{"id":668645,"date":"2026-04-24T05:09:09","date_gmt":"2026-04-24T03:09:09","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/"},"modified":"2026-04-24T05:09:09","modified_gmt":"2026-04-24T03:09:09","slug":"eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:GHDHA:2022:878 Gerechtshof Den Haag , 04-05-2022 \/ 200.300.845\/01 en 200.300.849\/01"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Het hof oordeelt dat appellante belanghebbende is in de in de zin van artikel 798 lid 2 Rv in de procedure over bewind en mentorschap. Het hof merkt appellante op grond van feiten en omstandigheden aan als levensgezel van de rechthebbende\/betrokkene. Een verbreking van de samenwoning acht het hof in dit geval niet doorslaggevend.<\/p>\n<p>GERECHTSHOF DEN HAAG<\/p>\n<p>Afdeling civiel recht<\/p>\n<p>zaaknummers : 200.300.845\/01 en 200.300.849\/01<\/p>\n<p>zaaknummers rechtbank : 9267873 \\ GZ VERZ 21-3245 en 9267874 \\ GZ VERZ 21-3246<\/p>\n<p>beschikking van de meervoudige kamer van 4 mei 2022<\/p>\n<p>inzake<\/p>\n<p>(in beide zaken:)<\/p>\n<p>[appellante] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>verzoekster in hoger beroep,<\/p>\n<p>hierna te noemen: appellante,<\/p>\n<p>advocaat mr. I.J. van Meggelen te Spijkenisse,<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>[zoon van rechthebbende\/betrokkene 1] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>zoon van de rechthebbende\/betrokkene,<\/p>\n<p>[dochter van rechthebbende\/betrokkene 1] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>dochter van de rechthebbende\/betrokkene,<\/p>\n<p>[dochter van rechthebbende\/betrokkene 2] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>dochter van de rechthebbende\/betrokkene,<\/p>\n<p>[zoon van rechthebbende\/betrokkene 2] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>zoon van de rechthebbende\/betrokkene,<\/p>\n<p>verweerders in hoger beroep,<\/p>\n<p>hierna te noemen: verweerders,<\/p>\n<p>advocaat mr. M. Jonkman te Capelle aan den IJssel.<\/p>\n<p>Als belanghebbenden zijn aangemerkt:<\/p>\n<p>[rechthebbende\/betrokkene] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>hierna te noemen: de rechthebbende\/betrokkene;<\/p>\n<p>[dochter van rechthebbende\/betrokkene 3] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>dochter van de rechthebbende\/betrokkene,<\/p>\n<p>[dochter van rechthebbende\/betrokkene 4] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>dochter van de rechthebbende\/betrokkene,<\/p>\n<p>[dochter van rechthebbende\/betrokkene 5] ,<\/p>\n<p>wonende te [woonplaats] ,<\/p>\n<p>dochter van de rechthebbende\/betrokkene,<\/p>\n<p>(in de zaak met zaaknummer 200.300.845\/01:)<\/p>\n<p>[de bewindvoerder] ,<\/p>\n<p>kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,<\/p>\n<p>hierna te noemen: de bewindvoerder,<\/p>\n<p>(in de zaak met zaaknummer 200.300.849\/01:)<\/p>\n<p>[de mentor] ,<\/p>\n<p>kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,<\/p>\n<p>hierna te noemen: de mentor.<\/p>\n<h3>1Het verloop van het geding in eerste aanleg<\/h3>\n<p>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.<\/p>\n<p>In de beschikking met zaaknummer 9267873 \\ GZ VERZ 21-3245 (zaaknummer in hoger beroep: 200.300.845\/01) zijn &#8212; voor zover in hoger beroep van belang &#8212; alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld wegens een lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van voornoemde bewindvoerder als zodanig.<\/p>\n<p>In de beschikking met zaaknummer 9267874 \\ GZ VERZ 21-3246 (zaaknummer in hoger beroep: 200.300.849\/01) is een mentorschap ingesteld over de betrokkene als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van voornoemde mentor als zodanig.<\/p>\n<h3>2Het geding in hoger beroep<\/h3>\n<p>Appellante is op 15 september 2021 in hoger beroep gekomen van beide genoemde beschikkingen van 25 juni 2021 (hierna ook: de bestreden beschikkingen).<\/p>\n<p>In de zaak met zaaknummer 200.300.849\/01 (mentorschap) hebben verweerders op 17 december 2022 een verweerschrift ingediend. In de zaak met zaaknummer 200.300.845\/01 (onderbewindstelling) hebben verweerders op 20 januari 2022 een verweerschrift ingediend.