Belgique ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.8 Fiscal 28 April 2026 N° ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.8 Français

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.8

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.8 Rolnummer: P.25.1097.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-05-18 14:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(en) nog niet...

Source officielle

23 min de lecture 5,040 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Hof van Cassatie

Vonnis/arrest van 28 april 2026

ECLI nr:

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.8

Rolnummer:

P.25.1097.N

Zaak:

V.

Kamer:

2N – tweede kamer

Rechtsgebied:

Strafrecht

Invoerdatum:

2026-05-07

Raadplegingen:

217 – laatst gezien 2026-05-18 12:38

Versie(s):

Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar

Fiche

Samenvatting(en) nog niet beschikbaar

Thesaurus CAS:

VONNISSEN EN ARRESTEN – STRAFZAKEN – Allerlei

Tekst van de beslissing

Nr. P.25.1097.N
I
D. V.,
beklaagde,
eiser,
met als raadslieden mr. Joost Huysmans en mr. Patrick Waeterinckx, advocaten bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 160, 2.1, waar de eiser woonplaats kiest.
II
L. V.,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Léon Stynenstraat 75c, waar de eiser woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep I is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 december 2024 en van 26 juni 2025 (hierna het arrest).
Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 juni 2025 (hierna het arrest).
De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.
De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
1. In zoverre gericht tegen de beschikkingen van het arrest die de strafvordering niet ontvankelijk verklaren of die de eisers vrijspreken, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
Eerste middel van de eiser I
Eerste onderdeel
2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 193 en 196 Strafwetboek: het arrest stelt voor de telastleggingen A.1, A.2, A.3 en A.4 niet vast dat de geschriften waarin het een waarheidsvermomming ontwaart, in concreto door de wet beschermde geschriften uitmaken die zich opdringen aan het openbaar vertrouwen; evenmin stelt het arrest het bestaan vast van een mogelijk nadeel, noch geeft het aan welke concrete betrokkenen op welke wijze konden worden benadeeld door de waarheidsvermomming.
3. Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196, 213 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan. Niet vereist is dat de feiten een werkelijk nadeel hebben veroorzaakt.
4. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie dient het arrest bij de telastleggingen A.1, A.2, A.3 en A.4 niet vast te stellen dat de van valsheid betichte geschriften door de wet beschermde geschriften zijn, noch dient het bij de telastleggingen A.2 en A.3 vast te stellen dat de waarheidsvermomming een mogelijk nadeel kan doen ontstaan.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
5. Het arrest stelt vast en oordeelt dat:
– uit het strafdossier blijkt dat de termen steekvlees, bloedvlees en nekvlees specifieke betekenissen hebben die belangrijk zijn voor de voedselveiligheid en de kwaliteit van het vlees;
– bij steekvlees de aanwezigheid van bloedresten en mogelijke besmetting met bacteriën maakt dat er een risico bestaat voor de voedselveiligheid;
– het bloed in bloedvlees een broedplaats kan zijn voor micro-organismen, wat een risico vormt voor voedselinfecties;
– binnen E.A. nv de commerciële keuze was gemaakt om aan bepaalde klanten (een mengeling van) steekvlees te verkopen, bestemd voor humane consumptie, hoewel men zeer goed wist dat steekvlees niet mocht worden verkocht als vlees bestemd voor menselijke consumptie, zodat de onderliggende handelsdocumenten niet aan de werkelijkheid beantwoordden;
– het gaat om de valse stroom van handelsdocumenten (leverbonnen, etiketteringen, CMR’s en facturen), die moesten camoufleren dat categorie III-materiaal werd gecommercialiseerd als humane producten;
– het ook een commerciële keuze was binnen E.A. nv om (retour)vlees dat reeds vervallen of bedorven was (opnieuw) te koop aan te bieden aan minder kieskeurige klanten;
