Pays-Bas Rechtbank Limburg Commercial 27 января 2022 N° 03/721076-18 NL

ECLI:NL:RBLIM:2022:575 Rechtbank Limburg , 27-01-2022 / 03/721076-18

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte als lid van een criminele organisatie hennepstekken heeft vervoerd. Voorts acht de rechtbank bewezen dat de verdachte voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet heeft gepleegd door voorwerpen waarvan hij wist dat ze bestemd waren voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt te vervoeren. Gelet op zijn ondergeschikte rol in d...

Source officielle

Calcul en cours 0

Inhoudsindicatie. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte als lid van een criminele organisatie hennepstekken heeft vervoerd. Voorts acht de rechtbank bewezen dat de verdachte voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet heeft gepleegd door voorwerpen waarvan hij wist dat ze bestemd waren voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt te vervoeren. Gelet op zijn ondergeschikte rol in de criminele organisatie en de relatief korte periode waarin hij bij de hennepstekkenhandel betrokken is geweest, legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen (3 maanden) met een proeftijd van 2 jaar op en daarnaast een taakstraf voor de duur van 200 uren.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/721076-18

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 januari 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [verdachte] .

[verdachte] wordt bijgestaan door mr. L.I.M. Entjes, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 16, 17 en 23 november 2021. [verdachte] is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 13 januari 2022, waarna op 27 januari 2022 uitspraak is gedaan.

2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :

Feit 1: in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 al dan niet samen met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, grote hoeveelheden hennepstekken heeft uitgevoerd, geteeld, dan wel daarin heeft gehandeld of deze aanwezig heeft gehad;

Feit 2: in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 al dan niet samen met anderen stoffen, voorwerpen, voertuigen en een ruimte te koop heeft aangeboden en/of voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat deze bestemd waren om beroepsmatig, bedrijfsmatig of op grote schaal hennep te telen;

Feit 3: in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, en/of artikel 11a van de Opiumwet.

3De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft over het bewijs voor de feiten het volgende aangevoerd:

Feit 1:

[verdachte] heeft tezamen en in vereniging met de medeverdachten [verdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 4] gehandeld in hennepstekken. Voor het bewijs heeft de officier van justitie zich gebaseerd op:

— de verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting dat hij heeft gehandeld in hennepstekken en dat de levering van de hennepstekken aanvankelijk bij hem thuis plaatsvond en later in de loods aan de [adres 4] te Schinveld;

— de verklaring van [verdachte 6] dat hij 4 of 5 keer hennepstekken aan [verdachte 1] heeft verkocht;

— de tapgesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte 6] ;

— de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] dat zij hennepstekken hebben besteld bij [winkel] en dat zij de hennepstekken hebben opgehaald bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld;

— observaties die hebben plaatsgevonden in de maand juni 2018 bij de woning van [verdachte 1] , die passen bij de TCI-informatie over [verdachte 1] en [verdachte] en waarvan [verdachte 1] ter terechtzitting heeft verklaard dat deze waarnemingen van de politie de handel in hennepstekken betroffen;

— de bakengegevens van de auto van [verdachte] en een observatie waaruit blijkt dat [verdachte] naar een loods te Haarsteeg is gereden en op grond waarvan de politie vermoedt dat [verdachte] aldaar hennepstekken heeft opgehaald die [verdachte 1] had besteld bij [verdachte 3] ;

— de tapgesprekken en sms-berichten tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] ;

— de observaties bij de woning van de medeverdachte [verdachte 3] en de loods aan de [adres 4] te Schinveld, waarbij [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] zijn gezien;

— het aantreffen van 90 hennepstekken in de loods aan de [adres 4] te Schinveld op 20 november 2018;

— de tapgesprekken tussen [verdachte 4] en [verdachte 1] ;

— de tapgesprekken tussen [verdachte 7] en [verdachte 1] .

Wat betreft de uitvoer van hennepstekken heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat daarvoor het wettig bewijs ontbreekt. Van dit onderdeel van de tenlastelegging heeft hij vrijspraak gevraagd.

Feit 2:

De officier van justitie acht bewezen dat [verdachte] zich, tezamen en in vereniging met [verdachte 1] en [verdachte 7] schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet door voorwerpen en stoffen, waarvan zij wisten dat die bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige teelt van hennep, te koop aan te bieden en voorhanden te hebben op de in de tenlastelegging vermelde locaties. Voor het bewijs van zowel de bestemming als de wetenschap daarvan bij [verdachte 1] , [verdachte 7] en [verdachte] heeft de officier van justitie zich gebaseerd op:

— de aard en het samenstel van de goederen die zijn aangetroffen in de onderneming van [verdachte 1] ( [winkel] ) en in bij hem in gebruik zijnde loodsen aan de [adres loods 2] te Elsloo en [adres loods 3] te Sittard, te weten onder andere hennepzaden, gripzakjes, strijkzakken en sporttassen, zware elektrische zekeringen, weegschalen, aftakklemmen, 5 en 10 liter verpakkingen met plantenvoeding (waarmee 87 tot 174 planten van voeding kunnen worden voorzien), ventilatoren, dompelpompen en watervaten, koolstoffilters, assimilatielampen, armaturen, schakelborden, groepenkasten, slakkenhuizen en transformatoren, grote hoeveelheden plastic potten, dozen met steenwolblokken en droogrekken, die zich lenen voor de grootschalige en/of bedrijfsmatige teelt van hennep;

— het feit dat uit de verkoopadministratie van [winkel] de identiteit van afnemers niet blijkt;

— het feit dat in vergelijking met soortgelijke bedrijven in dezelfde (tuin)branche het contante deel van de omzet bijzonder hoog is, en veel branchevreemde producten worden verkocht;

— er codetaal in de omschrijvingen van de verkochte producten wordt gebruikt;

— het feit dat de grootste leverancier ( [bedrijf 2] ) nagenoeg geheel contant werd betaald;

— de contante stortingen van [verdachte 1] in biljetten van € 100,-, € 200,- en € 500,-;

— een tapgesprek van [verdachte 1] , waarin hij spreekt over een politie-inval bij een andere onderneming op grond van artikel 11a van de Opiumwet en waarin [verdachte 1] aangeeft dat hij een en ander zo georganiseerd heeft dat zijn zaak ‘schoon’ is;

— de werkzaamheden die [verdachte] verrichtte voor [winkel] waaraan geen formele werkrelatie ten grondslag lag en waarvoor geen legaal salaris werd uitgekeerd;

— het aantreffen van een notitie in de prullenbak bij [winkel] waarop een vrijwel complete inrichting van een hennepplantage staat omschreven, geschikt voor de teelt van circa 600 hennepplanten;

— de verklaring van getuige [getuige 1] dat hij hennepstekken en groeimiddel heeft gekocht bij [winkel] en de verklaring van getuige [getuige 2] dat hij hennepstekken heeft besteld bij [winkel] ;

-TCI-informatie waaruit blijkt dat vanuit [winkel] goederen worden verkocht voor het kweken van hennep.

Het medeplegen van [verdachte] aan dit feit bestond uit het verrichten van diensten voor [winkel] , zoals het vervoeren van de goederen van de opslaglocaties naar de winkel. Volgens de officier van justitie wist [verdachte] , dan wel had hij ernstige redenen te vermoeden, dat de goederen bij [winkel] en de bijbehorende loodsen, welke goederen [verdachte] in het kader van zijn werkzaamheden voorhanden heeft gehad en heeft vervoerd, bestemd waren voor de grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt.

Voorts merkt de officier van justitie het gebruik en het voorhanden hebben van twee voertuigen, namelijk een Peugeot Partner met kenteken [kenteken 10] en een Fiat Fiorino met kenteken [kenteken 1] , waarmee [verdachte] de onder feit 1 bedoelde hennepstekken vervoerde, aan als een voorbereidingshandeling in de zin van de Opiumwet.

Feit 3:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] als medewerker van [winkel] en als vervoerder van hennepstekken, samen met [verdachte 1] (leider), [verdachte 3] (leverancier van hennepstekken), [verdachte 4] (uitvoerder/ tussenpersoon), [naam 2] (afnemer van hennepstekken), [verdachte 6] (leverancier van hennepstekken), [verdachte 7] (zzp’er bij [winkel] ) en [medeverdachte 1] (werkneemster bij [winkel] ), heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Er was sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Door deze criminele organisatie werden verschillende diensten aangeboden. Eén onderdeel van de organisatie hield zich bezig met de handel in hennepstekken en het andere onderdeel van de organisatie hield zich bezig met het leveren van goederen en stoffen voor de grootschalige en/of bedrijfsmatige teelt van hennep. Dat [verdachte] en voornoemde medeverdachten zich met die activiteiten bezighielden volgt reeds uit hetgeen door de officier van justitie ten aanzien van de feiten 1 en 2 is betoogd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 op het primaire standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] op 4 september 2018 hennepstekken naar België heeft uitgevoerd, zodat [verdachte] van dat onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Datzelfde geldt voor het telen, bereiden, bewerken, verwerken en verkopen van hennep in de tenlastegelegde periode. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] (grote hoeveelheden) hennepstekken heeft vervoerd. De raadsvrouw heeft in dit verband verwezen naar de ter terechtzitting afgelegde verklaring van [verdachte 1] , inhoudende dat de observaties van de politie slechts gedeeltelijk zagen op de handel in hennepstekken. [verdachte] is tijdens de observaties begin juni 2018 enkele keren bij de woning van [verdachte 1] gezien. Er zijn toen geen (grote hoeveelheden) hennepstekken waargenomen. Voorts heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , inhoudende dat zij hennepstekken bij [winkel] hebben besteld, zien op een latere periode dan waarin de observaties hebben plaatsgevonden waarbij [verdachte] is gezien.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [verdachte 1] heeft verklaard dat er geen grote hoeveelheden hennepstekken zijn verhandeld. Volgens de raadsvrouw wordt die verklaring ondersteund door de observaties van begin juni 2018, waarbij een van de waargenomen voertuigen een Volkswagen Polo betreft. In een Volkswagen Polo passen geen grote dozen met grote hoeveelheden hennepstekken.

Uit de tapgesprekken is gebleken dat [verdachte] spullen heeft opgehaald, maar niet is gebleken dat dit hennepstekken betrof.

Het proces-verbaal waarin de informatie is weergegeven die het Team Criminele Inlichtingen (TCI) heeft ontvangen, mag niet zonder meer als bewijsmiddel worden gebruikt. In het geval de rechtbank dat proces-verbaal wel als bewijsmiddel zou willen gebruiken, heeft de raadsvrouw verzocht om alle TCI-informanten als getuige te horen.

