{"id":656816,"date":"2026-04-23T08:07:09","date_gmt":"2026-04-23T06:07:09","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/"},"modified":"2026-04-23T08:07:09","modified_gmt":"2026-04-23T06:07:09","slug":"eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/426558 \/ HA ZA 24-516 (E)"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW. Verlieslatende ondernemingsactiviteiten van een eerder gefailleerde BV zijn op gelijke wijze voortgezet in een nieuw opgerichte BV die ook gefailleerd is. Het voortzetten en continueren van de verlieslatende ondernemingsactiviteiten met inherente risico\u2019s voor crediteuren o.a. omdat de onderneming zowel voor haar omzet als voor haar financiering volledig afhankelijk was van zustervennootschappen, levert kennelijk onbehoorlijk bestuur op die een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.<\/p>\n<h3>RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT<\/h3>\n<p>Cluster II Handelszaken<\/p>\n<p>Breda<\/p>\n<p>zaaknummer \/ rolnummer: C\/02\/426558 \/ HA ZA 24-516<\/p>\n<p>Vonnis van 14 mei 2025<\/p>\n<p>in de zaak van<\/p>\n<p>MR. [de curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser] B.V.,<\/p>\n<p>kantoorhoudende te [plaats 1] ,<\/p>\n<p>eiser,<\/p>\n<p>advocaat mr. E. van der Kolk te Tilburg,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<h3>1 [gedaagde 1] B.V.,<\/h3>\n<p>gevestigd te [plaats 2] ,<\/p>\n<p>2. [gedaagde 2],<\/p>\n<p>wonende te [plaats 3] ,<\/p>\n<p>3. [gedaagde 3],<\/p>\n<p>wonende te [plaats 2] ,<\/p>\n<p>gedaagden,<\/p>\n<p>advocaat mr. A.P. Macro te Amsterdam.<\/p>\n<p>Eiser zal hierna \u2018de curator\u2019 of \u2018 [de curator] q.q.\u2019 worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk \u2018 [gedaagde 1] \u2019, \u2018 [gedaagde 2] \u2019 en \u2018 [gedaagde 3] \u2019 worden genoemd en gezamenlijk worden aangeduid als \u2018 [gedaagden] \u2019 (enkelvoud en mannelijk). De gefailleerde zal hierna ook \u2018 [eiser] \u2019 worden genoemd.<\/p>\n<h3>1De procedure<\/h3>\n<p>Het verloop van de procedure blijkt uit:<\/p>\n<p>de dagvaarding van 5 september 2024,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties en in het geding brengen van beslagstukken van 25 september 2024 met producties 1 tot en met 38 zijdens de curator,<\/p>\n<p>de akte van 23 oktober 2024 houdende aanvulling van gronden en het in geding brengen van producties 39 tot en met 88 zijdens de curator,<\/p>\n<p>de conclusie van antwoord van 4 december 2024 met producties 1 tot en met 10 zijdens [gedaagden] ,<\/p>\n<p>het tussenvonnis van 18 december 2024,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties 89 tot en met 110 van 17 februari 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties 111 tot en met 115 van 27 februari 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties A, B en C van 2 maart 2025 die [eiser] zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties 116 tot en met 119 van 4 maart 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,<\/p>\n<p>de op voorhand door de curator toegezonden spreekaantekeningen,<\/p>\n<p>de op voorhand door [eiser] toegezonden spreekaantekeningen,<\/p>\n<p>de mondelinge behandeling gehouden op 13 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.<\/p>\n<p>Ten slotte is vonnis bepaald.<\/p>\n<h3>2De feiten<\/h3>\n<p>In 2012 is [bedrijf 1] B.V., hierna ook: \u2018 [bedrijf 1] \u2019, opgericht. [bedrijf 1] produceert v\u00f3\u00f3r haar faillissement afsluiters voor de olie- en gasindustrie. Enig statutair bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is [bedrijf 2] B.V., hierna ook \u2018 [bedrijf 2] \u2019. Bestuurder van [bedrijf 2] is [gedaagde 2] . Enig aandeelhouder van [bedrijf 2] is Stichting Administratiekantoor [bedrijf 2] , hierna ook \u2018het Administratiekantoor\u2019. [gedaagde 2] is bestuurder van het Administratiekantoor en is tezamen met zijn echtgenote [gedaagde 3] gerechtigd tot de door het Administratiekantoor uitgegeven certificaten.<\/p>\n<p>De enige klant en afnemer van [bedrijf 1] is [eiser] B.V., hierna ook \u2018 [eiser] \u2019. [eiser] hoort tot dezelfde groep als [bedrijf 1] , de zogenoemde [groep] . Enig bestuurder en aandeelhouder van [eiser] is [bedrijf 2] .<\/p>\n<p>[bedrijf 1] is vanaf haar oprichting verliesgevend. De resultaten en het verloop van het eigen vermogen van [bedrijf 1] laten zich als volgt weergegeven:<\/p>\n<p>-2013: resultaat: -\/- \u20ac 770.000,00, eigen vermogen: -\/- \u20ac 750.000,00<\/p>\n<p>-2014: resultaat: -\/- \u20ac 1.500.000,00, eigen vermogen: -\/- \u20ac 2.200.000,00<\/p>\n<p>-2015: resultaat: -\/- \u20ac 3.000.000,00, eigen vermogen: -\/- \u20ac 5.300.000,00<\/p>\n<p>-2016: resultaat: -\/- \u20ac 3.800.000,00, eigen vermogen: -\/- \u20ac 9.100.000,00.<\/p>\n<p>[eiser] B.V., hierna ook: \u2018gefailleerde\u2019 of \u2018 [eiser] \u2019, is op 3 oktober 2016 opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser] is [gedaagde 1] B.V. Enig aandeelhouder van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] . Statutair bestuurders van [gedaagde 1] zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .<\/p>\n<p>Op 1 augustus 2017 is [bedrijf 1] door de rechtbank Rotterdam in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [naam] als curator.<\/p>\n<p>Alle rechtspersonen vermeld onder 2.1. &#8212; 2.4. behoren tot de zogenoemde [groep] . [gedaagde 2] staat aan het hoofd van de [groep] .<\/p>\n<p>V\u00f3\u00f3r haar faillissement produceert [eiser] (net als haar voorganger [bedrijf 1] ) afsluiters voor de olie- en de gasindustrie. Machines en andere inventarisgoederen waarmee deze afsluiters worden geproduceerd, zijn eigendom van aan [gedaagde 2] gelieerde rechtspersonen. [eiser] heeft slechts \u00e9\u00e9n afnemer aan wie de afsluiters worden verkocht en<\/p>\n<p>geleverd en dat is [eiser] . Het bedrijfspand waarin [eiser] haar ondernemingsactiviteiten ontplooit, is van een groepsmaatschappij van [eiser] tevens behorende tot de [groep] , [bedrijf 3] B.V., hierna ook \u2018 [bedrijf 3] \u2019.<\/p>\n<p>[eiser] wordt -naast het geplaatste kapitaal van \u20ac 5.000,00- door middel van vooruitbetalingen en voorschotten door aan [gedaagde 2] gelieerde rechtspersonen, waaronder [eiser] , gefinancierd. [eiser] heeft geen financiering van een bankinstelling of een andere externe financier. Transacties tussen [eiser] en [eiser] (en andere aan [gedaagde 2] gelieerde rechtspersonen) worden in rekening-courant geboekt en verrekend onder andere op grond van de tussen [eiser] en [eiser] tot stand gekomen schriftelijke rekening-courant overeenkomst. Op dit document is de datum van 4 oktober 2017 vermeld.