{"id":652248,"date":"2026-04-22T22:49:04","date_gmt":"2026-04-22T20:49:04","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/"},"modified":"2026-04-22T22:49:04","modified_gmt":"2026-04-22T20:49:04","slug":"eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:RBDHA:2025:11474 Rechtbank Den Haag , 12-02-2025 \/ NL25.5060"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 is ongegrond. De minister heeft met het verstrekken van een folder en een formulier waarop de zware en lichte gronden zijn aangekruist, voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de vreemdeling op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring verblijft. Er zijn voldoende gronden om de maatregel te kunnen dragen. De minister heeft zich terecht en afdoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in dit geval niet met een minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister werkte in de hier te beoordelen periode niet onvoldoende voortvarend aan de verwijdering van de vreemdeling uit Nederland.<\/p>\n<h3>RECHTBANK DEN HAAG<\/h3>\n<p>Zittingsplaats \u2018s-Hertogenbosch<\/p>\n<p>Bestuursrecht<\/p>\n<p>zaaknummer: NL25.5060<\/p>\n<h3>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen<\/h3>\n<h3>[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser<\/h3>\n<p>(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),<\/p>\n<p>en<\/p>\n<h3>de minister van Asiel en Migratie, minister<\/h3>\n<p>(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).<\/p>\n<h3>Procesverloop<\/h3>\n<p>Bij besluit van 3 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.<\/p>\n<p>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.<\/p>\n<p>De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P.J. Molenaar (2864). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.<\/p>\n<h3>Overwegingen<\/h3>\n<p>Inleiding<\/p>\n<p>1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1979.<\/p>\n<p>De wettelijke grondslag<\/p>\n<p>2. De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve de vraag opgeworpen of er reden is tot afstemming van onderhavige bewaringsprocedure met de lopende beroepsprocedure (NL25.5151) en het verzoek om voorlopige voorziening te treffen (NL25.5152) in verband met het besluit van 1 februari 2025 waarbij de achtste asielaanvraag van eiser<br \/>\nniet-ontvankelijk is verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.<\/p>\n<p>De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4358), waarin de Afdeling heeft benadrukt dat een beslissing van de minister in een afwijzend asielbesluit dat de vreemdeling de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet mag afwachten, tot gevolg heeft dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Dat betekent dat deze beslissing bepalend is voor het antwoord op de vraag op welke wettelijke grondslag de vreemdeling in bewaring kan worden gesteld en daarmee voor de rechtmatigheid van een op te leggen maatregel van bewaring. Verder kan de rechtmatigheid van deze beslissing van de minister volgens vaste rechtspraak van de Afdeling evenwel niet worden getoetst in het tegen de maatregel van bewaring ingestelde beroep, omdat tegen het afwijzende besluit apart beroep kan en daarom moet worden ingesteld. Het gesloten rechtsmiddelenstelsel van de Vw 2000 staat eraan in de weg dat de rechtbank bij de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring tevens de rechtmatigheid van een ander besluit kan toetsen. In voornoemde uitspraak heeft Afdeling daarom geopperd in zaken waarin de rechtmatigheid van de beslissing van de minister dat de vreemdeling de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet mag afwachten in geschil is, de procedure over het asielbesluit af te stemmen met de bewaringsprocedure. Op deze wijze wordt verzekerd dat in een individuele zaak doeltreffende rechtsbescherming kan worden geboden, aldus de Afdeling.<\/p>\n<p>Gelet hierop heeft de rechtbank ter zitting aan de orde gesteld of eiser in de procedure(s) tegen het afwijzende besluit op zijn achtste asielaanvraag heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft bepaald dat hij de uitspraak op het door hem in te dienen verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet mag afwachten. Indien dat immers het geval is, bestaat er aanleiding voor de hiervoor genoemde afstemming.<\/p>\n<p>De minister heeft de rechtbank hierop ge\u00efnformeerd dat eiser in de beroepsprocedure nog geen gronden heeft ingediend. Op verzoek van de rechtbank heeft de minister het proforma beroepschrift in die zaak aan het digitale dossier toegevoegd. Verder heeft eiser desgevraagd toegelicht dat zijn asielberoep zich richt dan wel zal richten tegen het standpunt van de minister dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van zijn opvolgende aanvraag en dat zijn beroep zich daarmee richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring die daarop is gevolgd.<\/p>\n<p>De rechtbank maakt uit deze toelichting op dat eisers beroep zich niet richt tegen de beslissing van de minister dat eiser de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet mag afwachten. Niet alleen is in de beroepsprocedure nog geen beroepsgrond van die strekking aangevoerd, ook heeft eiser niet overtuigend gesteld dat het voornemen daartoe bestaat. Met het voornemen beroepsgronden te formuleren tegen de door de minister gekozen afdoeningsmodaliteit, stelt eiser immers niet dat \u00f3\u00f3k de beslissing van de minister dat eiser de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet mag afwachten onrechtmatig zou zijn. Het is namelijk niet zozeer de afdoeningsmodaliteit die de minister ertoe heeft gebracht schorsende werking aan de voorlopige voorziening te onthouden. Zoals blijkt uit het besluit van 1 februari 2025 is deze beslissing ingegeven door het feit dat dit eisers achtste asielaanvraag betreft, waarbij zijn tweede en derde asielaanvraag buiten behandeling zijn gesteld, zijn derde asielaanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen en zijn vierde en vijfde asielaanvraag buiten behandeling zijn gesteld. Verder heeft de minister erop gewezen dat eisers zesde asielaanvraag<br \/>\nniet-ontvankelijk is verklaard en dat tot slot zijn zevende asielaanvraag kennelijk ongegrond is verklaard.