{"id":735640,"date":"2026-04-28T18:59:17","date_gmt":"2026-04-28T16:59:17","guid":{"rendered":"https:\/\/kohenavocats.com\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/"},"modified":"2026-04-28T18:59:17","modified_gmt":"2026-04-28T16:59:17","slug":"eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693","status":"publish","type":"kji_decision","link":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/","title":{"rendered":"ECLI:NL:HR:2025:1122 Hoge Raad , 08-08-2025 \/ 24\/04693"},"content":{"rendered":"<div class=\"kji-decision\">\n<div class=\"kji-full-text\">\n<p><strong>Inhoudsindicatie.<\/strong> Overschrijding van de redelijke termijn; vergoeding immateri\u00eble schade door Hof gematigd van \u20ac 500 naar \u20ac 50.<\/p>\n<p>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN<\/p>\n<p>BELASTINGKAMER<\/p>\n<p>Nummer 24\/04693<\/p>\n<p>Datum 8 augustus 2025<\/p>\n<p>ARREST<\/p>\n<p>in de zaak van<\/p>\n<p>[X] (hierna: belanghebbende)<\/p>\n<p>tegen<\/p>\n<p>het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ALKMAAR<\/p>\n<p>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 november 2024, nr. 23\/799, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22\/1804) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.<\/p>\n<h3>1Geding in cassatie<\/h3>\n<p>Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.<\/p>\n<p>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.<\/p>\n<h3>2Uitgangspunten in cassatie<\/h3>\n<p>De heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar (hierna: de heffingsambtenaar) heeft het bezwaar tegen de aan belanghebbende gegeven WOZ-beschikking en de aan hem opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep van belanghebbende eveneens ongegrond verklaard. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting met afgerond vijf maanden heeft de Rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar een bedrag van \u20ac 500 aan immateri\u00eble schade moet vergoeden aan belanghebbende.<\/p>\n<h3>3De oordelen van het Hof<\/h3>\n<p>De heffingsambtenaar heeft in incidenteel hoger beroep subsidiair de stelling ingenomen dat de vergoeding van immateri\u00eble schade moet worden gematigd. Het Hof heeft in deze stelling aanleiding gezien de door de Rechtbank toegekende vergoeding te matigen tot \u20ac 50.<\/p>\n<p>Aan deze beslissing heeft het Hof ten grondslag gelegd dat het hier gaat om (i) een zaak die inhoudelijk eenvoudig is, (ii) een zaak met een relatief gering en puur financieel belang, (iii) een zaak die is gebaseerd op een gebruikelijke beschikking met een gelding van korte duur (de WOZ-beschikking is slechts voor \u00e9\u00e9n belastingjaar van belang), en (iv) een procedure zonder (risico op) kosten voor belanghebbende (de gemachtigde verleent haar diensten op basis van \u2018no cure, no pay\u2019).<\/p>\n<p>Dit alles in overweging nemende, heeft het Hof geoordeeld dat het vergoeden van de (veronderstelde) psychische schade van belanghebbende naar het tarief van \u20ac 500 per half jaar zou leiden tot een evident ongerechtvaardigde overcompensatie. Het Hof heeft zich in dit oordeel gesteund gezien door de wetgever die voor WOZ-zaken een dergelijke overcompensatie ook reeds constateerde (zie Kamerstukken II 2023\/24, 36 427, nr. 3, blz. 8-10 en blz. 13-15).<\/p>\n<h3>4Beoordeling van het middel<\/h3>\n<p>Het middel is gericht tegen de door het Hof toegepaste matiging van de vergoeding van immateri\u00eble schade.<\/p>\n<p>Op een verzoek tot toekenning van een vergoeding van immateri\u00eble schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting dient te worden beslist aan de hand van objectieve maatstaven. Uitzonderingen op die objectieve maatstaven moeten worden beperkt tot bijzondere gevallen. Tot die maatstaven behoort de regel dat voor het toekennen van een dergelijke vergoeding als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief dient te worden gehanteerd van \u20ac 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateri\u00eble schade is de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang. Ook op dat uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt in bijzondere gevallen.