{"id":666524,"date":"2026-04-24T01:41:25","date_gmt":"2026-04-23T23:41:25","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/"},"modified":"2026-04-24T01:41:25","modified_gmt":"2026-04-23T23:41:25","slug":"eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/421471 \/ HA ZA 24-189 (E)"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Faillissementspauliana. Curator heeft de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten, waarbij de koopsom is verrekend in rekening-courant, terecht op grond van artikel 42 Faillissementswet vernietigd omdat (i) de handeling een rechtshandeling van HQ is (ii) die onverplicht is verricht en (iii) die tot benadeling van crediteuren heeft geleid waarbij (iv) zowel HQ als MV wist of behoorde te weten dat benadeling van crediteuren het gevolg zou zijn.<\/p>\n<p>vonnis<\/p>\n<h3>RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT<\/h3>\n<p>Cluster II Handelszaken<\/p>\n<p>Breda<\/p>\n<p>zaaknummer \/ rolnummer: C\/02\/421471 \/ HA ZA 24-189<\/p>\n<p>Vonnis van 14 mei 2025<\/p>\n<p>in de zaak van<\/p>\n<p>MR. [de curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser] B.V.,<\/p>\n<p>kantoorhoudende te [plaats] ,<\/p>\n<p>eiser,<\/p>\n<p>advocaat mr. E. van der Kolk te Tilburg,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>[gedaagde] B.V.,<\/p>\n<p>gevestigd te [plaats] ,<\/p>\n<p>gedaagde,<\/p>\n<p>advocaat mr. A.P. Macro te Amsterdam.<\/p>\n<p>Partijen zullen hierna ook de \u2018curator\u2019 en \u2018 [gedaagde] \u2019 worden genoemd. [eiser] B.V. zal hierna ook \u2018 [eiser] \u2019 en\/of \u2018gefailleerde\u2019 worden genoemd.<\/p>\n<h3>1De procedure<\/h3>\n<p>Het verloop van de procedure blijkt uit:<\/p>\n<p>de dagvaarding van 11 april 2024,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties en in het geding brengen van beslagstukken van 24 april 2024 met producties 1 tot en met 31 zijdens de curator,<\/p>\n<p>de akte houdende overlegging nadere beslagstukken van 24 april 2024 met producties 32 en 33 zijdens de curator,<\/p>\n<p>de akte houdende wijziging\/vermeerdering van eis van 29 mei 2024 tevens houdende akte aanvulling van gronden met producties 34 tot en met 43 zijdens de curator,<\/p>\n<p>de akte van 5 juni 2024 houdende een bewijsaanbod zijdens de curator,<\/p>\n<p>de conclusie van antwoord van 17 juli 2024 met producties 1 tot en met 10 zijdens [gedaagde] ,<\/p>\n<p>het tussenvonnis van 18 september 2024,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties 89 tot en met 110 van 17 februari 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties 111 tot en met 115 van 27 februari 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties A, B en C van 2 maart 2025 die [gedaagde] zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,<\/p>\n<p>de akte overlegging producties 116 tot en met 119 van 4 maart 2025 die de curator zowel in deze als in een andere zaak heeft ingebracht,<\/p>\n<p>de op voorhand door de curator toegezonden spreekaantekeningen,<\/p>\n<p>de op voorhand door [gedaagde] toegezonden spreekaantekeningen,<\/p>\n<p>de mondelinge behandeling gehouden op 13 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.<\/p>\n<p>Ten slotte is vonnis bepaald.<\/p>\n<h3>2De feiten<\/h3>\n<p>[eiser] is op 3 oktober 2016 opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser] is [bedrijf 1] B.V., hierna ook: \u2018 [bedrijf 1] \u2019. Enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is de heer [persoon 1] , hierna ook \u2018 [persoon 1] \u2019. Statutaire bestuurders van [bedrijf 1] zijn [persoon 1] en zijn echtgenote mevrouw [persoon 2] , hierna ook \u2018 [persoon 2] \u2019.<\/p>\n<p>Enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde] is [bedrijf 2] B.V., hierna ook: \u2018 [bedrijf 2] \u2019. Enig aandeelhouder van [bedrijf 2] is Stichting Administratiekantoor [bedrijf 2] , hierna ook \u2018het Administratiekantoor\u2019. Enig bestuurder van [bedrijf 2] is [persoon 1] .<\/p>\n<p>Enig bestuurder van het Administratiekantoor is [persoon 1] . [persoon 1] en [persoon 2] houden tezamen alle door het Administratiekantoor uitgegeven certificaten van aandelen in [bedrijf 2] .<\/p>\n<p>Alle rechtspersonen vermeld onder 2.1. &#8212; 2.3. behoren tot de zogenoemde [groep] . [persoon 1] staat aan het hoofd van de [groep] .<\/p>\n<p>V\u00f3\u00f3r haar faillissement produceert [eiser] zogenoemde afsluiters voor in het bijzonder de olie- en de gasindustrie. Machines en andere inventarisgoederen waarmee deze afsluiters worden geproduceerd, zijn eigendom van aan [persoon 1] en [persoon 2] gelieerde rechtspersonen. [eiser] heeft slechts \u00e9\u00e9n afnemer aan wie de afsluiters worden verkocht en geleverd en dat is [gedaagde] . Ook het bedrijfspand waarin [eiser] haar ondernemingsactiviteiten ontplooit is van een groepsmaatschappij.<\/p>\n<p>[eiser] wordt -naast het geplaatste kapitaal- door middel van vooruitbetalingen en voorschotten door aan [persoon 1] en [persoon 2] gelieerde rechtspersonen, waaronder [gedaagde] , gefinancierd. [eiser] ontvangt geen financiering van een bankinstelling of een andere externe financier. Transacties tussen [eiser] en [gedaagde] (en andere aan [persoon 1] en [persoon 2] gelieerde rechtspersonen) worden in rekening-courant geboekt en verrekend onder andere op grond van de tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand gekomen schriftelijke rekening-courant overeenkomst. Op dit document is de datum van 4 oktober 2017 vermeld.<\/p>\n<p>In deze op 4 oktober 2017 gedateerde rekening-courant overeenkomst is in artikel 7 een verbintenis tot zekerheidstelling van [eiser] geformuleerd:<\/p>\n<p>\u2018De ondergetekende sub 2 zal tot zekerheid voor de voldoening van al haar verplichtingen onder deze rekening-courant verhouding jegens de ondergetekende sub 1 het gereed product of onderhanden werk zijnde halffabricaten en materialen die bestemd zijn voor verwerking in het productieproces als zekerheid overdragen middels het vestigen van een pandrecht waartoe een akte van verpanding zal worden opgesteld met een bijlage waarin het onderhanden werk staat vermeld. De bijlage zal periodiek worden aangepast wanneer hiertoe noodzaak bestaat maar in ieder geval ieder jaar op 31 december.\u2019<\/p>\n<p>Op 31 augustus 2022 is aan dit document een addendum gehecht, de zogenoemde \u2018Meerpartijenverrekeningsafspraak\u2019. Het addendum vermeldt dat 15 vennootschappen behorende tot het [groep] , waaronder [eiser] en [gedaagde] , met elkaar overeenkomen dat:<\/p>\n<p>\u2018zij in afwijking van artikel 6:127 lid 2 BW voor verrekening niet over en weer elkaars schuldeisers hoeven te zijn.