Ten aanzien van het tenlastegelegde vervoer van hennepstekken heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] naar Haarsteeg is gereden om hennepstekken op te halen. Het in Haarsteeg waargenomen voertuig stond weliswaar op zijn naam, maar ook andere personen maakten gebruik van dat voertuig. Indien [verdachte] 1650 hennepstekken zou moeten ophalen, zou hij ongeveer 11 dozen moeten vervoeren. Dit zou niet in zijn voertuig passen. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het procesdossier niet blijkt dat [verdachte] wist dat hij hennepstekken ophaalde en vervoerde, zodat van opzet geen sprake was. Evenmin was sprake van voorwaardelijk opzet. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen, omdat de handelingen van [verdachte] slechts faciliterend van aard waren en dat hij geen substantiële bijdrage aan de handel in hennepstekken heeft geleverd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat binnen [winkel] voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 11a van de Opiumwet zijn gepleegd. [winkel] verkocht hennepzaden. Volgens de raadsvrouw is het algemeen bekend dat henneptelers die met hennepzaden werken doorgaans hobbytelers zijn. Ook hobbytelers die veilig en zonder hinder voor hun omgeving hennep willen telen, zullen gebruik moeten maken van apparatuur die volgens het Openbaar Ministerie een indicatie vormt voor professionele hennepteelt. Het faciliteren van telers die hennep telen voor eigen gebruik is niet strafbaar gesteld. Onder verwijzing naar rechtspraak van diverse gerechtshoven heeft de raadsvrouw gesteld dat [winkel] weliswaar goederen heeft verkocht die geschikt zouden kunnen zijn voor de (beroeps- en/of bedrijfsmatige hennepteelt), maar dat (voldoende) aanvullend bewijs ontbreekt dat de goederen ook die bestemming hadden. Uit de verkoopadministratie blijkt dat er ook producten zijn verkocht aan klanten die in de tuin werken dan wel die bestemd konden zijn voor het hobbymatig of medicinaal voor eigen gebruik met gedegen materialen (hennep) kweken. In geen enkel winkelbedrijf worden namen en adresgegevens van particuliere kopers op verkoopbonnen vermeld. Voor verkopers geldt er geen factureringsplicht en ook geen onderzoeksplicht. De omstandigheid dat met contant geld is betaald, is weinigzeggend. Het is volstrekt legaal om met contant geld te betalen of betaald te worden. De aanname dat uitsluitend sprake was van verkoop aan beroeps- en/of bedrijfsmatige henneptelers kan niet worden gedaan op basis van twee getuigen die hebben verklaard dat zij hennepstekken bij [winkel] hebben besteld. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat in de verkoopadministratie van [winkel] geen transactie is aangetroffen die zou passen bij de verscheurde notitie die tijdens de doorzoeking van [winkel] in de vuilnisbak is aangetroffen. In het dossier is onvoldoende gemotiveerd dat [winkel] een ‘branchevreemd’ assortiment had. Zo is een ‘tumbletrimmer’ ook te koop via http://www.bol.com en kan de aangetroffen plantenvoeding ook worden gebruikt door gewassentelers.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] voorwerpen vervoerde die bestemd waren voor de beroeps- en/of bedrijfsmatige hennepteelt en dat hij met zijn handelingen een substantiële bijdrage aan de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen heeft geleverd, zodat geen sprake is van medeplegen.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat [verdachte] niet wist dan wel geen ernstige redenen had om te vermoeden dat die voorwerpen bestemd waren voor de beroeps- en/of bedrijfsmatige hennepteelt. [verdachte] voerde allerlei werkzaamheden voor [verdachte 1] uit. Gelet op het ontbreken van een link tussen de op de tenlastelegging genoemde Fiat Fiorino, Peugeot Partner en [verdachte] , alsmede het pand aan de [adres 1] te Sittard en [verdachte] , moet [verdachte] hiervan partieel worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat auto’s niet bestemd zijn voor de voorbereiding van grootschalige hennepteelt. Voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de [adres 4] te Schinveld moet [verdachte] daarvan worden vrijgesproken, omdat het procesdossier geen bewijs bevat dat [verdachte] in die loods is geweest.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake was van een structureel, goed georganiseerd, professioneel en crimineel samenwerkingsverband. [verdachte] heeft weliswaar contact gehad met [verdachte 1] , [medeverdachte 1] en [verdachte 7] , maar niet met de andere op de tenlastelegging genoemde personen. Er was geen sprake van een ‘vaste kern’. Voorts is niet gebleken van vaste werkafspraken, werden geen speciale telefoons gebruikt voor de onderlinge communicatie en was geen sprake van codetaal, sancties of geweld. Er werden geen afspraken gemaakt over winstverdeling en er leek geen gezamenlijk doel te zijn. Van onderlinge relaties was evenmin sprake. De volledig los van elkaar functionerende en ieder voor eigen rekening en risico presterende betrokkenen vormden aldus geen criminele organisatie. Zelfs indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [winkel] enkele voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 11a van de Opiumwet heeft gepleegd, zou dat niet betekenen dat [winkel] het oogmerk had op het plegen van Opiumwet gerelateerde strafbare feiten. Bovendien was [verdachte] geen werknemer van [winkel] , maar van [verdachte 1] , en heeft [verdachte] in elk geval geen bijdrage geleverd aan eventuele voorbereidingshandelingen van [winkel] . Evenmin heeft hij deelgenomen aan de criminele organisatie.

De overwegingen en het oordeel van de rechtbank

Leeswijzer

Het onderzoek TOL46 heeft 11 verdachten opgeleverd die deel zouden uitmaken van een crimineel samenwerkingsverband. Bij het opstellen van de vonnissen van de verdachten heeft de rechtbank een overzicht van de bewijsmiddelen en bewezenverklaring opgesteld dat op meerdere verdachten betrekking heeft. Dat overzicht is hierna integraal opgenomen. Hieruit blijkt niet alleen de rol van [verdachte] , de verdachte in deze zaak, maar ook die van zijn medeverdachten. Bij het lezen van dit vonnis en het volgen van de motivering zijn sommige onderdelen van minder of geen belang voor [verdachte] .

Inleiding

In de periode tussen januari 2017 en maart 2018 is bij de politie via het Team Criminele Inlichtingen (TCI) informatie binnengekomen die erop neer kwam dat [verdachte 1] vanuit zijn winkel [winkel] en vanuit een loods achter zijn woning op grote schaal hennepstekken verkocht. Deze TCI-informatie was aanleiding voor de politie om onderzoek te doen naar [verdachte 1] . In het kader daarvan hebben onder meer observaties plaatsgevonden, zijn telefoonlijnen afgeluisterd en hebben, op 20 november 2018, op diverse locaties doorzoekingen plaatsgevonden.

Handel in hennepstekken
(feit 1)

De verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting

Ter terechtzitting van 16 november 2021 heeft [verdachte 1] een verklaring afgelegd. Daarin heeft hij onder meer verklaard dat hij hennepstekken is gaan (door)verkopen vanuit [winkel] , omdat er vanaf 2017 vraag naar was bij klanten van [winkel] . Hij heeft daarom verschillende personen benaderd om te bezien of die hem hennepstekken konden leveren. Aanvankelijk gebeurde het afleveren van de hennepstekken vanuit zijn woning, maar omdat hij op 20 september 2018 het idee had dat er iets niet in de haak was, heeft hij een nieuwe afleverlocatie gezocht. Dat was de loods aan de [adres 4] te Schinveld.

Observaties van de woning van [verdachte 1] ( [adres 1] te Sittard)

Naar aanleiding van de TCI-meldingen werden camera’s bij de woning van [verdachte 1] aan de [adres 1] te Sittard geplaatst en werden de telefoons van [verdachte 1] en [verdachte] getapt. Voorts werd [verdachte] geobserveerd en werd zijn voertuig, een Fiat Fiorino met kenteken [kenteken 1] , voorzien van een peilbaken. Uit het peilbaken bleek dat [verdachte] zeer regelmatig de woning van [verdachte 1] bezocht. Uit de camera-observaties, die tussen 1 juni 2018 en 29 juni 2018 hebben plaatsgevonden, is gebleken dat er op dinsdag- en vrijdagavonden, soms meerdere keren per dag, auto’s het terrein van [verdachte 1] aan de [adres 1] te Sittard op- en afreden. Tijdens de observaties werd gezien dat [verdachte] telkens zijn auto vanaf de openbare weg aan de voorzijde van de woning van [verdachte 1] naar de achterzijde van de woning reed, om zijn auto enkele minuten later weer op de openbare weg te parkeren.

[verdachte 1] heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat (een deel van) wat tijdens deze observaties is gezien zag op hennepstekkenhandel.

Uit het peilbaken onder de auto van [verdachte] bleek dat [verdachte] op drie achtereenvolgende vrijdagen (31 augustus, 7 september en 14 september 2018) na een rit van ongeveer 100 kilometer steeds zeer kortstondig een caravanstalling aan de [adres 2] te Haarsteeg, nabij Den Bosch, heeft bezocht. Na een stop, die steeds ongeveer 5 minuten duurde, reed hij weer terug naar Limburg, naar de woning van [verdachte 1] .

Op 18 en 19 september 2018 heeft [verdachte 1] via een sms-bericht en via de telefoon contact met een persoon met een Brabants accent. In het sms-bericht van 18 september schrijft [verdachte 1] : “1650”. In het telefoongesprek van 19 september zegt [verdachte 1] : “Ik had je wat doorgegeven he”, waarop de persoon met het Brabants accent antwoordt: “Ja 1650 he”. In zijn verklaring ter terechtzitting heeft [verdachte 1] verklaard dat dit op 18 september 2018 verstuurde sms-bericht met de inhoud “1650” op hennepstekken zou kunnen zien.

Op 20 september 2018 vroeg [verdachte 1] aan hetzelfde contact om “1590”.

Uit het tapgesprek tussen [verdachte 1] en “ [bijnaam verdachte 3] ” (de man met het Brabantse accent) van 19 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] in die twee weken ervoor ook bestellingen van “ [bijnaam verdachte 3] ” heeft ontvangen. Laatstgenoemde zegt in dat gesprek immers: “Vorige week, de week ervoor heb ik alles gegeven wat ik had die 1770”.

“Paniek” op 20 en 21 september 2018

[verdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat er op 20 september 2018 sprake was van onrust, omdat er rond werd verteld dat hij “in de hennepstekken zat”. Uit een tapgesprek op 20 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] zo spoedig mogelijk met “ [bijnaam verdachte 3] ” wil spreken, omdat “ [bijnaam verdachte 3] ” iets moest gaan veranderen. [verdachte 1] wilde geen uitleg via de telefoon geven. Voor “ [bijnaam verdachte 3] ” was het lastig om af te spreken, omdat zijn vrouw ieder moment kon bevallen. “ [bijnaam verdachte 3] ” stelde voor om de dag erna even af te spreken, omdat het die dag echt niet ging lukken.

De dag erna, op vrijdag 21 september 2018 werd door het observatieteam gezien dat [verdachte] om 16.32 uur in een blauwe Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] het terrein van [adres 2] te Haarsteeg op reed en dat hij om 16.40 uur het terrein verliet. Op diezelfde dag hoorde de politie in een tapgesprek tussen [verdachte 1] en “ [bijnaam verdachte 3] ” dat [verdachte 1] zijn zorgen uitte over het feit dat hij geen vertrouwen meer had “in die plaats” en “daar waar die auto staat”, dat het voor [verdachte 1] een probleem was dat “de taxi naar jou is”, dat hij, [verdachte 1] , “de taxi vandaag nog even moet doen” en dat ze dan zo spoedig mogelijk moesten praten. Ongeveer een half uur later heeft [verdachte 1] telefonisch zijn nieuwe nummer aan “ [bijnaam verdachte 3] ” gegeven. Vervolgens spraken ze af elkaar later die dag in de [fastfood keten] in Best te ontmoeten. Ook stuurde [verdachte 1] diezelfde dag een sms-bericht aan al zijn contacten waarin hij voorstelt om over te stappen op ‘chatten’ via Signal.

Er zijn camerabeelden bekeken van de [fastfood keten] in Best van 21 september 2018 tussen 21.50 en 22.25 uur. Daarop is te zien dat [verdachte 1] op de parkeerplaats door een Volkswagen Polo werd afgezet naast een Hyundai. [verdachte 1] en de bestuurder van de Hyundai liepen naar de [fastfood keten] , namen plaats aan een tafel en verlieten later gezamenlijk de [fastfood keten] .