<\/p>\n<p>In het arrest van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, heeft de Hoge Raad zijn vaste rechtspraak over vergoeding van immateri\u00eble schade in belastingzaken waarin de beslechting van het geschil niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, aangepast wat betreft het vereiste van een financieel belang van ten minste \u20ac 15. De rechter kan in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, volgens dit arrest volstaan met de constatering daarvan wanneer het financi\u00eble belang bij een procedure minder dan \u20ac 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Dit is alleen anders indien, zoals in dit geval, het in dat arrest weergegeven overgangsrecht van toepassing is. In zo\u2019n geval kan het beperkte financi\u00eble belang van de zaak daarom slechts aanleiding geven om het als een bijzonder geval aan te merken, indien de procedure over een zeer gering financieel belang gaat, dat wil zeggen een belang van niet meer dan \u20ac 15. In dit geval staan de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat de procedure gaat over een financieel belang van ten minste \u20ac 15. In de omvang van dat belang kon het Hof daarom geen aanleiding vinden om deze zaak aan te merken als een bijzonder geval waarin reden bestaat om af te wijken van het tarief van \u20ac 500 per half jaar.<\/p>\n<p>Ook voor de overige door het Hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden geldt dat zij, noch op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien, de conclusie rechtvaardigen dat zich hier een bijzonder geval voordoet waarin aanleiding bestaat af te wijken van de regel dat de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden, niet van belang is voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateri\u00eble schade.<\/p>\n<p>Het middel slaagt daarom.<\/p>\n<p>Gelet op wat hiervoor in 4.2.4 is beslist, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven voor zover deze de vergoeding van immateri\u00eble schade betreft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de uitspraak van de Rechtbank wat betreft de vergoeding van immateri\u00eble schade te bevestigen.<\/p>\n<h3>5Proceskosten<\/h3>\n<p>Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De heffingsambtenaar zal alsnog worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof voor zover die kosten het incidentele hoger beroep betreffen.<\/p>\n<h3>6Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad<\/h3>\n<p>Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175.<\/p>\n<p>De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 6.1 bedoelde beoordeling te maken.<\/p>\n<p>Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. Het College zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.<\/p>\n<h3>7Beslissing<\/h3>\n<p>De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 6.3 beschreven procedure is gevolgd.<\/p>\n<p>Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2025.<\/p>\n<h3>Voetnoten<\/h3>\n<ol>\n<li>ECLI:NL:GHAMS:2024:3238.<\/li>\n<li>Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, rechtsoverweging 2.2.4.<\/li>\n<li>Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.10.1, HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverwegingen 3.2.1 en 3.4.6, en HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, rechtsoverwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.3.<\/li>\n<li>Vgl. HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, rechtsoverweging 2.6.2.<\/li>\n<li>Vgl. HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1758, rechtsoverweging 4.2.1.<\/li>\n<li>Vgl. HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1758, rechtsoverwegingen 4.3 en 4.6.<\/li>\n<li>Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto&#039;s en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateri\u00eble schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.<\/li>\n<\/ol>\n<\/div>\n<hr class=\"kji-sep\" \/>\n<p class=\"kji-source-links\"><strong>Sources officielles :<\/strong> <a class=\"kji-source-link\" href=\"http:\/\/deeplink.rechtspraak.nl\/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1122\" target=\"_blank\" rel=\"noopener noreferrer\">consulter la page source<\/a><\/p>\n<p class=\"kji-license-note\"><em>Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.<\/em><\/p>\n<\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Overschrijding van de redelijke termijn; vergoeding immateri\u00eble schade door Hof gematigd van \u20ac 500 naar \u20ac 50.