\u2019<\/p>\n<p>Een op 1 oktober 2017 gedateerd document \u2018akte van verpanding\u2019 tussen [eiser] en [gedaagde] vermeldt in artikel 2:<\/p>\n<p>\u2018Pandgever verpandt deze zekerheden bij deze aan pandnemer, gelijk pandnemer bij deze als pand aanvaardt:<\/p>\n<p>het gereed product of onderhanden werk zijnde halffabricaten en materialen die bestemd zijn voor verwerking in het productieproces;\u2019<\/p>\n<p>[eiser] heeft vanaf 2017 slechts verliezen geleden hetgeen uit het verloop van het eigen vermogen en de negatieve resultaten blijkt:<\/p>\n<p>eigen vermogen 2017 -\/- \u20ac 1.385.647,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2018 -\/- \u20ac 4.303.969,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2019 -\/- \u20ac 4.695.836,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2020 -\/- \u20ac 6.739.243,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2021 -\/- \u20ac 8.051.042,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2022 -\/- \u20ac 9.773.124,00<\/p>\n<p>eigen vermogen 2023 -\/- \u20ac11.161.507,00.<\/p>\n<p>resultaat 2019 na Vpb -\/- \u20ac 391.867,00<\/p>\n<p>resultaat 2020 na Vpb -\/- \u20ac 2.043.407,00<\/p>\n<p>resultaat 2021 na Vpb -\/- \u20ac 1.311.799,00<\/p>\n<p>resultaat 2022 na Vpb -\/- \u20ac 1.722.082,00<\/p>\n<p>resultaat 2023 na Vpb -\/- \u20ac 1.383.383,00<\/p>\n<p>resultaat 2024 na Vpb -\/- \u20ac 61.044,00<\/p>\n<p>Vanaf maart 2023 zijn (de) machines die bij [eiser] in verband met de productie van afsluiters in gebruik waren naar Itali\u00eb getransporteerd en voor de productie van afsluiters in gebruik gegeven aan een Italiaanse zustermaatschappij .<\/p>\n<p>Op 3 juli 2023 en op 7 augustus 2023 meldt [persoon 1] namens [eiser] betalingsonmacht aan de belastingdienst voor onbetaald gelaten loonbelasting, onbetaald gelaten betalingsregeling coronacrisis en onbetaald gelaten omzetbelasting.<\/p>\n<p>Op 1 december 2023 heeft de belastingdienst executoriaal bodembeslag gelegd ten laste van [eiser] voor niet afgedragen omzetbelasting en loonbelasting. Op 27 februari 2024 is dit beslag -nadat [eiser] zich op 6 december 2023 hiertegen schriftelijk heeft verzet- opgeheven omdat de beslagen goederen re\u00ebel eigendom zijn van aan [persoon 1] gelieerde rechtspersonen.<\/p>\n<p>In december 2023 verkoopt en levert [eiser] al haar halffabricaten en voorraden aan [gedaagde] tegen een totale koopsom van \u20ac 2.800.625,53. In verband met deze verkopen heeft [eiser] [gedaagde] in december 2023 telkens gefactureerd. Deze 41 facturen zijn gedateerd op 4 december 2023, 11 december 2023, 13 december 2023 en 14 december 2023 en zijn genummerd van [nummer 1] tot en met [nummer 2] . Het totaalbedrag van deze facturen van \u20ac 2.800.625,53 is in rekening-courant geboekt en vervolgens is de schuld van [gedaagde] aan [eiser] op 31 december 2023 verrekend met de (rekening-courant) vordering van [gedaagde] op [eiser] .<\/p>\n<p>Op het op 6 februari 2024 gedateerde verzoek van de vennootschap naar Italiaans recht [bedrijf 3] S.R.L. spreekt de rechtbank Rotterdam op 5 maart 2024 het faillissement van [eiser] uit. Bij vonnis van 5 maart 2024 van de rechtbank Rotterdam wordt [eiser] in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [de curator] als curator.<\/p>\n<p>In opdracht van [gedaagde] heeft de curator tegen de overeengekomen aanneemsom van \u20ac 40.000,00 exclusief BTW werkzaamheden doen verrichten. [gedaagde] is hiervoor op 18 maart 2024 gefactureerd. De tussen [gedaagde] en de curator overeengekomen tegenprestatie heeft [gedaagde] onbetaald gelaten.<\/p>\n<p>Bij brief van 3 april 2024 sommeert de curator [gedaagde] om de bedragen van \u20ac 2.800.625,53 en \u20ac 48.400,00 inclusief BTW aan de boedel van [eiser] te betalen, te vermeerderen met rente en kosten. [gedaagde] bericht de curator bij emailbericht van 4 april 2024 dat aan de sommatie geen gevolg zal worden gegeven.<\/p>\n<p>De rechter-commissaris in het faillissement van [eiser] verleent aan de curator toestemming om onderhavige vorderingen tegen [gedaagde] in te stellen.<\/p>\n<h3>3Het geschil<\/h3>\n<p>De curator vordert -samengevat en na wijziging van zijn eis- dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:<\/p>\n<p>primair<\/p>\n<p>I. voor recht verklaart dat de curator rechtsgeldig op grond van artikel 42 Faillissementswet (\u2018Fw\u2019), althans 47 Fw heeft vernietigd de verkoop van diverse zaken in december 2023 aan [gedaagde] als nader omschreven in de facturen van december 2023 en voor zover vereist in rechte deze koopovereenkomsten vernietigt,<\/p>\n<p>II. voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens de gezamenlijke crediteuren in het faillissement van [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door te kopen en vervolgens te verrekenen de koopsom van de zaken die [gedaagde] in december 2023 heeft gekocht van [eiser] ,<\/p>\n<p>subsidiair<\/p>\n<p>III. voor recht verklaart dat [gedaagde] per 1 december 2023 te 13:00 uur niet meer te goeder trouw was als bedoeld in artikel 54 Fw en derhalve niet bevoegd is\/ was om tot verrekening over te gaan van vorderingen op haar ontstaan na voormeld tijdstip met vorderingen ontstaan voor voormeld tijdstip,<\/p>\n<p>zowel primair als subsidiair<\/p>\n<p>IV. [gedaagde] veroordeelt om aan de curator \u20ac 2.800.625,53 te betalen, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente vanaf 5 maart 2024 (datum faillissement),<\/p>\n<p>V. [gedaagde] veroordeelt om aan de curator \u20ac 48.400,00 inclusief btw te betalen, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente vanaf 1 april 2024, althans vanaf de dag der dagvaarding,<\/p>\n<p>VI. [gedaagde] veroordeelt om aan de curator \u20ac 1.788,00 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding,<\/p>\n<p>VII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten waaronder begrepen de beslagkosten.