ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.4
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Rechterlijke beslissing van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.4 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.ROH.1 Rolnummer: COH. A.R. 606.N Zaak: G. contra MINISTER VAN JUSTITIE Kamer: COH Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-05-08 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-05-18 13:24 Fiche 1 Thesaurus CAS:...
11 min de lecture · 2,404 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Hof van Cassatie
Rechterlijke beslissing van 23 april 2026
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.4
Vervangt nummer:
ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.ROH.1
Rolnummer:
COH. A.R. 606.N
Zaak:
G. contra MINISTER VAN JUSTITIE
Kamer:
COH
Rechtsgebied:
Strafrecht
Invoerdatum:
2026-05-08
Raadplegingen:
108 – laatst gezien 2026-05-18 12:50
Fiche 1
Thesaurus CAS:
VOORLOPIGE HECHTENIS – ONWETTIGE EN ONWERKZAME HECHTENIS – Onwerkzame
Fiche 2
VOORLOPIGE HECHTENIS – ONWETTIGE EN ONWERKZAME HECHTENIS – Schadeloosstelling
Tekst van de beslissing
In de zaak
COH. A.R. 606.N
van
G,
verzoeker,
met als raadsman mr. Patrick Bernard Martens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8200 Brugge (Sint-Andries), Gistelse Steenweg 300/0301,
tegen
MINISTER VAN JUSTITIE, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115.
I. Bestreden uitspraak
1. De minister van Justitie heeft op 3 oktober 2025 de bestreden beslissing genomen.
II. Feiten
2. Op 14 juni 2024 wordt de verzoeker van zijn vrijheid beroofd en daags nadien beveelt de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, zijn aanhouding wegens de aantasting van de seksuele integriteit van A.V. met de omstandigheid dat de niet-consensuele handelingen werden gepleegd ten nadele van een minderjarige die geen volle zestien jaar oud is en dit door haar stiefvader.
3. Op 13 juni 2024 wordt de politie gevraagd om zich te begeven naar een jeugdinstelling te Roeselare naar aanleiding van de melding van een twaalfjarig meisje, A.V., aan één van de begeleiders van de leefgroep dat ze slachtoffer was van ongewenste seksuele intimiteiten door haar stiefvader, de verzoeker. Aan de politie verklaart ze dat ze altijd al bang was van de vriend van haar mama, ook omdat hij haar mama veel pijn deed en er altijd ruzie was. Op een ochtend in februari was ze alleen thuis met de verzoeker. Hij zou naar haar gekomen zijn in de living en zou haar hebben aangeraakt aan haar “persoonlijke delen”. Daarna zou hij haar kleren hebben uitgetrokken en dan ook zijn kleren. Hij zou haar hebben proberen te kussen, maar ze kon haar hoofd afwenden. Hij zou dan naakt boven op haar zijn gaan liggen en zou haar met zijn geslachtsdeel hebben gepenetreerd. De verzoeker zou vervolgens zijn gestopt, zich hebben aangekleed, en zijn vertrokken.
4. Bij beschikking van de raadkamer van 4 oktober 2024 wordt de verzoeker verwezen naar de correctionele rechtbank voor de hem ten laste gelegde feiten. Bij beschikking van dezelfde datum wordt de handhaving van zijn hechtenis bevolen.
5. Bij vonnis van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 24 december 2024 wordt de verzoeker vrijgesproken voor de hem ten laste gelegde feiten. Diezelfde dag wordt de verzoeker vrijgelaten. Dit vonnis heeft kracht van gewijsde.
6. De hechtenis heeft in totaal 194 dagen geduurd.
III. Rechtspleging
A. Voor de minister van Justitie
7. De verzoeker heeft een verzoek tot vergoeding ingediend, ontvangen op 9 april 2025, strekkende tot toekenning van een materiële schadevergoeding van 11.109,87 euro (verlies werkloosheidsuitkering) en van een morele schadevergoeding van 8.000,00 euro forfaitair (hetzij 41,45 euro per dag), wegens een onwerkzame hechtenis gedurende 193 dagen in de periode van 15 juni 2024 tot en met 24 december 2024.
8. Op 3 oktober 2025 heeft de minister dat verzoek afgewezen.
B. Voor de Commissie
9. De verzoeker heeft bij de Commissie een verzoekschrift ingediend, ontvangen op 1 december 2025, waarin hij zijn oorspronkelijke aanspraak heeft hernomen.
10. De minister van Justitie heeft een memorie van antwoord ingediend die op het secretariaat van de Commissie is ontvangen op 18 december 2025. Hierin verzoekt de minister in hoofdorde het verzoekschrift tot beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde gedraagt de minister zich naar de wijsheid van de Commissie wat betreft de gevraagde vergoeding voor materiële schade en verzoekt hij om een pro rata vermindering van de gevraagde morele schadevergoeding indien de Commissie oordeelt dat slechts een bepaalde periode als onwerkzaam kan worden weerhouden.
