{"id":627844,"date":"2026-04-20T23:04:44","date_gmt":"2026-04-20T21:04:44","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/"},"modified":"2026-04-20T23:04:44","modified_gmt":"2026-04-20T21:04:44","slug":"eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:PHR:2025:707 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-2025 \/ 24\/02749"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Conclusie AG. Onderzoek Vidar. Profijtontneming. Wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op art. 36e lid 2 Sr en berekend met toepassing eenvoudige kasopstelling. Middel klaagt terecht dat vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel niet zonder meer kan worden gerelateerd aan in strafzaak bewezenverklaarde feiten. Geen cassatie wegens onvoldoende belang. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. (Samenhang met 24\/02694, 24\/02748, 24\/02802, 24\/02842, 24\/02860 en 24\/02918)<\/p>\n<p>PROCUREUR-GENERAAL<\/p>\n<p>BIJ DE<\/p>\n<p>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN<\/p>\n<p>Nummer 24\/02749 P<\/p>\n<p>Zitting 15 juli 2025<\/p>\n<p>CONCLUSIE<\/p>\n<p>D.J.M.W. Paridaens<\/p>\n<p>In de zaak<\/p>\n<p>[betrokkene ] ,<\/p>\n<p>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,<\/p>\n<p>hierna: de betrokkene.<\/p>\n<h3>1Inleiding<\/h3>\n<p>Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 juli 2024 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van \u20ac 64.052,68 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van datzelfde bedrag aan de staat. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, bepaald op 1080 dagen.<\/p>\n<p>Deze zaak is \u00e9\u00e9n van zeven samenhangende zaken (24\/02694, 24\/02748, 24\/02749P, 24\/02802, 24\/02842, 24\/02860 en 24\/02918) waarin ik vandaag concludeer. Deze zaken komen allemaal voort uit het onderzoek \u2018Vidar\u2019 dat in 2018 is opgestart vanwege een concrete verdenking van internationale drugshandel door een lid van motorclub Red Devils, een supportclub van de Hells Angels. Het arrest in de samenhangende strafzaak tegen betrokkene (24\/02748) vormt de grondslag voor het arrest de onderhavige ontnemingszaak.<\/p>\n<p>Namens de betrokkene heeft D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, \u00e9\u00e9n middel van cassatie voorgesteld.<\/p>\n<h3>2Het middel<\/h3>\n<p>Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene door middel van of uit de baten van de in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak bewezenverklaarde feiten en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan, wederrechtelijk voordeel tot een bedrag van \u20ac 64.052,68 heeft verkregen.<\/p>\n<p>Het arrest bevat de volgende overwegingen (de verwijzingen naar dossierpagina\u2019s en voetnoten laat ik weg):<\/p>\n<p>\u201cDe ontnemingsvordering<\/p>\n<p>De officier van justitie heeft op 8 maart 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde betrokkene de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van \u20ac 109.346,- ter ontneming van het uit het in de strafzaak met parketnummer 18\/750014 20 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.<\/p>\n<p>Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben de officieren van justitie gevorderd om het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op \u20ac 109.346,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag<\/p>\n<p>De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op \u20ac 64.052,68 en dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan te Staat van datzelfde bedrag<\/p>\n<p>De grondslag van de vordering<\/p>\n<p>Het hof heeft betrokkene bij arrest van 12 juli 2024 in de zaak met parketnummer 21-003623-22 veroordeeld ter zake van -kort gezegd- het medeplegen van drugshandel, medeplegen van witwassen en van het plegen van witwassen een gewoonte maken.<\/p>\n<p>De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel<\/p>\n<p>Het hof heeft in het arrest in de strafzaak \/ hoofdzaak bewezen verklaard dat &#8212; kort weergegeven &#8212; verdachte harddrugs (amfetamine) heeft geproduceerd. Daarnaast is in de strafzaak een bewezenverklaring uitgesproken ten aanzien van het witwassen van een geldbedrag van \u20ac 140.000,- door dit uit misdrijf afkomstig geldbedrag voorhanden te hebben en het witwassen van een geldbedrag van \u20ac 46.931,68 door geldbedragen met een criminele herkomst contant te (laten) storten op de bankrekening van zijn vrouw.