Uit de camerabeelden van en de observatie bij de [fastfood keten] in Best op 25 september 2018 omstreeks 20.15 uur blijkt dat [verdachte 1] in zijn BMW X5 met kenteken 88-ZF-TZ de parkeerplaats van de [fastfood keten] op reed. Even later kwam een Hyundai met kenteken [kenteken 4] de parkeerplaats opgereden. [verdachte 1] liep samen met twee personen, waarvan één een camouflagejas droeg, de [fastfood keten] binnen. Zij gingen samen aan een tafeltje zitten en liepen even later gezamenlijk naar buiten. De twee personen stapten in de Hyundai. Verbalisant L 117 herkende een van de mannen als [verdachte 3] .

[bijnaam verdachte 3] is leverancier [verdachte 3]

Uit het onderzoek naar de identiteit van “ [bijnaam verdachte 3] ” is gebleken dat de providerpalen behorende bij de tapgesprekken lieten zien dat de eerste gesprekken tussen [verdachte 1] en “ [bijnaam verdachte 3] ” in de omgeving van Velddriel hebben plaatsgevonden. Rond de afspraak van 21 september 2018 vonden deze plaats in omgeving Best, en daarna weer in de omgeving van Velddriel. Op 25 september 2018 zag het observatieteam dat de man die [verdachte 1] ontmoette reed in de auto met kenteken [kenteken 4] op naam van [naam 1] . [naam 1] heeft een dochter die staat ingeschreven op het adres [adres 3] te Velddriel, net als [verdachte 3] (geboren op [datum] 1977 en in 2018 dus 40-41 jaar oud). De man op de camerabeelden bij de [fastfood keten] past in het signalement van een persoon van 40 jaar. De pasfoto van [verdachte 3] , opgevraagd bij gemeente Maasdriel, komt overeen met de persoon die te zien is op de camerabeelden. Ook volgens het observatieteam komt de persoon op de pasfoto overeen met de man die aanwezig was in de [fastfood keten] op 21 september 2018.

Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] werd door de politie geïdentificeerd als ‘dealtelefoon’ van [verdachte 1] . [verdachte 3] gebruikte het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .Uit de historische belgegevens van de ‘deal’-telefoon van [verdachte 1] over de periode 15 maart 2018 tot en met 9 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] en [verdachte 3] iedere week, vaak meerdere malen, contact hadden en dat zij in deze periode in totaal 184 keer contact hadden via sms-berichten of telefoongesprekken. Gegevens van vóór 15 maart konden niet worden verkregen. In de tapgesprekken worden getallen zoals “1650”, “1770” en “1590” genoemd.

Tussenconclusies

Op grond van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] vanaf zijn woonadres in hennepstekken heeft gehandeld. Op basis van de ter terechtzitting afgelegde verklaring van [verdachte 1] in combinatie met de uitgevoerde observaties kan worden vastgesteld dat de afnemers in ieder geval vanaf 1 juni 2018 (toen de observaties begonnen) bij de woning van [verdachte 1] moesten zijn voor het ophalen van de bestelde hennepstekken en dat [verdachte] daaraan meewerkte. Gelet op de telefoontaps tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] , en de zeer kortstondige bezoeken van [verdachte] aan Haarsteeg die “passen” bij de inhoud van die telefoontaps, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de vrijdagmiddagritjes van [verdachte] naar Haarsteeg werden afgelegd om aldaar hennepstekken voor [verdachte 1] op te halen. De rechtbank merkt op dat Velddriel, de woonplaats van [verdachte 3] , volgens ‘Google Maps’ ongeveer 15 minuten rijden met de auto van Haarsteeg ligt. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte 3] “ [bijnaam verdachte 3] ” is en dat hij de leverancier van die hennepstekken was, aangezien hij in het tapgesprek van 19 september 2018 zei dat hij “vorige week, de week ervoor” (naar de rechtbank begrijpt: én de week ervoor) alles had gegeven en [verdachte] in die weken naar Haarsteeg is gereden. [verdachte] zorgde er aldus voor dat de bij [verdachte 3] bestelde hennepstekken werden opgehaald en uiteindelijk bij de afnemers van [verdachte 1] terecht kwamen, waarbij de uitlevering plaatsvond bij de woning van [verdachte 1] . Uit de inhoud van de telefoontaps en sms-berichten kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat [verdachte 1] ongeveer 1500 hennepstekken per week bij [verdachte 3] bestelde. Uit de historische belgegevens van de telefoon van [verdachte 1] met het telefoonnummer van [verdachte 3] is, zeker nu er geen andere verklaring is gegeven over de aard en inhoud van deze veelvuldige contacten, naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat [verdachte 1] en [verdachte 3] in ieder geval al vanaf 15 maart 2018 iedere week op dezelfde voet zaken met elkaar deden.

Handel in hennepstekken vanuit loods [adres 4] te Schinveld

[verdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard, dat de hennepstekken in [winkel] werden besteld en aanvankelijk vanuit de woning van [verdachte 1] in Sittard werden geleverd. Naar aanleiding van de onrust op 20 september 2018 is de afleverplek van de hennepstekken veranderd van de woning van [verdachte 1] naar de loods aan de [adres 4] te Schinveld.

Op 1 oktober 2018 heeft [verdachte 3] telefonisch aan [verdachte 1] gevraagd of het uit kwam om een dag later omstreeks 19.15 uur naar het adres te komen dat [verdachte 1] op een briefje had gegeven. [verdachte 3] zou met een chauffeur komen waarmee [verdachte 1] verder zou kunnen. [verdachte 1] wilde liever niet naar die locatie komen en zou ervoor zorgen dat “die ene jongen” daar zou zijn, zodat [verdachte 3] met hem kon praten.

Een dag later, op 2 oktober 2018, werd de woning van [verdachte 3] aan de [adres 3] te Velddriel geobserveerd. Om 17.43 uur reed een Kia Sportage met kenteken [kenteken 5] – met daarin (de later door verbalisanten herkende) [verdachte 5] als chauffeur en [verdachte 3] als bijrijder – de oprit van de woning af. In een telefoongesprek tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] die dag om 18.28 uur zei [verdachte 3] dat hij nog 50 kilometer moest afleggen en dat hij verwachtte binnen een half uur á 3 kwartier te arriveren. Om 19.04 uur stopte de Kia voor een loods aan de [adres 4] te Schinveld. Om 19.06 uur stopte een Citroën Saxo [kenteken 6] naast de Kia. De bestuurder van de Citroën werd door verbalisant L119 herkend als [verdachte 4] . [verdachte 4] liep in de richting van de Kia en was via het geopende raam van de Kia in gesprek met [verdachte 5] en [verdachte 3] . [verdachte 4] stak een wit papiertje door het geopende bestuurdersportier van de Kia, liep zonder het papiertje terug naar zijn auto en reed om 19.21 uur weg. De Kia bleef staan. Om 19.22 uur arriveerde [verdachte 1] in zijn Peugeot Expert met kenteken [kenteken 7] en ging met [verdachte 5] en [verdachte 3] in gesprek. Later die avond, om 19.44 uur, belde [verdachte 1] naar [verdachte 4] en zei dat [verdachte 4] op hem had kunnen wachten. [verdachte 1] zei dat hij wat later was gearriveerd en dat hij “hem” (een derde) nog even heeft gezien.

Tussen 26 oktober 2018 en 16 november 2018 werd de loods aan de [adres 4] te Schinveld en de woning van [verdachte 4] aan de [adres 4] 19 te Schinveld geobserveerd. Uit de observaties op de vrijdagen 26 oktober 2018, 2 november 2018 en 9 november 2018 bleek dat [verdachte 5] telkens omstreeks 17.00 uur aankwam bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld en korte tijd later weer vertrok.

Op 2 november 2018 is door het observatieteam waargenomen dat, vlak voor het binnenrijden van de loods, de gehele ruimte van de achterbank en kofferbak van de auto van [verdachte 5] vol lag met – door dekens afgedekte – kratten en dozen, die er na het vertrek van de auto uit de loods niet meer in lagen.

Op 9 november 2018 werd tevens waargenomen dat [verdachte 6] om 18.03 uur met zijn voertuig de loods in reed en korte tijd later weer vertrok. Dat bezoek past bij het tapgesprek tussen [verdachte 1] en [verdachte 6] waarin zij spraken over het aanleveren van “1030” door [verdachte 6] om 18.00 uur. Op alle genoemde vrijdagen is vanaf 19.00 uur waargenomen dat er verschillende auto’s bij de loods arriveerden, dat de auto’s achteruit de loods in reden en dat deze enkele minuten later weer wegreden. Hierbij werd steeds gezien dat [verdachte 4] vanuit de woning aan de [adres 4] 19 naar de loods aan de [adres 4] liep, de schuifdeuren van de loods voor de gearriveerde auto’s opende en de schuifdeuren na het vertrek van de auto’s ook weer afsloot.

Tijdens de observatie op 16 november 2018 werd waargenomen dat [verdachte 4] om 15.49 uur in een stilstaande Citroën Saxo met kenteken [kenteken 6] op de Provinciale weg in Kerkdriel zat te bellen. Eerder die dag was [verdachte 5] naar (de plaats) Zeeland gereden. Zijn Kia arriveerde rond 16.00 uur bij het adres [adres 5] te Kerkdriel, waar [verdachte 5] woont. Omstreeks 16.22 uur reed [verdachte 4] in de Citroën Saxo vanuit Kerkdriel weer in de richting van de A2 en om 18.38 uur stond de Citroën voor de woning van [verdachte 4] aan de [adres 4] 19 te Schinveld. Het observatieteam heeft die avond nog een aantal voertuigen bij de loods gezien, waarvan 2 voertuigen de loods inreden en korte tijd later weer vertrokken.

De politie heeft de telefoons met de nummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] getapt. Deze waren in gebruik bij [verdachte 4] . Over de getapte telefoonlijnen kwamen enkele telefoongesprekken voor waarin [verdachte 1] en [verdachte 4] onder meer spraken over de verkoop van “grote honden” en “kleine honden”.

Op 20 november 2018 werd tijdens de doorzoeking van de loods aan de [adres 4] te Schinveld een doos in beslag genomen met daarin in totaal 90 hennepstekken van 17 centimeter lang. De verbalisant rook de bij hem ambtshalve bekende geur van hennep en de MMC-test reageerde positief op hennep.

Leverancier [verdachte 6]

In de tapgesprekken van de telefoon van [verdachte 1] is naar voren gekomen dat [verdachte 1] na 1 september 2018 regelmatig telefonisch contact had met het telefoonnummer +31622048782. Nadat dit telefoonnummer werd getapt, kon de gebruiker worden geïdentificeerd als [verdachte 6] . Uit de inhoud van de tapgesprekken bleek dat [verdachte 1] bestellingen bij [verdachte 6] plaatste. In de tapgesprekken is gesproken over hoeveelheden van 380 stuks, 400 stuks, 850 stuks, 600 stuks, 700 à 800 stuks en 1030 stuks.

Hiervoor is al gerefereerd aan het bezoek van [verdachte 6] aan de loods op 9 november 2018. In een op die dag opgenomen tapgesprek om 15.06 uur spreken hij en [verdachte 1] over een hoeveelheid van “1030” voor vandaag om 18.00 uur. Even later, om 18.03 uur, is een Volvo V40 met kenteken [kenteken 8] op naam van [verdachte 6] geobserveerd als hij de loods aan de [adres 4] te Schinveld binnenrijdt. Ook op 14 november 2018 is er een tapgesprek tussen beiden, waarin een afspraak wordt gemaakt voor de dag erna, waarna op 15 november 2018 [verdachte 6] om 19.00 uur geobserveerd wordt als hij de loods aan de [adres 4] te Schinveld binnenrijdt.