<\/p>\n<p>Bij het hof is in beide zaken verder nog ingekomen:<\/p>\n<p>van de zijde van appellante:<\/p>\n<p>\uf02d op 12 november 2021 een journaalbericht van 11 november 2021, met bijlagen;<\/p>\n<p>van de zijde van verweerders:<\/p>\n<p>\uf02d op 9 maart 2022 een brief van 8 maart 2022 , met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen;<\/p>\n<p>van de zijde van de mentor:<\/p>\n<p>\uf02d op14 maart 2022 een e-mail, met bijlage.<\/p>\n<p>De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn:<\/p>\n<p>\uf02d appellante, bijgestaan door haar advocaat;<\/p>\n<p>\uf02d verweerders, bijgestaan door hun advocaat;<\/p>\n<p>\uf02d de bewindvoerder;<\/p>\n<p>\uf02d namens de mentor is als gemachtigde verschenen [vertegenwoordiger namens de mentor]<\/p>\n<p>(hierna te noemen: de mentor).<\/p>\n<p>De rechthebbende\/betrokkene is niet in staat ter zitting te verschijnen.<\/p>\n<p>De overige belanghebbenden zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, evenmin ter zitting verschenen.<\/p>\n<h3>3De feiten<\/h3>\n<p>De rechthebbende\/betrokkene is geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .<\/p>\n<p>De rechthebbende\/betrokkene woont in [woonlocatie] verpleegd wonen in [woonplaats] (hierna te noemen: [woonlocatie] ).<\/p>\n<h3>4De omvang van het geschil<\/h3>\n<p>Appellante verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:<\/p>\n<p>in de zaak met zaaknummer 200.300.845\/01 (onderbewindstelling):<\/p>\n<p>\uf02d appellante wordt benoemd tot bewindvoerder;<\/p>\n<p>in de zaak met zaaknummer 200.300.849\/01 (mentorschap):<\/p>\n<p>\uf02d appellante wordt benoemd tot mentor;<\/p>\n<p>in beide zaken:<\/p>\n<p>\uf02d verweerders te veroordelen in de kosten van het geding.<\/p>\n<p>Verweerders verzoeken het hof in beide zaken:<\/p>\n<p>\uf02d primair: appellante niet-ontvankelijk te verklaren;<\/p>\n<p>\uf02d subsidiair: de verzoeken van appellante af te wijzen;<\/p>\n<p>\uf02d appellante te veroordelen in de kosten van de procedure.<\/p>\n<p>Standpunten<\/p>\n<p>Appellante betwist niet dat de rechthebbende\/betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. In zoverre zijn de onderbewindstelling en het mentorschap dan ook niet in geschil. Appellante is echter van mening dat zij tot bewindvoerder en mentor benoemd had moeten worden. De voornaamste reden die zij daarvoor aanvoert is dat zij en de rechthebbende\/betrokkene een affectieve relatie hebben en elkaars levenspartner zijn. Appellante stelt dat zij dan ook als levensgezel in de zin van artikel 1:435 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dan wel artikel 1:452 lid 4 BW als bewindvoerder en mentor had moeten worden benoemd. In feite is zij dat de afgelopen jaren ook al geweest. Zij doet dat uit liefde voor de rechthebbende\/betrokkene. Zij wil graag zelf, met ondersteuning van [thuiszorgorganisatie] , weer thuis voor de rechthebbende\/betrokkene gaan zorgen, om welke reden zij eveneens tot mentor benoemd had moeten worden. Als hun relatie was geformaliseerd, was dat ook gebeurd volgens appellante. Verder stelt appellante dat de betrokkene\/rechthebbende in het verpleeghuis waar hij aanvankelijk verbleef ( [voormalige woonlocatie] ) niet de juiste zorg kreeg. Omdat zij geen mentor is kon zij daar niets aan doen, en de huidige mentor pakt het niet op, aldus appellante. Appellante doet zekerheidshalve, voor het geval het hoger beroep de werking van de bestreden beschikking niet schorst, een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Zij voert hiertoe aan dat de bewindvoerder de huurovereenkomst van de woning waar zij voorheen met de rechthebbende\/betrokkene woonde voor de rechthebbende\/betrokkene wil opzeggen. Volgens appellante wil de bewindvoerder dit doen om in zijn eigen salaris te kunnen voorzien Zij stelt dat de rechthebbende\/betrokkene helemaal niet uitgeschreven wil worden, omdat zij samen een gezin vormen.