– er een parallel circuit was waarbij E.A. nv vervallen vlees commercialiseerde, waarvan zowel het management als het bestuur, dat over de aan- en verkoop besliste, op de hoogte was;
– de eiser I als leidinggevend orgaan van E.A. nv moedwillig de wetgeving inzake onder andere voedseltracering, voedselveiligheid en voedselhygiëne heeft opzijgezet, dit alles onder meer met het oog op het bedienen van een parallel circuit van afnemers van bloed- en vleesproducten van inferieure kwaliteit, waarbij ook valsheden zijn gepleegd teneinde (het voortbestaan van) de fraude te camoufleren;
– bij de straftoemeting rekening wordt gehouden met onder andere de gevolgen van de feiten voor de voedselveiligheid en het maatschappelijk nadeel dat de eiser I heeft berokkend als gevolg van zijn thans bewezen geworden criminele handelingen.
6. Op grond van die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de van valsheid betichte geschriften, voorwerp van de telastleggingen A.1 en A.4, een mogelijk nadeel doen ontstaan.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66, 67, 193 en 196 Strafwetboek: de schuldigverklaring van de eiser I aan de in de telastleggingen A.1, A.2, A.3 en A.4 bedoelde misdrijven van valsheid in geschriften is niet naar recht verantwoord omdat het arrest niet vaststelt dat de eiser I als hoofddader het misdrijf in al zijn constitutieve bestanddelen heeft gepleegd, noch afdoende in rechte het bestaan vaststelt van een deelnemingsvorm in de zin van artikel 66 of 67 Strafwetboek aan die specifieke misdrijven.
8. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft zij die door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd.
9. Om een beklaagde te veroordelen als mededader van een misdrijf is niet vereist dat alle bestanddelen van het misdrijf begrepen zijn in de deelnemingshandelingen. Het volstaat dat een dader het misdrijf heeft gepleegd en dat de mededader wetens en willens aan de uitvoering ervan heeft meegewerkt op een van de wijzen bepaald in artikel 66 Strafwetboek, en dus onder meer door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd. Dat laatste vereist dat de verstrekte hulp of bijstand noodzakelijk is, zonder dat het daarbij van belang is of die hulp of bijstand groot of klein is.
10. De rechter oordeelt onaantastbaar of er in een concreet geval is voldaan aan de vermelde vereisten. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
11. Het arrest oordeelt dat:
– de beklaagden als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek zijn vervolgd;
– om een beklaagde als mededader van een misdrijf te veroordelen, het voldoende is dat wordt vastgesteld dat de deelnemer wetens en willens aan de uitvoering van het misdrijf heeft meegewerkt op één van de wijzen bepaald in artikel 66, tweede en derde lid, Strafwetboek;
– de eiser I van 22 februari 2017 tot 25 mei 2018 was aangesteld als gedelegeerd bestuurder van E.A. nv;
– in het management van E.A. nv, P.D. tot 25 mei 2018 actief was als plant manager en C.O. als kwaliteitsverantwoordelijke;
– C.O. verklaarde dat de eiser I de leiding had in de communicatie naar E. over steekvlees en dat P.D. enkel deed wat hem werd gezegd;
– P.D. verklaarde dat hij plant manager was zonder eindbeslissingsrecht, aangezien de eindbeslissing bij de eiser I lag;
– P.D. verklaarde dat de eiser I besliste over de aankopen en ook instructies gaf welke producten naar welke klant moesten gaan;
– het management van E.A. nv wist dat aan E. enkel vlees bestemd voor humane consumptie mocht worden geleverd;
– binnen E.A. nv de commerciële keuze was gemaakt om aan bepaalde klanten, waaronder E., (een mengeling van) steekvlees te verkopen bestemd voor humane consumptie, hoewel men zeer goed wist dat steekvlees niet mocht worden verkocht als vlees bestemd voor menselijke consumptie, zodat de onderliggende handelsdocumenten niet aan de werkelijkheid beantwoordden omdat ze werden opgesteld en aangewend met de bedrieglijke bedoeling te verbergen dat categorie III-materiaal werd verkocht als producten geschikt voor menselijke consumptie;