<\/p>\n<p>In deze op 4 oktober 2017 gedateerde rekening-courant overeenkomst tussen [eiser] en [eiser] is in artikel 7 een verbintenis tot zekerheidstelling van [eiser] geformuleerd:<\/p>\n<p>\u2018De ondergetekende sub 2 [opmerking rechtbank: [eiser] ] zal tot zekerheid voor de voldoening van al haar verplichtingen onder deze rekening-courant verhouding jegens de ondergetekende sub 1 [opmerking rechtbank: [eiser] ] het gereed product of onderhanden werk zijnde halffabricaten en materialen die bestemd zijn voor verwerking in het productieproces als zekerheid overdragen middels het vestigen van een pandrecht waartoe een akte van verpanding zal worden opgesteld met een bijlage waarin het onderhanden werk staat vermeld. De bijlage zal periodiek worden aangepast wanneer hiertoe noodzaak bestaat maar in ieder geval ieder jaar op 31 december.\u2019<\/p>\n<p>Op 31 augustus 2022 is aan dit document een addendum gehecht, de zogenoemde \u2018Meerpartijenverrekeningsafspraak\u2019. Het addendum vermeldt dat 15 vennootschappen behorende tot het [groep] , waaronder [eiser] en [eiser] , met elkaar overeenkomen dat:<\/p>\n<p>\u2018zij in afwijking van artikel 6:127 lid 2 BW voor verrekening niet over en weer elkaars schuldeisers hoeven te zijn.\u2019<\/p>\n<p>Een op 1 oktober 2017 gedateerd document \u2018akte van verpanding\u2019 tussen [eiser] en [eiser] vermeldt in artikel 2:<\/p>\n<p>\u2018Pandgever verpandt deze zekerheden bij deze aan pandnemer, gelijk pandnemer bij deze als pand aanvaardt:<\/p>\n<p>het gereed product of onderhanden werk zijnde halffabricaten en materialen die bestemd zijn voor verwerking in het productieproces;\u2019<\/p>\n<p>[eiser] heeft na haar oprichting vanaf 2017 slechts verliezen geleden hetgeen uit het verloop van haar eigen vermogen en resultaten blijkt:<\/p>\n<p>eigen vermogen 2017 -\/- \u20ac 1.385.647,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2018 -\/- \u20ac 4.303.969,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2019 -\/- \u20ac 4.695.836,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2020 -\/- \u20ac 6.739.243,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2021 -\/- \u20ac 8.051.042,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2022 -\/- \u20ac 9.773.124,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2023 -\/- \u20ac11.161.507,00.<\/p>\n<p>resultaat 2019 na Vpb -\/- \u20ac 391.867,00<\/p>\n<p>resultaat 2020 na Vpb -\/- \u20ac 2.043.407,00<\/p>\n<p>resultaat 2021 na Vpb -\/- \u20ac 1.311.799,00<\/p>\n<p>resultaat 2022 na Vpb -\/- \u20ac 1.722.082,00<\/p>\n<p>resultaat 2023 na Vpb -\/- \u20ac 1.383.383,00<\/p>\n<p>resultaat 2024 na Vpb -\/- \u20ac 61.044,00.<\/p>\n<p>Vanaf maart 2023 zijn (de) machines die bij [eiser] in gebruik waren naar Itali\u00eb getransporteerd en voor de productie van afsluiters in gebruik gegeven aan een Italiaanse groepsmaatschappij, [bedrijf 4] Srl.<\/p>\n<p>Op 3 juli 2023 en op 7 augustus 2023 meldt [gedaagde 2] namens [eiser] betalingsonmacht aan de belastingdienst voor onbetaald gelaten loonbelasting, \u2018betalingsregeling coronacrisis\u2019 en omzetbelasting.<\/p>\n<p>Op 1 december 2023 legt de Ontvanger executoriaal bodembeslag ten laste van [eiser] voor niet afgedragen omzetbelasting en loonbelasting. Op 27 februari 2024 is dit beslag -nadat [eiser] zich op 6 december 2023 hiertegen schriftelijk heeft verzet- opgeheven omdat de belastingdienst van mening is dat de beslagen goederen geen re\u00ebel eigendom zijn van [eiser] maar van andere aan [gedaagde 2] gelieerde rechtspersonen.<\/p>\n<p>In december 2023 verkoopt en levert [eiser] al haar halffabricaten en voorraden aan [eiser] tegen een totale koopsom van \u20ac 2.800.625,53. In verband met deze transacties heeft [eiser] in december 2023 telkens gefactureerd. Deze 41 facturen zijn gedateerd op 4 december 2023, 11 december 2023, 13 december 2023 en 14 december 2023 en zijn genummerd van [nummer 1] tot en met [nummer 2] . Het totaalbedrag van \u20ac 2.800.625,53 van deze facturen is in rekening-courant geboekt en vervolgens is de schuld van [eiser] aan [eiser] op 31 december 2023 verrekend met de rekening-courant vordering van [eiser] op [eiser] .<\/p>\n<p>Op het op 6 februari 2024 gedateerde verzoek van de vennootschap naar Italiaans recht [bedrijf 5] S.R.L. spreekt de rechtbank Rotterdam op 5 maart 2024 het faillissement van [eiser] uit. Bij vonnis van 5 maart 2024 van de rechtbank Rotterdam wordt [eiser] in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [de curator] als curator.<\/p>\n<p>Bij brief van 3 april 2024 sommeert de curator [eiser] om de bedragen van \u20ac 2.800.625,53 en \u20ac 48.400,00 inclusief BTW aan de boedel van [eiser] te betalen, te vermeerderen met rente en kosten. [eiser] bericht de curator bij emailbericht van 4 april 2024 dat aan de sommatie geen gevolg zal worden gegeven. In een afzonderlijke gerechtelijke procedure vordert de curator betaling van deze bedragen van [eiser] .<\/p>\n<p>Bij brief van 19 juli 2024 heeft de curator [gedaagden] als bestuurders van [eiser] aansprakelijk gesteld (productie 17 bij dagvaarding).<\/p>\n<p>De rechter-commissaris verleent aan [de curator] q.q. toestemming om onderhavige vordering tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in te stellen.<\/p>\n<p>Blijkens de op 8 oktober 2024 gedateerde lijst van voorlopige erkende preferente crediteuren van de curator bedraagt de schuldenlast van [eiser] \u20ac 5.694.966,83. Blijkens de op<\/p>\n<p>8 oktober 2024 gedateerde lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren van de curator bedraagt de schuldenlast van [eiser] \u20ac 4.666.590,33.<\/p>\n<p>Onder andere [gedaagde 2] , [bedrijf 2] en [eiser] zijn bij arrest van 4 februari 2025 van het Gerechtshof Den Haag veroordeeld om aanzienlijke geldsommen aan de curator van [bedrijf 1] te betalen en\/of te vergoeden wegens benadeling van schuldeisers van [bedrijf 1] door<\/p>\n<p>onder andere voortzetting van steeds verlieslatende ondernemingsactiviteiten zonder deugdelijke financiering.