ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.1 Rolnummer: P.25.1753.N Zaak: A. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-08 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-05-18 14:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar...
14 min de lecture · 2,977 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Hof van Cassatie
Vonnis/arrest van 05 mei 2026
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.1
Rolnummer:
P.25.1753.N
Zaak:
A. contra D.
Kamer:
2N – tweede kamer
Rechtsgebied:
Strafrecht – Overige
Invoerdatum:
2026-05-08
Raadplegingen:
238 – laatst gezien 2026-05-18 12:46
Versie(s):
Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar
Fiches 1 – 2
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Thesaurus CAS:
AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING
REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN – GEEN CONCLUSIE – Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen)
Tekst van de beslissing
Nr. P.25.1753.N
P. A.,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Omar Souidi, advocaat bij de balie Brussel,
tegen
1. J. D.,
burgerlijke partij,
verweerster,
2. K. W.,
burgerlijke partij,
verweerster,
beiden met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie Limburg.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 december 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, de artikelen 12 en 149 Grondwet en artikel 417/21 Strafwetboek: het arrest stelt weliswaar vast dat de eiser als dienstdoende ploegchef verantwoordelijk was voor de dagelijkse werking, de portiers aanstuurde en hiërarchisch boven hen stond, maar niet dat hij beschikte over disciplinaire bevoegdheid of sanctiemacht, noch dat hij beslissingsbevoegdheid had inzake aanwerving, ontslag, evaluatie of loopbaan; het arrest preciseert evenmin dat de betrokken personen voor hun professionele positie afhankelijk waren van beslissingen van de eiser, noch dat deze hiërarchische bovenpositie hen in een concrete afhankelijkheids- of ongeschiktheidsrelatie plaatste, die hun vrije wilsvorming kon beïnvloeden; de vaststellingen van het arrest betreffen een organisatorische functie binnen een teamstructuur, maar laten niet toe te besluiten dat er sprake was van een erkende positie van gezag of invloed in de zin van artikel 417/21 Strafwetboek; een dergelijke interpretatie impliceert immers dat elke interne hiërarchische verhouding binnen een professionele context automatisch onder het toepassingsgebied van deze strafverzwarende omstandigheid zou vallen; minstens laat het arrest niet toe na te gaan op grond van welke criteria de vastgestelde organisatorische hiërarchie werd gelijkgesteld met een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed.
2. Artikel 377, derde lid, derde gedachtestreepje, tweede zin, Strafwetboek, zoals van toepassing op het moment van de feiten, bepaalde als verzwarende omstandigheid als schuldige misbruik te hebben gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen, waardoor voor het misdrijf aanranding van de eerbaarheid van een meerderjarige met geweld of bedreiging, zoals door artikel 371, eerste lid, (oud) Strafwetboek strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar, het minimum van de gevangenisstraf werd verdubbeld.
Met inwerkingtreding op 1 juni 2022 zijn niet-consensuele seksuele handelingen, gepleegd door een persoon die zich in een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van het slachtoffer bevindt, volgens artikel 417/21 Strafwetboek, een verzwaard misdrijf, waardoor het misdrijf aantasting van de seksuele integriteit, zoals bedoeld in artikel 417/7, eerste lid, Strafwetboek, wordt bestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
3. Uit deze bepalingen en uit artikel 2 Strafwetboek volgt dat feiten, voorheen omschreven als aanranding van de eerbaarheid van een meerderjarige met geweld of bedreiging, waarbij de schuldige misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen, ook na 31 mei 2022 strafbaar zijn en dat op dergelijke feiten gepleegd vóór 1 juni 2022 nog de strafbepalingen van de artikelen 371, eerste lid en 377, derde lid, derde gedachtestreepje, (oud) Strafwetboek, als mildere strafwet moeten worden toegepast.
4. Het in artikel 377, derde lid, derde gedachtestreepje, (oud) Strafwetboek bedoelde gezag vereist niet dat dit wordt uitgeoefend krachtens een wettelijke bevoegdheid, maar het kan ook voortvloeien uit feitelijke omstandigheden.
Deze bepaling vereist evenmin dat de schuldige noodzakelijk beschikt over een disciplinaire of sanctionerende bevoegdheid of een beslissingsbevoegdheid over de aanwerving, het ontslag, de evaluatie of de loopbaan van het slachtoffer.