<\/p>\n","protected":false},"featured_media":0,"template":"","meta":{"_crdt_document":""},"kji_country":[7669],"kji_court":[7834],"kji_chamber":[],"kji_year":[8463],"kji_subject":[7646],"kji_keyword":[12714,12238,12149,12076,11071],"kji_language":[7671],"class_list":["post-735640","kji_decision","type-kji_decision","status-publish","hentry","kji_country-pays-bas","kji_court-hoge-raad","kji_year-8463","kji_subject-divers","kji_keyword-immateriele","kji_keyword-overschrijding","kji_keyword-redelijke","kji_keyword-termijn","kji_keyword-vergoeding","kji_language-nl"],"yoast_head":"<!-- This site is optimized with the Yoast SEO Premium plugin v27.5 (Yoast SEO v27.5) - https:\/\/yoast.com\/product\/yoast-seo-premium-wordpress\/ -->\n<title>ECLI:NL:HR:2025:1122 Hoge Raad , 08-08-2025 \/ 24\/04693 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris<\/title>\n<meta name=\"robots\" content=\"index, follow, max-snippet:-1, max-image-preview:large, max-video-preview:-1\" \/>\n<link rel=\"canonical\" href=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/\" \/>\n<meta property=\"og:locale\" content=\"ru_RU\" \/>\n<meta property=\"og:type\" content=\"article\" \/>\n<meta property=\"og:title\" content=\"ECLI:NL:HR:2025:1122 Hoge Raad , 08-08-2025 \/ 24\/04693\" \/>\n<meta property=\"og:description\" content=\"Overschrijding van de redelijke termijn; vergoeding immateri\u00eble schade door Hof gematigd van \u20ac 500 naar \u20ac 50.\" \/>\n<meta property=\"og:url\" content=\"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/\" \/>\n<meta property=\"og:site_name\" content=\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\" \/>\n<meta name=\"twitter:card\" content=\"summary_large_image\" \/>\n<meta name=\"twitter:label1\" content=\"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f\" \/>\n\t<meta name=\"twitter:data1\" content=\"7 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442\" \/>\n<script type=\"application\/ld+json\" class=\"yoast-schema-graph\">{\"@context\":\"https:\\\/\\\/schema.org\",\"@graph\":[{\"@type\":\"WebPage\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\\\/\",\"name\":\"ECLI:NL:HR:2025:1122 Hoge Raad , 08-08-2025 \\\/ 24\\\/04693 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris\",\"isPartOf\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\"},\"datePublished\":\"2026-04-28T16:59:17+00:00\",\"breadcrumb\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\\\/#breadcrumb\"},\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"potentialAction\":[{\"@type\":\"ReadAction\",\"target\":[\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\\\/\"]}]},{\"@type\":\"BreadcrumbList\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\\\/#breadcrumb\",\"itemListElement\":[{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":1,\"name\":\"Home\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":2,\"name\":\"Jurisprudences\",\"item\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/jurisprudences\\\/\"},{\"@type\":\"ListItem\",\"position\":3,\"name\":\"ECLI:NL:HR:2025:1122 Hoge Raad , 08-08-2025 \\\/ 24\\\/04693\"}]},{\"@type\":\"WebSite\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#website\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"description\":\"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.\",\"publisher\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\"},\"potentialAction\":[{\"@type\":\"SearchAction\",\"target\":{\"@type\":\"EntryPoint\",\"urlTemplate\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/?s={search_term_string}\"},\"query-input\":{\"@type\":\"PropertyValueSpecification\",\"valueRequired\":true,\"valueName\":\"search_term_string\"}}],\"inLanguage\":\"ru-RU\"},{\"@type\":\"Organization\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#organization\",\"name\":\"Kohen Avocats\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/\",\"logo\":{\"@type\":\"ImageObject\",\"inLanguage\":\"ru-RU\",\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\",\"url\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"contentUrl\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/wp-content\\\/uploads\\\/2026\\\/01\\\/Logo-2-1.webp\",\"width\":2114,\"height\":1253,\"caption\":\"Kohen Avocats\"},\"image\":{\"@id\":\"https:\\\/\\\/kohenavocats.com\\\/ru\\\/#\\\/schema\\\/logo\\\/image\\\/\"}}]}<\/script>\n<!