ECLI:NL:PHR:2025:1372 Parket bij de Hoge Raad , 16-12-2025 / 23/03690

Conclusie AG. Handel in cocaïne vanuit kledingreparatiewinkel verdachte (art. 2 en 10 Opw). Kon het hof oordelen dat het in de kassa van de winkel aangetroffen geldbedrag uit (eigen) misdrijf afkomstig is (feit 4), terwijl winkel omzet draaide? Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie en tot verwerping van het beroep voor het overige (81....

Source officielle

Calcul en cours 0

Inhoudsindicatie. Conclusie AG. Handel in cocaïne vanuit kledingreparatiewinkel verdachte (art. 2 en 10 Opw). Kon het hof oordelen dat het in de kassa van de winkel aangetroffen geldbedrag uit (eigen) misdrijf afkomstig is (feit 4), terwijl winkel omzet draaide? Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie en tot verwerping van het beroep voor het overige (81.1 RO)

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/03690

Zitting 16 december 2025

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] in 1967,

hierna: de verdachte.

1Inleiding

De verdachte is bij arrest van 20 september 2023, na gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 februari 2022, door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens:

 onder parketnummer 02-821117-15:

1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”;

2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”;

3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” en

 onder parketnummer 02-019959-20:

“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”,

veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaard. Van het, onder parketnummer 02-821117-15, onder 4 tenlastegelegde witwassen heeft het hof de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2De zaak in het kort

De verdachte is eigenaar van [A] aan de [a-straat] te [plaats] . Naar aanleiding van TCIinformatie, inhoudende dat de verdachte vanuit deze winkel (ook) cocaïne verkocht, zijn de winkel en woning van de verdachte doorzocht. In beide panden werd cocaïne aangetroffen. Ook werden contante geldbedragen van in totaal € 18.940,00 aangetroffen. Een deel daarvan, 145 euro, bevond zich in de kassa van de winkel. Ten aanzien van dat deel is in hoger beroep gewezen op de verklaring van de verdachte dat “dat van zijn werk [is]”.

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte vanuit zijn winkel cocaïne verhandelde (feit 1) en geoordeeld dat de € 18.940,00 die de verdachte voorhanden had, onmiddellijk afkomstig is uit dit (eigen) misdrijf van de verdachte (feit 4). Voor dat laatste feit heeft het hof de verdachte – met toepassing van de kwalificatieuitsluitingsgrond – ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof heeft alle aangetroffen contante gelden verbeurd verklaard.

3Het middel

Het middel heeft betrekking op feit 4 en klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het in de kassa aangetroffen geldbedrag (ter hoogte van € 145,-) uit misdrijf afkomstig is. Dat de verdachte voor dit feit is ontslagen van alle rechtsvervolging laat volgens de toelichting op het middel onverlet dat de verdachte belang heeft bij zijn klacht. “Indien het hof immers niet had bewezenverklaard dat requirant het voornoemde geldbedrag van € 145,- had witgewassen, had het hof dit geldbedrag (…) niet verbeurd kunnen verklaren”, aldus de steller van het middel.

Vanwege de verwevenheid van feit 4 met feit 1 geef ik hieronder beide bewezenverklaringen weer.

Ten laste van de verdachte is, onder parketnummer 02-82117-15, onder 1 en 4 bewezenverklaard dat hij:

“1.

in de periode van [geboortedatum 2] 2015 tot en met 4 april 2016 te [plaats] , opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

in de periode van [geboortedatum 2] 2016 tot en met 5 april 2016, te [plaats] , van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (ter waarde van circa 18.940), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze hoeveelheid geld, geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf”

De bewezenverklaring van de onder parketnummer 02-82117-15 vallende feiten berusten op de bewijsmiddelen zoals weergegeven in bijlage II bij het door het hof (gedeeltelijk) bevestigde vonnis van de rechtbank. Deze houden het volgende in:

“1.
Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] , pagina 53, inhoudende:

V: Ben je bekend met harddrugs?

A: Ja.

V: Wat voor drugs gebruik je?

A: Af en toe cocaïne. Voor de rest niks.

V: Heb je daar eerder drugs gekocht in het verleden?