[verdachte 6] heeft ter terechtzitting op 16 en 17 november 2021 verklaard dat hij meermaals hennepstekken aan [verdachte 1] heeft verkocht.

Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 van de woning van [verdachte 6] aan de [adres 6] te Grevenbicht werden een hennepkwekerij en hennepstekkerij aangetroffen in zijn woning en bijbehorende schuur. In de eerste kweekruimte, gelegen op de zolder van de woning, werden 51 moederplanten en 1848 hennepstekken aangetroffen. In de tweede en derde kweekruimte, gelegen in de schuur naast de woning, werden 145 (kweekruimte 2) en 251 (kweekruimte 3) moederplanten aangetroffen.

Tussenconclusies

Uit de genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af, dat na de “paniekdagen” op 20 en 21 september 2018 door [verdachte 1] een nieuwe plek werd gezocht én gevonden voor de leveranties van de hennepstekken. Daar waar deze aanvankelijk iedere vrijdag door [verdachte] werden opgehaald in Haarsteeg en werden uitgeleverd bij de woning van [verdachte 1] , vond de uitlevering van die hennepstekken, zoals valt af te leiden uit tapgesprekken en observaties, vanaf vrijdag 26 oktober 2018 wekelijks plaats vanuit een nieuwe locatie, zijnde de loods aan de [adres 4] te Schinveld. Dat de afleverplek van de hennepstekken op enig moment is verplaatst naar de loods aan de [adres 4] te Schinveld, werd ook door [verdachte 1] ter terechtzitting verklaard.

[verdachte] verdween na 21 september 2021 uit beeld voor wat betreft de handel in hennepstekken. Daar waar aanvankelijk een rol was weggelegd voor [verdachte] in het ophalen en vervoeren van de hennepstekken vanuit Haarsteeg en de uitlevering daarvan bij de woning van [verdachte 1] , is zijn rol in het vervoer van de hennepstekken daarna overgenomen door de chauffeur van [verdachte 3] , [verdachte 5] . De hennepstekken die [verdachte 1] bij [verdachte 3] bestelde werden door [verdachte 5] telkens op vrijdag omstreeks 17.00 uur bij de loods aan de [adres 4] afgeleverd voordat de afnemers deze vanaf omstreeks 19.00 uur kwamen ophalen.

[verdachte 4] speelde vanaf 26 oktober 2018 een rol in de aflevering van de hennepstekken aan de verschillende afnemers daarvan vanuit de loods aan de [adres 4] te Schinveld. Hij stelde de loods daarvoor ter beschikking en zorgde ervoor dat de leveranciers en afnemers van de hennepstekken toegang hadden tot die loods. De rechtbank ziet de gesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte 4] over “grote honden” en “kleine honden” als codetaal, bedoeld om te verhullen dat de gesprekken over hennep gingen.

Een andere leverancier van hennepstekken naast [verdachte 3] , was [verdachte 6] . [verdachte 6] heeft in de periode van 1 september 2018 tot en met 20 november 2018 meermaals hennepstekken aan [verdachte 1] geleverd, die hij zelf had geteeld. Aan de hand van de inhoud van de tapgesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte 6] vanaf september 2018 valt af te leiden dat er wordt gesproken over hoeveelheden van enkele honderden hennepstekken. Gelet op de genoemde aantallen in de tapgesprekken gaat de rechtbank uit van gemiddeld 500 hennepstekken per week, die door [verdachte 6] werden afgeleverd bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [verdachte 6] op bestelling van [verdachte 1] hoeveelheden van gemiddeld 500 hennepstekken per week bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld afleverde.

Afnemers van hennepstekken

Uit de telefoontaps bleek dat [verdachte 1] contact had met een afnemer van hennepstekken, die gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 7] . Op 18 september 2018 ging het gesprek over een partij van 1050 die stond voor vrijdag. Op 20 september 2018 werd aan [verdachte 1] om “300 van die gewone” gevraagd. In het daarop volgende telefoongesprek die dag werd “voor volgende week nog een keer 300” gevraagd. Op 3 oktober 2018 om 09.17 uur werd via de telefoon aan [verdachte 1] doorgegeven dat er nog een lijstje voor hem was. Op 3 oktober 2018 werd om 14.54 uur een tapgesprek opgenomen en beluisterd waarin de gebruiker van dat telefoonnummer begon met “Ja met [naam 2] ” en waaruit bleek dat hij en [verdachte 1] elkaar “zo” gingen zien. Die dag reed om 15.05 uur een Peugeot Partner [kenteken 9] de parkeerplaats bij [winkel] (de winkel van [verdachte 1] ) op. De BMW X5 van [verdachte 1] stond al op de parkeerplaats. Het kenteken van de Peugeot staat op naam van [bedrijf 1] te Limbricht en [naam 2] is daarvan de enige aandeelhouder en bestuurder. Uit deze combinatie van gegevens kon worden vastgesteld dat [naam 2] de afnemer is aan wie de telefoonnummers toebehoren. [verdachte 1] belde diezelfde dag om 15.40 uur naar [naam 2] met de mededeling dat wat was opgeschreven, “die 950 he”, gewoon eerder kon.

Op vrijdag 9 november 2018 werd bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld gezien dat de Peugeot Partner met kenteken [kenteken 9] om 19.19 uur achteruit de loods in reed en 6 minuten later weer vertrok.

Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 van de woning van [naam 2] , gelegen aan de [adres 7] te Limbricht, werden onder andere een niet in gebruik zijnde hennepkwekerij en ruim 1,1 kilogram henneptoppen aangetroffen.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 26 oktober 2018 bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld 120 hennepstekken heeft opgehaald. Hij had deze 3 weken eerder bij [winkel] besteld. Dit bezoek is door het observatieteam omstreeks 19.00 uur die avond waargenomen. Tijdens een doorzoeking op 20 november 2018 is in de garage van de woning van [getuige 2] , gelegen aan de [adres 8] te Munstergeleen, een hennepkwekerij met daarin 140 hennepplanten aangetroffen.

Getuige [getuige 1] heeft op 21 november 2018 verklaard dat hij 340 hennepstekken bij [winkel] heeft besteld en dat hij deze 4 weken geleden bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld heeft opgehaald. Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 is in de garage van [getuige 1] , gelegen op [adres 9] te Sittard, een hennepkwekerij met daarin 323 hennepplanten aangetroffen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1(hennepstekkenhandel)

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, voldoende om te kunnen spreken van medeplegen, tussen in ieder geval [verdachte] , [verdachte 1] en [verdachte 3] die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering van de handel en het vervoer van hennepstekken.

[verdachte 1] verkocht vanuit [winkel] de hennepstekken en regelde vanaf welke locatie die konden worden opgehaald. [verdachte] haalde aanvankelijk de door [verdachte 1] bij vaste leverancier [verdachte 3] bestelde hennepstekken op in Haarsteeg en zorgde in het begin (toen de klanten van [verdachte 1] de hennepstekken nog bij diens woning konden ophalen) steeds voor het verplaatsen van de bestelbus met daarin de hennepstekken op en van het terrein van [verdachte 1] , zodat diens bedrijf en de woning “schoon” bleven.

Na de “paniekdagen” op 20 en 21 september 2018 werd door [verdachte 1] een nieuwe plek gezocht én gevonden voor de leveranties van de hennepstekken. Daar waar deze aanvankelijk iedere vrijdag door [verdachte] werden opgehaald in Haarsteeg en werden uitgeleverd bij de woning van [verdachte 1] , vond de uitlevering van die hennepstekken, zoals valt af te leiden uit tapgesprekken en observaties, vanaf vrijdag 26 oktober 2018 wekelijks plaats vanuit een nieuwe locatie, zijnde de loods aan de [adres 4] te Schinveld. [verdachte] verdween na 21 september 2021 uit beeld voor wat betreft de handel in hennepstekken. Dat betekent dat voor de bewezenverklaring deze datum als einddatum zal worden vastgesteld. Omdat [verdachte 5] en [verdachte 4] pas ná deze datum in beeld kwamen als betrokkenen bij de stekkenhandel en er geen bewijs is van enige connectie tussen [verdachte] en [verdachte 6] , beschouwt de rechtbank deze personen niet als medeplegers van [verdachte] .

Wat de begindatum van de periode betreft, heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat uit de historische belgegevens van de telefoon van [verdachte 1] met het telefoonnummer van [verdachte 3] , zeker nu er geen andere verklaring is gegeven over de aard en inhoud van deze veelvuldige contacten, is af te leiden dat [verdachte 1] en [verdachte 3] in ieder geval al vanaf 15 maart 2018 iedere week op dezelfde voet zaken met elkaar deden. [verdachte] is echter pas op 1 juni 2018 voor het eerst bij een observatie van de hennepstekkenhandel waargenomen. De rechtbank zal daarom 1 juni 2018 als begindatum bewezen achten.

De rechtbank acht tevens bewezen dat het ging om een grote hoeveelheid hennepstekken. De verklaring van [verdachte 1] dat het slechts om kleinere hoeveelheden hennepstekken ging, acht de rechtbank onaannemelijk. Uit de getapte telefoongesprekken en sms-berichten blijkt dat [verdachte 3] ongeveer 1500 stekken per week leverde aan [verdachte 1] . De rechtbank ziet, gezien de inhoud van de bewijsmiddelen, geen reden om van andere hoeveelheden uit te gaan.

Nu er sprake is geweest van een langere periode waarin vrijwel wekelijks hennepstekken werden verkocht, vervoerd en geleverd, wordt eveneens bewezen geacht dat deze hennepstekkenhandel een beroeps- of bedrijfsmatig karakter had.

In het geval van [verdachte] acht de rechtbank het medeplegen van hennepteelt niet bewezen.

Er zijn geen aanwijzingen dat [verdachte] bij de teelt van de hennepstekken enige betrokkenheid had. Op het moment dat [verdachte 6] als vaste kweker van hennepstekken in beeld kwam, was [verdachte] mogelijk al niet meer betrokken bij de stekkenhandel. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat [verdachte] op enige wijze met [verdachte 6] heeft samengewerkt. [verdachte] haalde de stekken op in Haarsteeg en was gedurende de periode dat deze aan de klanten van [verdachte 1] werden geleverd vanaf diens woonadres aan de [straat] te Sittard degene die het voertuig met de stekken steeds op en af het terrein van [verdachte 1] reed. Dat hij niet geweten zou hebben dat het om het vervoer en de handel in hennepstekken ging, acht de rechtbank gelet op zijn rol en het ontbreken van een alternatieve verklaring van [verdachte] zelf, dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 juni 2018 tot en met 21 september 2018 in de uitoefening van een beroep of bedrijf tezamen en in vereniging met anderen grote hoeveelheden hennepstekken heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd.