– het aantal klachten en de foto’s wijzen op een bewuste keuze vanuit de bedrijfsleiding om regelmatig, naast steekvlees, ook bloedvlees te verkopen om te worden verwerkt in de humane vleesindustrie, en niet op een per vergissing te weinig weggesneden partij steekvlees;
– het om een welbewuste commerciële keuze ging, waarbij de waarheid in handelsdocumenten bedrieglijk werd vermomd;
– de bedrijfsleiding en het management van E.A. nv wisten dat er geen erkenning was om runderbloed afkomstig van slachtingen te verkopen als runderbloed bestemd voor humane consumptie, maar in weerwil daarvan het runderbloed toch reeds werd verkocht alsof het bestemd was voor humane consumptie en met dat doel handelsdocumenten werden vervalst;
– de beklaagden alles eraan hebben gedaan om het door hen opgevangen en opgeslagen runderbloed te commercialiseren als humaan bloed, terwijl ze zeer goed wisten dat ze niet de toelating hadden om humaan bloed te commercialiseren;
– het een commerciële keuze binnen E.A. nv was om (retour)vlees dat reeds vervallen of bedorven was (opnieuw) te koop aan te bieden aan minder kieskeurige klanten;
– er een parallel circuit bestond waarbij E.A. nv vervallen vlees commercialiseerde, waarvan zowel het management als het bestuur (dat over de aan- en verkoop besliste) op de hoogte was;
– het vlees van afgekeurde karkassen op systematische wijze werd gecommercialiseerd;
– de jarenlange foutieve registraties op de traceringsborderellen bewust zijn gebeurd met de bedrieglijke bedoeling de correcte tracering van afgekeurde runderen te bemoeilijken/onmogelijk te maken, wat van wezenlijk belang was om de verkoop van vlees afkomstig van afgekeurde karkassen mogelijk te maken;
– er terugkerende en systemische problemen waren in de etikettering en tracering van het vlees verkocht door E.A. nv;
– er bewust een permissief en onbetrouwbaar etiketterings- en traceringssysteem in stand werd gehouden dat manipulaties toeliet;
– de eiser I de leiding had over de verkoop en besliste over het (door)verkopen van vervallen/bedorven vlees, het illegaal verhandelen van steekvlees voor humane consumptie en het zonder erkenning commercialiseren van runderbloed;
– de eiser I opdrachten gaf aan P.D. en C.O. die vanuit hun managementfuncties tot en met 25 augustus 2018 nauw met hem samenwerkten;
– de eiser I als gedelegeerd bestuurder de bevoegdheid had om meer en sneller werk te maken van een performant etiketterings- en traceringssysteem, maar naliet dit te doen;
– de eiser I naliet in te grijpen op de vele kwaliteitsproblemen en naliet een meer doortastend kwaliteitsbeleid te voeren;
– het autocontrolesysteem onder zijn beleid bewust niet op punt werd gesteld of de naleving ervan onvoldoende werd gecontroleerd, zodat het alternatief, illegaal circuit verder zonder sluitende tracering bediend kon blijven;
– de eiser I als leidinggevend orgaan van E.A. nv moedwillig de wetgeving inzake onder andere voedseltracering, voedselveiligheid en voedselhygiëne heeft opzijgezet, dit alles onder meer met het oog op het bedienen van een parallel circuit van afnemers van bloed- en vleesproducten van inferieure kwaliteit, waarbij ook valsheden zijn gepleegd teneinde (het voortbestaan van) de fraude te camoufleren;
– het gebrekkige etiketterings- en traceringssysteem met volle kennis van zaken op (en vanuit) de werkvloer, doorheen de kwaliteitscontroledienst en doorheen de persoon van haar bestuurders en operationeel en kwaliteitsverantwoordelijken moedwillig in stand werd gehouden.
12. Op grond van deze redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser I als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek, schuldig is aan de telastleggingen A.1, A.2, A.3 en A.4.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel van de eiser I
Eerste onderdeel
