgekeerd. De uitkering vindt uiterlijk plaats drie maanden na verbreking van de samenwoning, eventueel door middel van een voorschot indien het bedrag nog niet definitief tussen partijen is vastgesteld.<\/p>\n<p>4. Ingeval ten tijde van de afrekening gewichtige redenen zich verzetten tegen directe uitkering in geld van het hetgeen op grond van vorenstaande verrekening verschuldigd is, zal [appellante] verplicht zijn mee te werken aan het treffen van een betalingsregeling als omschreven in artikel 9 lid 5.\u201d<\/p>\n<p>Op 6 juli 2007 hebben partijen een aanvullende notari\u00eble samenlevingsovereenkomst gesloten. Hierin is \u2013 voor zover van belang \u2013 het volgende opgenomen:<br \/>\n\u201c De verschenen personen verklaarden: (\u2026)<\/p>\n<p>&#8212; dat [appellante] inmiddels meer heeft ge\u00efnvesteerd in de woning dan het in voormeld artikel 11 genoemde bedrag van vijfentwintigduizend euro (\u20ac 25.000,00) namelijk nog een bedrag groot veertigduizend euro (\u20ac 40.000,00);<\/p>\n<p>&#8212; dat het de bedoeling van partijen is dat [appellante] mee gaat groeien in de waardeontwikkeling van het huis voor twintig procent (20%);<\/p>\n<p>&#8212; dat [ge\u00efntimeerde] en [appellante] een en ander nader wensen vast te leggen in deze aanvullende overeenkomst.<\/p>\n<p>Komen overeen als volgt:<\/p>\n<p>In gemeld samenlevingscontract wordt artikel 11 gewijzigd als volgt:<\/p>\n<p>WAARDEVERREKENING WONING<\/p>\n<p>Artikel 11.<\/p>\n<p>Ten aanzien van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning aan de [adres2]<\/p>\n<p>te [woonplaats1] , hierna te noemen: \u2018de woning\u2019, welke in eigendom toebehoort aan [ge\u00efntimeerde] , zijn partijen nog het navolgende overeengekomen:<\/p>\n<p>In aanmerking nemende dat:<\/p>\n<p>&#8212; [appellante] totaal een bedrag aan priv\u00e9gelden ter grootte vijfenzestigduizend euro<\/p>\n<p>(\u20ac 65.000,00) in de woning heeft ge\u00efnvesteerd;<\/p>\n<p>&#8212; [appellante] tevens haar arbeid en kennis investeert in de woning mede in verband met de aanzienlijke verbouwing van de woning die heeft plaatsgevonden na de eigendomsverkrijging daarvan door [ge\u00efntimeerde] ;<\/p>\n<p>&#8212; partijen het als een verplichting van moraal en fatsoen beschouwen dat tegenover de investeringen van [appellante] als hiervoor vermeld een tegenprestatie staat van [ge\u00efntimeerde] jegens [appellante] ;<\/p>\n<p>1. Indien de samenwoning tussen partijen wordt verbroken anders dan door overlijden, zal twintig procent (20%) van de waarde van de woning op het moment van verbreking van de samenwoning, door [ge\u00efntimeerde] met [appellante] worden afgerekend.<\/p>\n<p>2. De grootte van het bedrag dat twintig procent (20%) van de woning uitmaakt zal in onderling overleg worden vastgesteld door partijen of indien zij daaromtrent binnen \u00e9\u00e9n maand na verbreking van de samenwoning geen overeenstemming bereiken door een be\u00ebdigd deskundige, aan te wijzen door partijen gezamenlijk of, indien opnieuw geen overeenstemming wordt bereikt, door de notaris, bewaarder van deze akte.<\/p>\n<p>3. Zodra het bedrag van twintig procent (20%) van de woning is vastgesteld, zal dit door [ge\u00efntimeerde] aan [appellante] worden uitgekeerd. De uitkering vindt uiterlijk plaats drie maanden na verbreking van de samenwoning, eventueel door middel van een voorschot indien het bedrag nog niet definitief tussen partijen is vastgesteld.<\/p>\n<p>4. Ingeval ten tijde van de afrekening gewichtige redenen zich verzetten tegen directe uitkering in geld van hetgeen op grond van vorenstaande verrekening verschuldigd is, zal [appellante] verplicht zijn mee te werken aan het treffen van een betalingsregeling als omschreven in artikel 9 lid 5.<\/p>\n<p>In 2018 heeft een notaris op verzoek van partijen voor hen een conceptovereenkomst opgesteld genaamd: \u201cONTBINDING SAMENLEVINGSCONTRACT \/ NADERE AFSPRAKEN\u201d. Daarin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:<br \/>\n\u201c Partijen verklaren: (\u2026)<\/p>\n<p>&#8212; dat zij thans zijn overeengekomen gemelde samenlevingscontract te ontbinden per \u00e9\u00e9n juli tweeduizend achttien;<\/p>\n<p>&#8212; dat zij eventuele verdelingsafspraken niet bij deze onderhandse akte willen vastleggen;<\/p>\n<p>&#8212; dat zij evenwel van de be\u00ebindiging van hun samenleving en de duurzame gemeenschappelijke huishouding willen doen blijken middels deze onderhandse akte alsmede;<\/p>\n<p>&#8212; dat zij de door hen gemaakte afspraken met betrekking tot de financi\u00eble afwikkeling van het samenlevingscontract in deze onderhandse akte willen vastleggen.