<\/p>\n<h3>3Het geschil<\/h3>\n<p>De curator vordert \u2013 samengevat en na wijziging van zijn eis &#8212; dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:<\/p>\n<p>I. voor recht verklaart dat [gedaagden] hun taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld,<\/p>\n<p>II. voor recht verklaart dat aannemelijk is dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement,<\/p>\n<p>III. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan de curator in het faillissement van [eiser] terzake de schade die als gevolg van het onbehoorlijk bestuur is geleden, nader op te maken bij staat,<\/p>\n<p>IV. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van het volledige faillissementstekort in het faillissement van [eiser] voor zover dit tekort niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan,<\/p>\n<p>V. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van \u20ac 7.000.000,00 ten titel van voorschot op de vordering terzake het deficit op grond op grond van artikel 2:248 BW en\/of 2:9 BW en\/of 6:162 BW, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding,<\/p>\n<p>VI. voor recht verklaart dat [gedaagden] jegens de gezamenlijke crediteuren in het faillissement van [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld, althans in strijd hebben gehandeld met art. 2:9 BW door te doen verkopen en vervolgens te verrekenen de koopsom van de zaken die [eiser] B.V. in december 2023 van [eiser] gekocht heeft,<\/p>\n<p>VII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator \u20ac 2.800.625,53 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 5 maart 2024 (datum faillissement),<\/p>\n<p>VIII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten, waaronder begrepen de in Nederland en Belgi\u00eb gemaakte beslagkosten.<\/p>\n<p>De curator legt aan zijn vordering de navolgende stellingen ten grondslag. De curator voert aan dat [eiser] de verlieslatende ondernemingsactiviteiten van [bedrijf 1] heeft voortgezet. De ondernemingsactiviteiten van [eiser] waren vanaf 2017, kort na haar oprichting, tot datum faillissement evenals bij [bedrijf 1] steeds verlieslatend. Het faillissement van [eiser] is uitgesproken op verzoek van een crediteur met een voor [eiser] veroordelend vonnis tot een<\/p>\n<p>bedrag van plusminus \u20ac 400.000,00. De van [bedrijf 1] voortgezette ondernemingsactiviteiten waren voor [eiser] en haar crediteuren uiterst risicovol. [eiser] beschikte niet over externe financiering. [eiser] was voor haar financieringsbehoefte geheel afhankelijk van haar groepsmaatschappijen. Financiering van [eiser] bestond uit de betaling van voorschotten door [eiser] (en andere rechtspersonen van de [groep] ) op de door [eiser] aangehouden bankrekening bij KBC. [eiser] kon met deze voorschotten -die in haar grootboek als schuld van [eiser] werden geboekt en in rekening-courant werden verrekend- alleen haar productie ten behoeve van [eiser] voltooien en haar dwangcrediteuren betalen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] waren op grond van een volmacht bevoegd om over deze KBC bankrekening van [eiser] te beschikken. De enige klant van [eiser] was [eiser] . [eiser] factureerde [eiser] en de koopsommen werden vervolgens in rekening-courant verrekend. Deze transacties tussen [eiser] en [eiser] waren voor [eiser] structureel verlieslatend. [eiser] beschikte verder niet over vermogensbestanddelen anders dan wat voorraden en onderhanden werk. Het bedrijfspand huurde [eiser] van [bedrijf 3] en haar bedrijfsinventaris huurde [eiser] van een groepsmaatschappij. Ook de huurschulden werden in rekening-courant geboekt en verrekend. Kortom, [eiser] was de stroppenmaatschappij van dit onderdeel van de [groep] waarin alle schulden neersloegen. Het bestuur van [eiser] bewerkstelligde dat [eiser] niet beschikte over verhaalbare vermogensbestanddelen. De belastingschulden waren per ultimo 2023 opgelopen tot \u20ac 5.234.967,00. De voorwaarden waaronder [eiser] een betalingsregeling met de belastingdienst had gesloten, werden niet nageleefd: [eiser] betaalde de termijnen niet en deed niet of niet tijdig aangifte van de door haar verschuldigde belastingen. In december 2023 legde de belastingdienst bodembeslag en ontdeed het bestuur [eiser] van haar enige vermogensbestanddelen, de voorraad en halffabricaten, door deze voorraad en halffabricaten aan [eiser] te verkopen en te leveren tegen verrekening van de koopsom van \u20ac 2.800.625,53 in rekening-courant. Hierna had [eiser] niets meer: crediteuren visten achter het net. Het bestuur voorzag [eiser] al enige tijd niet meer van financiering om haar schulden te kunnen voldoen. De onderneming van [eiser] werd drijvende gehouden ten koste van de belastingdienst en (andere) (handels-)crediteuren. De organisatie van dit onderdeel van de [groep] bracht derhalve grote financi\u00eble risico\u2019s voor de crediteuren mee. Deze risico\u2019s waren inherent aan de wijze waarop de ondernemingsactiviteiten van [eiser] waren georganiseerd. Belangen van de crediteuren van [eiser] werden geheel opgeofferd aan het belang van groepsmaatschappijen van [eiser] en [gedaagde 2] . De verlieslatende activiteiten van [bedrijf 1] zette [eiser] vanaf 2017 tot haar faillissement voort, terwijl [gedaagde 2] en aan hem gelieerde vennootschappen in de periode vanaf 2013 tot en met 2016 identieke verlieslatende ondernemingsactiviteiten ten koste van crediteuren van [bedrijf 1] hadden ondernomen. [gedaagde 2] wist derhalve van de risicovolle organisatiestructuur waarvan [eiser] deel uitmaakte. Dat is volgens de curator een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling die heeft geleid tot het faillissement van [eiser] . Het bestuur van [eiser] , [gedaagde 1] , en haar bestuurders, zijn op grond van artikel 2:248 BW juncto artikel 2:11 BW hoofdelijk verbonden om het tekort in het faillissement -waaronder alle boedelkosten- aan de curator te betalen. De curator voegt hieraan nog toe dat de administratie van [eiser] niet voldoet aan de vereisten van artikel 2:10 BW zodat kennelijk onbehoorlijk bestuur vaststaat en vermoed wordt dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement van [eiser] is geweest.