5. De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van het gezag als bedoeld in artikel 377, eerste lid, derde gedachtestreepje, (oud) Strafwetboek en of de schuldige misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen, zoals bedoeld in die bepaling.
Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
7. Het arrest (p. 20, nr. 35) oordeelt dat de verzwarende omstandigheid dat de eiser “misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functie hem verleende”, bewezen is aan de hand van de dossierstukken.
Dit zijn de bewoordingen van artikel 377, derde lid, derde gedachtestreepje, (oud) Strafwetboek.
8. Het middel gaat ervan uit dat de appelrechters artikel 417/21 Strafwetboek hebben toegepast en niet artikel 377, derde lid, derde gedachtestreepje, (oud) Strafwetboek.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
9. Het arrest (p. 17-18, nr. 31) doet de volgende vaststellingen over de gezagsrelatie van de eiser met de slachtoffers:
– N.W., de verweerster 2, K.C. en de verweerster 1 verwijzen meermaals naar de hiërarchisch gestructureerde omgeving waarin de zedenfeiten zich situeerden, waarbij de eiser in zijn functie van dienstdoende ploegchef van het team portiers gezag over hen uitoefende;
– ze beschrijven hem als een dominante en brutale overste die zich bij momenten ook gemoedelijk opstelde en dan seksueel getinte uitlatingen deed of welbepaalde seksueel grensoverschrijdende handelingen stelde, waarbij sprake is van een tik op het achterwerk geven, bh-bandjes losmaken boven de kledij, ongevraagd massages geven ter hoogte van de schouders en nek, en iemand op de schoot trekken;
– ze stellen verder dat er sprake was van een ‘groepscultuur’, waarin deze door de eiser gestelde handelingen door iedereen, gelet op de bestaande hiërarchie, werden gedoogd en zelfs werden weggelachen;
– sommigen stellen dat ze zich hierover schuldig voelen en ze dergelijk gedrag eigenlijk nooit hadden mogen accepteren;
– het staat bovendien vast dat de eiser tegenover N.W. en de verweerster 2 ook meer verregaand seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft gesteld;
– in de specifieke hiërarchische setting binnen de gevangenis waarbij de eiser als dienstdoende ploegchef een gezagspositie uitoefende over N.W., de verweerster 2, K.C. en de verweerster 1 acht het hof van beroep het niet abnormaal dat het door de eiser gestelde wangedrag lange tijd onder de radar is gebleven en de eiser weinig weerstand ondervond vanwege deze vrouwen;
– dit geldt des te meer nu er op de werkvloer een verziekte seksistische groepscultuur heerste;
– het feit dat deze groepscultuur door de vrouwen werd getolereerd en werd getracht om de seksuele insinuaties en handelingen van de eiser weg te lachen, doet geen afbreuk aan hetgeen hiervoor werd gesteld;
– integendeel, deze houding illustreert precies de bestaande hiërarchische houding tussen enerzijds de eiser en anderzijds N.W., de verweerster 2, K.C. en de verweerster 1, die tot gevolg had dat voornoemden hun ongenoegen met het door de eiser gestelde gedrag niet durfden te uiten uit angst voor zijn reactie en mogelijke represailles;
– de eiser was zich hiervan goed bewust en zag er geen graten in om opzichtens welbepaalde vrouwen, met name N.W. en de verweerster 2, nog meer verregaand seksueel grensoverschrijdend gedrag te stellen;
– in die context valt ook de houding en de communicatie van sommige vrouwen met de eiser buiten de gevangenismuren te verklaren;
– de verdediging wijst in dit verband naar de aanwezigheid van de verweerster 1 en K.C. op een barbecuediner bij hem thuis in juli 2020 en naar het feit dat de verweerster 2 op 4 januari 2020 met de eiser meegereden is naar de Winter Efteling wanneer daar een teambuilding plaatsvond;
– ter zake merkt het hof van beroep op dat de bestaande hiërarchische band tussen de eiser en N.W., de verweerster 2, K.C. en de verweerster 1 buiten de gevangenismuren niet plots ophoudt te bestaan;
– er dient ook op gewezen te worden dat de bestaande seksistische groepscultuur het extra moeilijk maakte om plots welbepaald grensoverschrijdend seksueel wangedrag te benoemen, laat staan zich hier tegen te verzetten.