Partiële vrijspraak feit 1

Het onder feit 1 eveneens tenlastegelegde verwijt dat [verdachte] op 4 september 2018 omstreeks 16.52 uur tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een grote hoeveelheid hennepstekken buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, acht de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, niet bewezen. Middels de getapte lijn van [verdachte] werd een gesprek onderschept tussen [verdachte] en [verdachte 7] , waarin [verdachte 7] vraagt of [verdachte] “120 stuks buiten kan zetten” zodat deze zo meteen opgehaald kunnen worden. Het observatieteam nam vervolgens waar dat er een aantal voertuigen bij de loods aan de [adres loods 3] te Sittard stond, waaronder twee voertuigen met Belgische kentekenplaten. Voorts werd waargenomen dat [verdachte] vanaf die loods vertrok. De twee voertuigen met de Belgische kentekens zijn later die dag waargenomen bij een woonhuis in België. De rechtbank acht niet bewezen dat er die dag 120 hennepstekken zijn uitgevoerd vanuit de loods aan de [adres loods 3] te Sittard. Zoals hiervoor is uiteengezet, werden in de betreffende periode de hennepstekken volgens vaste werkwijze vanaf het woonadres van [verdachte 1] geleverd. Er zijn geen aanwijzingen dat er ook hennepstekken werden geleverd vanuit de loods aan de [adres loods 3] te Sittard. Er zijn die dag ook geen hennepstekken waargenomen. Het enkele feit dat er over de telefoon is gesproken over het “buiten zetten van 120 stuks” is dan ook onvoldoende om bewezen te achten dat dit over hennepstekken ging. De rechtbank zal [verdachte] van dat onderdeel van feit 1 vrijspreken.

Voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet
(feit 2)

De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet

[verdachte] en de medeverdachten [verdachte 1] , [medeverdachte 1] en [verdachte 7] worden verdacht van het (gezamenlijk) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet, zoals dit artikel sinds 1 maart 2015 luidt. Dat artikel stelt strafbaar hij die ‘stoffen of voorwerpen (…) voorhanden heeft (…), waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten’. Artikel 11, derde lid, van de Opiumwet stelt strafbaar hij die ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod’. Het vijfde lid van dat artikel houdt in dat indien ‘een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel’ een gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd. Onder een grote hoeveelheid wordt verstaan ‘een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’ Die algemene maatregel van bestuur is het Opiumwetbesluit. Op grond van artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit betreft een grote hoeveelheid, voor zover hier relevant, meer dan 500 gram hennep of 200 hennepplanten.

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat tot de invoering van artikel 11a van de Opiumwet leidde, is door de wetgever uitgebreid ingegaan op de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 11a van de Opiumwet.

In de Nota naar aanleiding van het Verslag is daarover onder meer het volgende aangegeven:

‘Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het Openbaar Ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. (…) Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht.’

In de brief van de minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2012 met een schriftelijke reactie op de in eerste termijn bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer gestelde vragen schrijft de minister over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid verder onder meer nog:

‘Het gaat in dit wetsvoorstel in het geheel niet om een omslag van legale producten in illegale producten. Het gaat erom dat voorwerpen (…) ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan. Het gaat dus om het “ter beschikking stellen van de voorwerpen” en niet om de voorwerpen die ter beschikking worden gesteld. De kern van de strafbare voorbereiding is de verstrekking onder bepaalde omstandigheden. De verstrekking onder die omstandigheden is strafbaar, maar de voorwerpen blijven doorgaans legaal.’

De wetgever heeft tijdens de parlementaire behandeling voor de vraag wanneer sprake is van beroepsmatige of bedrijfsmatige teelt van hennepplanten verwezen naar wat hierover staat in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie. In de Nota naar aanleiding van het Verslag staat:

‘Bij beroeps- en bedrijfsmatige teelt wordt gekeken naar de wijze van telen, zoals blijkt uit de Aanwijzing Opiumwet van het OM (Staatscourant 2011, nr. 11 134 van 27 juni 2011), paragraaf 3.2.1 en bijlage 1. Paragraaf 3.2.1 vermeldt, voor zover hier van belang, dat voor de beoordeling van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van teelt wordt gekeken naar de omstandigheden waaronder de teelt plaatsvindt. Bij het aantreffen van een hoeveelheid van vijf planten of minder wordt in het algemeen aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het aantal planten is echter niet altijd de doorslaggevende factor voor het bepalen van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van de teelt. Ook bij vijf planten of minder kan sprake zijn van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Dit geldt in situaties waarin aan twee of meer indicatoren voor professionele teelt, zoals opgenomen in bijlage I van de Aanwijzing is voldaan en indien er sprake is van teelt voor geldelijk gewin.’

In de Aanwijzing Opiumwet wordt aangegeven dat aan de hand van doel en mate van professionaliteit moet worden beoordeeld of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij bij een schaalgrootte van vijf planten of minder in beginsel aangenomen kan worden dat geen sprake is beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Doel (geldelijk gewin) en mate van professionaliteit van de teelt van een hoeveelheid kan echter maken dat ook in een dergelijk geval sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet bevat een niet-limitatieve opsomming van indicatoren om de mate van professionaliteit van de hennepkweek te beoordelen.

Het bewijs voor voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet

De verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting

De verklaring die [verdachte 1] ter terechtzitting heeft afgelegd, ziet ook op de handel in ‘growshop’-goederen. Volgens hem verkocht hij in [winkel] materialen die gebruikt kunnen worden om hennep te kweken, maar dat was volgens hem slechts kleinschalig. Hij wist dat hij goederen verkocht die bestemd waren voor hennepteelt. Dat deed hij al vanaf het jaar 1998 en hij was zich bewust van de wetswijziging van 2015 ten aanzien van ‘growshops’. De koolstoffilters, lampen, enzovoorts, wilde hij niet op de zaak hebben, omdat dat in strijd is met de wet. Het klopt dat hij een telefoongesprek heeft gevoerd over welke spullen wel en niet in een zaak mochten staan. Na de wetswijziging van 2015 heeft hij de bedrijfsvoering van [winkel] aangepast. De winkel is hetzelfde gebleven, maar sindsdien had hij geen lampen, koolstoffilters en schakelborden meer in de winkel. Hij bewaarde die elders. In één van de loodsen (rechtbank: de hierna te bespreken loods in Elsloo) had hij een voorraad, zo verklaarde [verdachte 1] , en uit die voorraad heeft hij nog een aantal dingen verkocht.

Telefoonnummers en tapgesprekken

[verdachte 1] maakte (onder meer) gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 8]. [verdachte] maakte (onder meer) gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 9] . [medeverdachte 1] maakte gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] .

Uit opgenomen tapgesprekken leidt de rechtbank af dat [verdachte 1] meermaals telefonische instructies gaf aan [verdachte] om met zijn bestelbus spullen, zoals kannen groeimiddelen of droognetten, op te halen uit loodsen of het magazijn en dat [verdachte 1] aan [verdachte] mededeelde dat hij bepaalde zaken niet goed deed. Ook blijkt uit de telefonische gesprekken tussen beiden en tussen [verdachte 1] en [medeverdachte 1] dat [verdachte] ook opdrachten kreeg van [medeverdachte 1] , waarbij [verdachte 1] uiteindelijk bepaalde wat er gebeurde.

[verdachte 1] gaf, blijkens de tapgesprekken, ook instructies aan [medeverdachte 1] en zij hadden contact over (betalingen van) bestellingen van klanten die [medeverdachte 1] zag in de winkel en over het naar de bank gaan. Bij de bestellingen gaat het onder andere om ‘filters’ en om een ‘RVK’; de politie merkt hierover op dat dit een aanduiding is van type ventilator dat in de hennepteelt gebruikt wordt.

Observatie

[verdachte] maakt gebruik van een Fiat Fiorino met het kenteken [kenteken 1] . Op 6 september 2018 werd gezien dat [verdachte] vanuit de [adres 1] te Sittard (de woning van [verdachte 1] ) in de Fiat vertrok en dat hij vervolgens ter hoogte van de loods aan [adres loods 3] te Sittard parkeerde. De rolpoort van deze loods stond open en [verdachte] liep met een grote kartonnen doos de loods uit.

Doorzoekingen

Op 20 november 2018 heeft een doorzoeking plaatsgehad van het pand aan de [adres 10] te Geleen alwaar [winkel] is gelegen, waarvan [verdachte 1] de eigenaar is. In het winkelgedeelte achter de kassa zijn onder meer klappers met inkoopprijzen en informatie over cannabiszaden, diverse cannabiszaden, gripzakjes in diverse formaten, strijkzakken, sporttassen en ‘bigshoppers’ aangetroffen. In de stellingen achter de balie werden onder meer schakelklokken, contactdozen, kabels, stekkers, zware zekeringen en aftakklemmen aangetroffen. In het achterdeel van de winkelruimte werden op stellingen groeimiddelen met een inhoud van 1, 5 en 10 liter, ventilatoren, dompelpompen en opvouwbare watervaten aangetroffen. In de loods naast het winkelgedeelte zijn dozen met zwarte strijkzakken, zwarte bloempotten, diverse rollen vijverfolie, watervaten, isolatiefolie, 3 pallets met kweekmedium, luchtvoeronderdelen, flexibele slangen en koolstoffilters aangetroffen.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft in de periode van 2015 tot en met 2018 tientallen grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages ontmanteld en heeft over de bij [winkel] aangetroffen goederen gerelateerd dat deze goederen veelvuldig gebruikt worden bij grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages.

In de vuilnisbak in het kantoorgedeelte van [winkel] is een verscheurde notitie aangetroffen waarop volgens verbalisant [verbalisant 2] nagenoeg een complete inrichting (hardware) voor een hennepplantage met een capaciteit van circa 600 planten was vermeld. [verbalisant 2] is ambtshalve bekend met dergelijke inrichtingen uit eerdere opsporingsonderzoeken naar de georganiseerde hennepteelt.

Op 20 november 2018 vond een doorzoeking in de loods aan de [adres loods 3] te Sittard plaats. Het betreft een grote opslagruimte met rekken en pallets waarop plastic potten, dozen met steenwolblokken, watertonnen, lege jerrycans, droogrekken en jerrycans met groeimiddelen stonden.

Op diezelfde dag vond een doorzoeking plaats in de loods aan de [adres loods 3] te Sittard. Er zijn onder meer, plastic bakken, groene watertonnen, 9 pallets met elk 60 zakken met opschrift “janero professional” met als inhoud potgrond (inhoud 50 liter) en 8 pallets met elk 70 zakken met opschrift “Ata Wilma Cocos Substract” (inhoud 50 liter) aangetroffen. Op de zakken was een sticker aangebracht met [winkel] en de adressering [adres 13] te Sittard. Tijdens de doorzoeking verscheen onder meer [medeverdachte 1] aan de deur.

Ook in de bedrijfsgebouwen aan de [adres loods 2] te Elsloo vond op 20 november 2018 een doorzoeking plaats. Getuige [getuige 3] , de eigenaar van de bedrijfsgebouwen, heeft verklaard dat de goederen in gang T van [verdachte 1] waren. Het betroffen onder meer grote en kleine koolstoffilters, ventilatoren met diverse capaciteit, assimilatielampen, armaturen voor assimilatielampen, schakelkasten en groepenkasten met tijdklok en wandcontactdozen, voorschakelapparaten/transformatoren, slakkenhuizen, dozen met groeimiddelen en een groeistimulator. Verbalisant [verbalisant 3] heeft tientallen grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages ontmanteld en heeft over deze aangetroffen goederen gerelateerd dat deze goederen veelvuldig gebruikt worden bij grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages.

Getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte 1] de opslagruimte ongeveer 2 jaar huurde en dat een man genaamd [verdachte] zijn vaste contactpersoon was. [getuige 3] heeft voorts verklaard dat [verdachte] de chauffeur van [verdachte 1] was en dat deze de spullen naar het gebouw bracht. [getuige 3] kwam 1 of 2 keer per week in zijn bedrijfsgebouwen.

Klanten van [winkel]

Getuige [getuige 1] heeft op 21 november 2018 verklaard dat hij 4 of 5 weken geleden een kannetje van 5 liter groeimiddel bij [winkel] heeft gekocht.