<\/p>\n<p>Daarmee doet zich in het onderhavige geval niet de situatie voor zoals beschreven in de uitspraak van de Afdeling. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor afstemming van deze bewaringsprocedure met de lopende procedure(s) tegen het asielbesluit van 1 februari 2025.<\/p>\n<p>De rechtbank volstaat met de constatering dat in dit asielbesluit is beslist dat eiser de uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet mag afwachten en stelt vast dat eiser daarmee geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe zij is gehouden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring verblijft.<\/p>\n<p>De informatieplicht<\/p>\n<p>3. Eiser voert aan dat de minister haar informatieplicht als bedoeld in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft geschonden. De minister heeft hem immers niet schriftelijk in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte gebracht van de redenen van de bewaring. De folder die de minister aan hem heeft verstrekt volstaat in dit verband volgens eiser niet, aangezien daarin niet de feitelijke en juridische gronden van de maatregel zijn opgenomen.<\/p>\n<p>De rechtbank volgt eiser hierin niet en stelt vast dat de minister bij de uitreiking van de maatregel niet alleen een folder aan eiser heeft verstrekt met daarin algemene informatie over de inbewaringstelling, maar ook een formulier in de Engelse taal waarop de zware en lichte gronden zijn aangekruist die de minister aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Anders dan eiser stelt heeft de minister daarmee aan haar informatieplicht voldaan. Zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2979) mag de minister op een gestandaardiseerde wijze aan haar informatieplicht voldoen. Volgens de Afdeling kan daarbij bijvoorbeeld worden gedacht aan een kruisjesformulier met daarin een standaardvolgorde en nummering van de verschillende wettelijke grondslagen en zware en lichte gronden. Dit laatste is exact wat de minister in eisers geval heeft gedaan. Anders dan eiser stelt, laat de uitspraak en dan met name rechtsoverweging 3.3 van deze uitspraak, geen ruimte voor een andere uitleg. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze gestandaardiseerde werkwijze de rechterlijke toets niet zou kunnen doorstaan. Daarmee is van een gebrek geen sprake.<\/p>\n<p>De zware en lichte gronden<\/p>\n<p>4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000, als zware gronden vermeld dat eiser:<br \/>\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;<br \/>\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;<br \/>\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;<br \/>\n3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;<br \/>\nen als lichte gronden vermeld dat eiser:<br \/>\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;<br \/>\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;<br \/>\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;<br \/>\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt vast dat deze zware en lichte gronden ook ten grondslag waren gelegd aan de aan eiser opgelegd maatregel van bewaring van 30 december 2024, die door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht is getoetst (NL24.52246) en aan de maatregel van bewaring van 9 juli 2023, die door deze rechtbank, zittingsplaats Groningen is getoetst (NL23.19898). In beide uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat de zware gronden 3a, 3b en 3c en lichte grond 4c, in samenhang bezien, reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Beide uitspraken zijn door de Afdeling bevestigd. De rechtbank ziet geen aanleiding hier thans anders over te oordelen en volstaat daarom met een verwijzing naar wat de rechtbank hierover eerder heeft geoordeeld en welk oordeel in rechte vaststaat.<\/p>\n<p>Belangenafweging \/ lichter middel<\/p>\n<p>5. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en afdoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval niet met een minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling kon worden volstaan. Daarbij heeft te gelden dat de gronden en de daarbij gegeven motivering wijzen op een risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en dat hij de voorbereiding van het vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Ook is in dit kader van belang dat eiser niet overtuigend heeft gesteld dat een lichter middel voor de daadwerkelijke effectuering van zijn vertrek kan volstaan. Evenmin heeft hij bijzondere omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel. Zo is tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling expliciet aan eiser gevraagd of er sprake is van bijzondere omstandigheden waarom eiser niet in bewaring zou moeten worden gesteld. Eiser heeft daarop geen bijzonderheden naar voren gebracht die voor de minister aanleiding hadden moeten vormen een lichter middel dan de inbewaringstelling toe te passen. Dat hij stelt te willen meewerken en dat hij nooit afspraken bij de politie of een meldplicht mist, zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat in weerwil van het hiervoor geschetste onttrekkingsrisico een lichter middel moet worden toegepast. Eisers betoog dat de minister ten onrechte de belangenafweging in zijn nadeel heeft laten uitvallen, volgt de rechtbank daarom niet.<\/p>\n<p>Voortvarendheid<\/p>\n<p>6. Tot slot voert eiser aan dat de minister met onvoldoende voortvarendheid aan zijn uitzetting naar Gambia werkt. Nu de aanvraag om afgifte van een laissez-passer (lp) al in november 2024 aan de Gambiaanse autoriteiten is verzonden, had het op de weg van de minister gelegen om te informeren naar (de mogelijkheden van) een presentatie.