13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastlegging C op de redenen dat de eiser I de leiding had over de verkoop en besliste over het (door)verkopen van vervallen/bedorven vlees, het illegaal verhandelen van steekvlees voor humane consumptie en het zonder erkenning commercialiseren van runderbloed; die redenen kunnen op twee manieren worden geïnterpreteerd, zonder dat op basis van de context is uit te maken welke van beide interpretaties het arrest bedoelt; ofwel bedoelt het arrest dat de eiser I strafrechtelijk verantwoordelijk is enkel wegens zijn functie als “leiding over de verkoop” die besliste tot de verkoop van producten door E.A. nv, waaronder bedorven vlees, steekvlees en runderbloed, zonder dat het juridisch belang heeft en dus in rechte wordt vastgesteld dat hij daadwerkelijk op de hoogte was van het feit dat illegaal vlees werd verkocht, in welk geval de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastlegging C niet naar recht verantwoord is; ofwel bedoelt het arrest impliciet dat uit de feiten blijkt dat de eiser I wel daadwerkelijk op de hoogte was van het feit dat illegaal vlees werd verkocht, in welk geval de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastlegging C wel naar recht verantwoord is.
14. Het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastlegging C op meer redenen dan het onderdeel vermeldt. Het (p. 146-148) oordeelt onder meer ook dat:
– het een commerciële keuze was binnen E.A. nv om (retour)vlees dat reeds vervallen of bedorven was (opnieuw) te koop aan te bieden aan minder kieskeurige klanten;
– er een parallel circuit bestond waarbij E.A. nv vervallen vlees commercialiseerde, waarvan zowel het management als het bestuur (dat over de aan- en verkoop besliste) op de hoogte was;
– de eiser I als leidinggevend orgaan van E.A. nv moedwillig de wetgeving inzake onder andere voedseltracering, voedselveiligheid en voedselhygiëne heeft opzijgezet, dit alles onder meer met het oog op het bedienen van een parallel circuit van afnemers van bloed- en vleesproducten van inferieure kwaliteit, waarbij ook valsheden zijn gepleegd teneinde (het voortbestaan van) de fraude te camoufleren.
15. Hieruit volgt dat het arrest met de in het onderdeel bekritiseerde redenen oordeelt dat de eiser I daadwerkelijk op de hoogte was van het feit dat illegaal vlees werd verkocht. Aldus zijn die redenen niet dubbelzinnig.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van stuk 796 door “article périmé” te lezen alsof de goederen zijn teruggestuurd “omwille van de geur van het vlees”.
17. Het arrest oordeelt dat de feiten van de telastlegging C zijn bewezen op grond van meerdere gevallen van verkoop van vervallen vlees, ruimer dan de specifieke voorbeelden die in de kwalificatie zijn opgenomen, die samen ernstige en eensluidende vermoedens vormen dat de verkoop van vervallen vlees niet occasioneel of louter per vergissing gebeurde, maar dat een parallel circuit in vervallen vlees werd bediend. Slechts één van de voorbeelden die in de kwalificatie is opgenomen, steunt op het stuk 796. Aldus doet het arrest uitspraak zoals het had moeten doen, ongeacht of het de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten al dan niet had begaan. Aldus is de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten zonder belang voor de wettigheid van de beslissing.
Het onderdeel is niet ontvankelijk.
Derde onderdeel
18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1, 2°, a), 2 en 4 van het koninklijk besluit van 3 januari 1975 betreffende voedingswaren en -stoffen die gelden als schadelijk verklaard en voor zover als nodig de artikelen 15, § 1, 7° en 26, eerste en tweede lid, Wet Gezondheid Gebruikers: het arrest stelt niet afdoende in rechte alle materiële constitutieve bestanddelen vast van het misdrijf bestaande in een inbreuk op de vermelde artikelen van het koninklijk besluit van 3 januari 1975, in het bijzonder dat een reglement voorziet in een uiterste gebruiksdatum of een soortgelijke vermelding voor een voedingsproduct.
19. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusies dient het arrest niet vast te stellen dat in de periode van de telastlegging C een reglement bestond dat voor de in die telastlegging bedoelde voedingsproducten voorzag in een uiterste verbruiksdatum of soortgelijke vermelding.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Derde middel van de eiser I