A: Niet in dat pand.

V: Heb jij al wel eens bij die eigenaar van dat pand of bij een (1) van zijn familieleden?

A: Ja.

V: Bij wie was dat dan?

A: Bij hem en bij zijn zoons.

V: Wanneer heb je voor het laats bij hem drugs gekocht?

A: Vorige week ofzo.

V: Was dat buiten de kledingreparatiezaak?

A: Ja. in de auto bij hem.

V: Wie is hem? De eigenaar, van de kledingreparatiezaak of bij zijn zoons?

A: Bij de eigenaar in de auto.

V: Onder welke naam ken jij hem?

A: Als ik drugs ga halen, ga ik naar [A] . Zo noem ik dat.

V: Heb je net drugs gekocht?

A: Ja, ik heb net bij hem een bolletje van 10 euro gekocht.

V: Wat voor bolletje?

A: Van 10,- euro. Het betreft witte cocaïne.

V: Hoeveel moest je ervoor betalen?

A: 10,- euro voor heel weinig gram. Volgens mij noemen ze het een streepje.

V: Hoelang koop je al cocaïne bij hem?

A: Ik wist niet eens dat hij dat verkocht. Ik heb het van horen zeggen. Ik koop bij hem sinds 2015. Ik koop ongeveer 1 keer per week, soms twee keer.

V: Hoe gaat het in zijn werk als je cocaïne wil hebben?

A: Je gaat er gewoon naar binnen.

V: Waar bewaart hij de cocaïne in de winkel?

A: In een of ander kledingstuk in de winkel.

2.
Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] , pagina 63, inhoudende:

Ik ben mee gegaan met de kale man. Hij heeft drugs gekocht. Dit is een winkel waar ze je jas maken. Ik ben met [betrokkene 3] naar binnen gegaan. [betrokkene 3] vroeg 1 bolletje cocaïne. De man pakte uit een bruine jaszak een bolletje cocaïne. De jas hangt in een rij maar helemaal achterin. [betrokkene 3] heeft vervolgens 20 euro betaald.

U vraagt mij of ik aldaar weleens drugs gekocht heb. Heel lang geleden heb ik weleens bij hem in de winkel drugs gekocht. U vraagt mij hoe lang dat geleden is. Dit is al jaren geleden. Ik heb al 17 maanden niks gebruikt en daarvoor heb ik bij hem gekocht. Je kunt daar bolletjes van 10 euro en 20 euro kopen en van 5 gram. [betrokkene 3] heeft gisteren met mijn telefoon gebeld naar die jongen. Hij heeft gebeld met het [telefoonnummer] . Dit was omstreeks 22:39 uur. Hij heeft toen de man van de winkel gebeld. De man is gekomen. Hij heeft voor 40 euro cocaïne gekocht. De man kwam het met de auto brengen. U vraagt hoeveel cocaïne dit is. Het betrof 4 bolletjes.

3.
Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 5] , pagina 83, inhoudende:

Ik gebruik sinds een klein jaar verdovende middelen. Dit vanwege stress. Ik gebruik cocaïne.

Ik gebruik ongeveer 10 of 20 euro in de week aan cocaïne. Ik heb niet veel geld en moet ook eten en drinken. Ik koop mijn cocaïne bij een persoon bij [A] lk heb gehoord via via, dat je daar gewoon naar binnen kan lopen om cocaïne te kopen. Ik koop daar sinds een half jaar.

Ik vraag dan voor 10 of 20 euro cocaïne en dat koop ik dan van een oudere dikkere man. Ik ken hem verder niet heel goed. Hij is daar wel altijd als ik kom. Gemiddeld heb ik daar afgelopen half jaar 1 of 2 keer in de week cocaïne.

4.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 103, inhoudende zakelijk weergegeven:

4. In de schuur, gelegen achter in de tuin, trof [verbalisant 1] ( […] ) een boterhamzakje aan in de cd-lade van een radio (merk AIWA). In het boterhamzakje zag ik 6 kleine zakjes zitten. Ik zag dat in vijf zakjes een bruine substantie zat en in een (1) zak een witte substantie. Ik zag dat de zakjes gelijkend waren op de aangetroffen zakjes in de winkel van [verdachte] .