<\/p>\n<p>Aan de vorderingen legt de curator de stellingen ten grondslag dat de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten in december 2023 op grond van artikel 42 Fw dient te worden vernietigd. Crediteuren van [eiser] zijn door deze transactie benadeeld, terwijl zowel [eiser] als [gedaagde] wist, althans behoorde te weten, dat hiervan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn. Ingevolge de vernietiging dient [gedaagde] de voorraad en halffabricaten aan de curator te retourneren. Op [gedaagde] rust als gevolg van de rechtsgeldige vernietiging immers een verbintenis tot ongedaanmaking. Omdat [gedaagde] hiertoe niet in staat is en als gevolg hiervan in de nakoming van deze verbintenis tekortschiet, is [gedaagde] jegens de curator verplicht de dientengevolge geleden schade te vergoeden. Deze aan de tekortkoming toerekenbare schade bedraagt \u20ac 2.800.625,53 inclusief BTW. Verder dient [gedaagde] voor door de curator uitgevoerd werk de som van \u20ac 48.400,00 inclusief BTW te betalen. Het werk en dit bedrag zijn [gedaagde] en de curator met elkaar overeengekomen, terwijl [gedaagde] ondanks sommatie nalatig blijft dit bedrag aan de boedel van [eiser] te voldoen. Op grond van artikel 3:296 BW dient [gedaagde] tot betaling van het bedrag van \u20ac 48.400,00 inclusief BTW te worden veroordeeld. Aan de veroordeling van [gedaagde] om het bedrag van \u20ac 2.800.625,53 aan de boedel van [eiser] te betalen, legt de curator ook andere rechtsgronden (ex artikel 47 Fw, 54 Fw en 6:162 BW) ten grondslag. De rechtbank komt aan een beoordeling van deze andere door de curator opgevoerde rechtsgronden en de daartegen gerichte verweren van [gedaagde] niet toe, zodat deze verder onbesproken blijven.<\/p>\n<p>[gedaagde] voert verweer. Aan dit verweer legt [gedaagde] onder meer de navolgende stellingen ten grondslag. Allereerst voert [gedaagde] een procedureel verweer. Volgens [gedaagde] is de pleitnota van de curator een verkapte conclusie van repliek. Op grond van de goede procesorde en het rechtsbeginsel van hoor en wederhoor dient aan [gedaagde] nog een termijn voor een schriftelijke reactie te worden gegund. In 48 uur kan niet van [gedaagde] worden verlangd om deugdelijk op deze pleitnota te reageren. Ook voert [gedaagde] inhoudelijk verweer. De bepaling van artikel 42 Fw mist toepassing, aldus [gedaagde] . [eiser] heeft namelijk geen rechtshandeling verricht die voor vernietiging in aanmerking komt. De verrekening van de koopsom is geen rechtshandeling van [eiser] , maar van [gedaagde] . Ook het in vuistpand nemen van deze goederen is geen rechtshandeling van [eiser] . Van onverplichtheid is ook geen sprake. Aan alle leveringen aan [gedaagde] liggen schriftelijke overeenkomsten ten grondslag. De verrekening in rekening-courant vindt zijn grondslag in een schriftelijke overeenkomst. De gezamenlijke crediteuren van [eiser] zijn door de aangevallen transactie niet benadeeld. De koopsom van de voorraad en halffabricaten had [gedaagde] immers al aan [eiser] vooruitbetaald. Er is verder niets aan de boedel van [eiser] onttrokken: de goederen waren immers al vooruitbetaald, waren specifiek en op maat voor [gedaagde] geproduceerd en hadden daarom voor derden slechts schrootwaarde. De facturen uit december 2023 had [gedaagde] al betaald. Zonder vooruitbetalingen door [gedaagde] kon [eiser] de voorraad en halffabricaten niet produceren. Daarnaast geldt dat de gezamenlijke crediteuren zonder de transactie met [gedaagde] uit december 2023 evenmin een uitkering zouden hebben ontvangen. Crediteuren lijden dus geen nadeel. Ook dient een vermogensvergelijking te worden uitgevoerd. [gedaagde] had de voorraad en de halffabricaten op grond van de verpanding ook in vuistpand kunnen nemen en heeft dat ook feitelijk gedaan. De crediteuren van [eiser] zouden in dat geval ook niets hebben ontvangen. Van wetenschap van benadeling van [gedaagde] en [eiser] is ook geen sprake. Het faillissement kwam als een volslagen verrassing en was zeker niet voorzienbaar. Partijen mochten hopen op een goede afloop. Er waren schulden maar de schuldenlast van [eiser] gaf geen aanleiding om te veronderstellen dat deze last zou leiden tot haar faillissement. De vordering van \u20ac 48.400,00 inclusief BTW dient te worden afgewezen: hiervoor heeft [gedaagde] immers zekerheid gesteld en een verklaring van het UWV dat bevrijdend aan de curator kan worden betaald, is niet aan [gedaagde] ter beschikking gesteld. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op dwaling. Zou zij hebben geweten dat zij het risico loopt twee keer te moeten betalen, dan zou [gedaagde] deze overeenkomst niet met curator hebben gesloten. Gelet op het aanzienlijke restitutierisico dient een eventueel veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard, althans onder de voorwaarde van zekerheidstelling.<\/p>\n<p>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.<\/p>\n<h3>4De beoordeling<\/h3>\n<p>[gedaagde] maakt geen bezwaar tegen de eiswijziging(-en) van de curator zodat de rechtbank recht zal doen op de hierboven geformuleerde eis. Hierdoor wordt geen inbreuk gemaakt op de goede procesorde. [gedaagde] zal geen termijn voor het nemen van een conclusie van dupliek worden gegeven, omdat [gedaagde] ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om op de op voorhand toegezonden pleitaantekeningen schriftelijk en mondeling te reageren. Tijdens het pleidooi heeft de curator geen nieuwe stellingen betrokken. De curator heeft slechts de eerder door hem ingenomen stellingen verder verduidelijkt en voorzien van een reactie op het eerder door [gedaagde] geformuleerde verweer. [gedaagde] heeft meer dan voldoende gelegenheid gekregen om zich tegen de vorderingen van de curator te verweren. Naar het oordeel van de rechtbank wordt het recht op hoor en wederhoor zonder een nieuwe schriftelijke ronde niet geschonden.<\/p>\n<p>De rechtbank stelt voorop dat de curator zich met succes op artikel 42 Fw kan beroepen en de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten kan vernietigen, indien (i) de handeling een rechtshandeling van [eiser] is (ii) die onverplicht is verricht en (iii) die tot benadeling van crediteuren heeft geleid waarbij (iv) zowel [eiser] als [gedaagde] wist of behoorde te weten dat benadeling van crediteuren het gevolg zou zijn. In dit geding staat vast dat de handeling niet om-niet is verricht, zodat bij de beoordeling het bepaalde in artikel 45 Fw geen rol speelt. Immers, [gedaagde] dient op grond van de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten de koopsom van \u20ac 2.800.625,53 te voldoen, die op 31 december 2023 door middel van de verrekening is betaald.<\/p>\n<p>(i) De handeling is een rechtshandeling van [eiser]<\/p>\n<p>De curator vordert een verklaring voor recht dat hij de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten in december 2023 op grond van artikel 42 Fw rechtsgeldig heeft vernietigd. Niet in geschil is dat [eiser] en [gedaagde] een koop-verkoop ter zake van voorraad en halffabricaten hebben gesloten. Deze koop-verkoop van voorraad en halffabricaten is een (meerzijdige) rechtshandeling, zodat deze rechtshandeling van [eiser] in aanmerking komt om op grond van artikel 42 Fw te worden vernietigd.