20. Het middel voert schending aan van de artikelen 3, § 1 en § 2, en 11 van het koninklijk besluit van 5 december 1990 betreffende diepvriesprodukten en artikel 14 Wet Gezondheid Gebruikers, zoals van toepassing voorafgaand aan de wijziging ervan door de wet van 11 februari 2021: het arrest stelt op geen enkele wijze vast dat de eiser I persoonlijk kennis had of moest hebben van het feit dat op 1 december 2017 in totaal 20 paletten vlees werden ingevroren die afkomstig waren van een slachting van 28 augustus 2015, terwijl een inbreuk op artikel 3, § 1 en § 2, van voormeld koninklijk besluit van 5 december 1990 slechts strafbaar is gesteld als voedingsproducten bewust worden ingevroren op een moment dat men wist of moest weten dat de grondstoffen van de producten onvoldoende vers waren en het invriezen aldus niet tijdig gebeurde.
21. Het arrest (o.a. p. 113-116, 172-173) leidt de persoonlijke kennis bij de eiser I van de feiten van de telastlegging N af uit een geheel van omstandigheden geput uit de daadwerkelijke leidinggevende functies die de eiser I had in E.A. nv en G.V. nv, de door hem aan P.D. en C.O. gegeven opdrachten, zijn kennis van de kwaliteitsproblemen die zich stelden, zijn onwil om daaraan te verhelpen en het systematische en georganiseerde karakter van de overtredingen, zoals dat onder meer blijkt uit de veelheid en de duur van die overtredingen. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht, zonder dat het, bij afwezigheid van specifiek bij conclusie gevoerd verweer over het kenniselement inzake de telastlegging N, die beslissing nader moest duiden.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Vierde middel van de eiser I
22. Het middel voert schending aan van de artikelen 8 en 29, 1° en 2°, van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeshandel en de vleeskeuring: het arrest stelt op geen enkele wijze vast dat de eiser I bewust niet-gekeurd of afgekeurd vlees in de handel bracht, terwijl hij ook wist of behoorde te weten dat het vlees niet rechtsgeldig was gekeurd of was afgekeurd.
23. Het arrest (p. 149, 164, 172, 173) oordeelt dat:
– er ernstige en overeenstemmende vermoedens zijn dat het vlees van afgekeurde karkassen op systematische wijze werd gecommercialiseerd;
– de nummers op de traceringsborderellen van afgekeurde karkassen op de bewijzen van inbeslagneming sinds minstens tien jaar foutief werden bijgehouden door E.A. nv, waardoor de tracering van de afgekeurde karkassen in die periode volstrekt waardeloos is;
– de jarenlange foutieve registraties op de traceringsborderellen bewust zijn gebeurd, met de bedrieglijke bedoeling de correcte tracering van afgekeurde runderen te bemoeilijken/onmogelijk te maken, wat van wezenlijk belang was om de verkoop van vlees afkomstig van afgekeurde karkassen mogelijk te maken;
– de eiser I een belangrijke sturende en coördinerende rol had als lasthebber van E.A. nv;
– de eiser I besliste over de (door)verkoop van vervallen/bedorven vlees;
– de eiser I als leidinggevend orgaan van E.A. nv moedwillig de wetgeving inzake onder andere voedseltracering, voedselveiligheid en voedselhygiëne heeft opzijgezet, dit alles onder meer met het oog op het bedienen van een parallel circuit van afnemers van bloed- en vleesproducten van inferieure kwaliteit;
– het gebrekkige etiketterings- en traceringssysteem met volle kennis van zaken op (en vanuit) de werkvloer, doorheen de kwaliteitscontroledienst en doorheen de persoon van haar bestuurders en operationeel en kwaliteitsverantwoordelijken moedwillig in stand werd gehouden.
24. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordeelt het arrest met deze redenen dat de eiser I persoonlijk kennis had of moest hebben van het feit dat een gedeelte van het vlees dat E.A. nv verkocht afkomstig was van afgekeurde karkassen.
Het middel mist feitelijke grondslag.
Middel van de eiser II
Derde onderdeel
25. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van het organigram van de verschillende vennootschappen eigendom van de familie V. door te oordelen dat de positie van de eiser II op dat organigram duidelijk maakt dat zijn impact geenszins beperkt was tot het doen van de veemarkten.
26. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die wel erin voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg afleidt, miskent de bewijskracht van die akte niet.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