<\/p>\n<p>[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] wil een extra schriftelijke ronde zodat deugdelijk op het pleidooi van de curator kan worden gereageerd. [gedaagden] voert verder aan dat de organisatie van [eiser] als onderdeel van de [groep] gebruikelijk,<\/p>\n<p>beproefd en door externe adviseurs aanbevolen is. [gedaagden] heeft er alles aan gedaan om van [eiser] een succes te maken. Hij heeft er ook eigen middelen ingestoken. Van ernstig verwijtbaar handelen van [gedaagden] is dan ook geen sprake. Met de belastingdienst zou een regeling worden getroffen. Het gevoerde financieringsbeleid was geen belangrijke oorzaak van het faillissement. Dat geldt ook voor de opgezette structuur. De vormgeving van dit onderdeel van de [groep] vond in 2017 plaats zodat de termijn van drie jaren is verlopen (vergelijk artikel 2:248 lid 6 BW). Het faillissement is veroorzaakt door corona, de Suez crisis en de energiecrisis. Dit zijn allemaal externe oorzaken. Ook werknemers zijn weggelopen, zodat niet langer kon worden geproduceerd. Door de verkoop en levering in december 2023 van voorraad en halffabricaten aan [eiser] heeft [eiser] geen schade geleden en zijn haar crediteuren niet benadeeld. De koopsom is in verrekening gebracht en het vermogen van [eiser] is gelijk gebleven: haar schuld aan [eiser] verminderde immers met het<\/p>\n<p>bedrag van de koopsom. De verwijzing door de curator naar de [bedrijf 6] -uitspraak is niet ter zake doende: het gaat bij [bedrijf 6] om aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en dus niet om aansprakelijkheid van het bestuur. Verder betoogt [gedaagden] dat [eiser] geen selectieve betalingen heeft verricht. [eiser] heeft geen betalingen verricht; dat deed [eiser] . Verder is jaarlijks aan het bestuur door de algemene vergadering van aandeelhouders van [eiser] d\u00e9charge verleend. [gedaagde 3] beroept zich op matiging van haar aansprakelijkheid en wel tot nihil. Zij heeft zich immers nooit bemoeid met de bedrijfsvoering van [eiser] . [gedaagden] maakt bezwaar tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad van een eventueel veroordelend vonnis. Mocht [gedaagden] in hoger beroep gelijk krijgen, dan loopt [gedaagden] het risico dat de curator het door hem ge\u00efnde niet kan terugbetalen. Ook een voorschot op het vast te stellen tekort of de schade behoort niet te worden toegewezen. Dit tekort of deze schade vordert de curator ook al in het geding dat de curator tegen [eiser] voert op grond van de actio Pauliana.<\/p>\n<p>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.<\/p>\n<h3>4De beoordeling<\/h3>\n<p>[gedaagden] zal geen termijn voor het nemen van een conclusie van dupliek worden gegeven, omdat [gedaagden] ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om op de op voorhand toegezonden pleitaantekeningen schriftelijk en mondeling te reageren. Tijdens het pleidooi heeft de curator geen nieuwe stellingen betrokken. De curator heeft slechts de eerder door hem ingenomen stellingen verder verduidelijkt en voorzien van een reactie op het eerder door [gedaagden] geformuleerde verweer, dat met name betrekking heeft op de procedure tegen [eiser] . [gedaagden] heeft meer dan voldoende gelegenheid gekregen om zich tegen de vorderingen van de curator in deze procedure te verweren. Naar het oordeel van de rechtbank wordt het recht op hoor en wederhoor zonder een nieuwe schriftelijke ronde niet geschonden.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt voorop dat wanneer de curator met succes een beroep kan doen op bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW, de overige rechtsgrondslagen \u2013 artikel 2:9 BW, artikel 6:162 BW en artikel 42 Fw \u2013 geen beoordeling meer behoeven. De curator heeft dit ook ter zitting bevestigd. Wanneer [gedaagden] op grond van artikel 2:248 BW hoofdelijk voor het boedeltekort aansprakelijk kan worden gehouden, zal de boedel<\/p>\n<p>overigens geen schade lijden. De rechtbank zal dan ook eerst de toepasselijkheid van en het beroep op artikel 2:248 BW beoordelen.<\/p>\n<p>artikel 2:248 BW<\/p>\n<p>In geval van faillissement van een besloten vennootschap is elke bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijkheid voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De vordering kan slechts door de curator worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement. D\u00e9chargeverlening aan het bestuur staat niet aan het instellen van de vordering in de weg. Een bestuurder is niet bevoegd tot verrekening met een vordering op de gefailleerde. Als de omvang van het tekort nog niet bekend is, kan de rechter op grond van artikel 2:248 lid 5 BW bepalen dat overeenkomstig artikel 612 Rv, en verder, een staat wordt opgemaakt. Op grond van artikel 2:11 BW rust ook op de bestuurders van de aansprakelijke rechtspersoon-bestuurder een hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van het tekort. Als het bestuur van gefailleerde niet aan de administratieplicht van artikel 2:10 BW voldoet en\/of de jaarrekening niet of niet tijdig publiceert, staat onbehoorlijk bestuur vast en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement waarbij een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking mag worden genomen.<\/p>\n<p>Niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem is te wijten en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. De rechter is op grond van artikel 2:248 lid 4 BW bevoegd om de aansprakelijkheid van het bestuur en individuele bestuurders te matigen.<\/p>\n<p>De rechtbank wijst [gedaagden] er vooraleerst op dat hij de betekenis van HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR: 2017:275, NJ 2017\/215 miskent. Voor de tweedegraads bestuurder, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , geldt niet het vereiste dat hem of haar persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Overigens kan een tweedegraads bestuurder zich wel disculperen door te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor [gedaagde 1] geldt wel dit vereiste dat overigens in het begrip \u2018kennelijk onbehoorlijk bestuur\u2019 van artikel 2:248 lid 1 BW zit \u2018ingebakken\u2019.