<\/p>\n<p>Partijen komen met elkaar het volgende overeen:<\/p>\n<p>1. ter uitvoering van de voormelde \u201cwaardeverrekening woning\u201d erkent de man schuldig aan de vrouw een bedrag ter grootte van \u00e9\u00e9nhonderd veertig duizend euro (\u20ac 140.000,00), hierna te noemen: \u2018de hoofdsom\u2019, welke schuldigerkenning de vrouw hierbij aanneemt. De hoofdsom hebben de man en de vrouw in onderling overleg vastgesteld.<\/p>\n<p>2. De man is geen rente verschuldigd over (het restant van) de hoofdsom.<\/p>\n<p>3. Gedurende de eerste zeven jaren na \u00e9\u00e9n juli tweeduizend achttien geldt het volgende. Ter aflossing van de hoofdsom zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de man aan de vrouw maandelijks een bedrag verschuldigd is van \u00e9\u00e9nduizend vierhonderd euro<br \/>\n(\u20ac 1.400,00). De gebruiksvergoeding voor het woongedeelte dat door de vrouw wordt bewoond is vierhonderd euro (\u20ac 400,00) per maand, welke bedrag de vrouw aan de man dient te betalen. Beide bedragen gaan door verrekening \u2013 hetgeen partijen hierbij overeenkomen \u2013 tot hun gemeenschappelijk verloop teniet waardoor de man aan de vrouw maandelijks een bedrag van \u00e9\u00e9nduizend euro (\u20ac 1.000,00) dient te betalen ter aflossing en de vrouw aan de man geen bedrag verschuldigd is. (\u2026)<\/p>\n<p>5. Nadat de periode van zeven jaren als bedoeld in artikel 3 is verstreken zal de man aan de vrouw per mand een bedrag van \u00e9\u00e9nduizend euro (\u20ac 1.000,00) betalen, ongeacht of de vrouw alsdan nog in de woning woont.<\/p>\n<p>6. De man is te allen tijde gerechtig op de hoofdsom eerder af te lossen. (\u2026)\u201d<\/p>\n<p>Partijen zijn in de bespreking bij de notaris uitgegaan van een waarde van de woning van \u20ac 700.000,-. De overeenkomst is door partijen niet ondertekend.<\/p>\n<p>Per 1 juli 2018 zijn partijen gescheiden gaan leven, in die zin dat de vrouw met de kinderen in het voorhuis van de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] is gaan wonen, en de man in het andere gedeelte van de woning is blijven wonen.<\/p>\n<p>De vrouw heeft tussen 1 juli 2018 en 1 september 2021 van de man (een aantal) betalingen van \u20ac 1.000,- per maand ontvangen.<\/p>\n<p>Bij Whatsappbericht van 1 september 2021 heeft vrouw aangegeven dat de man zijn maandelijkse betaling nog maar even moest bewaren.<\/p>\n<p>In een brief van 6 september 2021 heeft de vrouw aan de man een brief gestuurd met de navolgende inhoud:<\/p>\n<p>\u201c Omdat wij verder moeten wil ik, na ongeveer 4 jaren gescheiden zijn van tafel en bed, ons samenlevingscontract bij deze be\u00ebindigen.\u201d<\/p>\n<p>Bij brief van 6 december 2021 heeft de advocaat van de vrouw aan de man onder meer geschreven:<br \/>\n \u201c U heeft gedurende lange periode een affectieve relatie met elkaar gehad die een aantal jaren geleden is ge\u00ebindigd.\u201d<\/p>\n<p>Bij vonnis in kort geding van 8 juni 2023 is de man op straffe van een dwangsom veroordeeld om de vrouw toegang te geven tot en het gebruik toe te staan van het voorhuis van de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] en is het de man verboden het voorhuis te betreden. In het vonnis staan onder meer de navolgende overwegingen:<br \/>\n (4.7) Subsidiair baseert de vrouw haar recht om de woning te mogen bewonen op de overeenkomst. Beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst tussen hen geldt.<\/p>\n<h3>4De vorderingen<\/h3>\n<p>De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd om de man op grond van het aanvullende samenlevingscontract van 6 juli 2007 te veroordelen tot betaling aan haar van \u20ac 310.000,-, te vermeerderen met rente en kosten. Zij baseert dit bedrag op (haar aandeel in) de waarde van de woning per september 2021, te weten een waarde van \u20ac 1.550.000,-.<\/p>\n<p>In het bestreden vonnis van 19 april 2023 heeft de rechtbank de vordering van de vrouw afgewezen.