27. Met de in het onderdeel vermelde reden geeft het arrest geen uitlegging van het organigram, maar leidt het enkel een feitelijk gevolg eruit af. Bijgevolg kan het arrest de bewijskracht van het organigram niet miskennen.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
Vierde onderdeel
28. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM: zonder de partijen uit te nodigen dienaangaande standpunt in te nemen of dienaangaande het debat te heropenen, oordeelt het arrest onder verwijzing naar een organigram en een e-mail waarnaar het openbaar ministerie nooit verwees, dat het openbaar ministerie aan haar bewijslast tegemoetkomt, terwijl de eerste rechter de strafvordering onontvankelijk verklaarde en de eiser II steeds heeft aangegeven niet te weten welke concrete en precieze strafrechtelijk vervolgbare en sanctioneerbare feitelijke gedragingen hem worden verweten en hem persoonlijk toerekenbaar zouden zijn.
29. De strafrechter die moet oordelen over het bewezen zijn van een bij hem aanhangig gemaakt strafbaar feit en die dus moet onderzoeken of alle constitutieve bestanddelen vereist voor de strafbaarheid van het vervolgde feit verenigd zijn, kan voor die beslissing alle feitelijke gegevens in aanmerking nemen die regelmatig zijn verkregen en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Het recht van verdediging van de partijen verplicht de strafrechter die feiten of daarop toepasselijke rechtsregels in aanmerking wil nemen, die de partijen in hun conclusies buiten beschouwing hebben gelaten, niet om de partijen daarvan te verwittigen teneinde hen de gelegenheid te geven om daarover standpunt in te nemen. De partijen kennen immers de beslissingsbevoegdheid van de strafrechter of moeten die kennen en zij moeten bij hun verdediging daarmee rekening houden.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
30. Het arrest (p. 114, 129, 165, 166) oordeelt dat:
– het strafdossier een organigram van G.V. nv bevat, gedateerd op 28 maart 2018;
– volgens de gegevens van een presentatie doorgemaild op 6 augustus 2017 door P.D., E.A. nv zijn winst vertienvoudigd zou zien;
– P.D. in dezelfde mail nog het volgende stelt over het beleid in de firma: “Dag [D.], […] Ik denk dat dit toch wel een argumentatie is om u pa te overtuigen dat we toch niet zo slecht bezig zijn in [A.]. De winst vermenigvuldigen met 10 is toch iets om fier op te zijn! Ik moet wel zeggen dat het telefoontje van u pa serieus op mijn maag ligt juist nadat ik de presentatie had overlopen met [L.]. Als hij wil samenwerken met een bedrijf die de familie zwart maakt binnen het bedrijf van de familie, en nog arrogant is er bovenop. Stel ik mij serieus vragen over het beleid. […] Morgen moet er duidelijkheid komen wie er de baas is van [A.], volgens het gesprek met uw pa vrijdag is hij dit”;
– een afschrift van het vennootschapsdossier gevoegd is aan het strafdossier;
– de eiser II als bestuurder-lasthebber van E.A. nv invloed had op de beleidslijnen van de onderneming, minstens op het aan- en verkoopbeleid;
– zijn positie op het aangetroffen organigram van de verschillende vennootschappen eigendom van de familie V., duidelijk maakt dat zijn impact geenszins beperkt was tot het doen van de veemarkten;
– uit de mail van P.D. verstuurd op 6 augustus 2017 blijkt dat de invloed van de eiser II geenszins etherisch of op de achtergrond was;
– uit deze mail voldoende blijkt wat de positie van de eiser II was;
– hij wel degelijk invloed en impact had op de concrete beleidskeuzes en investeringen (of juist geen) van E.A. nv.
31. Met die redenen miskent het arrest het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser II niet.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest kan op basis van de feitelijke vaststellingen die het bevat, niet oordelen dat “het niet anders [kan] dan dat [de eiser II] op de hoogte was van de kwaliteitsproblemen en het falend etiketterings- en traceringsbeleid binnen [E.A. nv]”.
33. Het arrest stelt vast en oordeelt dat:
– binnen E.A. nv de commerciële keuze was gemaakt om aan bepaalde klanten (een mengeling van) steekvlees te verkopen bestemd voor humane consumptie, hoewel men zeer goed wist dat steekvlees niet mocht worden verkocht als vlees bestemd voor menselijke consumptie, zodat de onderliggende handelsdocumenten niet aan de werkelijkheid beantwoordden;