<\/p>\n<p>(van [bedrijf 1] voortgezette) ondernemingsactiviteiten van [eiser]<\/p>\n<p>De curator heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat [eiser] in 2016\/2017 \u2018de plaats\u2019 van [bedrijf 1] in de [groep] heeft overgenomen en de ondernemingsactiviteiten van [bedrijf 1] op een andere locatie, in [plaats 1] , heeft voortgezet, nadat [bedrijf 1] haar ondernemingsactiviteiten had gestaakt en in 2017 failleerde. Hun identieke functie en plaats in de [groep] en dezelfde aard van de ondernemingsactiviteiten springen hier in het oog:<\/p>\n<p>&#8212; ze produceerden afsluiters voor de olie- en gasindustrie;<\/p>\n<p>&#8212; ze verkochten en leverden deze afsluiters exclusief aan [eiser] ;<\/p>\n<p>&#8212; [eiser] verkocht en leverde de afsluiters aan derden die overigens op hun beurt ook van derden mocht inkopen en ook [eiser] stond het vrij om de afsluiters elders in te kopen;<\/p>\n<p>&#8212; de ondernemingsactiviteiten van [bedrijf 1] en [eiser] waren vanaf oprichting tot hun d\u00e9mise in 2017 respectievelijk 2024 slechts verlieslatend;<\/p>\n<p>&#8212; [gedaagde 2] is zowel bij [bedrijf 1] als [eiser] de bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder en enig aandeelhouder;<\/p>\n<p>&#8212; [bedrijf 1] en [eiser] werden exclusief door middel van bevoorschotting gefinancierd door groepsmaatschappijen, althans aan [gedaagde 2] gelieerde rechtspersonen;<\/p>\n<p>&#8212; kort voor hun faillissementen poogt het bestuur van [bedrijf 1] en [eiser] het voorhanden zijnde actief aan [eiser] te verkopen en te leveren onder verrekening van de koopsom in rekening-courant;<\/p>\n<p>&#8212; de indirect bestuurder van [eiser] is [gedaagde 2] die enig bestuurder is van [bedrijf 2] die de enige statutair bestuurder en aandeelhouder is van [eiser] .<\/p>\n<p>De rechtbank is van oordeel dat deze voortzetting van de activiteiten van [bedrijf 1] door [eiser] als zogenoemde \u2018stroppenvennootschap\u2019 weloverwogen is geweest en een bewuste keuze moet zijn geweest van de leiding. Zou dat anders zijn, dan had [gedaagden] toch wel aanpassingen in de structuur van bedrijfsvoering gemaakt nu [bedrijf 1] onder een zware schuldenlast ten onder is gegaan. De continu\u00efteit van [eiser] lag exclusief in de handen van haar leiding. [eiser] beschikte namelijk nauwelijks over enig (voor verhaal beschikbaar) actief en [eiser] was voor haar financiering geheel afhankelijk van de (willekeurige) bevoorschotting door haar groepsmaatschappijen die haar overigens in rekening-courant met schulden overlaadden. Zou de concernfinanciering worden be\u00ebindigd, dan zou dat onmiddellijk tot de d\u00e9mise van [eiser] leiden.<\/p>\n<p>[eiser] was voor haar omzet dus geheel afhankelijk van [eiser] aan wie zij kennelijk exclusief diende te leveren, maar die zelf ook bij derden mocht inkopen. Het door [gedaagden] toegepaste transfer pricing-arrangement tussen [eiser] en [eiser] bracht mee dat kort na haar oprichting de verliezen voor [eiser] zich opstapelden. Elk jaar werd verlies geleden en vanaf de aanvang van activiteiten had [eiser] een negatief eigen vermogen dat elk jaar omvangrijker werd. De rechtbank stelt dan ook vast dat [gedaagden] het vennootschappelijke belang van [eiser] heeft opgeofferd aan het belang van haar groepsmaatschappijen in het bijzonder van [eiser] . De rechtbank stelt vast dat het transfer pricing-arrangement niet zakelijk is geweest en in strijd was met het vennootschappelijke belang van [eiser] waardoor [gedaagden] de continu\u00efteit van [eiser] van begin af aan in gevaar bracht.<\/p>\n<p>Dit transfer pricing-arrangement was van begin af aan inherent nadelig voor [eiser] , maar ook uiterst risicovol voor haar crediteuren. [gedaagde 2] heeft ter zitting betoogt dat dit arrangement een noodzakelijkheid was omdat [eiser] tegen hogere prijzen de concurrentie niet aankon. Als dit juist is en als de rechtbank hiervan dient uit te gaan, heeft [gedaagden] met de structuur van dit onderdeel van [groep] doelbewust en opzettelijk het vennootschappelijke belang van [eiser] en haar crediteuren opgeofferd aan het belang van een andere vennootschap van de [groep] . Vanaf haar oprichting heeft [gedaagden] bewust de verlieslatende onderneming van [eiser] voortgezet die voor haar voortbestaan geheel<\/p>\n<p>afhankelijk was van groepsmaatschappijen waaraan ook [gedaagde 2] leiding gaf. Als de groepsmaatschappijen en [gedaagde 2] niet langer [eiser] wensten te financieren, zou dat noodzakelijkerwijs tot de d\u00e9confiture van [eiser] leiden.<\/p>\n<p>De beslissing van de leiding om de ondernemingsactiviteiten van [eiser] niet langer te bevoorschotten en dus niet langer te continueren, moet ergens in maart 2023 door [gedaagden] zijn genomen. Dit betekende niet alleen op termijn de d\u00e9confiture van [eiser] , maar ook de zekerheid, althans de voorzienbaarheid, dat crediteuren van [eiser] -zonder compenserende maatregelen te treffen- onbetaald zouden worden gelaten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het tekort voor crediteuren op zijn minst voorzienbaar was. Deze verlieslatende ondernemingsactiviteiten van [eiser] zijn ten koste van haar crediteuren voortgezet.<\/p>\n<p>kennelijk onbehoorlijk bestuur<\/p>\n<p>De rechtbank is van oordeel dat al het voorgaande dient te leiden tot het oordeel dat [gedaagden] zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Voor deze inherent risicovolle organisatie van de ondernemingsactiviteiten van [eiser] , welke risico\u2019s zich ook daadwerkelijk hebben gemanifesteerd en die minst genomen voorzienbaar waren, draagt het bestuur van [eiser] de volledige verantwoordelijkheid. Dat deze structuur van de organisatie inherent risicovol was, was bij [gedaagden] bekend: [gedaagden] had daarmee immers bij [bedrijf 1] al ruime ervaring opgedaan.<\/p>\n<p>Voor dit oordeel is van groot belang dat [gedaagden] zich op geen enkel moment de belangen van crediteuren heeft aangetrokken en dat elke voor crediteuren compenserende maatregel achterwege is gebleven. Zelfs na de verhuizing van machines, de meldingen betalingsonmacht en na het bodembeslag op 1 december 2023 ten laste van [eiser] heeft [gedaagden] in december 2023 al het nog voorhanden actief van voorraden en onderhanden werk paulianeus aan verhaal voor de crediteuren willen onttrekken.<\/p>\n<p>Deze organisatie van verlieslatende ondernemingsactiviteiten, de jarenlange voortzetting en continuering ervan met inherente risico\u2019s voor crediteuren die zich uiteindelijk ook hebben gemanifesteerd -zonder het treffen van voor crediteuren compenserende maatregelen na manifestatie van deze risico\u2019s- levert naar het oordeel van de rechtbank kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagden] op.