<\/p>\n<p>(ii) Koop-verkoop van voorraad en halffabricaten in december 2023 tussen [eiser] en [gedaagde] is een onverplichte rechtshandeling<\/p>\n<p>[gedaagde] verweert zich met de stelling dat [eiser] en [gedaagde] verscheidene schriftelijke overeenkomsten hebben gesloten op grond waarvan [eiser] de voorraad en halffabricaten in december 2023 moest verkopen en leveren. Van onverplichtheid is volgens [gedaagde] geen sprake. Ook wijst [gedaagde] op opdrachtbevestigingen en facturen. De koop-verkoop van voorraad en halffabricaten was een gebruikelijke transactie overeenkomstig een jarenlang bestaande werkwijze. De koopsom is verrekend in rekening-courant op grond van welke verhouding [gedaagde] een aanzienlijke vordering op [eiser] had. Deze verrekening is overeenkomstig de schriftelijke rekening-courant overeenkomst uitgevoerd en op 31 december 2023 in de administratie van [eiser] verwerkt.<\/p>\n<p>De rechtbank volgt dit betoog niet en passeert de stelling dat de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten een verplichte rechtshandeling van [eiser] is. Immers, waar het om gaat is of voor [eiser] een rechtsplicht bestond om in december 2023 de transacties met [gedaagde] te sluiten. Dat uit deze koopovereenkomsten telkens zelf verbintenissen ontstaan, staat buiten kijf maar is voor de beoordeling irrelevant. Het gaat erom of een rechtsplicht van [eiser] bestond om in december 2023 deze voorraad en deze halffabricaten aan [gedaagde] te verkopen en te leveren. Een dergelijke rechtsplicht heeft [gedaagde] niet aannemelijk weten te maken. Aan het voorgaande voegt de rechtbank nog toe dat:<\/p>\n<p>( i) de gebruikelijke transacties tussen [eiser] en [gedaagde] zagen op levering van [eiser] aan [gedaagde] van gereed product -afsluiters- en niet op halffabricaten en voorraad en dat de transacties uit december 2023 hiervan afwijken;<\/p>\n<p>(ii) uit de schriftelijke rekening-courant overeenkomst uit 2017 geen rechtsplicht voor [eiser] ontstaat om in december 2023 voorraad en halffabricaten aan [gedaagde] te verkopen;<\/p>\n<p>(iii) uit \u2018opdrachtbevestigingen\u2019 en \u2018facturen\u2019 (zie sub 61 van de conclusie van antwoord) de rechtbank niet kan afleiden dat een rechtsplicht voor [eiser] bestond om in december 2023 tot verkoop van voorraad en halffabricaten aan [gedaagde] over te gaan;<\/p>\n<p>(iv) de noodzaak van [gedaagde] om de voorraad en\/of halffabricaten aan haar afnemers -al dan niet op straffe van een boete- te moeten leveren geen rechtsplicht voor [eiser] oplevert.<\/p>\n<p>( iii) Benadeling van de gezamenlijke crediteuren van [eiser]<\/p>\n<p>[gedaagde] voert verweer tegen de stelling van de curator dat crediteuren van [eiser] door de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten in december 2023 zijn benadeeld. Volgens [gedaagde] zijn deze crediteuren niet benadeeld, omdat zonder deze transacties crediteuren van [eiser] evenmin een uitkering uit het faillissement hadden ontvangen.<\/p>\n<p>[gedaagde] onderbouwt dit verweer allereerst met de stelling dat [gedaagde] de voorraad en halffabricaten in vuistpand had kunnen nemen en vervolgens deze goederen had kunnen uitwinnen. De curator weerspreekt deze stelling. Volgens hem is geen pandrecht op de verkochte goederen tot stand gekomen. Hij voert hiertoe onweersproken aan dat de op 1 oktober 2017 gedateerde pandakte niet is geregistreerd, zodat geen pandrecht op de voorraad en de halffabricaten kan zijn gevestigd. Dit betekent dat deze goederen evenmin in vuistpand konden worden genomen.<\/p>\n<p>De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 3:237 BW is voor de vestiging van een pandrecht op roerende goederen zonder dat de goederen in de macht van de pandhouder of een derde worden gebracht een authentieke akte dan wel een onderhandse geregistreerde akte vereist. Niet is gesteld of gebleken dat het pandrecht bij een authentieke akte tot stand is gekomen en onweersproken is gelaten dat de voorhanden zijnde akte niet is geregistreerd, althans niet voor 5 maart 2024. Hieruit volgt dat [eiser] op de voorraad en de halffabricaten ten behoeve van [gedaagde] geen pandrecht heeft gevestigd. Op deze grond kon [gedaagde] deze goederen dan ook niet in vuistpand nemen. De stelling van [gedaagde] dat de voorraad en halffabricaten door middel van de koop-verkoop feitelijk in vuistpand konden worden genomen, passeert de rechtbank dan ook. Voor zover [gedaagde] beweert dat op [eiser] de rechtsplicht bestond om op grond van de rekening-courant overeenkomst de goederen aan [gedaagde] in pand te geven, passeert de rechtbank ook dit verweer. Immers, dit pandrecht is niet gevestigd.<\/p>\n<p>Ook het verweer dat de voorraad en de halffabricaten door [gedaagde] waren vooruitbetaald en dat zonder de schuldfinanciering van [gedaagde] de voorraad en halffabricaten niet eens konden worden geproduceerd, passeert de rechtbank. Dit betoog dat ertoe strekt te betogen dat [gedaagde] deze goederen niet twee keer hoeft te betalen en dat crediteuren ook op deze grond niet zijn benadeeld, is naar het oordeel van de rechtbank misleidend en dus onjuist. Immers, alle aan [eiser] gefourneerde voorschotten, vooruitbetalingen en \u2018advance payments\u2019 zijn als schuld van [eiser] in haar grootboek opgenomen en in rekening-courant als schuld van [eiser] verrekend. De koopsom was niet vooruitbetaald. De stelling dat [gedaagde] twee keer de koopsom moet betalen, is onjuist. De betaling van de voorraad en halffabricaten vond niet eerder plaats dan op 31 december 2023 met de verrekening van de schuld van [gedaagde] in rekening-courant. [gedaagde] heeft slechts \u00e9\u00e9n keer de koopsom betaald en wel door middel van de verrekening in rekening-courant op 31 december 2023.<\/p>\n<p>Het verweer dat de voorraad en halffabricaten slechts schrootwaarde hadden en alleen voor [gedaagde] (en haar eindklanten) van waarde waren, passeert de rechtbank ook. Dit verweer miskent immers de eigen stelling van [gedaagde] dat alle transacties tussen [gedaagde] en [eiser] \u2018at arms length\u2019 plaatsvonden en dat de koopsom van de goederen volgens de aan [gedaagde] ter beschikking gestelde facturen van [eiser] in totaal \u20ac 2.800.625,53 bedroeg. Dit bedrag heeft [gedaagde] betaald door middel van de verrekening in rekening-courant per 31 december 2023. De rechtbank knoopt bij de waardering van de voorraad en halffabricaten aan bij de facturen van 4, 11, 13 en 14 december 2023 van [eiser] en de hierop volgende betaling van dit totaalbedrag door [gedaagde] .