11. Op de rechtszitting van 23 april 2026 heeft de voorzitter van het Hof van Cassatie verslag uitgebracht.
12. Mr. Céline Steyaert loco mr. Patrick Bernard Martens heeft namens de verzoeker gepleit.
13. Philip Brughmans, attaché bij de federale overheidsdienst Justitie, is gehoord namens de minister van Justitie.
14. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft advies uitgebracht.
15. De raadsman van de verzoeker heeft het laatste woord gekregen.
IV. Beslissing van de Commissie
16. Het verzoekschrift en de memorie van antwoord werden ingediend binnen de bij de wet bepaalde termijnen en zijn ontvankelijk.
17. Volgens artikel 28, § 1, Wet Onwerkzame Hechtenis mag elke persoon die in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging, aanspraak maken op een vergoeding, indien hij een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling heeft verkregen, dan wel bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing buiten de zaak is gesteld.
18. Volgens artikel 28, § 2, eerste en tweede lid, Wet Onwerkzame Hechtenis wordt het bedrag van deze vergoeding vastgesteld naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en privaat belang. Indien evenwel de persoon nog lopende vrijheidsstraffen heeft, worden de dagen van de voorlopige hechtenis die in aanmerking komen eerst toegerekend op de nog lopende vrijheidsstraffen.
19. De afbakening van de voor vergoeding of toerekening in aanmerking te nemen periode van onwerkzame hechtenis veronderstelt een voorafgaand onderzoek naar het al dan niet voorhanden zijn van persoonlijke gedragingen.
20. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van persoonlijke gedragingen van de verzoeker waaraan de hechtenis of de handhaving te wijten is, dient men zich te plaatsen op het tijdstip van de hechtenis of de handhaving ervan.
21. Als dergelijke persoonlijke gedragingen die de vergoeding wegens onwerkzame hechtenis beletten, worden onder meer aangenomen, de gedragingen, handelingen of omstandigheden, die rechtstreeks of onrechtstreeks vragen oproepen en op dat moment verder onderzoek noodzaken of kunnen noodzaken en die, in de context van de feiten, moeilijk of bezwaarlijk als onverdacht kunnen doorgaan.
22. Bij de beoordeling van de persoonlijke gedragingen beperkt de Commissie zich niet uitsluitend tot de redenen die worden vermeld in het bevel tot aanhouding of in de beslissingen tot handhaving ervan. Het voorwerp van het onderzoek door de Commissie zijn niet de aanwijzingen van schuld maar de wijze waarop de verzoeker door zijn persoonlijke gedraging, rechtstreeks of onrechtstreeks, daarvan een voorstelling en perceptie heeft kunnen geven aan de rechters en de onderzoeksgerechten die over de hechtenis en de handhaving ervan uitspraak doen. Persoonlijke gedragingen omvatten elke oorzaak van de hechtenis en de handhaving ervan die betrekking hebben op de verzoeker en die blijken uit het strafdossier.
23. Als persoonlijke gedragingen van de verzoeker, in de voormelde zin, van aard de vergoeding wegens onwerkzame hechtenis te beletten, dienen in deze zaak te worden aangenomen:
– het antwoord van de verzoeker op de vraag van de onderzoeksrechter of hij kampt met een seksuele problematiek, dat “dat […] misschien wel [kan] zijn, maar niet ten opzichte van kinderen”;
– het zeer ongunstig strafrechtelijk verleden van de verzoeker: naast een veroordeling door de politierechtbank wegens alcoholintoxicatie en onopzettelijke slagen, maakt het strafregister van de verzoeker melding van de volgende correctionele veroordelingen:
o 26 juli 2000: veroordeling wegens verkrachting van een meerderjarige, en aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging van een meerderjarige, voorafgegaan door lichamelijke foltering of opsluiting, tot een gevangenisstraf van 2 jaar met uitstel voor de helft gedurende 5 jaren;
o 7 april 2005: veroordeling wegens verkrachting van een meerderjarige tot een gevangenisstraf van 6 maanden;
o 14 oktober 2010: veroordeling wegens poging tot diefstal door middel van braak, inklimming of valse sleutels, wederrechtelijke en willekeurige vrijheidsberoving en opzettelijke slagen met als gevolg ziekte of arbeidsongeschiktheid, tegen echtgenoot of samenlevende persoon of persoon met wie hij heeft samengewoond, tot een gevangenisstraf van 2 jaar en ontzetting van bepaalde rechten voor 5 jaar;
o 27 september 2012: veroordeling wegens verkrachting van een meerderjarige tot een gevangenisstraf van 30 maanden en ontzetting van bepaalde rechten voor 5 jaar;
o 16 april 2013: veroordeling wegens verkrachting van een bijzonder kwetsbare meerderjarige, aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging van een meerderjarige en opzettelijke slagen met als gevolg ziekte of arbeidsongeschiktheid, tegen echtgenoot of samenlevende persoon of persoon met wie hij heeft samengewoond tot een gevangenisstraf van 4 jaar en ontzetting van bepaalde rechten voor 5 jaar;
– de politionele gekendheid van de verzoeker: hij is gekend voor zes feiten van verkrachting (2000, 2002, 2003, 2009, 2010 en 2012), voor twee feiten van belaging en voor een feit van opzettelijke slagen en verwondingen (2005);
– de verklaringen van de verzoeker aan de politie en aan de onderzoeksrechter dat hij sinds oktober/november 2023 hasj rookt als hij bij de moeder van het slachtoffer is, wat zeer ontremmend kan werken als het aankomt op het plegen van norm- en grensoverschrijdend gedrag, en zoals dat met overname van de beweegredenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, expliciet wordt vermeld in het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 19 september 2024;
– de vaststelling door de verbalisanten dat er vrijwel niets terug te vinden is in het gsm-toestel van de verzoeker, zoals berichten of foto’s, in combinatie met de verklaring van de moeder van het slachtoffer dat ze in het verleden kinderporno zou hebben aangetroffen op zijn toestel maar dat hij regelmatig zaken op zijn gsm wist; dit wekte de indruk dat de verzoeker bezwarende elementen op zijn gsm had gewist.