Het arrest (p. 20, nr. 34) oordeelt verder als volgt:
– de door de eiser gestelde handelingen, zoals correct omschreven op pagina’s 9 en 10 onder randnummer 6 van het beroepen vonnis, betreffen wel degelijk handelingen met een bepaalde ernst die afbreuk doen aan de seksuele integriteit van N.W., de verweerster 2, K.C. en de verweerster 1;
– niettegenstaande de door de eiser op N.W. en de verweerster 2 gestelde handelingen een substantieel grotere ernst vertonen zijn immers ook de opzichtens K.C. en de verweerster 1 gestelde handelingen afdoende ernstig en van aard om afbreuk te doen aan hun seksuele integriteit;
– het lijdt in de gegeven omstandigheden bovendien geen twijfel dat de eiser wetens en willens handelde;
– dit seksueel grensoverschrijdend gedrag, dat zich situeert in een werkgerelateerde en hiërarchische omgeving, werd door de eiser, in zijn hoedanigheid van gezaghebbende dienstdoende ploegchef binnen het team van portiers, aan N.W., de verweerster 2, K.C. en de verweerster 1 opgedrongen onder fysieke en morele dwang;
– binnen de in dit strafdossier aan de orde zijnde specifieke context hadden N.W., de verweerster 2, K.C. en de verweerster 1 geen mogelijkheid om te ontsnappen aan het door de eiser gestelde seksueel grensoverschrijdend gedrag;
– de eiser betrof niet alleen de fysiek sterkere, maar oefende in zijn functie als dienstdoende ploegchef binnen het team van portiers ook gezag over hen uit.
10. Met deze redenen, die het Hof niet beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, kan het arrest wettig oordelen dat de verzwarende omstandigheid dat de eiser misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functie hem verleende, bewezen is voor de telastleggingen onder A, B en C.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Tweede middel
11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest wendt, enerzijds, arbeidsongeschiktheid aan als criterium voor de temporele afbakening van bepaalde telastleggingen; voor andere met stukken gestaafde periodes van arbeidsongeschiktheid weigert het, anderzijds, een verdere inperking zonder het gehanteerde onderscheid te verantwoorden en laat het bovendien een specifiek aangevoerde periode geheel onvermeld; deze motivering is tegenstrijdig en ontoereikend.
12. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 211 Wetboek van Strafvordering, zonder te preciseren hoe en waardoor het arrest deze bepaling schendt, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
13. Het enkele feit dat de rechter de feitelijke gegevens van de zaak anders beoordeelt dan een partij voorhoudt, levert geen tegenstrijdigheid van de motivering op.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
14. Het middel komt voor het overige, met het formeel aangevoerde motiveringsgebrek, in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Derde middel
15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest beperkt zich tot de algemene vaststelling dat de feiten strafbaar zijn gebleven en past zonder concrete en verifieerbare vergelijking de artikelen 417/5 en volgende Strafwetboek toe; het verantwoordt hiermee niet op welke wijze de constitutieve bestanddelen onder het vroegere recht samenvallen met, dan wel beperkter zijn dan, deze onder de thans geldende bepalingen; evenmin preciseert het op grond waarvan kan worden aangenomen dat de toepassing van artikel 2, tweede lid, Strafwetboek leidt tot de voor de eiser meest gunstige versie, nu het strafminimum en –maximum van de oude en nieuwe bepalingen niet worden vergeleken en laat het dus niet toe na te gaan of de nieuwe regeling geen verruiming of verzwaring inhoudt ten opzichte van het vroegere recht; het arrest vermeldt ook niet onder welke concrete artikelen van de vroegere wetgeving de feiten strafbaar waren.
16. Uit artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de omschrijving van strafbare feiten sinds het plegen van die feiten is gewijzigd, de rechter:
– een beklaagde slechts schuldig kan verklaren aan die feiten indien hij vaststelt dat ze zowel strafbaar waren en gebleven zijn onder de oude en de nieuwe wet;
– de oude en de nieuwe wetsbepalingen moet vermelden die de constitutieve bestanddelen van het misdrijf definiëren, alsook de wetsbepalingen betreffende de toegepaste straf.
Indien de toepasselijke wetsbepalingen tijdens de bewezenverklaarde incriminatieperiode werden gewijzigd, dient de rechter behalve de wetsbepalingen in verband met de toegepaste straffen de wetsbepalingen te vermelden die de feiten gedurende de volledige bewezenverklaarde incriminatieperiode strafbaar stellen.