<\/p>\n<p>[gedaagde] miskent verder dat een vermogensvergelijking niet beslissend is. Van benadeling in de zin van artikel 42 Fw kan ook sprake zijn wanneer het vermogen van een gefailleerde niet is verminderd. Van benadeling is ook sprake als de goederen aan \u00e9\u00e9n crediteur zijn verkocht tegen een re\u00eble koopsom -waardoor het vermogen van de gefailleerde niet is verminderd- maar als gevolg waarvan deze goederen niet meer voor andere crediteuren als verhaalsobject beschikbaar zijn. Ook wanneer de koopsom met een tegenvordering wordt verrekend, zodat de koopsom niet voor de gezamenlijke crediteuren beschikbaar is, is benadeling in de zin van artikel 42 Fw aan te wijzen. Overigens is niet van belang hoeveel of welke schuldeisers zijn benadeeld. Slechts \u00e9\u00e9n benadeelde schuldeiser staat aan een succesvol beroep op de actio Pauliana niet in de weg.<\/p>\n<p>Op grond van het voorgaande wordt de conclusie getrokken dat door de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten in december 2023 crediteuren van [eiser] zijn benadeeld. Als deze koop-verkoop wordt weggedacht, had de curator in elk geval de voorraad en de halffabricaten in de boedel aangetroffen die hij ter verdeling aan de crediteuren te gelde had kunnen maken. Afnemers van [gedaagde] zouden hiervoor zeker belangstelling hebben gehad. De producten werden immers specifiek voor deze afnemers geproduceerd. Een proces dat volgens [gedaagde] maanden zo niet jaren in beslag neemt. Verder geldt dat ingevolge de koop-verkoop en de hierop volgende verrekening in rekening-courant de koopsom alleen ten goede is gekomen aan [gedaagde] . Crediteuren van [eiser] zijn ingevolge deze koop-verkoop en de hierop volgende verrekening derhalve in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld, zodat aan het vereiste van benadeling is voldaan.<\/p>\n<p>(iv) Wetenschap van benadeling van [eiser] en [gedaagde]<\/p>\n<p>Gelet op artikel 42 leden 1 en 2 Fw is voor de vernietiging vereist dat zowel [eiser] als [gedaagde] bij het sluiten van de koop- verkoop wist of behoorde te weten dat van deze overeenkomst benadeling van de schuldeisers van [eiser] het gevolg zou zijn. Hiervan is sprake indien ten tijde van de het sluiten van deze overeenkomst het faillissement van [eiser] en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien.<\/p>\n<p>De curator beroept zich op artikel 43 lid 1 sub 5 ( [eiser] en [gedaagde] hebben dezelfde indirecte bestuurder) en sub 6 ( [eiser] en [gedaagde] behoren tot eenzelfde groep) Fw. Hierdoor wordt de wetenschap van benadeling in bovenvermelde zin aan de zijde van zowel [eiser] als [gedaagde] vermoed te bestaan behoudens door [gedaagde] te leveren tegenbewijs.<\/p>\n<p>In verband met dit tegenbewijs voert [gedaagde] aan dat het faillissement als een volslagen verrassing kwam omdat [eiser] hoopte op de goede afloop. De \u2018opdracht van de eeuw\u2019 lag in het verschiet. Ook ging [eiser] ervan uit dat met de belastingdienst nog wel een regeling kon worden getroffen.<\/p>\n<p>De rechtbank is van oordeel dat bij de totstandkoming van de koop-verkoop van de voorraad en halffabricaten niet alleen het faillissement van [eiser] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was te voorzien, maar ook het tekort hierin. Hiertoe dient het volgende.<\/p>\n<p>Voor wat betreft de voorzienbaarheid van het faillissement en het tekort hierin wijst de rechtbank allereerst op de omstandigheid dat [eiser] nooit winst heeft gemaakt en alleen verlies heeft geleden. In de periode 2017 \u2013 2023 is het eigen vermogen van [eiser] tot het respectabele bedrag van -\/- \u20ac 11.161.507,00 opgelopen. [eiser] werd jarenlang alleen door groepsmaatschappijen aan het infuus gehouden totdat deze groepsmaatschappijen besloten deze wijze van financiering niet meer te continueren. Daar komt nog bij dat vanaf maart 2023 geen nieuwe orders werden aangenomen en dat nadien machines benodigd voor de productie van de afsluiters naar een Italiaans zusterbedrijf werden overgebracht. Alleen de assemblage en het verfwerk werden kennelijk nog door [eiser] in [plaats] verzorgd. Verder wijst de rechtbank op de beide meldingen betalingsonmacht aan de belastingdienst. De belastingdienst heeft op 1 december 2023 ook bodembeslag ten laste van [eiser] doen leggen voor belastingschulden over 2023 tot een bedrag van \u20ac 865.457,00. [gedaagde] weerspreekt niet dat door [eiser] in 2023 alleen de dwangcrediteuren werden betaald, maar niet de reguliere handelscrediteuren. De totale schuldenlast bedroeg per ultimo 2022 vele miljoenen euro\u2019s en deze last is in 2023 niet verminderd. In deze periode heeft [bedrijf 3] S.R.L. een bodemzaak tegen [eiser] aanhangig gemaakt die heeft geleid tot een voor [eiser] veroordelend vonnis om een bedrag van ongeveer \u20ac 400.000,00 te betalen. [eiser] was zelf financieel niet bij machte om aan deze veroordeling te voldoen. Deze schuldeiser heeft vervolgens het faillissement van [eiser] met succes aangevraagd.<\/p>\n<p>Uit deze feiten en omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank te worden afgeleid dat [eiser] vanaf aanvang van haar ondernemingsactiviteiten een aanzienlijke schuldenlast had. Vanaf 2017 liep het negatieve eigen vermogen jaarlijks met soms wel meer dan een miljoen euro op. Na haar oprichting heeft [eiser] geen enkel jaar met winst afgesloten. [eiser] was al vele jaren insolvent en was zonder de jaarlijks oplopende schuldfinanciering vanuit haar groepsmaatschappijen, waaronder [gedaagde] , al vanaf de aanvang van de haar ondernemingsactiviteiten niet in staat om deze activiteiten voort te zetten. Het faillissement van [eiser] was dan ook, zonder afdoende voortgezette schuldfinanciering door [persoon 1] en aan hem gelieerde vennootschappen, een zekerheid, althans een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid en in elk geval met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorzien. Toen [persoon 1] besloot de productie van afsluiters naar Itali\u00eb te verplaatsten bestond -kennelijk- onvoldoende belang om [eiser] met verdere schuldfinanciering overeind te houden. De voorzienbaarheid van het faillissement en het miljoenentekort hierin was niet later dan medio 2023 en dus ruimschoots voor de door de curator aangevallen transacties in december 2023, bij [eiser] en [gedaagde] bekend.