5.
Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 108, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 5 april 2016 om 15.40 uur vond een doorzoeking plaats in de kleding vermaakwinkel aan de [a-straat 1] te [plaats] . In het winkelpand werden de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen:

— 9 bolletjes met poeder in een jas, vermoedelijk harddrugs

In de winkel hingen verschillende kledingstukken. Aan een aantal was duidelijk te zien dat deze gestoomd waren en klaar hingen om te worden opgehaald. Bij een aantal kledingstukken was te zien dat deze er lange tijd hingen. De kleding stukken waren oud, er zaten vlekken op en er lag een laag stof boven op de kleding die aan kledinghangers hing.

6.
Het proces-verbaal pillen-poeders, pagina 112, inhoudende zakelijk weergegeven:

Deze partij was in beslag genomen bij [verdachte] , geboren [geboortedatum 2] -1967.

OMSCHRIJVING:

De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:

— 9×0,3 gram wit poeder

De partij werd getest waarbij gebruik werd gemaakt van de MMC NARCOTEST Cocaïne.

De test gaf een positieve reactie op cocaïne, zijnde een stof die is vermeld op Lijst I van de Opiumwet.

SIN : AAJD9599NL

Partij : 2.7 gram

7.
Het proces-verbaal pillen-poeders, pagina 113, inhoudende zakelijk weergegeven:

Deze partij was in beslag genomen bij [verdachte] , geboren [geboortedatum 2] -1967. OMSCHRIJVING:

De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:

— 6×0.8 gram wit poeder

De partij werd getest waarbij gebruik werd gemaakt van de MMC NARCOTEST Cocaïne.

De test gaf een positieve reactie op cocaïne, zijnde een stof die is vermeld op Lijst I van de Opiumwet.

SPORENLIJST:

SIN : AAJD9598NL

Partij : 4.8 gram

8.

Het geschrift, zijnde het NFI rapport van 3 juli 2017

Kenmerk Omschrijving Conclusie

AAJD9598NL in totaal 4.46 crèmekleurige bevat cocaïne

brokjes in zes plastic bollen

Aantal onderzocht: 1

AAJD9599NL in totaal 2.31 gram crèmekleurige bevat cocaïne

brokjes in negen plastic bolletjes

Aantal onderzocht: 1

AAJD9597NL 0.06 gram crèmekleurig brokje bevat cocaïne

in een open plastic bolletje in

een gripzakje

9.
Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 115, inhoudende zakelijk weergegeven:

Door mij werd op 6 april 2016 een onderzoek gedaan naar de in de woning en winkel van de [verdachte] en bij koper [betrokkene 1] aangetroffen harddrugs. Ik zag dat alle verpakkingen van de aangetroffen drugs hetzelfde waren. Ik zag dat dit een klein stukje plastic betrof wat aan één zijde dicht was gesmolten.

10.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 4, inhoudende zakelijk weergegeven:

Gezien werd de Volkswagen Touran met [kenteken] waarvan bekend is dat deze wordt bestuurd door [verdachte] , die in april is aangehouden voor handel in verdovende middelen.

Gezien werd dat [betrokkene 4] gebukt bij deze auto stond. Zij is afgelopen jaren meerdere keren als klant/koper gezien bij verschillende drugsonderzoeken. Het is ambtshalve bekend dat zij dagelijks meerdere keren cocaïne gebruikt.

Gezien werd dat [betrokkene 4] iets kleins in haar linkerbroekzak stopte. Gezien werd dat de Touran verder reed en bestuurder van voornoemde Touran iets wit van kleur door het linker geopende raam naar buiten gooide. Dit is door de politie opgeraapt. Gezien werd dat het een gebruikershoeveelheid wit poeder betreft, vermoedelijk cocaïne. Ik zag dat het in een plasticzakje verpakt is. Ambtshalve is ons bekend dat cocaïne vaker zo verpakt wordt bij verkoop/handel in harddrugs. Hierop is [verdachte] aangehouden voor handel in harddrugs.