<\/p>\n<p>Het hof stelt op basis van de inhoud van de hierna te noemen wettige bewijsmiddelen vast dat betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van deze strafbare feiten en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan. Deze laatste categorie betreft het in 2018 contant gestorte bedrag van \u20ac 25.710,00, zoals daarvan is gebleken uit de inhoud van het dossier en de ontnemingsrapportage. Deze storting maakte geen onderdeel uit van het onder 5 in het veroordelend arrest verwetene, maar heeft onder dezelfde omstandigheden plaats gevonden als de stortingen van de jaren daaromheen. Vastgesteld kan worden dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat ook dit bedrag, op dezelfde gronden als aangenomen bij het onder feit 5 bewezenverklaarde, is witgewassen en zodoende voor ontneming in aanmerking komt.<\/p>\n<p>Het hof neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van deze strafbare feiten wordt geschat, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 10 februari 2021.<\/p>\n<p>Bewijsmiddelen<\/p>\n<p>Verdachte is de echtgenoot van [betrokkene 1] . De betaalrekening met [nummer] staat op naam van [betrokkene 1] . In de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 wordt in totaal \u20ac 92.225,- contant gestort op deze rekening. Over de jaren worden de volgende totaal bedragen gestort:<\/p>\n<p>&#8212; 2014: \u20ac 15.085,-;<\/p>\n<p>&#8212; 2015: \u20ac 18.560,-;<\/p>\n<p>&#8212; 2016: \u20ac 25.120,-;<\/p>\n<p>&#8212; 2017: \u20ac 28.510,-;<\/p>\n<p>&#8212; 2019: \u20ac 4.950,-.<\/p>\n<p>Volgens de aangifte inkomstenbelasting was het inkomen van [betrokkene ] en zijn fiscaal partner in 2016 \u20ac 21.806,- en in 2017 \u20ac 16.767,-. Van de overige jaren zijn geen gegevens bekend. Het inkomen van [betrokkene ] heeft in de jaren 2016 en 2017 betrekking op het resultaat uit overige werkzaamheden. De eenmanszaak van [betrokkene ] heeft in het jaar 2017 een omzet van \u20ac 3.510,-.<\/p>\n<p>Relevante verklaringen verdachte en [betrokkene 1]<\/p>\n<p>Op 21 oktober 2020 is [betrokkene 1] door de politie verhoord. [betrokkene 1] verklaart dat verdachte haar partner is. [betrokkene 1] verklaart dat verdachte elke maand contant geld op haar rekening stort zodat de vaste lasten betaald kunnen worden. Verdachte maakte ook gebruik van haar rekening als hij iets moest pinnen of iets niet met contant geld kon betalen. Nadat de politie [betrokkene 1] het totaalbedrag aan stortingen in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 voorhoudt verklaart [betrokkene 1] dat verdachte haar het contante geld gaf en dat zij het stortte op haar rekening. [betrokkene 1] stort het door [betrokkene ] gegeven geld zelf op haar rekening. [betrokkene 1] weet niet wat de herkomst van het geld is.<\/p>\n<p>Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 contante gelden aan [betrokkene 1] heeft gegeven.<\/p>\n<p>De ontnemingsrapportage<\/p>\n<p>De ontnemingsvordering van \u20ac 109.346,- is gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling in het ontnemingsrapport. In de eenvoudige kasopstelling worden alleen de contante uitgaven en (legale) contante ontvangsten meegenomen. Daarin is voor de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 berekend hoeveel contant geld betrokkene heeft uitgegeven en welk deel daarvan kan worden verklaard uit contant geld dat betrokkene al had of dat hij legaal heeft verkregen. Uitgaven die niet daardoor kunnen worden verklaard door legaal verkregen geld, worden als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt.<\/p>\n<p>Het hof vindt de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op wettige bewijsmiddelen, op zichzelf goed onderbouwd en voldoende aannemelijk gemaakt door het openbaar ministerie. Dat betekent dat de berekening in het ontnemingsrapport in beginsel wordt gevolgd. In ontnemingszaken is het dan vervolgens aan betrokkene om gemotiveerd en onderbouwd aannemelijk te maken dat de berekening van het openbaar ministerie niet juist is.<\/p>\n<p>Ontnemingsperiode<\/p>\n<p>De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de periode 3 april 2014 tot en met 2 april 2019. Van 26 mei 2014 tot 12 januari 2016 wordt op de bankrekening van betrokkene een totaalbedrag van \u20ac 11.500,- opgenomen [mede gelet op hetgeen hierna volgt, begrijp ik, AG: gestort], daarna zijn er geen stortingen meer op zijn bankrekening. Vanaf begin 2016 wordt de bankrekening van betrokkene niet meer gebruikt, terwijl de bankkosten nog wel doorlopen. Bij de partner van betrokkene, [betrokkene 1] , wordt over de periode 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 een bedrag van \u20ac 117.935,- contant gestort op deze rekening. Er wordt in deze periode een totaalbedrag van \u20ac 19.375,80 opgenomen.