<\/p>\n<p>Daar komt nog bij dat ten tijde van de transacties in december 2023 de nog aanwezige machines en andere inventarisgoederen niet van [eiser] waren, maar van (een) verhurende groepsmaatschappij(-en). Ook het bedrijfspand waarin [eiser] haar ondernemingsactiviteiten uitoefende, is niet van [eiser] maar van een groepsmaatschappij van [eiser] . In [eiser] werden slechts de kosten van (een deel van) de [groep] neergeslagen. Door het gebrek aan overig actief wisten [eiser] en [gedaagde] dat de koop-verkoop van voorraad en halffabricaat in december 2023 en de levering van het enige actief aan [gedaagde] tot benadeling van crediteuren van [eiser] moest leiden, althans dat behoorden zij te weten.<\/p>\n<p>Waarom [eiser] mocht hopen op een definitieve regeling met de belastingdienst -aan wie zij miljoenen euro\u2019s loonbelasting en omzetbelasting verschuldigd was- terwijl [eiser] de reeds gesloten regeling met de belastingdienst niet nakwam, verlangt een verhelderende toelichting die [gedaagde] evenwel niet heeft gegeven. Dat andere ondernemers mogelijk afspraken met de belastingdienst hebben kunnen maken over het afkopen van coronaschulden en [gedaagde] verwachtte dit ook te kunnen doen, is daartoe onvoldoende. Ook de stelling dat [eiser] hoopte op de \u2018opdracht van de eeuw\u2019 stelt niet gerust. Deze gebleken ijdele hoop kan uiteraard niet afdoen aan de wetenschap van benadeling als bedoeld in artikel 42 Fw.<\/p>\n<p>Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat medio 2023 niet alleen het faillissement van [eiser] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was te verwachten, maar ook een aanzienlijk miljoenentekort. Dit betekent dat de rechtbank vaststelt dat zowel [eiser] als [gedaagde] in december 2023 ten tijde van de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten wetenschap van de benadeling van crediteuren van [eiser] had. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] het vermoeden van wetenschap van benadeling niet heeft weten te ontzenuwen.<\/p>\n<p>Vernietiging van de koop- verkoop van voorraad en halffabricaten<\/p>\n<p>Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de curator de koop- verkoop van voorraad en halffabricaten rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd en dat op [gedaagde] de verbintenis rustte om deze goederen aan de failliete boedel van [eiser] terug te leveren. Immers, jegens de failliete boedel is deze koop-verkoop zonder rechtsgrond geschied.<\/p>\n<p>Tekortschieten in de nakoming van de verbintenis tot ongedaanmaking<\/p>\n<p>De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] niet tot teruglevering is overgegaan, en hiertoe ook niet in staat is, omdat [gedaagde] deze goederen aan derden heeft verkocht en geleverd. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] jegens de curator tekortschiet in de nakoming van deze verbintenis tot ongedaanmaking. [gedaagde] dient dan ook de dientengevolge geleden schade aan de curator te vergoeden.<\/p>\n<p>Begroting van de schadevergoeding<\/p>\n<p>Uit artikel 6:97 BW volgt dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Bij begroting van de schade heeft de rechtbank veel vrijheid. De rechtbank zal bij begroting van de schade als gevolg van het tekortschieten van [gedaagde] om de voorraad en halffabricaten aan de curator (terug) te leveren aanknopen bij de factuurwaarde van deze goederen (vergelijk ook hiervoor sub 4.10.). [gedaagde] heeft deze facturen aan [eiser] betaald door de verrekening van deze gefactureerde koopsommen in rekening-courant. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om bij begroting van de schade (een) ander(e) uitgangspunt(-en) te hanteren. Het verweer dat de voorraad en halffabricaten slechts schrootwaarde vertegenwoordigen, passeert de rechtbank. Dit verweer strijdt immers met de door [eiser] en [gedaagde] zelf gehanteerde waarde van deze transacties.<\/p>\n<p>[gedaagde] dient derhalve het bedrag van \u20ac 2.800.625,53 aan de curator te vergoeden en zal hiertoe worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke handelsrente is bij een schadevergoeding niet toewijsbaar. De subsidiair gevorderde wettelijke rente is dat wel en zal worden toegewezen vanaf 5 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.<\/p>\n<p>Het door de curator in opdracht van [gedaagde] uitgevoerde werk<\/p>\n<p>Onweersproken is gebleven dat [gedaagde] het werk aan de curator heeft opgedragen tegen de (vooraf overeengekomen) aanneemsom van \u20ac 48.400,00 inclusief BTW. Evenmin heeft [gedaagde] weersproken dat de curator dit werk naar behoren heeft doen uitvoeren. De verschuldigdheid van deze aanneemsom weerspreekt [gedaagde] niet.<\/p>\n<p>Desondanks meent [gedaagde] op grond van de door haar gevoerde verweren dit bedrag niet aan de curator te hoeven te betalen. [gedaagde] beroept zich -naast dwaling- op opschorting van haar verbintenis.<\/p>\n<p>Vooraleerst overweegt de rechtbank dat [gedaagde] niet uit de doeken doet waarom zij het risico loopt om de loonovernameverplichtingen ex artikel 61 WW, en verder, aan het UWV te moeten betalen. Enige onderbouwing van dit risico had van [gedaagde] mogen worden verlangd, omdat doorgaans het UWV haar vorderingen als pre-faillissementsvordering en\/of boedelvordering in het faillissement indient. Bij brieven van 24 juli 2024 en 25 november 2024 heeft UWV dat ook in het faillissement van [eiser] gedaan. Reeds op deze grond dient het opschortingsverweer en het beroep op dwaling te worden gepasseerd.<\/p>\n<p>Ten overvloede overweegt de rechtbank hierover het nog volgende. Niet valt in te zien waarom de curator genoegen zou moeten nemen met de door [gedaagde] gestelde zekerheid. Hierdoor vindt namelijk geen betaling van de aanneemsom plaats terwijl gesteld noch gebleken is dat de curator en [gedaagde] over een zekerheidsstelling afspraken hebben gemaakt. [gedaagde] vreest dat zij het bedrag twee keer zal moeten betalen en verlangt van de curator een geruststellende verklaring van het UWV over bevrijdende betaling aan de curator. Niet gesteld of gebleken is dat bij de verstrekking van de opdracht [gedaagde] de verstrekking van een dergelijke verklaring heeft bedongen. Het niet verstrekken van deze verklaring aan [gedaagde] kan dan ook niet meebrengen dat [gedaagde] bevoegd is om haar verbintenis op te schorten.