<\/p>\n<p>Verweerders stellen zich primair op het standpunt dat appellante geen belanghebbende in deze zaken is, zodat zij niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Zij stellen hiertoe dat appellante niet de levensgezel is van de rechthebbende\/betrokkene, maar een huisgenoot. De rechthebbende\/betrokkene en appellante hebben wel een affectieve relatie gehad, maar die is sinds geruime tijd verbroken. De rechthebbende\/betrokkene was van plan om op [eiland] te gaan wonen. Om praktische redenen heeft hij in afwachting van zijn vertrek, na een korte periode bij zijn zoon [zoon van rechthebbende\/betrokkene 2] te hebben gewoond, weer zijn intrek genomen bij appellante. De bedoeling was tijdelijk.<\/p>\n<p>Subsidiair stellen verweerders dat de bestreden beschikkingen moeten worden bekrachtigd. Van een liefdesrelatie tussen appellante en de rechthebbende\/betrokkene is volgens hen geen sprake. Na de uitbraak van het coronavirus heeft appellante echter aan de rechthebbende\/betrokkene meegedeeld dat hij de woning niet meer mocht verlaten omdat hij dan besmet zou worden met het coronavirus en dan zou komen te overlijden. Ook heeft zij zijn mobiele telefoon afgenomen. Feitelijk heeft appellante de rechthebbende\/betrokkene de laatste periode, voordat hij in het ziekenhuis en later een verpleeghuis werd opgenomen, gegijzeld in haar woning. Dat is door de rechthebbende\/betrokkene zelf ook te kennen gegeven. Verder betwisten zij dat appellante de rechthebbende\/betrokkene de vereiste zorg kan bieden; zij is niet in staat neutrale beslissingen te nemen waarbij de belangen van de rechthebbende\/betrokkene voorop staan en zij onderschat de ernst van de gezondheidssituatie van de rechthebbende\/betrokkene. In maart 2021 is de rechthebbende\/betrokkene na een hersenbloeding in het ziekenhuis opgenomen en hij lijdt aan dementie, diabetes en prostaatkanker. Verweerders zijn van mening dat de rechthebbende in het (huidige) verpleeghuis de juiste zorg en behandeling krijgt en dat er goede afspraken zijn gemaakt over de bezoekuren van zowel appellante als verweerders, waardoor de rechthebbende\/betrokkene ook de gelegenheid heeft deel te nemen aan activiteiten in het verpleeghuis. Dat doet hem goed. Naar de mening van verweerders is het in het belang van de rechthebbende\/betrokkene dat een neutrale en onafhankelijke bewindvoerder en mentor worden benoemd.<\/p>\n<p>Ten slotte heeft de rechthebbende\/betrokkene volgens verweerders al geen huurovereenkomst meer op zijn naam staan. Zij wijzen er verder op dat op grond van de wet de onderbewindstelling en het mentorschap in werking treden de dag nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip van ingang vermeld. Zij stellen dat appellante haar schorsingsverzoek onvoldoende heeft gemotiveerd.<\/p>\n<p>De mentor heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep meegedeeld dat zij zowel appellante als de kinderen van de rechthebbende\/betrokkene volledig bij de zorgtaken probeert te betrekken. Appellente heeft zelf aangegeven overal bij betrokken te willen worden. Voor geplande overleggen heeft de mentor haar daarom steeds uitgenodigd. Appellante is op die uitnodiging echter nooit ingegaan en zij heeft daarop niet gereageerd. Verder heeft appellante meermaals gezegd dat zij de rechthebbende\/betrokkene weer in huis wil nemen, terwijl in het rapport van de neuroloog staat dat de rechthebbende\/betrokkene in een verpleeghuis moet wonen. Daarnaast zijn met het verpleeghuis afspraken gemaakt over de bezoektijden van appellante en verweerders, zodat de rechthebbende\/betrokkene naast het bezoek ook aan activiteiten kan deelnemen. Appellante heeft daarna in een brief aan het verpleeghuis geschreven dat de mentor en de bewindvoerder akkoord waren met uitbreiding van de bezoekuren van appellante. Dat hebben zij echter nooit gezegd. Het contact tussen de mentor en de kinderen is goed. Zij kunnen overleg voeren over de zorgtaken.<\/p>\n<p>De bewindvoerder heeft zich aangesloten bij de mededelingen van de mentor ter zitting. In aanvulling daarop heeft de bewindvoerder meegedeeld dat appellante gebruik maakt van oneigenlijke argumenten om zaken duidelijk te maken. Dat betreft de door de mentor genoemde brief over de bezoektijden, en het geldt ook voor wat appellante over het uitschrijven van de rechthebbende\/betrokkene heeft meegedeeld. De rechthebbende\/betrokkene had bij aanvang van het bewind schulden. De hele oude schulden heeft de bewindvoerder kunnen afkopen. Er resteert nog een schuldbedrag van een kleine \u20ac 5.000-.