<\/p>\n<p>Beginsaldo contant geld<\/p>\n<p>Volgens de aangifte inkomstenbelasting was het inkomen van betrokkene \u2013 inclusief het inkomen van fiscaal partner [betrokkene 1] \u2013 in 2016 \u20ac 21.806 en in 2017 \u20ac 16.767. Dit betrof resultaat uit overige werkzaamheden. Van de overige jaren zijn geen gegevens bekend. De bankrekening is hoofdzakelijk gevoed door contante stortingen, overboekingen van derden, zorgtoeslag en teruggaven van de Belastingdienst.<\/p>\n<p>Uit de analyse van de bankrekeningen van betrokkene en [betrokkene 1] blijkt dat er geen geld is opgenomen van de bankrekening van betrokkene of [betrokkene 1] vlak voor of op de begindatum van de periode in de kasopstelling. Daarom wordt in de kasopstelling het beginsaldo op nul gesteld.<\/p>\n<p>Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen<\/p>\n<p>Uit de mutaties van de bankrekening van betrokkene van 25 april 2014 tot en met 23 juli 2018 volgt dat over deze periode een bedrag van \u20ac 11.500,- contant is gestort op deze rekening, dat er in deze periode een bedrag van \u20ac 250,- wordt opgenomen en dat de rekening vanaf begin 2016 niet meer wordt gebruikt. Op 23 juli 2018 is de bankrekening opgeheven.<\/p>\n<p>Uit de mutaties van de bankrekening van [betrokkene 1] van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 volgt dat over deze periode een bedrag van \u20ac 117.935,- contant is gestort op deze rekening en dat in deze periode een totaal van \u20ac 19.375,80 wordt opgenomen.<\/p>\n<p>Hieronder staan de contante opnames en stortingen weergegeven van de bankrekening van [betrokkene 1] :<\/p>\n<p>Hieronder staan de contante opnames en stortingen weergegeven van de bankrekening van betrokkene:<\/p>\n<p>Totaal: \u20ac 250,00 opgenomen en \u20ac 11.500,00 gestort. Verschil: &#8212; \u20ac 11.250,-<\/p>\n<p>Dit levert de volgende berekening op:<\/p>\n<p>Eindsaldo contant geld<\/p>\n<p>Op 2 maart 2020 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden aan de [a-straat 1] te [plaats] , de woning die eigendom is van [betrokkene 1] . Tijdens deze doorzoeking is er geen contant geld aangetroffen dat aan betrokkene en\/of [betrokkene 1] kan worden gerelateerd.<\/p>\n<p>Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel<\/p>\n<p>Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende berekening:<\/p>\n<p>Het hof heeft in het arrest van 12 juli 2024 in de strafzaak vastgesteld dat verdachte ten aanzien van een deel van het bedrag aan contante stortingen, te weten voor de bedragen van \u20ac 35.193,32 en \u20ac 10.100,-, een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd over de herkomst van deze geldbedragen. Het hof zal deze bedragen daarom in mindering brengen op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.<\/p>\n<p>Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: \u20ac 109.346,00 -\/- \u20ac 45.293,32 = \u20ac 64.052,68<\/p>\n<p>Het hof komt aldus tot het oordeel dat betrokkene \u20ac 64.052,68 voordeel heeft genoten.<\/p>\n<p>De verplichting tot betaling aan de Staat<\/p>\n<p>Het hof zal aan betrokkene de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Er zijn geen omstandigheden gebleken die hieraan in de weg staan.<\/p>\n<p>Gijzeling<\/p>\n<p>Het hof zal bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur wordt overeenkomstig de landelijke LOVS-afspraken voor elke volle \u20ac 50,- van het opgelegde bedrag niet meer dan een dag gerekend. De maximale duur van de gijzeling bedraagt 1080 dagen. Het hof bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.\u201d<\/p>\n<p>De steller van het middel gaat ervan uit dat het hof de ontneming heeft gebaseerd op art. 36e lid 2 Sr, terwijl het ontnemingsbedrag, dat is berekend met toepassing van de eenvoudige kasopstelling over de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019, niet \u2013 zoals art. 36e lid 2 Sr vereist \u2013 in voldoende mate kan worden gerelateerd aan de feiten waarvoor de verdachte in de strafzaak is veroordeeld, dan wel aan andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan. Daartoe voert zij (kort gezegd) het volgende aan. Ten aanzien van het medeplegen van drugshandel (feit 1: gepleegd op 14 februari 2019) en het witwassen (feit 4: gepleegd van 30 oktober 2019 tot en met 8 november 2019) geldt dat niet zonder meer begrijpelijk is dat de betrokkene ook voorafgaand aan de pleegdata van deze bewezenverklaarde feiten voordeel heeft verkregen uit die feiten. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene het voordeel heeft genoten uit het voornoemde witwassen (feit 4) en gewoontewitwassen (feit 5: gepleegd van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019) is het oordeel ook onbegrijpelijk en getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting. Het enkele feit dat deze bedragen zijn witgewassen, brengt immers niet zonder meer mee dat deze daardoor als wederrechtelijk verkregen voordeel zijn aan te merken. Om dezelfde reden is ook het oordeel van het hof dat het in 2018 gestorte contante bedrag \u2013 dat het hof heeft aangemerkt als afkomstig van een \u2018ander strafbaar feit\u2019 waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit door de betrokkene is begaan \u2013 wederrechtelijk verkregen voordeel oplevert onbegrijpelijk dan wel getuigend van een onjuiste rechtsopvatting. Tot slot wordt aangevoerd dat ook het bedrag van \u20ac 11.250 (het uit de kasopstelling blijkende verschil tussen contante stortingen en opnames van de eigen rekening van betrokkene) niet kan worden ontnomen, omdat dit niet in voldoende mate kan worden gerelateerd aan de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat hij deze heeft begaan.<\/p>\n<p>Bij voordeelsontneming op basis van art. 36e lid 2 Sr gaat het om voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten of andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Voldoende aanwijzingen houdt in dit verband in dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene de andere strafbare feiten heeft begaan. Deze aanwijzingen hoeven niet te blijken uit wettige bewijsmiddelen, maar uit de uitspraak moet wel blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter het oordeel heeft ontleend dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten heeft begaan. Hieruit volgt dat de rechter moet concretiseren uit welke strafbare feiten het voordeel is verkregen.<\/p>\n<p>De steller van het middel gaat er niet onbegrijpelijk van uit dat het hof de voordeelsontneming heeft gebaseerd op art. 36e lid 2 Sr. Het hof heeft immers vastgesteld dat de betrokkene voordeel heeft gekregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld en uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Dit sluit aan bij de bewoordingen van art. 36e lid 2 Sr. Daarbij heeft het hof aangegeven dat het in de strafzaak tegen de betrokkene bewezen heeft verklaard dat hij \u2013 kort weergegeven \u2013 harddrugs (amfetamine) heeft geproduceerd en geldbedragen van \u20ac 140.000,- en (in totaal) \u20ac 46.931,68 heeft witgewassen. Dit laatste bedrag heeft de verdachte witgewassen door diverse geldbedragen met een criminele herkomst contant te (laten) storten op de bankrekening van zijn vrouw. Wat de andere strafbare feiten betreft, heeft het hof vastgesteld dat er gelet op het dossier en de ontnemingsrapportage voldoende aanwijzingen bestaan dat ook een in 2018 contant gestort bedrag van \u20ac 25.710,-, op dezelfde gronden als aangenomen bij het onder feit 5 bewezenverklaarde (witwassen door contante stortingen), is witgewassen en zodoende voor ontneming in aanmerking komt.<\/p>\n<p>Voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof gebruik gemaakt van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 10 februari 2021. In dit rapport is de berekening van het voordeel in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling. Deze berekeningswijze komt niet alleen in aanmerking bij toepassing van art. 36e lid 3 Sr, maar kan ook worden gehanteerd bij toepassing van art. 36e lid 2 Sr, mits \u2013 voor zover hier van belang \u2013 het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr.<\/p>\n<p>Het hof heeft bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dat door betrokkene en zijn partner in de jaren 2014 tot en met 2019 in totaal \u20ac 109.346,- meer is gestort dan is opgenomen, maar dat betrokkene ten aanzien van een bedrag van \u20ac 45.293,32 een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd over de herkomst daarvan. Het hof heeft dit bedrag in mindering gebracht op het bedrag van \u20ac 109.346,- en komt aldus tot het oordeel dat de betrokkene voor een bedrag van \u20ac 64.052,68 voordeel heeft genoten.