Getuige [getuige 2] heeft op 21 november 2018 verklaard dat hij 2 weken geleden plantenvoeding bij [winkel] heeft gekocht.

Op 20 november 2018 zijn in de woning van [getuige 1] op het adres [adres 9] te Sittard en in de woning van [getuige 2] aan de [adres 8] te Munstergeleen in werking zijnde hennepkwekerijen aangetroffen met 323, respectievelijk 140 hennepplanten.

Onderzoek verkoopadministratie [winkel]

Uit onderzoek naar de verkoopadministratie van [winkel] is gebleken dat de omzet van [winkel] nagenoeg geheel bestond uit contante omzet. Uit de administratie van [bedrijf 2] , een van de grootste leveranciers van [winkel] , blijkt dat alle inkoopfacturen contant werden betaald door [winkel] .

Hebben [verdachte] en zijn medeverdachten [verdachte 1] , [verdachte 7] en [medeverdachte 1] zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet?

[verdachte 1] had de bij de doorzoeking aangetroffen voorwerpen en stoffen in zijn bedrijfspand aan de [adres 10] te Geleen, de bedrijfsgebouwen aan de [adres loods 2] te Elsloo en de loodsen aan de [adres loods 3] en [nummer] te Sittard voorhanden ten behoeve van de verkoop. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat de opgeslagen goederen vanuit de bedrijfsgebouwen en de loodsen naar de winkel werden vervoerd ten behoeve van de verkoop vanuit [winkel] . De in voornoemde panden/loodsen aangetroffen voorwerpen en stoffen zijn naar het oordeel van de rechtbank vanwege hun aard en functie, en gelet op de gezamenlijkheid van de goederen, bestemd voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt, dan wel voor het telen van grote hoeveelheden hennep. Dat betekent dat de rechtbank de verklaring van [verdachte 1] , dat hij slechts goederen verkocht met het oog op kleinschalige hennepteelt, niet gelooft.

Voor de beantwoording van de vraag wanneer er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, zoekt de rechtbank aansluiting bij de Aanwijzing Opiumwet. Dit is weliswaar een beleidsstuk van het Openbaar Ministerie en dus geen ‘recht’, maar uit de parlementaire geschiedenis, zoals hierboven is geciteerd, blijkt wel degelijk dat de wetgever de in deze Aanwijzing genoemde criteria ook toepasbaar heeft geacht bij het beantwoorden van de vraag wanneer sprake is beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt als bedoeld in artikel 11a, juncto artikel 11 lid 3 van de Opiumwet.

Daarvan is – de Aanwijzing Opiumwet indachtig – sprake bij het telen van meer dan 5 planten of (indien er minder dan 5 planten worden geteeld) de mate waarin deze teelt professioneel wordt aangepakt, dus met gebruik van meer dan 2 “hulpmiddelen” zoals onder andere lampen, koolstoffilters, groeimiddelen, enzovoorts, met het doel om met de teelt geld te verdienen.

De goederen die zijn beschreven op de kavellijsten en in beslag genomen zijn in het bedrijfspand van [winkel] , de loodsen aan de [adres loods 3] en [nummer] in Sittard en in de door [verdachte 1] gehuurde ruimte aan de [adres loods 2] in Elsloo, en de goederen die door [verdachte 1] werden verkocht aan zijn afnemers, kunnen allemaal gebruikt worden voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt.

Uit het dossier blijkt voorts ook dat door [verdachte 1] verkochte goederen hun bestemming hebben gevonden in de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, nu bij klanten van hem, te weten [getuige 1] en [getuige 2] , hennepkwekerijen zijn aangetroffen met respectievelijk 323 en 140 planten.

Deze klanten hebben tevens hun hennepstekken bij [verdachte 1] gekocht, zodat [verdachte 1] ook – in ieder geval van deze klanten – wist dat het geen hobbykwekers waren.

Gelet op de aard en het samenstel van de goederen die door [verdachte 1] werden verkocht, is het voorts volstrekt onaannemelijk dat dit alleen of zelfs voornamelijk gebeurde aan hobbykwekers, die niet meer dan 5 planten voor eigen (al dan niet medicinaal) gebruik teelden, zoals de verdediging heeft betoogd. De goederen op de kavellijsten, waaronder grote sporttassen en strijkzakken, meerdere lampen, slakkenhuizen, groepenkasten, schakelborden, armaturen voor meerdere assimilatielampen, koolstoffilters met zeer grote capaciteit, grote opvouwbare watervaten voor 500 of 750 liter water, de grootverpakking van de aangeboden groeimiddelen, maken dat scenario volstrekt onwaarschijnlijk.

De stelling dat ook hobbykwekers de door hen geteelde hennep vervoeren in sporttassen en bewaren in strijkzakken, wordt bovendien door de rechtbank niet gevolgd. De hoeveelheid hennep die een hobbykweker kan produceren met het maximaal toegestane aantal van 5 planten, behoeft geen sporttas als verpakking, nog afgezien van de vraag waarom een hobbykweker zijn oogst überhaupt zou moeten vervoeren. Zodra hij immers zijn hennep verkoopt, is er sprake van een bedrijfsmatig aspect en valt zijn activiteit onder de werking van artikel 11 derde lid, van de Opiumwet.

Daar komt bij dat [verdachte 1] heeft verklaard dat hij is begonnen met de handel in hennepstekken naar aanleiding van veelvuldige vraag van klanten van zijn zaak. Gelet op de aantallen hennepstekken die vervolgens door diezelfde klanten werden besteld, kan niet worden volgehouden dat deze klanten zich bezig hielden met de hobbymatige hennepteelt van maximaal 5 planten. Alleen al van deze klanten wist [verdachte 1] dus dat zij zich niet bezighielden met hobbykweken, maar dat zij zich bezighielden met illegale, grootschalige hennepteelt. Daarmee wist [verdachte 1] dus dat de overige producten die hij leverde aan die klanten ook daarvoor bestemd waren.

Die bestemming, en de wetenschap van [verdachte 1] daarvan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het feit dat in de vuilnisbak van de winkel een verscheurde notitie is gevonden met daarop nagenoeg een complete inrichting voor een hennepkwekerij van circa 600 hennepplanten, die kennelijk is opgesteld voor een (potentiële) koper van die goederen.

[verdachte 1] had onder meer koolstoffilters, lampen en schakelkasten, ten behoeve van de verkoop opgeslagen in het bedrijfspand aan de [adres loods 2] te Elsloo; producten waarvan hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij die na wetswijziging in 2015 van artikel 11a van de Opiumwet niet meer in zijn winkel wilde hebben. Blijkens zijn verklaring was hij zich bewust van het risico van een verdenking van het plegen van voorbereidingshandelingen. Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [verdachte 1] wist dat de aangetroffen goederen op 20 november 2018 op de [adres 10] te Geleen (adres [winkel] ), de [adres loods 3] en [nummer] te Sittard en de [adres loods 2] te Elsloo bestemd waren voor de beroeps- en/of bedrijfsmatige hennepteelt, zoals ten laste is gelegd onder feit 2. De op de verschillende locaties aangetroffen goederen zijn vermeld op de lijsten met betrekking tot inbeslagneming op de pagina’s genoemd in de tenlastelegging, met dien verstande dat pagina 849 betrekking heeft op de [adres loods 3] en de pagina’s 832-835 betrekking hebben op [adres loods 3] . De rechtbank leest dit verbeterd.

De rechtbank is voorts van oordeel dat [verdachte 1] dit feit tezamen en in vereniging met [verdachte] en [medeverdachte 1] heeft gepleegd. [verdachte] was een werknemer van [verdachte 1] , blijkt uit de verklaring van [verdachte 1] en uit het politieonderzoek. Uit de tapgesprekken blijkt dat [verdachte] in opdracht van [verdachte 1] goederen vervoerde van de loodsen naar [winkel] en andersom. Volgens getuige [getuige 3] is ( [verdachte] ) [verdachte] zijn vaste contactpersoon en de chauffeur van [verdachte 1] die alle spullen naar het bedrijfsgebouw van [getuige 3] bracht. [verdachte] was bovendien tot 20 september 2018 betrokken bij de aan- en aflevering van hennepstekken. Gelet op deze omstandigheden was [verdachte] op de hoogte van de goederen die ten behoeve van de verkoop van [winkel] waren opgeslagen op voornoemde locaties. De aangetroffen voorwerpen en stoffen waren naar het oordeel van de rechtbank, zoals gezegd, bestemd voor grootschalige hennepteelt en/of bedrijfsmatig gebruik. Dat voorwerpen zoals in de loodsen/panden aangetroffen voor professionele hennepteelt plegen te worden gebruikt acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. [verdachte] heeft daarom in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze voorwerpen daarvoor ook bestemd waren.

[medeverdachte 1] was een werkneemster van [verdachte 1] . Uit de tapgesprekken blijkt dat zij haar werkzaamheden in opdracht van [verdachte 1] uitvoerde en dat zij (na overleg met [verdachte 1] ) soms ook [verdachte] opdracht gaf goederen op te halen bij de loodsen en naar [winkel] te brengen ten behoeve van de verkoop, alwaar zij zich dan bevond. Ook blijkt uit de tapgesprekken dat zij zelfstandig (financiële) zaken regelde met klanten. Uit de taps over bestellingen blijkt dat de aard van de goederen bij haar bekend was: filters, grond, pluggen en de RVK. Gelet op haar aanwezigheid in de winkel, maar ook in de loods aan de [adres loods 3] te Sittard op de dag van de doorzoeking, was zij naar het oordeel van de rechtbank op de hoogte van de voorwerpen en stoffen die te koop werden aangeboden door [winkel] en moet zij ook hebben geweten dat deze goederen voor het overgrote deel contant werden betaald. Onder deze omstandigheden is het onaannemelijk dat zij niet wist dat zij en haar medeverdachten de bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt faciliteerden. In ieder geval heeft zij door haar handelswijze bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit het geval was.

[verdachte 7] is door de rechtbank vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. De rechtbank beschouwt hem dan ook niet als medepleger van dit feit.

Partiële vrijspraak feit 2

De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [verdachte 1] voorwerpen en stoffen bestemd voor de beroepsmatige- of bedrijfsmatige hennepteelt voorhanden heeft gehad op de [adres 4] te Schinveld, te weten 90 hennepstekken, zoals vermeld op de lijst op pagina 816 van het beslagdossier, nu het procesdossier geen bewijs bevat dat [verdachte] ten tijde van het aantreffen van die hennepstekken nog betrokken was bij de handel in de hennepstekken van [verdachte 1] .

Uit het procesdossier blijkt ook niet dat de voorwerpen in de loods aan de [adres 12] te Sittard van [verdachte 1] waren, zodat [verdachte] van het medeplegen van het voorhanden hebben hiervan partieel zal worden vrijgesproken.