<\/p>\n<p>kennelijk onbehoorlijk bestuur is een belangrijke oorzaak van het faillissement van [eiser]<\/p>\n<p>Dat kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft naar het oordeel van de rechtbank voorts geleid tot het faillissement van [eiser] . De jarenlange verlieslatende activiteiten als gevolg van volstrekt onrendabele maar kennelijk verplichte transacties met zustermaatschappij [eiser] en de gestage opbouw van schulden vanaf haar oprichting zijn de oorzaak geweest van het faillissement van [eiser] . Een onbetaald gelaten handelscrediteur heeft na het verkrijgen van een voor [eiser] veroordelend verstekvonnis met succes het faillissement van [eiser]<\/p>\n<p>aangevraagd. Deze handelscrediteur voerde een bodemzaak tegen [eiser] waarna [eiser] met een veroordelend vonnis werd geconfronteerd. Ook nadien bleef betaling aan deze handelscrediteur uit. [gedaagden] trof geen compenserende maatregelen, zodat [eiser] bezweek onder deze schuld en alle andere schulden waarna het voorzienbare risico van het faillissement van [eiser] zich kon manifesteren alsmede het aanzienlijke tekort in dit faillissement.<\/p>\n<p>[gedaagden] beroept zich op externe oorzaken van het faillissement. Gelet op het consistente verloop van de resultaten van [eiser] en het negatieve eigen vermogen heeft [gedaagden] niet kunnen onderbouwen dat de externe oorzaken enige substanti\u00eble invloed hebben gehad op de resultaten van [eiser] . De schuldenlast van [eiser] werd veroorzaakt door het gehanteerde transfer pricing-arrangement met [eiser] en de verlieslatende transacties die hiervan het gevolg zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat op geen enkele manier aannemelijk is gemaakt dat externe factoren (belangrijke) oorzaken van het faillissement zijn geweest. De productie van afsluiters werd immers naar Itali\u00eb overgebracht zodat ook uit dien hoofde werknemers van [eiser] vertrokken. Alleen de assemblage bleef in [plaats 1] achter.<\/p>\n<p>Of het bestuur in haar administratieplicht van artikel 2:10 BW is tekortgeschoten en of hieraan rechtsgevolgen moeten worden verbonden, kan op grond van het voorgaande onbesproken worden gelaten.<\/p>\n<p>[gedaagden] betoogt dat het [bedrijf 6] arrest in dit te beoordelen geschil toepassing mist. Volgens [gedaagden] gaat het in die zaak om de beoordeling van aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. Dit betoog is naar het oordeel van de rechtbank in zoverre juist dat in de [bedrijf 6] kwestie de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij wordt beoordeeld. [bedrijf 6] B.V. is\/was enig aandeelhouder van [bedrijf 7] B.V. [bedrijf 6] B.V. is\/was echter ook enig bestuurder van de gefailleerde [bedrijf 8] B.V. De [bedrijf 6] -uitspraak heeft derhalve niet alleen betrekking op de aansprakelijkheid van de kapitaalverschaffer, maar ook op de aansprakelijkheid van het bestuur van de gefailleerde. Dat is in deze te beoordelen kwestie niet anders. [gedaagde 1] is immers enig bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] . [gedaagde 1] is om de woorden van [gedaagden] te gebruiken ook de moedermaatschappij van [eiser] . De rechtbank passeert het verweer dat de [bedrijf 6] -uitspraak in dit geschil toepassing mist.<\/p>\n<p>Ook voert [gedaagden] aan dat door de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten in december 2023 het vermogen van [eiser] niet is verminderd. Door de transacties zijn de crediteuren van [eiser] niet benadeeld, aldus [gedaagden] De rechtbank is van oordeel dat ingevolge de verkopen van voorraad en halffabricaten aan [eiser] tegen de koopsom van \u20ac 2.800.625,53 in december 2023 het vermogen van [eiser] inderdaad onveranderd is gebleven, maar dat door de verrekening van de koopsom in rekening-courant deze transacties desondanks paulianeus zijn. De rechtbank wijst wederom op haar uitspraak van 14 mei 2025 inzake [de curator] q.q. vs [eiser] B.V. Hierin verklaart de rechtbank voor recht dat de curator deze transacties op grond van artikel 42 Fw rechtsgeldig heeft vernietigd en dat [eiser] het bedrag van \u20ac 2.800.625,53 aan de failliete boedel van [eiser]<\/p>\n<p>dient te vergoeden. Ook het verweer dat de voorraad en halffabricaten aan [eiser] waren verpand -welk verweer strekt ten betoge dat crediteuren van [eiser] niet zijn benadeeld- passeert de rechtbank. Deze voorraad en halffabricaten waren niet aan [eiser] verpand omdat niet gebleken is dat de verpanding bij notari\u00eble of geregistreerde onderhandse akte plaatsvond. [eiser] heeft deze goederen dan ook niet in vuistpand kunnen nemen, zoals [gedaagden] beweert. Voor zover [gedaagden] zich beroept op de verplichting van [eiser] tot het stellen van zekerheid op grond van de rekening-courant overeenkomst oordeelt de rechtbank dat aan deze verplichting geen gevolg is gegeven. Dit beroep gaat dan ook niet op.<\/p>\n<p>Het verweer dat aan het bestuur [eiser] jaarlijks d\u00e9charge werd verleend, passeert de rechtbank eveneens. Deze jaarlijks verleende d\u00e9charges door de algemene vergadering van aandeelhouders van [eiser] kunnen niet meebrengen dat de curator de vordering ex artikel 2:248 BW niet met succes kan instellen. Waar [gedaagden] beweert zelf veel geld in [eiser] te hebben gestoken en zich hierdoor beroept op verrekening, stuit dit beroep af op het bepaalde in artikel 2:248 lid 6 BW dat de bevoegdheid tot verrekening aan [gedaagden] ontneemt.<\/p>\n<p>[gedaagden] voert tegen de vordering aan dat de organisatiestructuur waarvan [eiser] deel uitmaakte al in 2016\/2017 werd bedacht. De bepaling van artikel 2:248 lid 6, eerste zin BW verhindert in verband met de driejaarstermijn dat de curator met succes de vordering tegen het bestuur kan instellen, aldus [gedaagden] Ook dit verweer passeert de rechtbank omdat [gedaagden] deze verlieslatende structuur tot datum van het faillissement heeft gehandhaafd.<\/p>\n<p>Of al dan niet selectieve betalingen hebben plaatsgevonden is verder niet van belang omdat de vaststelling dat geen selectieve betalingen hebben plaatsgevonden niet af zou kunnen doen aan het oordeel van de rechtbank dat de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur van [eiser] een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van [eiser] .