<\/p>\n<p>In de kern klaagt het middel dat het door het hof vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel niet (zonder meer) kan worden gerelateerd aan de in de strafzaak tegen de betrokkene bewezenverklaarde feiten. Het arrest biedt inderdaad geen aanknopingspunten op basis waarvan het in de jaren 2014 tot en met 2019 verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gerelateerd aan het bewezenverklaarde feit 1 (het op 14 februari 2019 \u2013 kortgezegd \u2013 medeplegen van drugshandel) en feit 4 (het in de periode van 30 oktober 2019 tot en met 8 november 2019 medeplegen van witwassen van ongeveer \u20ac 140.000,-). Het hof lijkt ervan uit te gaan dat een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gekoppeld aan feit 5 (het in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 plegen van gewoontewitwassen) omdat betrokkene in dit kader verscheidene bedragen op de bankrekening van zijn partner heeft gestort. In het verlengde hiervan meent het hof dat er ook voldoende aanwijzingen zijn dat een storting van \u20ac 25.710,-, die blijkt uit de ontnemingsrapportage maar waarvoor de betrokkene niet is veroordeeld, is witgewassen en zodoende voor ontneming in aanmerking komt. Het enkele feit dat de geldbedragen zijn witgewassen betekent echter nog niet dat deze alleen al daarom wederrechtelijk verkregen voordeel behelzen. Het middel is gelet op het voorgaande terecht voorgesteld.<\/p>\n<p>Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. In de bewijsvoering ligt besloten dat aan de gestelde eisen voor toepassing van art. 36e lid 3 Sr is voldaan. Het opzettelijk vervoeren en voorhanden hebben van amfetamine betreft een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Dit geldt ook voor (gewoonte)witwassen. Indien aannemelijk is dat uit andere strafbare feiten voordeel is verkregen, kan dit voordeel derhalve op de voet van art. 36e lid 3 Sr worden ontnomen. Het gewoontewitwassen is gepleegd van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019. Uit de kasopstelling volgt dat de betrokkene in de onderzochte periode van vijf jaar voor 3 april 2019 aanzienlijk meer contant geld heeft uitgegeven dan kan worden verklaard door zijn legale inkomsten. Nu de betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten en het op grond van art. 36e lid 3 aanhef en onder a Sr geldende bewijsvermoeden dus niet heeft weten te weerleggen, kon het hof oordelen dat deze bedragen zijn aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel. Ik wijs er voorts op dat conform art. 511f Sv in de bewijsmotivering is verwezen naar het wettige bewijsmiddel waaraan deze schatting is ontleend, te weten het financieel rapport. De steller van het middel betwist niet de begrijpelijkheid van de gevolgtrekkingen die het hof op basis van dit rapport heeft gedaan. Gezien het voorgaande heeft de betrokkene wat mij betreft geen rechtens te respecteren belang bij cassatie.<\/p>\n<h3>3Slotsom<\/h3>\n<p>Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.<\/p>\n<p>Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen voor vernietiging van de bestreden uitspraak.<\/p>\n<p>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.<\/p>\n<p>De procureur-generaal<\/p>\n<p>bij de Hoge Raad der Nederlanden<\/p>\n<p>AG<\/p>\n<h3>Voetnoten<\/h3>\n<ol>\n<li>Parketnummer 21-003624-22.<\/li>\n<li>In de zaak 24\/02861 is reeds arrest gewezen. Het cassatieberoep in de zaak 24\/02874 is ingetrokken.<\/li>\n<li>Voor mijn conclusie in de samenhangende (straf)zaak zie ECLI:NL:PHR:2025:706.<\/li>\n<li>HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021\/46 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.4.4.<\/li>\n<li>HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498, r.o. 2.5.3.<\/li>\n<li>Uit het vonnis in eerste aanleg leid ik af dat dit rapport als titel draagt: Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e 2e lid Sr.<\/li>\n<li>Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, r.o. 2.4.2-2.4.3 en HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:543, r.o. 2.3.<\/li>\n<li>HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077 (<a href=\"https:\/\/www.inview.nl\/document\/id0ac9d3eaf1ef4e87aa30e559e1a86cbc\" rel=\"nofollow\">https:\/\/www.inview.nl\/document\/id0ac9d3eaf1ef4e87aa30e559e1a86cbc<\/a>), NJ 2021\/299 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.4.1 en 2.4.2. HR 10 december 2024, NJ 2025\/51 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.5-2.6.2.