11.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 4] , pagina 9, inhoudende zakelijk weergegeven:

U vordert bij deze de afgifte van eventuele verdovende middelen. Ik heb niets meer. Dit heb ik net gebruikt. Aan cocaïne ben ik ongeveer 5 jaar verslaafd. Ik gebruik gemiddeld 50 of 60 euro per week aan cocaïne.

Vanmiddag was er een man die had iets voor mij hij heet [verdachte] . Daar hoefde ik niet voor te betalen. Dat was een klein balletje. Ik kreeg dat van hem en ik hoefde dat echt niet te betalen. Thuis heb ik het opgerookt en ben ik naar de psychiater gegaan. Hij belde mij op en had een verjaardag kado voor mij. Hij heeft mijn nummer.

Het bolletje was een wit bolletje. Het was een strak ingepakt plastic pakje wat dichtgeschroeid is. Hier zat wit poeder in. Witte brokjes. Dit is cocaïne. Ik hoefde er niets voor te betalen. Ik vond dit vreemd want soms wilt hij seks voor drugs. Nu helemaal niets.

Ik heb al best vaak een bolletje gehaald bij hem. Ik denk ongeveer 3 keer per week gedurende een jaar. Ik koop elke keer of voor 20 euro cocaïne of voor 10 euro. Elke keer krijg ik het in een dichtgeschroeid plastic zakje.

12.

Het geschrift, zijnde de kennisgeving beslag, pagina 29, inhoudende zakelijk weergegeven:

Beslagene: [verdachte]

Datum: 19 oktober 2016

Plaats: [plaats]

Omstandigheden: Genoemde verdachte is aangehouden terzake de handel in verdovende middelen. Hierbij werd door genoemde verdachte de cocaïne weggegooid.

Goednummer PL2000-2016271100-161967 9 Bolletje cocaïne

Spoor ID-nummer: AAJD9564NL

13.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 30, inhoudende zakelijk weergegeven:

OMSCHRIJVING:

De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:

— PL2000-2016271100-1619679: 0,3 gram wit poeder/verpakt in een klein plastic zakje.

Ik heb dit zakje geopend. Uit de aangeboden hoeveelheid materiaal werd door mij een representatief monster genomen.

Dit monster werd door mij getest waarbij gebruik werd gemaakt van de MMC NARCOTEST Cocaïne.

De test gaf een POSITIEVE reactie op cocaïne, zijnde een stof die is vermeld op Lijst I van de Opiumwet.

14.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 161, inhoudende zakelijk weergegeven:

Ik werk alleen in [A] . Dat is mijn bedrijf.

O: 4. In de schuur, gelegen achter in de tuin, een boterhamzakje in de cd-lade van een radio (merk AIWA). In het boterhamzakje zaten 6 kleine zakjes, in vijf zakjes zat een bruine substantie en in een (1) zak een witte substantie. De zakjes waren gelijkend op de aangetroffen zakjes in de winkel van [verdachte] .

V: Wat kun je hierover vertellen?

A: Ik heb hem zelf opgehaald en gevonden in het park. Ik zou hem naar het politiebureau brengen.

V: Wist je wel dat er cocaïne in zat dan?

A: Ik weet wat er in zat.

V: Wist je wel wat er in de radio zat?

A: Ja. ik weet wat er in zat. Ik zeg elke dag ik gooi het weg maar dat heb ik niet gedaan.

V: Dus er stond een radio met cocaïne op straat?

A: Ik heb het over de cocaïne, niet over de radio.

V: Je hebt de cocaïne op straat gevonden?

A: Ja.

V: En heb je die in de radio gestopt?

A: Ja, daar heb ik het in gedaan en ik wilde het weggooien.

V: Wat dan?

A: Ik heb het nagevraagd en het bleek witte cocaïne te zijn.”

Het hof heeft deze bewijsmiddelen als volgt aangevuld:

“4. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 103, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 5 april 2016 was ik, [verbalisant 2] , op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Dit betreft het woonadres van de verdachte (het hof begrijpt: de [verdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 1967). De trapkast in ruimte 4 werd doorzocht:

— In een rood centrifuge bakje trof [verbalisant 3] een envelop aan. Het (het hof begrijpt: de inhoud van de envelop) waren 10 biljetten van 500 euro.