<\/p>\n<h3>5De motivering van de beslissing<\/h3>\n<p>Belanghebbenden?<\/p>\n<p>Op grond van artikel 798 lid 1, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Lid 2 bepaalt, voor zover in hoger beroep van belang, dat in zaken van onderbewindstelling of mentorschap onder belanghebbenden bovendien worden verstaan de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen van degene wiens goederen het betreft.<\/p>\n<p>Het hof overweegt op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting het volgende. Appellante stelt dat zij nog steeds een affectieve relatie met de rechthebbende\/betrokkene heeft. Verweerders betwisten niet dat de appellante en de rechthebbende\/betrokkene een affectieve relatie hebben gehad, maar zij stellen dat die is verbroken. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep kan het hof niet objectief vaststellen of de relatie daadwerkelijk is verbroken. Het hof stelt wel vast dat appellante en de rechthebbende ongeveer zeventien jaren hebben samengewoond, tot het moment dat de rechthebbende\/betrokkene als gevolg van een hersenbloeding in het ziekenhuis werd opgenomen. Appellante en de rechthebbende\/betrokkene hadden gezamenlijke rekeningen, waaruit het hof afleidt dat er tevens een gemeenschappelijke huishouding van aanzienlijke duur geweest. De samenwoning is mogelijk een periode onderbroken geweest, maar de stellingen van verweerders hieromtrent zijn door appellante gemotiveerd betwist. Appellante stelt dat de rechthebbende\/betrokkene weliswaar enige tijd op het adres van zijn zoon [zoon van rechthebbende\/betrokkene 2] ingeschreven is geweest, maar dat dat te maken had met het schuldsaneringstraject dat appellante doorliep en niet omdat de relatie tussen haar en de rechthebbende\/betrokkene was verbroken. Appellante stelt dat de rechthebbende\/betrokkene nooit daadwerkelijk bij zijn zoon heeft gewoond. Het hof constateert dat voor zover de samenwoning daadwerkelijk verbroken is geweest, wat niet is komen vast te staan, deze onderbreking van relatief korte duur is geweest. Het hof acht die omstandigheid, wat daar verder ook van zij, daarom niet doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of appellante als levensgezel van de rechthebbende\/betrokkene kan worden aangemerkt. Verder is gebleken dat appellante de rechthebbende\/betrokkene in het verpleeghuis nog dagelijks bezoekt en het hof stelt vast dat appellante en de rechthebbende\/betrokkene kennelijk beiden uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. Gelet op deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is appellante naar het oordeel van het hof aan te merken als levensgezel van de rechthebbende\/betrokkene, wat haar in deze zaken tevens belanghebbende maakt in de in de zin van artikel 798 lid 2 Rv. Dat betekent dat appellant is haar hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof wijst het primaire verzoek van verweerders aldus af.<\/p>\n<p>In het verweerschrift zijn, naast verweerders en de in de kop van deze beschikking als overige belanghebbenden genoemde kinderen van de rechthebbende\/betrokkene, tevens de personen [naam 1] en [naam 2] als kinderen van de rechthebbende\/betrokkene vermeld. Ter zitting in hoger beroep is van de zijde van de kinderen van de betrokkene\/rechthebbende meegedeeld dat deze personen hun broers zijn, dat de rechthebbende\/betrokkene deze personen als zijn kinderen heeft erkend en dat zij de achternaam van hun moeder hebben. Zij zouden ook van de zitting op de hoogte zijn.<\/p>\n<p>Het hof heeft geconstateerd dat genoemde personen [naam 1] en [naam 2] in de zich in de dossiers bevinden uittreksels uit de Basisregistratie Personen betreffende de rechthebbende\/betrokkene niet als kinderen van de rechthebbende\/betrokkene staan vermeld. Het hof kan aldus niet vaststellen of de rechthebbende\/betrokkene hen als zijn kinderen heeft erkend. Om die reden kan het hof hen niet aanmerken als belanghebbenden in deze zaak in de zin van artikel 798 lid 2 Rv.<\/p>\n<p>De persoon van de bewindvoerder en van de mentor<\/p>\n<p>Het hof stelt vast dat de noodzaak tot het instellen van de onderbewindstelling en van het mentorschap niet in geschil is, zodat aan het hof voorligt de keuze van de persoon van de bewindvoerder en van de mentor.