– het een bewuste keuze van de bedrijfsleiding was om regelmatig, naast steekvlees, ook bloedvlees te verkopen om te worden verwerkt in de humane vleesindustrie;
– de bedrijfsleiding en het management van E.A. nv wisten dat er geen erkenning was om runderbloed afkomstig van slachtingen te verkopen als runderbloed bestemd voor humane consumptie, maar in weerwil daarvan het runderbloed toch reeds werd verkocht alsof het bestemd was voor humane consumptie en met dat doel handelsdocumenten werden vervalst;
– het een commerciële keuze was binnen E.A. nv om (retour)vlees dat reeds vervallen of bedorven was (opnieuw) te koop aan te bieden aan minder kieskeurige klanten;
– er een parallel circuit was waarbij E.A. nv vervallen vlees commercialiseerde, waarvan zowel het management als het bestuur (dat over de aan- en verkoop besliste) op de hoogte was;
– de jarenlange foutieve registraties op de traceringsborderellen bewust zijn gebeurd met de bedrieglijke bedoeling de correcte tracering van afgekeurde runderen te bemoeilijken/onmogelijk te maken, wat van wezenlijk belang was om de verkoop van vlees afkomstig van afgekeurde karkassen mogelijk te maken;
– de beklaagden zeer goed wisten dat ze niet de toelating hadden om humaan bloed te commercialiseren;
– er bewust een permissief en onbetrouwbaar etiketterings- en traceringssysteem in stand werd gehouden dat manipulaties toeliet;
– de eiser II als bestuurder-lasthebber van de beklaagde E.A. nv invloed had op de beleidslijnen van de onderneming, minstens op het aan- en verkoopbeleid;
– gezien de vele klachten en vaststellingen van het FAVV het niet anders kan dan dat de eiser II op de hoogte was van de kwaliteitsproblemen en het falend etiketterings- en traceringsbeleid binnen E.A. nv;
– de eiser II echter naliet zijn invloed als bestuurder (en mede-eigenaar) uit te oefenen om in te grijpen om een meer doortastend kwaliteitsbeleid te voeren;
– de eiser II als leidinggevend orgaan van E.A. nv moedwillig de wetgeving inzake onder andere voedseltracering, voedselveiligheid en voedselhygiëne heeft opzijgezet, dit alles onder meer met het oog op het bedienen van een parallel circuit van afnemers van bloed- en vleesproducten van inferieure kwaliteit, waarbij ook valsheden zijn gepleegd teneinde (het voortbestaan van) de fraude te camoufleren;
– het gebrekkige etiketterings- en traceringssysteem met volle kennis van zaken op (en vanuit) de werkvloer, doorheen de kwaliteitscontroledienst en doorheen de persoon van haar bestuurders en operationeel en kwaliteitsverantwoordelijken moedwillig in stand werd gehouden.
34. Op grond van deze redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser II op de hoogte was van de kwaliteitsproblemen en het falend etiketterings- en traceringsbeleid binnen E.A. nv.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Eerste onderdeel
35. Het onderdeel voert miskenning aan van het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM: het arrest miskent het vermoeden van onschuld door te oordelen dat “het niet anders [kan] dan dat [de eiser II] op de hoogte was van de kwaliteitsproblemen en het falend etiketterings- en traceringsbeleid binnen [E.A. nv]”, louter “gezien de vele klachten en vaststellingen van het FAVV”.
36. De appelrechters oordelen niet louter op grond van de vele klachten en vaststellingen van het FAVV, maar ook met de redenen vermeld in het antwoord op het vierde onderdeel, dat de eiser II op de hoogte was van de kwaliteitsproblemen en het falend etiketterings- en traceringsbeleid binnen E.A. nv.
Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.
Ambtshalve onderzoek
37. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 894,91 euro, waarvan op het cassatieberoep I 523,35 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 371,56 euro is verschuldigd.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 april 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant.

PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.8

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.8

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.