-- \/ Yoast SEO Premium plugin. -->","yoast_head_json":{"title":"ECLI:NL:HR:2025:1122 Hoge Raad , 08-08-2025 \/ 24\/04693 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","robots":{"index":"index","follow":"follow","max-snippet":"max-snippet:-1","max-image-preview":"max-image-preview:large","max-video-preview":"max-video-preview:-1"},"canonical":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/","og_locale":"ru_RU","og_type":"article","og_title":"ECLI:NL:HR:2025:1122 Hoge Raad , 08-08-2025 \/ 24\/04693","og_description":"Overschrijding van de redelijke termijn; vergoeding immateri\u00eble schade door Hof gematigd van \u20ac 500 naar \u20ac 50.","og_url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/","og_site_name":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","twitter_card":"summary_large_image","twitter_misc":{"\u041f\u0440\u0438\u043c\u0435\u0440\u043d\u043e\u0435 \u0432\u0440\u0435\u043c\u044f \u0434\u043b\u044f \u0447\u0442\u0435\u043d\u0438\u044f":"7 \u043c\u0438\u043d\u0443\u0442"},"schema":{"@context":"https:\/\/schema.org","@graph":[{"@type":"WebPage","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/","name":"ECLI:NL:HR:2025:1122 Hoge Raad , 08-08-2025 \/ 24\/04693 - Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat en droit p\u00e9nal \u00e0 Paris","isPartOf":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website"},"datePublished":"2026-04-28T16:59:17+00:00","breadcrumb":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/#breadcrumb"},"inLanguage":"ru-RU","potentialAction":[{"@type":"ReadAction","target":["https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/"]}]},{"@type":"BreadcrumbList","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/eclinlhr20251122-hoge-raad-08-08-2025-24-04693\/#breadcrumb","itemListElement":[{"@type":"ListItem","position":1,"name":"Home","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/avocats-en-droit-penal-a-paris-conseil-et-defense-strategique\/"},{"@type":"ListItem","position":2,"name":"Jurisprudences","item":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/jurisprudences\/"},{"@type":"ListItem","position":3,"name":"ECLI:NL:HR:2025:1122 Hoge Raad , 08-08-2025 \/ 24\/04693"}]},{"@type":"WebSite","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#website","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","name":"Kohen Avocats","description":"Ma\u00eetre Hassan Kohen, avocat p\u00e9naliste \u00e0 Paris, intervient exclusivement en droit p\u00e9nal pour la d\u00e9fense des particuliers, notamment en mati\u00e8re d\u2019accusations de viol. Il assure un accompagnement rigoureux d\u00e8s la garde \u00e0 vue jusqu\u2019\u00e0 la Cour d\u2019assises, veillant au strict respect des garanties proc\u00e9durales.","publisher":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization"},"potentialAction":[{"@type":"SearchAction","target":{"@type":"EntryPoint","urlTemplate":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/?s={search_term_string}"},"query-input":{"@type":"PropertyValueSpecification","valueRequired":true,"valueName":"search_term_string"}}],"inLanguage":"ru-RU"},{"@type":"Organization","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#organization","name":"Kohen Avocats","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/","logo":{"@type":"ImageObject","inLanguage":"ru-RU","@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/","url":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","contentUrl":"https:\/\/kohenavocats.com\/wp-content\/uploads\/2026\/01\/Logo-2-1.webp","width":2114,"height":1253,"caption":"Kohen Avocats"},"image":{"@id":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/#\/schema\/logo\/image\/"}}]}},"jetpack_likes_enabled":false,"jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision\/735640","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_decision"}],"about":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/types\/kji_decision"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=735640"}],"wp:term":[{"taxonomy":"kji_country","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_country?post=735640"},{"taxonomy":"kji_court","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_court?post=735640"},{"taxonomy":"kji_chamber","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_chamber?post=735640"},{"taxonomy":"kji_year","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_year?post=735640"},{"taxonomy":"kji_subject","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_subject?post=735640"},{"taxonomy":"kji_keyword","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_keyword?post=735640"},{"taxonomy":"kji_language","embeddable":true,"href":"https:\/\/kohenavocats.com\/ru\/wp-json\/wp\/v2\/kji_language?post=735640"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}