<\/p>\n<p>Wettelijk kader<\/p>\n<p>Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 1:435 lid 1 BW benoemt de rechter bij het instellen van het bewind of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon. Op grond van artikel 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.<\/p>\n<p>In de gevallen waarin geen sprake is van een uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende geldt de wettelijke voorkeur zoals opgenomen in het vierde lid van artikel 1:435 BW. Die wettelijke voorkeur gaat in eerste instantie uit naar de echtgenoot of de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel van de rechthebbende en in tweede instantie naar, bijvoorbeeld, de kinderen van de rechthebbende.<\/p>\n<p>Ten aanzien van het mentorschap kent de wet soortgelijke bepalingen. Op grond van artikel 1:452 lid 1 BW benoemt de rechter bij het instellen van het mentorschap of zo spoedig mogelijk daarna een mentor. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon. Op grond van artikel 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. In de gevallen waarin geen sprake is van een uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende geldt de wettelijke voorkeur zoals opgenomen in lid 4 van artikel 1:452 BW. Die wettelijke voorkeur gaat in eerste instantie uit naar de echtgenoot of de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel van de rechthebbende en in tweede instantie naar, bijvoorbeeld, de kinderen van de rechthebbende.<\/p>\n<p>Oordeel van het hof<\/p>\n<p>Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de rechthebbende\/betrokkene ten gevolge van zijn psychische gesteldheid geen uitdrukkelijke voorkeur voor een bewindvoerder en\/of mentor aan kunnen geven. Op grond van de wet komt dan &#8212; in dit geval &#8212; appellante als levensgezel van de rechthebbende\/betrokkene als eerste in aanmerking om als bewindvoerder en mentor te worden benoemd. Van de wettelijke voorkeur tot benoeming kan door de rechter worden afgeweken. Het hof overweegt als volgt.<\/p>\n<p>Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof gebleken dat het appellantes grote wens is om zelf tot bewindvoerder en mentor te worden benoemd. Zij wil vooral heel graag zelf voor de rechthebbende\/betrokkene zorgen en het allerliefst zou zij dat weer thuis doen. Ter zitting in hoger beroep heeft appellante betwist dat zij de rechthebbende\/betrokkene uit het verpleeghuis zou willen weghalen, en heeft zij gesteld dat zij bereid is te accepteren dat hij daar woont en zij dat ook zal moeten accepteren omdat zij geen arts is. Het hof constateert evenwel dat in het hoger beroepschrift uitdrukkelijk staat dat appellante graag zelf, met ondersteuning van [thuiszorgorganisatie] , weer thuis voor de rechthebbende\/betrokkene wil gaan zorgen, op welke grond zij mede verzoekt om tot mentor te worden benoemd. Uit het dossier blijkt dat appellante zich al sinds het ontslag van de rechthebbende\/betrokkene uit het ziekenhuis tegen opname van de rechthebbende\/betrokkene in een verpleeghuis verzet, ondanks de voor de rechthebbende\/betrokkene afgegeven indicatie voor opname in een verpleeghuis met 24-uurs zorg en in afwijking van de adviezen van de specialisten daaromtrent en de wens van de kinderen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat appellante niet in staat is om bij beslissingen over de zorg voor de rechthebbende de belangen van de rechthebbende\/betrokkene voorop te stellen. Dat maakt appellante naar het oordeel van het hof ongeschikt om tot mentor te worden benoemd, hoe begrijpelijk de wens van appellante ook is om haar partner thuis te willen verzorgen. Het hof overweegt verder dat niet is gebleken dat de huidige mentor haar taak niet goed zou uitvoeren of dat zij ongeschikt zou zijn. Appellante heeft ter zitting niet gepersisteerd bij haar klacht over de verzorging in het huidige verpleeghuis en over de rol van de mentor hierin. De mentor is bovendien bereid gebleken appellante zoveel mogelijk bij de verzorging van de rechthebbende\/betrokkene te betrekken.