<\/p>\n<p>aansprakelijkheid van [gedaagden] voor het tekort<\/p>\n<p>De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat geen van de (indirecte) bestuurders voldoende heeft weten te onderbouwen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem is te wijten en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van [eiser] en dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijke jegens de boedel van [eiser] aansprakelijk zijn om het tekort in het faillissement van [eiser] aan de curator te vergoeden. Uit de bepaling van artikel 2:11 BW volgt immers dat ook op [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als bestuurders van [gedaagde 1] hiervoor een (hoofdelijke) aansprakelijkheid rust.<\/p>\n<p>[gedaagde 3] doet beroep op matiging van haar aansprakelijkheid op de grond dat zij zich nimmer heeft bemoeid met de bedrijfsvoering van [eiser] . De rechtbank passeert dit verweer omdat dit beroep geen grond voor individuele matiging is.<\/p>\n<p>De rechtbank zal hierna dan ook voor recht verklaren dat [gedaagden] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement van [eiser] is geweest. De rechtbank zal hierna [gedaagden] voorts hoofdelijk veroordelen om het faillissementstekort aan de curator te betalen voor zover dit tekort niet door de baten van de boedel kan worden voldaan nader op te maken bij staat. Immers, de omvang van het tekort kan nog niet nauwkeurig worden bepaald. De rechtbank acht wel opportuun om een voorschot op deze veroordeling toe te wijzen. Dit voorschot zal de rechtbank bepalen op het bedrag van \u20ac 2.000.000,00 tot welk bedrag [gedaagden] derhalve hoofdelijk zal worden veroordeeld.<\/p>\n<p>Bij de toewijzing van overige onderdelen van de vordering die de curator grondt op artikelen 2:9 BW, 42 Fw en 6:162 BW heeft de curator in dit geding geen belang, zodat al deze onderdelen van de vordering onbesproken kunnen blijven en hierna zullen worden afgewezen. Hieraan voegt de rechtbank toe dat de vordering ex artikel 42 Fw, en verder, van de curator in het geding C\/02\/421471, HA ZA 24-189 bij vonnis van heden door de rechtbank is toegewezen zodat ook uit dien hoofde geen belang bij toewijzing van dit onderdeel van de vordering bestaat. Alle overige stellingen van partijen behoeven geen (verdere) behandeling. Aan een beslissing over bewijslevering komt de rechtbank niet toe.<\/p>\n<p>proceskostenveroordeling<\/p>\n<p>Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagden] in de kosten van het geding worden veroordeeld die aan de zijde van de curator als volgt worden begroot op:<\/p>\n<p>&#8212; dagvaarding \u20ac 112,37<\/p>\n<p>&#8212; griffierecht \u20ac 2.626,00<\/p>\n<p>&#8212; salaris gemachtigde \u20ac 8.714,00 (2 punten \u00d7 tarief VIII van \u20ac 4.357,00)<\/p>\n<p>&#8212; nakosten \u20ac 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)<\/p>\n<p>Totaal \u20ac 11.630,37<\/p>\n<p>De rechtbank zal het vonnis hierna uitvoerbaar bij voorraad verklaren onder de voorwaarde dat de curator zekerheid stelt voor elke opbrengst die hij uit hoofde van de executie van dit vonnis ontvangt. De door de curator te stellen zekerheid bestaat hieruit dat deze opbrengst(-en) op de Rabobankrekening van de \u2018Stichting derdengelden [kenmerk] \u2019 te [plaats 1] dient te worden overgeboekt of afgestort. Hierdoor is het restitutierisico voldoende ge\u00ebcarteerd en is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet langer bezwaar kan bestaan tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring van dit vonnis.<\/p>\n<h3>5De beslissing<\/h3>\n<p>De rechtbank:<\/p>\n<p>verklaart voor recht dat het bestuur van [eiser] zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat zijn onbehoorlijk taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [eiser] ;<\/p>\n<p>veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat een betaalt de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om de schulden van de boedel van [eiser] , waaronder alle boedelkosten, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan aan de curator te betalen nader op te maken bij staat;<\/p>\n<p>veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om een voorschot van \u20ac 2.000.000,00 op het vast te stellen tekort in het faillissement van [eiser] aan de curator te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;<\/p>\n<p>veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, in de proceskosten die aan de zijde van de curator worden begroot op \u20ac 11.630,37 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagden] \u20ac 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;<\/p>\n<p>verklaart dit vonnis -met uitzondering van de verklaring voor recht- uitvoerbaar bij voorraad onder de voorwaarde dat de curator elke opbrengst uit hoofde van de executie van dit vonnis op de Rabobank bankrekening \u2018 [bankrekening] \u2019 ten name van Stichting derdengelden [kenmerk] te [plaats 1] overboekt of afstort ten titel van zekerheidstelling totdat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;<\/p>\n<p>wijst af het meer of anders gevorderde.<\/p>\n<p>Dit vonnis is gewezen door mr. drs. C.T.M. Luijks, mr. W.J.M. Fleskens en mr. N.E.J.M. Stoof en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025.<\/p>\n<h3>Voetnoten<\/h3>\n<ol>\n<li>Vennootschapsbelasting.<\/li>\n<li>Productie 44 van de curator.<\/li>\n<li>Deze 41 facturen zijn als productie 16 door de curator in het geding gebracht.<\/li>\n<li>Productie 55 van de curator.<\/li>\n<li>Productie 56 van de curator.<\/li>\n<li>Ook [bedrijf 9] B.V., behorende bij de [groep] , is veroordeeld om schadevergoeding aan de curator van [bedrijf 1] te betalen; deze rechtspersoon speelt in deze zaak geen rol van betekenis.<\/li>\n<li>Vergelijk ECLI:NL:GHDHA:2025:278. Het Gerechtshof Den Haag vernietigt bij dit arrest het vonnis van 13 april 2022 van de rechtbank Rotterdam die de vorderingen van de curator afwijst en de voorwaardelijke vordering in reconventie strekkende tot opheffing van het beslag toewijst.<\/li>\n<li>Alle overige rechtsgrondslagen kunnen onbesproken blijven.<\/li>\n<li>Het verweer tegen de andere grondslagen dan artikel 2:248 BW blijft onbesproken.<\/li>\n<li>HR 11 september 2009, JOR 2009\/309.<\/li>\n<li>Bedoeld zal zijn: de aandeelhouder.<\/li>\n<li>Vergelijk vonnis van heden van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake C\/02\/421471, HA-ZA 24-189.