17. Behoudens daartoe strekkende conclusie volgt voor de rechter uit deze bepalingen geen verdergaande motiveringsverplichting met betrekking tot de toepassing van de strafwet in de tijd en meer in het bijzonder moet hij niet uitdrukkelijk:
– vermelden op welke wijze de constitutieve bestanddelen onder de oude wetsbepaling samenvallen met, dan wel beperkter of ruimer zijn dan deze onder de nieuwe wetsbepaling;
– de strafminima en –maxima van de oude en nieuwe wetsbepalingen vergelijken.
18. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
19. Het middel gaat, om de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen onterecht, ervan uit dat de appelrechters de artikelen 417/5 en volgende Strafwetboek hebben toegepast.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
20. Het arrest (p. 3-5) vermeldt onder de rubriek “1. Ten laste gelegde feiten” de omschrijving van de ten laste gelegde feiten, zoals bepaald in de rechtstreekse dagvaarding.
De telastleggingen A, B en C worden hierbij, in de bewoordingen van en met verwijzing naar de tijdens de respectieve incriminatieperiodes van deze telastleggingen toepasselijke artikelen 373, eerste lid, 374, 377, eerste en derde lid, 378, (en specifiek het eerste lid, voor de telastleggingen B en C) (oud) en 483 Strafwetboek, omschreven als het misdrijf aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging jegens meerderjarigen met verzwarende omstandigheden.
Uit de eind- en begindata van de telastleggingen A, B en C kan worden afgeleid dat de demarcatie tussen deze telastleggingen als volgt moet worden verklaard:
– wijzigingen aan de artikelen 377, eerste lid en 378 (oud) Strafwetboek door de wet van 26 november 2011 tot wijziging en aanvulling van het Strafwetboek teneinde het misbruik van de zwakke toestand van personen strafbaar te stellen, en de strafrechtelijke bescherming van kwetsbare personen tegen mishandeling uit te breiden, met inwerkingtreding op 2 februari 2012, tevens einddatum voor de telastlegging A en begindatum voor de telastlegging B;
– wijzigingen aan de artikelen 373 en 377 (oud) Strafwetboek door de wet van 1 februari 2016 tot wijziging van diverse bepalingen wat de aanranding van de eerbaarheid en het voyeurisme betreft, met inwerkingtreding op 29 februari 2016, tevens einddatum voor de telastlegging B en begindatum voor de telastlegging C.
Tevens wordt onder elk van de telastleggingen A, B en C vermeld dat de feiten “thans” worden omschreven met de woorden van en verwijzing naar de artikelen 417/5, 417/6, 417/7, eerste en derde lid, 417/21 en 417/59, § 1 en § 3, Strafwetboek als het misdrijf aantasting van de seksuele integriteit, met verzwarende omstandigheden.
21. Het arrest (p. 9) stelt vervolgens onder de rubriek “4.5.1. Actualisering” vast dat de feiten onder de telastleggingen A.1, A.2, B.1, B.2, B.3, C.1, C.2, C.3 en C.4 strafbaar waren onder de wetgeving zoals van toepassing op het moment van de feiten, steeds strafbaar zijn gebleven en ook strafbaar zijn onder de “thans” geldende wetgeving en oordeelt dat het overeenkomstig artikel 2, tweede lid, Strafwetboek de voor de eiser meest gunstige versie van deze bepalingen toepast.
22. Het arrest (p. 27) vermeldt ten slotte onder de rubriek “5. Wettelijke bepalingen” dat het hof van beroep rekening heeft gehouden met, onder meer, de artikelen 373, eerste lid, 374, 377, eerste en derde lid, 378, (oud) Strafwetboek en de artikelen 417/5, 417/7, eerste en derde lid, 417/21, 417/59, § 1 en § 3 en 483 Strafwetboek.
23. Met deze redenen stelt het arrest vast dat de feiten onder de telastleggingen A, B en C strafbaar waren tijdens de respectieve incriminatieperiodes, dit ook gebleven zijn onder de opeenvolgende oude en nieuwe wetsbepalingen en vermeldt het ook de bepalingen die de constitutieve bestanddelen van het onder die telastleggingen bedoelde misdrijf definiëren, alsook de wetsbepalingen betreffende de toegepaste straf.
In zoverre kan het middel kan niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 146,91 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant.
PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.1
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...