— In een medicijndoosje met het opschrift ‘Gyno-Miconazolnitraat’ troffen wij bankbiljetten aan in de volgende hoeveelheden: 43 maal 100 euro, drie maal 500 euro, 96 maal 50 euro en 20 maal 20 euro.

— In een medicijndoosje met het opschrift ‘Methformine’ troffen wij bankbiljetten aan in de volgende hoeveelheden: vijf maal 10 euro, acht maal 20 euro, één maal 50 euro.

— In een medicijndoosje met het opschrift ‘Metoprololsuccinaat’ werden een aantal (het hof begrijpt:) bankbiljetten aangetroffen: drie maal 10 euro, één maal 5 euro, vijf maal 20 euro, acht maal 50 euro.

— In een groen kartonnen doosje met wat verfmateriaal troffen wij de volgende hoeveelheden bankbiljetten aan: 25 maal 50 euro, toen maal 20 euro.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 108, inhoudende, zakelijk weergegeven:

— 145 euro, in kassa.

14. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 161, inhoudende, zakelijk weergegeven:

(p. 168)

Ik weet dat er contant geld thuis is.

15. Een overig geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming, p. 202, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Plaats: [plaats]

Datum: 5 april 2016

Beslagene: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] , adres [b-straat 1] te [plaats] .

Categorie omschrijving: geld

Object: Euro

Aantal: 1

Merk/type: 500 euro

Bijzonderheden: In de fouillering aangetroffen.

16. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2016 (pg. 289 t/m 290), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4]

(pg. 298)

In het kader van het onderzoek zijn bij de Belastingdienst de belastingdienstgegevens van [verdachte] en de aan hem gerelateerde natuurlijke dan wel rechtspersonen gevorderd. Uit deze gegevens blijkt onder meer het volgende:

Woonadres van [verdachte] is [b-straat 1] te [plaats] . De WOZ-waarde voor 2015 is € 36.000. Op dit adres zijn ingeschreven: [verdachte] .

Sinds 08-08-2013 heeft [verdachte] de onderneming [A] kledingreparatie.

Vestigingsadres is [a-straat 1] te [plaats] . De WOZ-waarde voor 2015 is € 72.000.

Omzetgegevens:

Jaar Omzet

2015 € 13.149

2014 € 4.700

2013 € 3.616

Bankgegevens 31-12-2015 31-12-2014 31-12-2013 [rekeningnummer 1] €149 € 740 €969

[rekeningnummer 2] — € 679 — € 710

(pg. 299)

Inkomsten echtgenote [betrokkene 6] :

2015 € 19.044 (bruto) van UWV

2014 € 18.860 (bruto) van UWV

Gegevens twee oudste kinderen [verdachte] :

[betrokkene 7]

31-12-2015 31-12-2014 31-12-2013

[rekeningnummer 3] € 40 € 7 € 0

Inkomsten

2015 € 2.320

2014 € 47

[betrokkene 8]

[rekeningnummer 4] 31-12-2015 31-12-2014 31-12-2013

€ 91 € 0 € 0

Inkomsten

2015 € 1.550 (bruto)

2014 € 47 (bruto)

17. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 oktober 2016 (pg. 611 t/m 613), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4]:

(pg. 613)

In het kader van het onderzoek is bij de gemeente [plaats] het dossier van [verdachte] en zijn echtgenote [betrokkene 6] gevorderd. Hieruit blijkt dat het gezin sinds 2012 meerdere aanvragen heeft gedaan voor bijzondere bijstand minimabeleid omdat er te weinig middelen zijn. Tevens blijken er bij meerdere instanties schulden te zijn. In het dossier is een schrijven van de boekhouder opgenomen waarin over het inkomen van [verdachte] is opgenomen:

Over het jaar 2012 bedroeg het inkomen nihil.

Over het jaar 2013 bedroeg het inkomen 4523 negatief.

Over het jaar 2014 is er een voorlopig inkomen van 695 negatief.”