<\/li>\n<li>De onderkapitalisatie van [eiser] vanaf haar oprichting tot en met haar d\u00e9confiture springt in het oog: [eiser] heeft een geplaatst kapitaal van slechts \u20ac 5.000,00.<\/li>\n<li>De voorwaarden van transacties tussen [eiser] en [eiser] waren niet at arms length: deze voorwaarden waren kennelijk slechts voor [eiser] gunstig en inherent nadelig voor [eiser] .<\/li>\n<li>HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014\/286 (Cancun). Vennootschappelijk belang houdt onder meer in dat het bestuur van een vennootschap de continu\u00efteit en het succes van de door de vennootschap gedreven onderneming behoort te bevorderen. Het dienen van het groepsbelang mag niet leiden tot de ondergang van een (dochter)vennootschap.<\/li>\n<li>Machines die [eiser] voor haar productie gebruikte, werden na maart 2023 naar Itali\u00eb overgebracht voor de ingebruikname van deze machines door [bedrijf 4] Srl.<\/li>\n<li>Vergelijk vonnis van heden van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake [de curator] q.q. vs [eiser] , zaaknummer: C\/02\/421471 \/ rolnummer: HA ZA 24-189 waarin de rechtbank oordeelt dat [eiser] de waarde van transacties aan de boedel van [eiser] moet vergoeden.<\/li>\n<li>Verstekvonnis van 13 december 2023 waarbij [eiser] wordt veroordeeld om ruim \u20ac 400.000,00 aan [bedrijf 5] S.R.L. te betalen.<\/li>\n<li>Suez crisis, Corona pestilentie, energiecrisis en weggelopen werknemers.<\/li>\n<li>[bedrijf 6] arrest: HR 11 september 2009, JOR 2009\/309.<\/li>\n<li>Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zaaknummer C\/02\/421471\/HA ZA 24-189.<\/li>\n<li>In verband met de tekortkoming van [eiser] in de nakoming van de ongedaanmakingverbintenis als gevolg van de vernietiging van de koop-verkoop van de voorraad en halffabricaten.<\/li>\n<li>Vergelijk artikel 2:248 lid 6 BW.<\/li>\n<li>De vordering ex artikel 2:248 BW kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijk taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement.<\/li>\n<li>Vergelijk HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:635: limitatieve opsomming van matigingsgronden in artikel 2:248 lid 4 BW.<\/li>\n<li>Een dergelijke overboeking of afstorting biedt voldoende zekerheid: vergelijk HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1181 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2024, JOR 2025\/96.<\/li>\n<\/ol>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:5501\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW. Verlieslatende ondernemingsactiviteiten van een eerder gefailleerde BV zijn op gelijke wijze voortgezet in een nieuw opgerichte BV die ook gefailleerd is. Het voortzetten en continueren van de verlieslatende ondernemingsactiviteiten met inherente risico\u2019s voor crediteuren o.a. omdat de onderneming zowel voor haar omzet als voor haar financiering volledig a&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[8149],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[33327,8150,7675,33326,8151],"kji_language":[7671],"class_list":["post-656816","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-rechtbank-zeeland-west-brabant","kji_year-8463","kji_subject-divers","kji_keyword-ondernemingsactiviteiten","kji_keyword-rbzwb","kji_keyword-rechtbank","kji_keyword-verlieslatende","kji_keyword-zeeland-west-brabant","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.4 (Yoast SEO v27.4) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:RBZWB:2025:5501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/426558 \/ HA ZA 24-516 (E) - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:RBZWB:2025:5501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/426558 \/ HA ZA 24-516 (E)\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW. Verlieslatende ondernemingsactiviteiten van een eerder gefailleerde BV zijn op gelijke wijze voortgezet in een nieuw opgerichte BV die ook gefailleerd is. Het voortzetten en continueren van de verlieslatende ondernemingsactiviteiten met inherente risico\u2019s voor crediteuren o.a. omdat de onderneming zowel voor haar omzet als voor haar financiering volledig a...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"31 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u0430\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:RBZWB:2025:5501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \\\/ C\\\/02\\\/426558 \\\/ HA ZA 24-516 (E) - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-23T06:07:09+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:RBZWB:2025:5501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \\\/ C\\\/02\\\/426558 \\\/ HA ZA 24-516 (E)\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/426558 \/ HA ZA 24-516 (E) - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/426558 \/ HA ZA 24-516 (E)","og_description":"Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW. Verlieslatende ondernemingsactiviteiten van een eerder gefailleerde BV zijn op gelijke wijze voortgezet in een nieuw opgerichte BV die ook gefailleerd is. Het voortzetten en continueren van de verlieslatende ondernemingsactiviteiten met inherente risico\u2019s voor crediteuren o.a. omdat de onderneming zowel voor haar omzet als voor haar financiering volledig a...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"31 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u0430"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/","name":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/426558 \/ HA ZA 24-516 (E) - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-23T06:07:09+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255501-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-426558-ha-za-24-516-e\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/426558 \/ HA ZA 24-516 (E)"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/656816","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=656816"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=656816"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=656816"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=656816"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=656816"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=656816"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=656816"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=656816"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}