<\/p>\n<p>Voor een geslaagd beroep op dwaling had [gedaagde] feiten en omstandigheden moeten stellen op grond waarvan [gedaagde] de opdracht onder invloed van een verkeerde voorstelling van zaken heeft gesloten: dat de curator onjuiste inlichtingen aan [gedaagde] heeft verstrekt dan wel [gedaagde] had behoren in te lichten maar zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Waarover de curator [gedaagde] onjuist heeft ingelicht, stelt [gedaagde] niet. En verder is de rechtbank van oordeel dat de curator [gedaagde] niet over een -niet bestaand- risico had hoeven te informeren. Ook op deze grond passeert de rechtbank het beroep op dwaling.<\/p>\n<p>Op grond van het voorgaande dient ook dit onderdeel van de vordering te worden toegewezen, te vermeerderen met de handelsrente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.<\/p>\n<p>Buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten<\/p>\n<p>Tegen de buitengerechtelijke incassokosten voert [gedaagde] geen bijzonder verweer terwijl de gevorderde hoofdsommen hierna zullen worden toegewezen. Het bedrag van \u20ac 1.788,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding zal de rechtbank dan ook ten titel van buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.<\/p>\n<p>De rechtbank zal de beslagkosten tot de bedragen van \u20ac 1.369,88 en \u20ac 768,76 en \u20ac 178,52 toewijzen nu vaststaat dat de curator tot deze bedragen beslagkosten heeft gemaakt en de curator de beslagen rechtmatig heeft doen leggen: de hoofdsommen worden immers zoals gevorderd toegewezen. Overigens is de rechtbank niet op deugdelijke wijze over de totale som van de beslagkosten ingelicht, zodat overige beslagkosten zullen worden afgewezen.<\/p>\n<p>Proceskosten en afsluitende oordelen<\/p>\n<p>De gevorderde hoofdsommen zullen worden toegewezen, te vermeerderen met rente en kosten. Dit betekent dat [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld die aan de zijde van de curator als volgt worden begroot:<\/p>\n<p>&#8212; dagvaarding \u20ac 115,22<\/p>\n<p>&#8212; griffierecht 9.825,00<\/p>\n<p>&#8212; salaris gemachtigde 8.714,00 (2 punten \u00d7 tarief VIII van \u20ac 4.357,00)<\/p>\n<p>&#8212; nakosten 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)<\/p>\n<p>Totaal \u20ac 18.832,22<\/p>\n<p>[gedaagde] maakt bezwaar tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. Volgens [gedaagde] bestaat een groot restitutierisico. De boedelomvang is gering terwijl aanzienlijke boedelvorderingen tot op heden onbetaald zijn gelaten. Indien dit vonnis in hoger beroep zal worden vernietigd, heeft [gedaagde] geen verhaal meer op de curator.<\/p>\n<p>De rechtbank zal het vonnis hierna uitvoerbaar bij voorraad verklaren onder de voorwaarde dat de curator zekerheid stelt voor elke opbrengst die hij uit hoofde van de executie van dit vonnis ontvangt. De door de curator te stellen zekerheid bestaat hieruit dat deze opbrengst(-en) op de Rabobankrekening van de \u2018Stichting derdengelden [kenmerk] \u2019 te [plaats] dient te worden overgeboekt of afgestort. Hierdoor is het restitutierisico voldoende ge\u00ebcarteerd en is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet langer bezwaar kan bestaan tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis.<\/p>\n<p>De andere rechtsgrondslagen waarop de geldvorderingen zijn gebaseerd, zullen wegens gebrek aan belang worden afgewezen. Alle overige stellingen van partijen kunnen onbesproken blijven.<\/p>\n<p>Aan een beslissing over bewijslevering komt de rechtbank niet toe.<\/p>\n<h3>5De beslissing<\/h3>\n<p>De rechtbank:<\/p>\n<p>verklaart voor recht dat de curator rechtsgeldig de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten tussen [gedaagde] en [eiser] -zoals gespecificeerd in sub 2.13. van dit vonnis en als productie 16 van de curator in het geding gebracht- op grond van artikel 42 Fw heeft vernietigd;<\/p>\n<p>veroordeelt [gedaagde] om het bedrag van \u20ac 2.800.625,53 aan de curator te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;<\/p>\n<p>veroordeelt [gedaagde] om het bedrag van \u20ac 48.400,00 inclusief BTW aan de curator te betalen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;<\/p>\n<p>veroordeelt [gedaagde] om de buitengerechtelijke incassokosten van \u20ac 1.788,00 aan de curator te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;<\/p>\n<p>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de zijde van de curator worden begroot op \u20ac 18.832,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] \u20ac 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;<\/p>\n<p>veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op \u20ac 2.317,16;<\/p>\n<p>verklaart dit vonnis -met uitzondering van de verklaring voor recht- uitvoerbaar bij voorraad onder de voorwaarde dat de curator elke opbrengst uit hoofde van de executie van dit vonnis op de Rabobank bankrekening \u2018 [rekeningnummer] \u2019 ten name van Stichting derdengelden [kenmerk] te [plaats] overboekt of afstort ten titel van zekerheidstelling totdat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;;<\/p>\n<p>wijst af het meer of anders gevorderde.<\/p>\n<p>Dit vonnis is gewezen door mr. drs. C.T.M. Luijks, mr. W.J.M. Fleskens en mr. N.E.J.M. Stoof en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025.<\/p>\n<h3>Voetnoten<\/h3>\n<ol>\n<li>Vpb = vennootschapsbelasting.<\/li>\n<li>[bedrijf 5] Srl.<\/li>\n<li>Productie 44 van de curator.<\/li>\n<li>Producties 6 &#8212; 8 van de conclusie van antwoord.<\/li>\n<li>Deze 41 facturen zijn als productie 16 door de curator in het geding gebracht.<\/li>\n<li>Onjuist is dus de stelling onder sub 21 van de conclusie van antwoord dat de belastingdienst het faillissement van [eiser] heeft aangevraagd.<\/li>\n<li>Zie factuur van 18 maart 2024 van [eiser] die door de curator als productie 23 in het geding is gebracht.<\/li>\n<li>Ingeval van benadeling door een rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen \u00e9\u00e9n jaar voor de faillietverklaring, wordt vermoed dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn.<\/li>\n<li>Zie bijvoorbeeld productie 3 van conclusie van antwoord van 4 december 2024 in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure waaruit klip en klaar volgt dat alle vooruitbetalingen\/ \u2018advance payments for purchase\u2019 als schuld van [eiser] werden geboekt in het grootboek van [eiser] .<\/li>\n<li>Ook wel problematiek van \u2018transfer pricing\u2019 genoemd, waar het bestuur van [eiser] volgens [gedaagde] bijzondere aandacht aan besteedde: vergelijk bijvoorbeeld ook pagina 6 van de zittingsaantekeningen.