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2023 heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):

“1.1.4. Feit 4

(…)

d. Kort en goed, niet bewezen kan worden dat enig deel van het aangetroffen geld van een concreet misdrijf afkomstig is en ook kan niet worden bewezen dat cliënt wetenschap had van enige misdadige herkomst.

e. Redeneren we met gronddelict dan is tegen de achtergrond van de door cliënt afgelegde verklaring en de overgelegde stukken (pintransacties) niet wettig en overtuigend een relatie tussen dat gronddelict en het aangetroffen geld aangetoond door politie en justitie, primair zou dan vrijspraak moeten volgen.

(…)

f. Wordt, ten slotte, geredeneerd dat er geen gronddelict is en 'het zes stappen arrest' van toepassing is, dan stranden we reeds bij stap 2. Er is in casu niet zonder meer een vermoeden van witwassen aan de orde.

g. Het gaat hier niet om enig redelijk vermoeden om bijvoorbeeld een verdenking te hebben maar om de eis dat het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden moet presenteren die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Deze eis is eerder verwant aan de situatie dat het bewijs zo overstelpend is dat het ‘calls for an explanation'. Dat is ter zake feit 4 allerminst het geval.

h. De feiten en omstandigheden worden gekleurd door feiten van algemene bekendheid en witwastypologieën. Het onderzoek moet in de visie van de verdediging dermate volledig zijn dat deze feiten van algemene bekendheid worden gepresenteerd, duidelijk wordt gemaakt dat cliënt gebruik maakte van witwastypologieën en er zonder meer een vermoeden van witwassen aan de orde is. Dat onderzoek is in deze zaak niet volledig.

i. Maar zelfs als u wel vindt dat er een redelijk vermoeden van witwassen aan de orde was, dan heeft cliënt, een (met stukken onderbouwde) concrete (min of meer) verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd. 145 euro uit de kassa ("dat is van mijn werk"), geld in de woning betreft — kort samengevat — spaargeld van vrouw en kinderen die werkten. Daarbij wordt ook verwezen naar de stukken die in het kader van de klaagschriftprocedure (RK-nr. 16-1541) zijn overgelegd.

j. Een Openbaar Ministerie dat om een bewezenverklaring vraagt miskent stap 5 uit het 'zes stappen arrest' waaruit volgt dat men onderzoek moet doen naar de alternatieve herkomst.

k. Uit stap 6 volgt immers dat een conclusie moet worden getrokken op basis van het onderzoek en dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waar de verdenking betrekking op heeft een legale herkomst heeft en dus kan worden gesteld dat er sprake is van afkomstig uit enig misdrijf.

I. In deze zaak stel ik vast dat het scenario dat cliënt schetst niet voldoende is gefalsificeerd door enig onderzoek. Een legale herkomst is dus helemaal niet uitgesloten. Niet kan worden bewezen dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf en cliënt zou dan ook om deze reden, subsidiair, moeten worden vrijgesproken.

m. Redeneren we opnieuw met gronddelict (drugshandel door cliënt) en gaat het puur om het voorhanden hebben dan is sprake van de kwalificatieuitsluitingsgrond en zou cliënt meer Subsidiair moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Cliënt zou dan immers slechts geld uit eigen misdrijf voorhanden hebben gehad.”

Het vonnis van de rechtbank bevat de volgende, door het hof tot de zijne gemaakte, bewijsoverweging:

“Feit 1

Naar aanleiding van TCI-informatie die inhield dat [verdachte] , de eigenaar van kledingwinkel [A] aan de [a-straat] te [plaats] , cocaïne verkocht voor € 50,- per gram, heeft de politie een onderzoek gestart. In dit onderzoek zijn diverse observaties gedaan waarna op 5 april 2016 een actiedag is gehouden waarbij verschillende personen die het pand bezochten, zijn aangehouden. Ook zijn de winkel en de woning van verdachte doorzocht. Daarbij werden in het winkelpand in een jas negen bolletjes met poeder aangetroffen.

(…)

Feit 4

Bij de beoordeling van dit feit gaat de rechtbank uit van een bekend gronddelict. Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen valt immers een rechtstreeks verband te leggen met een bepaald misdrijf, namelijk het dealen van cocaïne. Bovendien valt de ten laste gelegde periode van feit 4 binnen de periode van feit 1. Verder constateert de rechtbank dat er in de tenlastelegging voor het bedrag van 18.940.- geen valuta is genoemd. De rechtbank gaat er op grond van de stukken in het dossier van uit dat als valuta euro’s is bedoeld.