<\/p>\n<p>De vrouw komt van het bestreden vonnis in hoger beroep. Zij vordert om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen een bedrag van \u20ac 295.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste instantie tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in beide instanties.<\/p>\n<p>De man voert verweer en vordert dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en alle vorderingen van de vrouw in hoger beroep worden afgewezen. Verder vordert hij om de vrouw te veroordelen in de daadwerkelijk door de man in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakte proceskosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans in de door het hof vast te stellen proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.<\/p>\n<h3>5De motivering van de beslissing<\/h3>\n<p>De twee grieven van de vrouw zien op de wijze waarop de rechtbank de tussen partijen gemaakte afspraken heeft vastgesteld en uitgelegd.<\/p>\n<p>De vrouw heeft haar aanvankelijke vordering van \u20ac 310.000,- in hoger beroep verminderd. Zij erkent dat zij reeds een bedrag van \u20ac 15.000,- van de man heeft ontvangen en vordert daarom nu een bedrag van \u20ac 295.000,-.<\/p>\n<p>De vrouw stelt zich in haar eerste grief op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat partijen in 2018 met elkaar hebben afgerekend zoals bedoeld in artikel 11 lid 1 van het aanvullende samenlevingscontract van 6 juli 2007. De rechtbank heeft volgens de vrouw ten onrechte vastgesteld dat partijen vanaf dat moment een gescheiden huishouding hebben gevoerd. Dat is volgens de vrouw niet het geval geweest. De man verbleef dagelijks bij haar, at in gezinsverband met de kinderen en vakanties werden gezamenlijk gevierd. De vrouw betwist niet dat in 2018 door een notaris een conceptovereenkomst is opgesteld, maar zij stelt deze overeenkomst bewust niet te hebben ondertekend, enerzijds omdat zij wilde bezien of de relatie weer kon worden hersteld en anderzijds omdat zij het niet eens was met de bedragen op basis waarvan afgerekend zou worden. De vrouw erkent dat de woning op 10 april 2017 is getaxeerd, maar zij stelt dat deze taxatie niets te maken had met de financi\u00eble afwikkeling van de samenwoning van partijen. Zij waren immers toen nog gewoon samen.<\/p>\n<p>Het hof merkt op dat uit de stukken en wat op de mondelinge behandeling bij het hof is besproken, gebleken is dat de vrouw medio 2018 aan de man heeft aangegeven de relatie te willen be\u00ebindigen. Om die reden heeft de man het voorhuis, waarvan een deel als appartement werd verhuurd, verbouwd en bewoonbaar gemaakt voor de vrouw en de kinderen. Verder zijn partijen toen naar de notaris geweest, om de financi\u00eble afspraken die zij hadden gemaakt of aldaar wilden maken, te laten vastleggen. Partijen hebben de waarde van de woning in onderling overleg bepaald op \u20ac 700.000,-, waarbij als uitgangspunt heeft gediend een in 2017 ten behoeve van de bank verrichte taxatie ad \u20ac 610.000,-, met een verhoging naar 2018. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling verteld dat zij zich twee dagen later heeft bedacht, en zich realiseerde dat zij een verkeerde keuze had gemaakt. Om die reden heeft zij niet getekend. De man stelt dat de vrouw dit toen niet aan hem kenbaar heeft gemaakt. Het tekenen is er volgens de man in alle hectiek van de verbouwing en het uiteengaan bij ingeschoten.<\/p>\n<p>Het hof is van oordeel dat het feit dat partijen na de be\u00ebindiging van hun samenleving nog veel tijd samen hebben doorgebracht niet maakt dat partijen daarmee de samenleving hebben hervat in de zin van hun samenlevingsovereenkomst, en dat daarmee ook de in 2018 gemaakte en nadien uitgevoerde afspraken zouden zijn komen te vervallen, zoals de vrouw betoogt. Ook het feit dat de vrouw de overeenkomst niet heeft ondertekend, maakt niet dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. Partijen zijn immers uitvoering gaan geven aan de in de overeenkomst gemaakte afspraken, in die zin dat zij gescheiden zijn gaan wonen, geen gemeenschappelijk huishouding meer hebben gevoerd en de man de overeengekomen maandelijkse bijdrage \u2013 onder inhouding van het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag voor het gebruik van de woning \u2013 is gaan betalen. Zowel de vrouw alsook haar advocaat hebben in 2021 schriftelijk aangegeven dat de relatie al \u20184 jaren\u2019 respectievelijk \u2018een aantal jaren\u2019 was be\u00ebindigd. Verder heeft de vrouw in het in 2023 gevoerde kort geding haar vordering subsidiair gebaseerd op nakoming van de overeenkomst.