[verdachte] wordt daarnaast verweten dat hij in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 tezamen en in vereniging voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet heeft gepleegd, door het voorhanden hebben van de voertuigen van het merk Peugeot type Partner met kenteken [kenteken 10] en/of van het merk Fiat type Fiorino met kenteken [kenteken 1] . Uit de wijze van ten laste leggen en de uitleg van de officier van justitie ter terechtzitting begrijpt de rechtbank dat met de verweten voorbereidingshandeling alleen wordt gedoeld op het vervoer van de hennepstekken en niet het vervoer van de growshopgoederen. Deze Peugeot Partner is één keer en de Fiat Fiorino meerdere keren tijdens de observaties in de periode van juni 2018 tot en met september 2018 bij de woning van [verdachte 1] gezien, alwaar in die periode hennepstekken werden verhandeld en de Fiat Fiorino, die voorzien was van het peilbaken, heeft ook meerdere ritten naar Haarsteeg gemaakt om hennepstekken af te halen, maar dat maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat deze voertuigen daarmee ook bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige, dan wel grootschalige teelt, vervoer en handel van en in hennep. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze voertuigen immers alledaagse gebruiksvoorwerpen die voor het grootste deel van de tijd niet werden gebruikt voor het vervoer van hennepstekken. Het enkele feit dat deze voertuigen ook zijn gebruikt voor het vervoer van hennepstekken, maakt niet dat de bestemming van deze voertuigen is gewijzigd. Dat zou naar het oordeel van de rechtbank een te ruime uitleg zijn van het bepaalde in artikel 11a van de Opiumwet en niet stroken met het doel en strekking van deze strafbepaling. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] door het voorhanden hebben van de Fiat Fiorino en Peugeot Partner voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet heeft gepleegd. Dit leidt ertoe dat [verdachte] hiervan partieel dient te worden vrijgesproken.

Deelname aan een criminele organisatie
(feit 3)

In artikel 11b van de Opiumwet is deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een aantal misdrijven uit de Opiumwet strafbaar gesteld. Dit artikel is een specialis (verbijzondering) van de generalis (algemene bepaling) uit artikel 140 Wetboek van Strafrecht. Voor de betekenis van de verschillende bestanddelen moet dan ook aansluiting gezocht worden bij de jurisprudentie betreffende artikel 140 Wetboek van Strafrecht.

Oogmerk

Om van een ‘criminele’ organisatie te kunnen spreken, moet die organisatie het doel hebben misdrijven te plegen. Daarbij is niet nodig dat het plegen van misdrijven het einddoel van de organisatie is. De misdrijven hoeven nog niet te zijn begaan. Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

In deze zaak is ten laste gelegd het oogmerk tot het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vijfde lid en/of 11a van de Opiumwet.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, waarop de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 is gebaseerd, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

De criminele organisatie ziet in de eerste plaats op het plegen van voorbereidingshandelingen voor Opiumwetdelicten. [verdachte 1] was eigenaar van [winkel] en heeft, zoals reeds is vastgesteld door de rechtbank, samen met de medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet gepleegd door voorwerpen en stoffen te koop aan te bieden en voorhanden te hebben die bestemd waren voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. [verdachte 1] was de werkgever van [verdachte] . Ook was hij de werkgever van [medeverdachte 1] . Vanuit die rol stuurde [verdachte 1] hen aan. [verdachte] was zijn vaste chauffeur die de goederen van de loodsen naar [winkel] bracht en andersom. [medeverdachte 1] was werkzaam in de winkel, regelde (financiële) zaken met klanten en stuurde [verdachte] in opdracht van [verdachte 1] soms ook aan. Gelet op hun strafbare voorbereidingshandelingen als werknemers voor [verdachte 1] was sprake van een duurzame samenwerking. Ook hadden de verdachten, gelet op de beschreven werkzaamheden, een vaste rol bij het plegen van dit strafbaar feit.

In de tweede plaats ziet de criminele organisatie op de handel in hennepstekken. Ook die handel vond plaats vanuit [winkel] . Daarover heeft de rechtbank al geoordeeld dat het medeplegen van de handel in hennepstekken bewezen wordt geacht voor de periode van 1 juni 2018, het moment dat de observaties begonnen, tot en met 20 november 2018. Hieruit volgt dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid.

Klanten konden in de winkel hennepstekken bestellen, die zij vervolgens konden afhalen bij de woning van [verdachte 1] , waarbij de hennepstekken tot 21 september 2018 door [verdachte] werden vervoerd. Nadien is de afleverplek gewijzigd en konden de hennepstekken worden opgehaald bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld. Deze loods was in gebruik bij [verdachte 4] en hij was degene die de afnemers en leveranciers van hennepstekken bij zijn loods ontving. [verdachte 3] en [verdachte 6] waren de vaste leveranciers van [verdachte 1] en [verdachte 5] was vanaf 26 oktober 2018 de vervoerder van de hennepstekken naar de loods aan de [adres 4] te Schinveld. [naam 2] bestelde met enige regelmaat hennepstekken bij [verdachte 1] en ondersteunde daarmee de criminele activiteiten van diens organisatie, in die zin dat de organisatie van [verdachte 1] zich verzekerd wist van een afzetmarkt.

[verdachte 1] bepaalde de gang van zaken in zijn bedrijf, alwaar hij goederen bestemd voor de illegale hennepteelt ten behoeve van de verkoop voorhanden had en hij bracht de vraag en het aanbod in de hennepstekkenhandel samen. Hij onderhield de contacten met afnemers en leveranciers en zorgde dat de hennepstekken van de leveranciers bij de klanten terecht kwamen. Alle verdachten hadden aldus een vaste rol bij de handel in de hennepstekken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] samen met [verdachte 1] , [medeverdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 6] , [verdachte 5] , [verdachte 4] en [naam 2] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat [verdachte 1] daarvan de leider was.

[verdachte 7] is door de rechtbank vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat hij deel uitmaakte van de criminele organisatie.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte]

1.

in de periode 1 juni 2018 tot en met 21 september 2018 in meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg en in het arrondissement Oost-Brabant tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

-in voornoemde periode in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd, en

-in voornoemde periode opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten grote hoeveelheden hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II;

2.

in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 in meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, stoffen en/of voorwerpen heeft te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en voorhanden gehad, te weten:

(in verband met de handel in growshopgoederen)

— voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres 10] ( [postcode] ) te Geleen (dossier, p. 909-913), en

— voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres loods 3] ( [postcode] ) te Sittard (dossier, p. 832-835), en

— voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres loods 3] ( [postcode] ) te Sittard (dossier, p. 849), en

— voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres loods 2] ( [postcode] ) te Elsloo (dossier, p. 984-988),

waarvan hij en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

3.

in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 in één of meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg en in het arrondissement Oost-Brabant en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen,

te weten (onder andere):

— [verdachte 1] en

— [verdachte 3] en

— [verdachte 4] en

— [naam 2] en

— [verdachte 6] en

— [verdachte 5] en

— [medeverdachte 1] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde, vijfde lid en 11a Opiumwet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] moet daarvan worden vrijgesproken.

4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1:

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

t.a.v. feit 2:

medeplegen van stoffen en voorwerpen te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

t.a.v. feit 3:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid en vijfde lid en artikel 11a van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5De strafbaarheid van de verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan [verdachte] een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 4 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de geringe rol van [verdachte] bij de tenlastegelegde feiten, het strafblad van [verdachte] waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld is voor soortgelijke feiten en de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). [verdachte] heeft een vast contract als machinebediende en werkt minimaal 40 uren in de week. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou betekenen dat [verdachte] zijn werk zal verliezen. Hij heeft een vriendin en zij willen een gezin stichten. Gelet op voornoemde omstandigheden heeft de raadsvrouw verzocht aan [verdachte] geen (geheel) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

[verdachte] is 4 maanden als vervoerder betrokken geweest bij de handel in hennepstekken. Ook heeft hij gedurende bijna acht maanden voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet gepleegd door voorwerpen waarvan hij wist dat ze bestemd waren voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt te vervoeren. Hij heeft deze feiten gepleegd als lid van een criminele organisatie. [verdachte] voerde opdrachten uit in opdracht van [verdachte 1] . [verdachte 1] had voor het plegen van deze misdrijven een vervoerder van de goederen nodig. [verdachte] vervulde deze rol als vervoerder en was in zoverre onmisbaar. Hij heeft daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan het plegen van de feiten.

Hennep bevat de voor de gezondheid van personen schadelijke stof THC. Met het kweken van hennep worden grote illegale winsten behaald. De verspreiding van en handel in hennep gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, zoals witwassen en ripdeals. [verdachte] en zijn medeverdachten zijn hieraan voorbij gegaan en hebben slechts hun eigen financieel gewin voorop gesteld.

De rechtbank zal bij de strafoplegging ten gunste van [verdachte] rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en de uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven over de wijze waarop met een dergelijke overschrijding moet worden omgegaan. Uitgangspunt hierbij is dat de behandeling van een strafzaak in eerste aanleg binnen 2 jaren dient te zijn afgerond met een eindvonnis. Als aanvang van de termijn geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

[verdachte] werd op 28 november 2018 aangehouden en in verzekering gesteld. De redelijke termijn is dan ook op die dag gaan lopen. De zaak is pas op 16 november 2021 ter terechtzitting aangebracht en dit vonnis wordt heden, op 27 januari 2022, gewezen. De redelijke termijn is daarmee met 14 maanden overschreden.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met het strafblad van [verdachte] , waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar vergelijkbare gevallen en acht geslagen op de straffen die in die zaken zijn opgelegd. Doorgaans worden onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor de door [verdachte] gepleegde feiten opgelegd. Gelet op de eerder beschreven ondergeschikte rol van [verdachte] in de criminele organisatie en de relatief korte periode waarin hij bij de hennepstekkenhandel betrokken is geweest, zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daarnaast een taakstraf. Gelet op de feiten acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen (3 maanden) met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Met de oplegging van deze voorwaardelijke gevangenisstraf wil de rechtbank [verdachte] ervan doordringen dat hij niet nog eens strafbare feiten mag plegen. Deze stok achter de deur is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk gelet op de mogelijke financiële problemen als gevolg van de naast deze strafzaak lopende ontnemingsprocedure en de op grond daarvan ontstane vrees van de rechtbank dat [verdachte] mogelijk wederom in de verleiding komt om zich met dit soort strafbare feiten in te laten. Ten aanzien van de hoogte van de taakstraf overweegt de rechtbank dat, gelet op de ernst van de feiten, een duur van 200 uren gerechtvaardigd is. In de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank aanleiding deze straf te matigen tot 180 uren, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht naar een maatstaf van 2 uren per dag.

7De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11, 11a en 11b van de Opiumwet.