<\/p>\n<p>Ten aanzien van het verzoek om tot bewindvoerder te worden benoemd, heeft appellante aangevoerd dat zij in staat is zorg te dragen voor de vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende\/betrokkene, aangezien zij al zeventien jaar een gezamenlijke huishouding voeren en zij ook in financieel opzicht altijd voor elkaars belangen zijn opgekomen. Uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof evenwel gebleken dat de huidige professionele bewindvoerder de financi\u00ebn van de rechthebbende op orde heeft gebracht. Het hof acht het in het belang van de rechthebbende dat de huidige stabiele situatie aangaande de financi\u00ebn voortduurt.<\/p>\n<p>Bovendien is komen vast te staan dat tussen appellante en verweerders sprake is van een verstoorde verhouding. Op basis van het verhandelde ter zitting heeft het hof niet de indruk gekregen dat dit op korte termijn aanzienlijk zal verbeteren.<\/p>\n<p>Onder voornoemde omstandigheden acht het hof het niet in het belang van de rechthebbende\/betrokkene om appellante tot bewindvoerder en\/of mentor te benoemen. Het hof is van oordeel dat er, gelet op al het voorgaande, gegronde redenen zijn die zich hiertegen verzetten. Onder de gegeven omstandigheden is het noodzakelijk dat onafhankelijke derden het bewind en mentorschap uitvoeren en dat de benoeming van de huidige bewindvoerder en mentor in stand blijft.<\/p>\n<p>Schorsingsverzoek<\/p>\n<p>Op grond van artikel 1:434 lid 2 BW treedt de onderbewindstelling in werking daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip van ingang vermeldt. Artikel 1:451 lid 5 BW, dat ziet op de inwerkingtreding van het mentorschap, bevat eenzelfde regeling. Voor de aanvang van de onderbewindstelling en het mentorschap is derhalve niet nodig dat de beschikking kracht van gewijsde heeft of uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Uit de wetsgeschiedenis van voornoemde artikelen blijkt dat hiermee wordt voorkomen dat de rechthebbende gedurende de beroepstermijn en, na ingesteld beroep, hangende de behandeling daarvan ter benadeling van zichzelf en zijn vermogen nog rechtshandelingen verricht of nog rechtshandelingen tot schade van zichzelf zou verrichten, waartoe hij na het in werking treden van de onderbewindstelling en van het mentorschap onbevoegd zal zijn. Als gevolg daarvan moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat een schorsing van de werking van de bestreden beschikking &#8212; nu dat tot gevolg zou hebben dat de rechthebbende niet langer onder bewind of mentorschap staat &#8212; niet strookt met de bedoeling van de wetgever. Dit leidt ertoe dat appellante in de schorsingsverzoeken niet-ontvankelijk zal worden verklaard.<\/p>\n<p>Ten overvloede overweegt het hof nog dat het belang aan het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikkingen in deze zaak bovendien is komen te ontvallen, nu op het hoger beroep tegen de bestreden beschikkingen en op de verzoeken tot schorsing tegelijk wordt beslist. Daarnaast zou ook een inhoudelijke beoordeling van de schorsingsverzoeken niet tot schorsing van de werking van de bestreden beschikkingen hebben kunnen leiden, omdat appellante naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft onderbouwd en aangetoond wat haar belang daarbij is.<\/p>\n<p>Proceskosten<\/p>\n<p>Het hof stelt vast dat appellante en verweerders over en weer een proceskostenveroordeling hebben verzocht.<\/p>\n<p>Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, zal het hof de proceskosten evenwel zoals gebruikelijk compenseren, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit brengt mee dat het hof de verzoeken van partijen op dit punt zal afwijzen.<\/p>\n<p>Dit alles leidt tot de volgende beslissing.<\/p>\n<h3>6De beslissing<\/h3>\n<p>Het hof:<\/p>\n<p>verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikkingen;<\/p>\n<p>bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2021;<\/p>\n<p>draagt de griffier op om op de voet van artikel 1: 391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de rechtbank Rotterdam in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister;<\/p>\n<p>compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, zodat ieder de eigen kosten draagt;<\/p>\n<p>wijst het meer of anders verzochte af.