<\/li>\n<li>Zie in dit verband de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 16 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:426 (HR: art. 81.1 RO) en de conclusie van mijn ambtgenoot Frielink 27 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:612 (HR: art. 81.1 RO).<\/li>\n<\/ol>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:707\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Conclusie AG. Onderzoek Vidar. Profijtontneming. Wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op art. 36e lid 2 Sr en berekend met toepassing eenvoudige kasopstelling. Middel klaagt terecht dat vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel niet zonder meer kan worden gerelateerd aan in strafzaak bewezenverklaarde feiten. Geen cassatie wegens onvoldoende belang. De conclusie strekt tot verwerp&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[8283],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7632],"kji_keyword":[8284,13455,15342,10394],"kji_language":[7671],"class_list":["post-627844","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-parket-bij-de-hoge-raad","kji_year-8463","kji_subject-penal","kji_keyword-conclusie","kji_keyword-verkregen","kji_keyword-voordeel","kji_keyword-wederrechtelijk","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:PHR:2025:707 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-2025 \/ 24\/02749 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:PHR:2025:707 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-2025 \/ 24\/02749\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Conclusie AG. Onderzoek Vidar. Profijtontneming. Wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op art. 36e lid 2 Sr en berekend met toepassing eenvoudige kasopstelling. Middel klaagt terecht dat vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel niet zonder meer kan worden gerelateerd aan in strafzaak bewezenverklaarde feiten. Geen cassatie wegens onvoldoende belang. De conclusie strekt tot verwerp...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"16 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:PHR:2025:707 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-2025 \\\/ 24\\\/02749 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-20T21:04:44+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:PHR:2025:707 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-2025 \\\/ 24\\\/02749\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:PHR:2025:707 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-2025 \/ 24\/02749 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:PHR:2025:707 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-2025 \/ 24\/02749","og_description":"Conclusie AG. Onderzoek Vidar. Profijtontneming. Wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op art. 36e lid 2 Sr en berekend met toepassing eenvoudige kasopstelling. Middel klaagt terecht dat vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel niet zonder meer kan worden gerelateerd aan in strafzaak bewezenverklaarde feiten. Geen cassatie wegens onvoldoende belang. De conclusie strekt tot verwerp...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"16 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/","name":"ECLI:NL:PHR:2025:707 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-2025 \/ 24\/02749 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-20T21:04:44+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlphr2025707-parket-bij-de-hoge-raad-15-07-2025-24-02749\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:PHR:2025:707 Parket bij de Hoge Raad , 15-07-2025 \/ 24\/02749"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/627844","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=627844"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=627844"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=627844"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=627844"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=627844"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=627844"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=627844"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=627844"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}