8De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart [verdachte] strafbaar;

Straf

veroordeelt [verdachte] voor feit 1, feit 2 en feit 3 tot een gevangenisstraf van 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf voor de duur van 180 uren;

beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.A. Colen en mr. S.A.J. Wenders, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 januari 2022.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 in één of meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg en/of in het arrondissement Oost-Brabant en/of (elders) in Nederland en/of in België tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal

-op 4 september 2018 omstreeks 16:52 opzettelijk buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht, en/of

-in voornoemde periode in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk

heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt

en/of vervoerd, en/of

-in voornoemde periode opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt,

verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5

van de Opiumwet, te weten,

één (grote) hoeveelheid of meer (grote) hoeveelheden hennepstekken, in elk

geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij

die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

hij in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 in één of meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg en/of in het arrondissement Oost-Brabant en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te

weten:

(al dan niet in verband met de handel in growshopgoederen)

— alle, althans één of meer voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot

de inbeslagneming op het adres [adres 10] ( [postcode] ) te Geleen (dossier,

p. 909-913), en/of

— alle, althans één of meer voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot

de inbeslagneming op het adres [adres loods 3] ( [postcode] ) te Sittard

(dossier, p. 849), en/of

— alle, althans één of meer voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot

de inbeslagneming op het adres [adres loods 3] ( [postcode] ) te Sittard

(dossier, p. 832-835), en/of

— alle, althans één of meer voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot

de inbeslagneming op het adres [adres 12] ( [postcode] ) te Sittard

(dossier, p. 870), en/of

— alle, althans één of meer voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot

de inbeslagneming op het adres [adres loods 2] ( [postcode] ) te Elsloo (dossier,

p. 984-988), en/of

(al dan niet in verband met de handel in hennepstekken)

— alle, althans één of meer voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot

de inbeslagneming op het adres [adres 4] ( [postcode] ) te Schinveld

(dossier, p. 816), dan wel

vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten

(al dan niet in verband met de handel in growshopgoederen)

— een voertuig van het merk/type Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 11] , en/of

— een voertuig van het merk/type Peugeot Expert met kenteken [kenteken 7] , en/of

— een voertuig van het merk/type BMW X5 met kenteken [kenteken 3] en/of

— een voertuig van het merk/type Peugeot Partner met kenteken [kenteken 9] , en/of

— een voertuig van het merk/type Ford Transit met kenteken [kenteken 12] , en/of

(al dan niet in verband met de handel in hennepstekken)

— een pand gelegen aan de [adres 1] ( [postcode] ) te Sittard, en/of

— een voertuig van het merk/type Peugeot Partner met kenteken [kenteken 10] , en/of

— een voertuig van het merk/type Fiat Fiorino met kenteken [kenteken 1] , en/of

— een voertuig van het merk/type Citroen Saxo met kenteken [kenteken 6] , en/of

— een voertuig van het merk/type Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 13] , en/of

— een voertuig van het merk/type Volvo V40 met kenteken [kenteken 8] , en/of

— een voertuig van het merk/type Kia Sportage met kenteken [kenteken 5] ,

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te

vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11,

derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

3.

hij in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 in één of meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg en/of in het arrondissement Oost-Brabant en/of (elders) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen,

te weten (onder andere):

— [verdachte 1] en/of

— [verdachte 3] en/of

— [verdachte 4] en/of

— [naam 2] en/of

— [verdachte 6] en/of

— [verdachte 5] en/of

— [verdachte 7] en/of

— [medeverdachte 1] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als

bedoeld in artikel 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.

Voetnoten

  1. Indien in dit vonnis personen worden genoemd, worden zij de eerste keer met de volledige initialen van hun voornamen vermeld, en de keren daarna alleen met hun achternaam.
  2. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt — tenzij anders vermeld — gedoeld op paginanummers uit zaaksdossier 1, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK1-LBRAA18007, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 888, zaaksdossier 3, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK3-LBRAA18007, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 230, zaaksdossier 4, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK4-LBRAA18007, gesloten d.d. 1 maart 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 223, zaaksdossier 5, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK5-LBRAA18007, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 209, zaaksdossier 7, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK7-LBRAA18007, gesloten d.d. 15 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 31, zaaksdossier 8, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK1-LBRAA18007, gesloten d.d. 30 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 704, Inleiding en Algemeen dossier, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer LBRAA18007-ALG, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 162, en Beslagdossier, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, gesloten d.d. 25 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 1024.
  3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte bij de meervoudige strafkamer ter terechtzitting van 16 november 2021, pagina’s 1 tot en met 4.
  4. Zaaksdossier 1, proces-verbaal camerabeelden 26 en 29 juni 2018 [adres 1] Sittard d.d. 10 juli 2018, pagina’s 82 tot en met 89.
  5. Inleiding en Algemeen dossier, proces-verbaal d.d. 12 april 2019, pagina 15, en het bevel observatie d.d. 5 juli 2018, pagina’s 64 en 65.
  6. Zaaksdossier 1, proces-verbaal camerabeelden 1 en 5 juni 2018 [adres 1] Sittard d.d. 3 juli 2018, pagina’s 72 tot en met 81 en het proces-verbaal camerabeelden 26 en 29 juni 2018 [adres 1] Sittard d.d. 10 juli 2018, pagina’s 82 tot en met 89.
  7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte bij de meervoudige strafkamer ter terechtzitting van 16 november 2021, pagina 3.
  8. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen loodsen, pagina 207.
  9. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 5..
  10. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 6.
  11. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 5.
  12. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 8 en 9.
  13. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie vrijdag 21 september 2018 d.d. 16 oktober 2018, pagina 32.
  14. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 9 en 10.
  15. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 11.
  16. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 11 en 12.
  17. Zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 23 en 24.
  18. Zaaksdossier 3, proces-verbaal camerabeelden [fastfood keten] Best (1e) d.d. 26 september 2018, pagina’s 34 tot en met 39.
  19. Zaaksdossier 3, proces-verbaal camerabeelden [fastfood keten] Best (2e) d.d. 29 september 2018, pagina’s 40 tot en met 47.
  20. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 23 oktober 2018, pagina 48.
  21. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2018, pagina’s 51 en 52.
  22. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 4.
  23. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 5.
  24. Zaaksdossier 3, proces-verbaal stekkenhandel [verdachte 3] d.d. 22 januari 2019, pagina’s 216 tot en met 219, met als bijlage de lijst historische verkeersgegevens, pagina’s 220 tot en met 223, en zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 5 en 6.
  25. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 16.
  26. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 4 oktober 2018, pagina’s 56 en 57.
  27. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 17.
  28. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 4 oktober 2018, pagina 58 en 59.
  29. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 18.
  30. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 30 oktober 2018, pagina 64, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 5 november 2018, pagina 71, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 15 november 2018, pagina 73.
  31. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 5 november 2018, pagina 71.
  32. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 22.
  33. Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 11.
  34. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 30 oktober 2018, pagina’s 64 en 65, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 5 november 2018, pagina 71, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 15 november 2018, pagina’s 73 en 74.
  35. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 22 november 2018, pagina 77, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van aanhouding d.d. 20 november 2018, pagina 104.
  36. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 22 november 2018, pagina’s 77 tot en met 79.
  37. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 19 tot en met 21.
  38. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen doos met hennepstekken [adres 4] Schinveld d.d. 27 november 2018, pagina’s 202 tot en met 204, en zaaksdossier 3, kennisgeving van inbeslagneming d.d. 20 november 2018, pagina 172.
  39. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen doos met hennepstekken [adres 4] Schinveld d.d. 27 november 2018, pagina 202.
  40. Inleiding en Algemeen dossier, proces-verbaal Pv stemherkenning [verdachte 6] d.d. 13 maart 2019, pagina 142.
  41. Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 5 tot en met 11.
  42. Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 11.
  43. Zaaksdossier 4, proces-verbaal van observatie d.d. 15 november 2018, pagina’s 81 en 82.
  44. Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 12, en zaaksdossier 5, proces-verbaal van observatie d.d. 5 december 2018, pagina 34.
  45. Proces-verbaal van terechtzitting verklaring [verdachte 6] .
  46. Zaaksdossier 5, proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 24 november 2018, pagina 46 tot en met 51, met als bijlagen een fotomap, pagina’s 52 tot en met 70, en kennisgevingen van inbeslagneming, pagina’s 71 tot en met 76, en een ruimlijst, pagina 77.
  47. Zaaksdossier 4, proces-verbaal ID [naam 2] d.d. 3 oktober 2018, pagina’s 30 en 31, en zaaksdossier 4, een ander geschrift, zijnde proces-verbaal Lokale Politie te Genk, eerste verhoor tijdens arrestatietermijn d.d. 16 oktober 2018, pagina 79, en zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina’s 5 tot en met 12 en 18.
  48. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 5.
  49. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 7.
  50. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 8.
  51. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 10.
  52. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 11.
  53. Zaaksdossier 4, proces-verbaal ID [naam 2] d.d. 3 oktober 2018, pagina’s 30 en 31.
  54. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 12.
  55. Beslagdossier, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 21 november 2018, pagina’s 471 en 472, met als bijlage een kavellijst, pagina 477 en 478.
  56. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] d.d. 21 november 2018, pagina’s 603 en 604.
  57. Zaaksdossier 7, proces-verbaal van bevindingen stekkenhandel [verdachte 1] d.d. 27 november 2018, pagina 12’s tot en met 27.
  58. Zaaksdossier 1, proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 28 december 2018, pagina’s 569 tot en met 571.
  59. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] d.d. 21 november 2018, pagina’s 241 en 242.
  60. Zaaksdossier 1, proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 4 januari 2019, pagina’s 210 tot en met 215.
  61. TK 2011-2012, 32 842, nr. 6, pagina’s 2 en 3; aangehaald in ECLI:NL:PHR:2019:1143, r.o. 10.
  62. TK 2012-2013, 32 842, nr. 13, pagina 6.
  63. TK 2011-2012, 32 842, nr. 6, pagina 9.
  64. Zaaksdossier 1, proces-verbaal [telefoonnummer 8] igb [verdachte 1] d.d. 4 juni 2018, pagina’s 93 en 94, zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 november 2018, pagina 196, en Inleiding en Algemeen dossier, proces-verbaal van bevindingen stemherkenning [verdachte 1] d.d. 4 december 2018, pagina 133.
  65. Inleiding en Algemeen dossier, proces-verbaal stemherkenning d.d. 3 december 2018, pagina 134.
  66. Zaaksdossier 1, proces-verbaal nummers [verdachte] , pagina’s 96 en 97.
  67. Zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 9 tot en met 13, 15 ,17, en 20 tot en met 22, zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 12 en 26.
  68. .Zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 17 en 26.
  69. Zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 14, 16, 23 en 26.
  70. Zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 26.
  71. Zaaksdossier 1, proces-verbaal (stem)herkenning [verdachte] d.d. 30 augustus 2018, pagina 106.
  72. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van observatie d.d.6 september 2018, pagina 119.
  73. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen [winkel] [adres 10] d.d. 13 december 2018, pagina’s 158 tot en met 165, en beslagdossier, proces-verbaal onderzoek beslag d.d. 6 maart 2019, pagina’s 883 tot en met 887, en bijlage III, de lijst van in beslag genomen goederen op de [adres 10] te Geleen.
  74. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2018, pagina’s 159 tot en met 164.
  75. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen bescheiden uit vuilnisbak kantoorgedeelte [adres 10] Geleen d.d. 3 december 2018, pagina’s 166 en 167.
  76. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 20 november 2018, pagina 170, en beslagdossier, proces-verbaal onderzoek beslag d.d. 19 februari 2019, pagina 826 tot en met 828, en bijlage III, de lijst van in beslag genomen goederen op de [adres loods 3] te Sittard.
  77. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 20 november 2018, pagina’s 172 en 173, en beslagdossier, proces-verbaal onderzoek beslag d.d. 19 februari 2019, pagina’s 844 en 845, en bijlage III, de lijst van in beslag genomen goederen op de [adres loods 3] te Sittard..
  78. Zaaksdossier 1, proces-verbaal Elsloo [adres loods 2] d.d. 21 november 2018, pagina’s 174 tot en met 194, en beslagdossier, proces-verbaal van bevindingen binnentreden loods d.d. 20 november 2018, pagina’s 982 en 983, met als bijlage een kavellijst, pagina’s 984 tot en met 988 .
  79. Zaaksdossier 1, , proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 23 januari 2019, pagina 199.
  80. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 november 2018, pagina 196.
  81. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] d.d. 21 november 2018, pagina 241.
  82. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] d.d. 21 november 2018, pagina 602.
  83. Zaaksdossier 1, proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 4 januari 2019, pagina’s 210 tot en met 214, en zaaksdossier 1, proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 28 december 2018, pagina’s 569 en 570.
  84. Zaaksdossier 8, proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de verkoopadministratie (i.c. afnemers goederen [winkel] ) d.d. 11 maart 2019, pagina’s 203 en 204.
  85. Zaaksdossier 8, proces-verbaal van bevindingen administratie HGP Groothandel d.d. 14 maart 2019, pagina’s 366 tot en met 388.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier pénal. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.