<br \/>\nUit het uitblijven van voor de man kenbaar protest van de vrouw tegen de concept-overeenkomst en het vervolgens uitvoering geven aan de gemaakte afspraken (verbreking samenleving\/gescheiden financi\u00eble huishouding\/maandelijkse betalingen) mocht de man in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs afleiden dat een overeenkomst tot stand was gekomen, met de inhoud zoals de notaris in het concept had vastgelegd.<\/p>\n<p>De in de tweede grief van de vrouw aangevoerde omstandigheid dat de man niet alle betalingen heeft verricht kan niet tot een ander oordeel leiden. Enerzijds is op de mondelinge behandeling door de vrouw aangegeven dat de man \u2013 in weerwil van haar eerdere stellingen \u2013 al in juli 2018 is gestart met de maandelijkse betalingen. De man heeft dus m\u00e9\u00e9r voldaan dan de door de vrouw genoemde \u20ac 15.000,-. Anderzijds heeft de man zijn betalingen in september 2021 op verzoek van de vrouw gestaakt.. De achterstand is dus opgelopen door eigen toedoen van de vrouw. Tot slot maakt het enkele feit dat de man in de periode juli 2018 tot september 2021 betalingen heeft gemist, hetgeen door de man wordt betwist, nog niet dat daardoor geen overeenkomst tot stand is gekomen.<\/p>\n<p>De vrouw stelt verder nog dat partijen met elkaar hebben gesproken nadat de vrouw de relatie formeel had opgezegd bij brief van 6 september 2021, en dat zij toen hebben besloten te komen tot een waardebepaling van de woning door Kapelle Makelaardij. Dat zou een indicatie zijn voor het feit dat de man wilde meegaan in een nieuwe afwikkeling. De vrouw betwist daarnaast dat de in 2018 gemaakte afspraken gebaseerd zouden zijn op een waarde van de woning van \u20ac 700.000,-. Dat was voor de vrouw geen acceptabele waarde. Zij wijst erop dat haar vader in datzelfde jaar een bod van \u20ac 1.000.000,- heeft uitgebracht op de woning.<\/p>\n<p>De man heeft daarover aangegeven dat de vrouw in 2021 met hulp van haar ouders het voorhuis van hem wilde kopen en dat hij daar op zich niet afwijzend tegenover stond. Alleen om die reden is toen een taxatie opgesteld. De man was het echter niet eens met de door Kapelle Makelaardij gemaakte waarde-indicatie. De prijs voor de gehele woning was volgens de man exorbitant hoog, terwijl de waarde van het voorhuis juist te laag werd ingeschat. Het voorstel van de vrouw en haar ouders was, omdat zij stelde een vordering te hebben op de man van \u20ac 310.000,-, terwijl de waarde van het voorhuis \u20ac 340.000,- bedroeg, dat de koop met gesloten beurzen kon geschieden. De man is niet ingegaan op dit voorstel. De man betwist verder dat de vader van de vrouw in 2018 een bod op de woning heeft gedaan van \u20ac 1.000.000,-.<\/p>\n<p>Het hof is van oordeel dat uit het feit dat in november 2021 een waarde-indicatie is afgegeven, gelet op de betwisting van de gang van zaken door de man, niet kan worden afgeleid dat daarmee de eerder gemaakte afspraken van de baan waren en dat de man heeft ingestemd met een nieuwe afwikkeling. Ook de vraag of de vader van de vrouw in 2018 een bod heeft uitgebracht, en wat hiervan de hoogte was, is niet relevant. Partijen zijn zelf immers uitgegaan van een waarde van \u20ac 700.000,-.<\/p>\n<p>De conclusie luidt dan ook dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.<\/p>\n<p>Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in familierechtelijke zaken dat elke partij de eigen kosten draagt en zal aldus beslissen. Het is bij partijen die een langdurige samenlevingsrelatie hebben gehad niet ongebruikelijk dat geschillen ontstaan over de financi\u00eble afwikkeling daarvan, zoals ook hier het geval is. De vrouw had het recht om haar zaak in hoger beroep nogmaals te laten beoordelen. Er is geen sprake van evident nodeloos gemaakte kosten.<\/p>\n<h3>6De beslissing<\/h3>\n<p>Het hof, rechtdoende in hoger beroep:<\/p>\n<p>bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 19 april 2023;<\/p>\n<p>bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep;<\/p>\n<p>wijst het meer of anders gevorderde af.