De rechtbank stelt vast dat er op 5 april 2016 in de woning van verdachte in totaal € 18.295,- is aangetroffen. Verdachte heeft hiervoor als verklaring gegeven dat zijn vrouw dit heeft gespaard, maar gelet op het financieel onderzoek van de politie naar de inkomsten en uitgaven van het gezin van verdachte moet dat onaannemelijk worden geacht. De inkomsten en uitgaven in de voorgaande jaren waren immers ontoereikend om een dergelijk bedrag te kunnen sparen. Gelet op het bewezenverklaarde onder feit 1 kan het niet anders dan dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig moet zijn. Hetzelfde geldt voor de € 500.- die bij de fouillering van verdachte is aangetroffen en het aangetroffen geld in de winkel, van waaruit verdachte cocaïne dealde.

De volgende vraag is of het geld is verborgen en of verhuld als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr. Of daarvan sprake is moet het gaan om gedragingen die erop zijn gericht het zicht op de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. Uit het dossier is gebleken dat het geldbedrag in de trapkast van de woning is aangetroffen, verdeeld over diverse afgesloten bakjes. Het geld in de winkel was aangetroffen in de kassa. De rechtbank is van oordeel dat het op dergelijke wijze opbergen geen gedraging oplevert die erop gericht is het zicht op de herkomst van de voorwerpen te bemoeilijken en daardoor een verbergings- of verhullingshandeling oplevert als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid onder a, Sr.

Wat daarentegen wel kan worden vastgesteld is dat verdachte het geld voorhanden heeft gehad. Verdachte wist ook dat het geld uit het gepleegde misdrijf onder feit 1 afkomstig was waardoor het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.”

Het bestreden arrest bevat de volgende aanvullende bewijsoverweging:

“Aanvullende bewijsoverweging

Gelet op de door het hof aangevulde bewijsmiddelen voor wat betreft het onder feit 4 met parketnummer 02-821117-15 tenlastegelegde is er sprake van het op meerdere verborgen plaatsen in het huis en op het eigen lichaam bewaren van een aanmerkelijke hoeveelheid contant geld, met alle risico’s van dien, waaronder telkens ook een of meer coupures van 500 euro. Dit rechtvaardigt in zoverre reeds zonder meer een verdenking ter zake van (enige vorm van) witwassen. De verdachte dealde voorts cocaïne vanuit zijn winkel. Het hof neemt daarom aan dat het in de kassa van die winkel aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, te weten het onder 1 bewezenverklaarde.

Gelet op het onder 1 bewezenverklaarde acht het hof al met al het onder 4 tenlastegelegde bewezen, inhoudende dat alle aangetroffen contante gelden, tot een totaalbedrag van € 18.940,-, afkomstig zijn uit eigen misdrijf van de verdachte.”

Ten aanzien van het beslag heeft het hof het volgende overwogen:


Beslag

Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, met de volgende aanvulling.

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijnde meerdere geldbedragen tot een bedrag van € 18.940,00, aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het onder feit 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde met parketnummer 02-821117-15 is begaan. Het hof overweegt in dit verband nader dat deze geldbedragen gelet op het dossier, in het bijzonder de kennisgevingen van inbeslagneming op pagina’s 202 tot en met 211, in beslag zijn genomen op grond van het bepaalde in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier volgt voorts niet dat dit beslag nadien daadwerkelijk is geëindigd, terwijl ook de advocaat-generaal ter terechtzitting op dit punt geen uitsluitsel heeft kunnen geven. Het hof gaat er daarom van uit dat op dit beslag thans een beslissing dient te worden gegeven.

Naar het oordeel van het hof dienen derhalve de volgende voorwerpen verbeurd te worden verklaard:

— € 500,0 (goednummer PL2000-2016073489-1525064)

— € 145,00 (goednummer PL2000-2016073489-1525048)

— € 11.000,00 (goednummer PL2000-2016073489-1525013)

— € 260,00 (goednummer PL2000-2016073489-1525020)

— € 535,00 (goednummer PL2000-2016073489-1525024)

— € 1.500,00 (goednummer PL2000-2016073489-1525026)

— € 5000,00 (goednummer PL2000-2016073489-1525002)

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Het hof ziet in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging haar voren is gébracht geen grond om anders te beslissen.”