<\/p>\n<p>De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in de hier te beoordelen periode onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering van eiser uit Nederland. De rechtbank merkt daarbij in de eerste plaats op dat zij dient te beoordelen of de minister voldoende voortvarend werkte aan de uitzetting van eiser en niet of de minister (nog) voortvarender had kunnen handelen. De rechtbank acht verder van belang dat uit de gedingstukken blijkt dat de minister eiser op 3 februari 2025 in bewaring heeft gesteld en dat op 5 februari 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de minister regelmatig rappelleert bij de Gambiaanse autoriteiten in verband met de lp-aanvraag, laatstelijk op 16 januari 2025. Weliswaar is dit rappel verzonden v\u00f3\u00f3r de hier te beoordelen periode, maar ook aan uitzettingshandelingen die (kort) voor die periode hebben plaatsgevonden komt betekenis toe. Deze handelingen kunnen immers van invloed zijn op de vraag of de minister in de te beoordelen periode voldoende uitzettingshandelingen heeft verricht. Wanneer de door de minister verrichte handelingen in zijn geheel worden bezien bestaat er geen grond voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank betrekt daarbij dat het lp-traject sinds 8 november 2024 loopt en dat de minister in afwachting is van de reactie van de Gambiaanse autoriteiten.<\/p>\n<p>Voor zover eiser betoogt dat de minister meer uitzettingshandelingen had kunnen verrichten, zoals informeren naar een eventuele presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Zoals blijkt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1448) is het immers aan de regievoerder om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn.<\/p>\n<p>Conclusie<\/p>\n<p>7. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden niet leiden tot de conclusie dat de bewaring in de te beoordelen periode onrechtmatig is te achten. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geworden.<\/p>\n<p>Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.<\/p>\n<p>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.<\/p>\n<h3>Beslissing<\/h3>\n<p>De rechtbank:<\/p>\n<p>verklaart het beroep ongegrond;<\/p>\n<p>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<\/p>\n<p>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong &#8212; Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.M. Bankers, griffier.<\/p>\n<p>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 februari 2025<\/p>\n<p>Rechtsmiddel<\/p>\n<p>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen \u00e9\u00e9n week na de dag van bekendmaking.<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11474\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 is ongegrond. De minister heeft met het verstrekken van een folder en een formulier waarop de zware en lichte gronden zijn aangekruist, voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank ziet geen aanleiding voor &#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[7670],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7612],"kji_keyword":[7813,7824,11383,8102,7675],"kji_language":[7671],"class_list":["post-652248","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-rechtbank-den-haag","kji_year-8463","kji_subject-fiscal","kji_keyword-artikel","kji_keyword-bewaring","kji_keyword-maatregel","kji_keyword-minister","kji_keyword-rechtbank","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.4 (Yoast SEO v27.4) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:RBDHA:2025:11474 Rechtbank Den Haag , 12-02-2025 \/ NL25.5060 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:RBDHA:2025:11474 Rechtbank Den Haag , 12-02-2025 \/ NL25.5060\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 is ongegrond. De minister heeft met het verstrekken van een folder en een formulier waarop de zware en lichte gronden zijn aangekruist, voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank ziet geen aanleiding voor ...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"12 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:RBDHA:2025:11474 Rechtbank Den Haag , 12-02-2025 \\\/ NL25.5060 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-22T20:49:04+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:RBDHA:2025:11474 Rechtbank Den Haag , 12-02-2025 \\\/ NL25.5060\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:RBDHA:2025:11474 Rechtbank Den Haag , 12-02-2025 \/ NL25.5060 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:RBDHA:2025:11474 Rechtbank Den Haag , 12-02-2025 \/ NL25.5060","og_description":"Het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 is ongegrond. De minister heeft met het verstrekken van een folder en een formulier waarop de zware en lichte gronden zijn aangekruist, voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank ziet geen aanleiding voor ...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"12 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/","name":"ECLI:NL:RBDHA:2025:11474 Rechtbank Den Haag , 12-02-2025 \/ NL25.5060 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-22T20:49:04+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbdha202511474-rechtbank-den-haag-12-02-2025-nl25-5060\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:RBDHA:2025:11474 Rechtbank Den Haag , 12-02-2025 \/ NL25.5060"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/652248","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=652248"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=652248"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=652248"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=652248"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=652248"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=652248"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=652248"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=652248"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}