<\/p>\n<p>Dit arrest is gewezen door mr. C. Koopman, mr. J.G. Knot en mr. L. van Dijk en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op<br \/>\n12 november 2024.<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:6991\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Ex-samenlevers. Partijen hebben in 2018 bij notaris overeenkomst laten opstellen, die niet is ondertekend. Uit uitblijven van voor man kenbaar protest van vrouw tegen conceptovereenkomst en vervolgens uitvoering geven aan gemaakte afspraken (verbreking samenleving\/gescheiden financi\u00eble huishouding\/maandelijkse betalingen) mocht man in gegeven omstandigheden redelijkerwijs afleiden dat overeenko&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[8134],"kji_chamber":[],"kji_year":[8677],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[8137,17020,8136,8135,8319],"kji_language":[7671],"class_list":["post-626960","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-gerechtshof-arnhem-leeuwarden","kji_year-8677","kji_subject-divers","kji_keyword-arnhem-leeuwarden","kji_keyword-ex-samenlevers","kji_keyword-gerechtshof","kji_keyword-gharl","kji_keyword-overeenkomst","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:GHARL:2024:6991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2024 \/ 200.330.880\/01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:GHARL:2024:6991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2024 \/ 200.330.880\/01\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Ex-samenlevers. Partijen hebben in 2018 bij notaris overeenkomst laten opstellen, die niet is ondertekend. Uit uitblijven van voor man kenbaar protest van vrouw tegen conceptovereenkomst en vervolgens uitvoering geven aan gemaakte afspraken (verbreking samenleving\/gescheiden financi\u00eble huishouding\/maandelijkse betalingen) mocht man in gegeven omstandigheden redelijkerwijs afleiden dat overeenko...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"18 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:GHARL:2024:6991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2024 \\\/ 200.330.880\\\/01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-20T19:21:04+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:GHARL:2024:6991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2024 \\\/ 200.330.880\\\/01\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:GHARL:2024:6991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2024 \/ 200.330.880\/01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:GHARL:2024:6991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2024 \/ 200.330.880\/01","og_description":"Ex-samenlevers. Partijen hebben in 2018 bij notaris overeenkomst laten opstellen, die niet is ondertekend. Uit uitblijven van voor man kenbaar protest van vrouw tegen conceptovereenkomst en vervolgens uitvoering geven aan gemaakte afspraken (verbreking samenleving\/gescheiden financi\u00eble huishouding\/maandelijkse betalingen) mocht man in gegeven omstandigheden redelijkerwijs afleiden dat overeenko...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"18 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/","name":"ECLI:NL:GHARL:2024:6991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2024 \/ 200.330.880\/01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-20T19:21:04+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlgharl20246991-gerechtshof-arnhem-leeuwarden-12-11-2024-200-330-880-01\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:GHARL:2024:6991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-11-2024 \/ 200.330.880\/01"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/626960","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=626960"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=626960"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=626960"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=626960"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=626960"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=626960"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=626960"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=626960"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}