<\/p>\n<p>Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, A.C. Olland en M.A.J. Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. S.N. Keuning als griffier en is op 4 mei 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.<\/p>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:878\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Het hof oordeelt dat appellante belanghebbende is in de in de zin van artikel 798 lid 2 Rv in de procedure over bewind en mentorschap. Het hof merkt appellante op grond van feiten en omstandigheden aan als levensgezel van de rechthebbende\/betrokkene. Een verbreking van de samenwoning acht het hof in dit geval niet doorslaggevend.<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[8210],"kji_chamber":[],"kji_year":[32183],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[8623,9848,8136,8211,9642],"kji_language":[7671],"class_list":["post-668645","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-gerechtshof-den-haag","kji_year-32183","kji_subject-divers","kji_keyword-appellante","kji_keyword-belanghebbende","kji_keyword-gerechtshof","kji_keyword-ghdha","kji_keyword-oordeelt","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.4 (Yoast SEO v27.4) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:GHDHA:2022:878 Gerechtshof Den Haag , 04-05-2022 \/ 200.300.845\/01 en 200.300.849\/01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:GHDHA:2022:878 Gerechtshof Den Haag , 04-05-2022 \/ 200.300.845\/01 en 200.300.849\/01\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Het hof oordeelt dat appellante belanghebbende is in de in de zin van artikel 798 lid 2 Rv in de procedure over bewind en mentorschap. Het hof merkt appellante op grond van feiten en omstandigheden aan als levensgezel van de rechthebbende\/betrokkene. Een verbreking van de samenwoning acht het hof in dit geval niet doorslaggevend.\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"18 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:GHDHA:2022:878 Gerechtshof Den Haag , 04-05-2022 \\\/ 200.300.845\\\/01 en 200.300.849\\\/01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-24T03:09:09+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:GHDHA:2022:878 Gerechtshof Den Haag , 04-05-2022 \\\/ 200.300.845\\\/01 en 200.300.849\\\/01\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:GHDHA:2022:878 Gerechtshof Den Haag , 04-05-2022 \/ 200.300.845\/01 en 200.300.849\/01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:GHDHA:2022:878 Gerechtshof Den Haag , 04-05-2022 \/ 200.300.845\/01 en 200.300.849\/01","og_description":"Het hof oordeelt dat appellante belanghebbende is in de in de zin van artikel 798 lid 2 Rv in de procedure over bewind en mentorschap. Het hof merkt appellante op grond van feiten en omstandigheden aan als levensgezel van de rechthebbende\/betrokkene. Een verbreking van de samenwoning acht het hof in dit geval niet doorslaggevend.","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"18 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/","name":"ECLI:NL:GHDHA:2022:878 Gerechtshof Den Haag , 04-05-2022 \/ 200.300.845\/01 en 200.300.849\/01 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-24T03:09:09+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlghdha2022878-gerechtshof-den-haag-04-05-2022-200-300-845-01-en-200-300-849-01\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:GHDHA:2022:878 Gerechtshof Den Haag , 04-05-2022 \/ 200.300.845\/01 en 200.300.849\/01"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/668645","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=668645"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=668645"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=668645"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=668645"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=668645"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=668645"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=668645"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=668645"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}