<\/li>\n<li>HR 3 oktober 1980, NJ 1980\/643, HR 22 mei 1992, NJ 1992, 526, HR 18 december 1992, NJ 1993\/169 en HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1825. In deze gevallen wordt de paritas creditorum ook doorbroken.<\/li>\n<li>Anders: [naam] vordering.<\/li>\n<li>HR 22 december 2009, NJ 2010\/273.<\/li>\n<li>Zo verklaart [persoon 1] blijkens de aantekeningen van de mondelinge behandeling.<\/li>\n<li>Vergelijk sub 2.9. van de feitenvaststelling.<\/li>\n<li>Voor een fractie van uitstaande omzetbelasting- en loonbelastingschulden die over de voorgaande jaren ongeveer tot \u20ac 5.000.000,00 waren opgelopen.<\/li>\n<li>[bedrijf 4] B.V.<\/li>\n<li>Een vanaf oprichting tot aan haar faillissement een volstrekt onder-gekapitaliseerde vennootschap: [eiser] was vanaf haar oprichting een stroppenvennootschap van (een deel van) de [groep] .<\/li>\n<li>Indirecte bestuurder en leidinggevende van zowel [gedaagde] als [eiser] is [persoon 1] . [persoon 1] trekt aan alle touwtjes van [groep] , en [gedaagde] en [eiser] in het bijzonder. [gedaagde] beschikte derhalve ten aanzien van de vermogenspositie, liquiditeit, rentabiliteit en schuldenpositie van [eiser] over precies dezelfde wetenschap als [eiser] .<\/li>\n<li>Artikel 6:203 BW.<\/li>\n<li>Artikel 6:205 BW brengt mee dat [gedaagde] jegens de curator in verzuim verkeert. [gedaagde] was te kwader trouw bij in het ontvangst nemen van de voorraad en halffabricaten: [gedaagde] wist dat zij het enige actief van [eiser] op grond van de koop-verkoop (en de hierop volgende verrekening in rekening-courant) ontving, terwijl zij op dat moment wist dat crediteuren hierdoor in hun verhaalspositie werden benadeeld en dat [gedaagde] voor zich zelf ten koste van andere crediteuren een voorsprongpositie had verschaft.<\/li>\n<li>Vergelijk ook de pagina\u2019s 4-5 van de zittingsaantekeningen.<\/li>\n<li>De rechtbank gaat er maar vanuit dat [gedaagde] hierop doelt, hoewel [gedaagde] hierover verre van duidelijk is.<\/li>\n<li>Zie productie 89 van de curator.<\/li>\n<li>Zie ook producties 28, 32 en 42 van de curator waaruit beslagkosten van de curator blijken.<\/li>\n<li>Een dergelijke overboeking of afstorting biedt voldoende zekerheid: vergelijk HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1181 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 december 2024, JOR 2025\/96.<\/li>\n<\/ol>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:5504\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Faillissementspauliana. Curator heeft de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten, waarbij de koopsom is verrekend in rekening-courant, terecht op grond van artikel 42 Faillissementswet vernietigd omdat (i) de handeling een rechtshandeling van HQ is (ii) die onverplicht is verricht en (iii) die tot benadeling van crediteuren heeft geleid waarbij (iv) zowel HQ als MV wist of behoorde te weten&#8230;<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[8149],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7625],"kji_keyword":[28642,34793,7673,11746],"kji_language":[7671],"class_list":["post-666524","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-rechtbank-zeeland-west-brabant","kji_year-8463","kji_subject-commercial","kji_keyword-benadeling","kji_keyword-crediteuren","kji_keyword-heeft","kji_keyword-waarbij","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:RBZWB:2025:5504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/421471 \/ HA ZA 24-189 (E) - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:RBZWB:2025:5504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/421471 \/ HA ZA 24-189 (E)\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Faillissementspauliana. Curator heeft de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten, waarbij de koopsom is verrekend in rekening-courant, terecht op grond van artikel 42 Faillissementswet vernietigd omdat (i) de handeling een rechtshandeling van HQ is (ii) die onverplicht is verricht en (iii) die tot benadeling van crediteuren heeft geleid waarbij (iv) zowel HQ als MV wist of behoorde te weten...\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"32 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u044b\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:RBZWB:2025:5504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \\\/ C\\\/02\\\/421471 \\\/ HA ZA 24-189 (E) - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-23T23:41:25+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:RBZWB:2025:5504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \\\/ C\\\/02\\\/421471 \\\/ HA ZA 24-189 (E)\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/421471 \/ HA ZA 24-189 (E) - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/421471 \/ HA ZA 24-189 (E)","og_description":"Faillissementspauliana. Curator heeft de koop-verkoop van voorraad en halffabricaten, waarbij de koopsom is verrekend in rekening-courant, terecht op grond van artikel 42 Faillissementswet vernietigd omdat (i) de handeling een rechtshandeling van HQ is (ii) die onverplicht is verricht en (iii) die tot benadeling van crediteuren heeft geleid waarbij (iv) zowel HQ als MV wist of behoorde te weten...","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"32 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\u044b"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/","name":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/421471 \/ HA ZA 24-189 (E) - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-23T23:41:25+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlrbzwb20255504-rechtbank-zeeland-west-brabant-14-05-2025-c-02-421471-ha-za-24-189-e\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:RBZWB:2025:5504 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-05-2025 \/ C\/02\/421471 \/ HA ZA 24-189 (E)"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/666524","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=666524"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=666524"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=666524"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=666524"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=666524"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=666524"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=666524"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=666524"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}