Het hof heeft uit de onder 3.4 en 3.5 weergegeven bewijsmiddelen afgeleid – en kunnen afleiden – dat de verdachte vanuit zijn winkel [A] cocaïne heeft verhandeld. De overweging van het hof dat het “daarom aan[neemt] dat het in de kassa (…) aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, te weten het onder 1 bewezenverklaarde” dient te worden begrepen tegen de achtergrond van het arrest in zijn geheel. De bewijsmiddelen houden niet alleen in dat de verdachte over een langere periode met regelmaat cocaïne verhandelde, maar ook dat dit nog was gebeurd op de dag van de doorzoeking waarbij het geld in de winkel is aangetroffen. Hieruit heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat het geld dat met deze handel is verdiend zich ook op dat moment in de winkel bevond.

Daaraan doet niet af dat uit de bewijsmiddelen ook volgt dat i) in de (kledingreparatie) winkel kleding hing waaraan “duidelijk te zien [was] dat deze gestoomd waren en klaar hingen om te worden opgehaald” (bewijsmiddel 5) en dat ii) deze winkel in 2013, 2014 en 2015 omzet heeft behaald (bewijsmiddel 16) en dat in hoger beroep door de raadsman is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de aangetroffen gelden uit misdrijf afkomstig zijn, waarbij is gewezen op de verklaring van de verdachte dat het in de kassa aangetroffen geld “van zijn werk [is]”. Het hof heeft in navolging van de rechtbank immers slechts bewezenverklaard dat de verdachte “een hoeveelheid geld (ter waarde van circa 18.940)” voorhanden heeft gehad die “geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf” (cursiveringen van mij, MvW). Ook als eventueel legaal verdiend geld onderdeel uitmaakt van de aangetroffen € 145,00, is nog steeds juist dat dit (met de opbrengst van de drugsverkoop vermengde) bedrag gedeeltelijk afkomstig is uit misdrijf. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte de tenlastegelegde drugshandel steeds heeft ontkend en zich dus niet heeft uitgelaten over de plaats waar hij de opbrengsten van die handel heeft bewaard.

Zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven heeft de steller van het middel als belang bij een vernietiging van de bewezenverklaring aangevoerd dat dan ook de verbeurdverklaring van het bedrag van € 145,00 niet in stand kan blijven. Dit standpunt berust op de opvatting dat verbeurdverklaring kan volgen voor een feit waarvoor de verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolgen. Die opvatting is onjuist. Evenals bij vrijspraak, mag ook na ontslag van alle rechtsvervolging voor dat feit geen straf – en dus geen verbeurdverklaring – worden opgelegd. (Ook) het hof heeft dit miskend door te oordelen dat de aangetroffen geldbedragen “vatbaar [zijn] voor verbeurdverklaring nu het voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het onder feit 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde met parketnummer 02-821117-15 is begaan”. Nu de schriftuur in zoverre echter geen zelfstandige klacht over de verbeurdverklaring bevat – en in cassatie niet is bestreden dat de niet in de kassa aangetroffen geldbedragen door middel van het onder 1 bewezenverklaarde feit zijn verkregen, zodat deze op grond van art. 33a, onder a, Sr vatbaar zijn verbeurdverklaring – laat ik dat punt hier verder rusten.

4Afronding

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen tot strafvermindering dient te leiden.

Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegd straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

  1. ECLI:NL:GHSHE:2023:3154 (parketnr. 20-000350-22).
  2. Vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, rov. 2.4.1-2.4.2 (ten aanzien van ‘voorhanden hebben’). Zie ook HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, rov. 2.6 (ten aanzien van ‘verwerven’).
  3. De onder 3.7 aangehaalde algemene bewijsoverweging van de rechtbank over feit 1 en de bewijsmiddelen 1, 2 en 5 genoemd onder 3.5.
  4. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, rov. 3.5.2.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier pénal. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.