ECLI:NL:RBGEL:2025:8812 Rechtbank Gelderland , 22-10-2025 / AWB-24_2389
Compensatie toeslagenschandaal. Beroep ongegrond. Eiseres kan niet aannemelijk maken dat zij bezwaar heeft ingediend, dus geen sprake van vooringenomenheid. Geen sprake van hardheid omdat eiseres zelf op verschillende momenten heeft doorgegeven geen gebruik te maken van kinderopvang.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Compensatie toeslagenschandaal. Beroep ongegrond. Eiseres kan niet aannemelijk maken dat zij bezwaar heeft ingediend, dus geen sprake van vooringenomenheid. Geen sprake van hardheid omdat eiseres zelf op verschillende momenten heeft doorgegeven geen gebruik te maken van kinderopvang.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2389
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.G. Engwirda ),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de door eiseres verzochte compensatie voor door de dienst gemaakte fouten bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de periode van 2010 tot en met 2013. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van compensatie over de jaren 2010 en 2012. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering om compensatie toe te kennen voor de jaren 2010 en 2012.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst terecht geen compensatie heeft toegekend vanwege vooringenomen handelen in toeslagjaar 2012 en vanwege hardheid in 2010 en 2012. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft als slachtoffer van het toeslagenschandaal bij de dienst een aanvraag voor compensatie over de periode 2010 tot en met 2013 ingediend.
Bij besluit I van 18 november 2021 heeft de dienst aan eiseres vanwege gemaakte fouten over het toeslagjaar 2011 een compensatiebedrag van € 30.000 toegekend. Bij besluit II van dezelfde datum heeft de dienst de aanvraag voor compensatie voor de jaren 2010, 2012 en 2013 afgewezen.
Met het bestreden besluit van 5 maart 2024 op de bezwaren van eiseres tegen besluiten I en II heeft de dienst het bezwaar van eiseres gegrond verklaard omdat na nader onderzoek is gebleken dat er in de toeslagjaren 2011 en 2012 sprake was van een kwalificatie O/GS. De dienst heeft geconcludeerd dat die constatering voor het toeslagjaar 2011 niet leidt tot een hoger compensatiebedrag. Over de gevolgen voor eiseres van deze kwalificatie voor het toeslagjaar 2012 heeft de dienst op 18 maart 2024 een afzonderlijk besluit genomen. Voor het overige is de dienst bij de besluiten I en II gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de partner van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de dienst.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Als iemand die kinderopvangtoeslag heeft gehad, schade heeft geleden omdat er voor 23 oktober 2019 sprake was van institutionele vooringenomenheid of omdat er sprake was van onbillijkheden van overwegende aard (erg oneerlijke gevolgen) door de hardheid waarmee de dienst voor 23 oktober 2019 het wettelijke systeem toepaste, dan kent de dienst op aanvraag compensatie toe.
Omvang van het geschil
4. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich beperkt tot de toeslagjaren 2010 en 2012.
Had de dienst aan eiseres compensatie moeten toekennen over toeslagjaar 2012 omdat er sprake was van institutionele vooringenomenheid?
5. Eiseres betoogt dat er over het toeslagjaar 2012 compensatie aan haar moet worden toegekend omdat er institutioneel vooringenomen is gehandeld. Eiseres heeft per ongeluk op het antwoordformulier ingevuld dat zij in 2012 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang, uit de bewijsstukken blijkt immers dat zij daar wel gebruik van maakte. Haar dochter ging in 2012 naar gastouderopvang [naam opvang 1] . De dienst heeft daarna haar recht op kindervangtoeslag vastgesteld op € 0. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt, maar de dienst heeft dat bezwaar nooit behandeld.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit waarbij de dienst haar recht op kinderopvangtoeslag op € 0 heeft vastgesteld. Het enige waar dat uit zou kunnen blijken is de aantekening ‘uitstel bezw.’ in het Dacas-overzicht van de dienst. Maar daaruit kan niet worden afgeleid dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen een besluit van de dienst. Het kopje ‘Bezwaar 2012’ dat boven de uitdraai van dit overzicht staat betekent niet meer dan dat dit overzicht is gemaakt naar aanleiding van de stelling dat er in 2012 bezwaar is gemaakt.
Bovendien volgt uit het procesverloop dat er geen verband is tussen het verkeerd ingevulde antwoordformulier en het veronderstelde bezwaarschrift. De dienst heeft op 21 februari 2012 de kinderopvangtoeslag 2012 vastgesteld op € 8.016. Daarna heeft de dienst op 21 maart 2012 de kinderopvangtoeslag vastgesteld op € 7.669. Op 21 juni 2012 heeft de dienst vervolgens de hoogte van de kinderopvangtoeslag vastgesteld op € 2.618 en daarna heeft de dienst op 21 juli 2012 de kinderopvangtoeslag vastgesteld op € 2.827. Bij besluit van 6 maart 2015 heeft de dienst ten slotte de kinderopvangtoeslag vastgesteld op € 0. Eiseres heeft het antwoordformulier voor het toeslagjaar 2012 op 6 december 2013 ondertekend. De aantekening ‘uitstel bezw.’ in het Dacas-overzicht dateert van 29 oktober 2012 en kan daarom geen verband houden met het verkeerd invullen van het antwoordformulier.
Had de dienst over de toeslagjaren 2010 en 2012 aan eiseres compensatie moeten toekennen vanwege hardheid?
6. Eiseres betoogt dat de dienst ten onrechte de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 en 2012 heeft teruggevorderd. Door een misverstand heeft eiseres op de antwoordformulieren ingevuld dat zij in deze jaren geen gebruik heeft gemaakt van de kinderopvang, terwijl haar dochter in 2010 naar de [naam opvang 2] ging en in 2012 naar [naam opvang 1] en [naam opvang 3] . De terugvordering was daarom onevenredig. De dienst had voor deze hardheid aan eiseres compensatie moeten toekennen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Van hardheid van het stelsel is bijvoorbeeld sprake als een formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan. De rechtbank volgt het betoog van de dienst dat hier geen sprake is van een geringe formele tekortkoming. Eiseres heeft op drie verschillende momenten voor verschillende toeslagjaren steeds aangevinkt dat zij in het betreffende toeslagjaar geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Deze fout is van een andere orde dan een vergeten handtekening of het maken van een typefout bij het doorgeven van het aantal opvanguren. Van de dienst kan niet worden verwacht dat zij in dit geval ter controle contact opneemt met eiseres om het ingevulde antwoordformulier te verifiëren. Bovendien is, zoals onder 5.1 overwogen, niet gebleken dat eiseres bezwaar heeft ingediend tegen de besluiten van de dienst die betrekking hadden op het toeslagjaar 2012. Het is niet in geschil dat eiseres in 2010 geen bezwaarschrift heeft ingediend. Gelet op het voorgaande mocht de dienst daarom uitgaan van wat eiseres zelf op het antwoordformulier heeft ingevuld.
De stelling van eiseres dat sprake is van een evident onjuist besluit, is onvoldoende voor het toekennen van compensatie vanwege vooringenomenheid of hardheid. In dat geval ligt het op de weg van eiseres om een herzieningsverzoek in te dienen bij de dienst. De dienst kan dan beoordelen of er een reden is om de termijn van vijf jaar niet tegen te werpen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2012 in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Opzet/grove schuld.
- Dit volgt uit artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
- Kamerstukken II, 2021/2022, 36 151, nr. 3, p. 71.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...