24. Al deze elementen samen hebben tot een diepgaand onderzoek verplicht over de feiten waarvoor de verzoeker werd aangehouden en in hechtenis is gebleven tot 4 oktober 2024.
25. Het staat bijgevolg vast dat de hechtenis van de verzoeker op 14 juni 2024 (en niet pas op 15 juni 2024, zoals de verzoeker verkeerdelijk stelt) en de handhaving daarvan tot en met 3 oktober 2024 aan zijn persoonlijke gedragingen te wijten zijn. In zoverre de verzoeker een vergoeding vraagt voor deze periode, voldoet hij derhalve niet aan de voorwaarden van artikel 28, § 1, Wet Onwerkzame Hechtenis.
26. Daarentegen is de handhaving van verzoekers hechtenis na 3 oktober 2024 niet aan zijn persoonlijke gedragingen te wijten. Op dat ogenblik was het onderzoek naar de feiten immers afgerond.
27. De verzoeker voldoet derhalve aan de door de wet gestelde voorwaarden om aanspraak te maken op vergoeding voor de hechtenis die hij onderging van 4 oktober 2024 tot en met 24 december 2024, hetzij gedurende 82 dagen, en die onwerkzaam is gebleken.
28. Het blijkt niet dat een toerekening in de zin van artikel 28, § 2, tweede lid, Wet Onwerkzame Hechtenis aan de orde is, zodat de vergoeding voor de door de verzoeker ondergane 82 dagen onwerkzame hechtenis hieronder als volgt wordt bepaald.
29. Volgens artikel 28, § 2, Wet Onwerkzame Hechtenis wordt het bedrag van die vergoeding vastgesteld naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en privaat belang.
30. Het inkomstenverlies als gevolg van een onwerkzame hechtenis komt in aanmerking als vergoeding van materiële schade. Dit inkomstenverlies moet worden bepaald rekening houdend met de repercussie van de onwerkzame hechtenis op de concrete beroepsactiviteit van de verzoeker en de inkomsten die hij hieruit normaal ontving in de periode voorafgaand aan de hechtenis.
31. Uit stuk 4 van de verzoeker blijkt dat hij wegens de hechtenis in de periode van 14 juni 2024 tot en met 24 december 2024 geen werkloosheidsvergoeding heeft ontvangen. Indien de verzoeker een uitkering zou hebben ontvangen in de periode van 2 oktober 2024 tot en met 24 december 2024, zou hij volgens dit stuk 4.306,15 euro hebben moeten ontvangen. Gelet hierop maar ook rekening houdend met het feit dat de verzoeker gedurende de periode van de onwerkzame hechtenis niet in zijn onderhoud heeft moeten voorzien, kan aan de verzoeker een forfaitair bedrag van 3.000,00 euro naar billijkheid wegens het verlies van zijn werkloosheidsuitkering worden toegekend.
32. Voor de door de verzoeker geleden morele schade kent de Commissie in billijkheid en rekening houdend met de omstandigheid dat de hechtenis in de periode van 14 juni 2024 tot en met 3 oktober 2024 aan de persoonlijke gedragingen van de verzoeker te wijten is evenals met zijn zeer ongunstig strafrechtelijk verleden, met inbegrip van de aard en de ernst van de feiten waarvoor hij in het verleden werd veroordeeld (verkrachting), en waarnaar het bevel tot aanhouding ook expliciet verwijst, evenals met de omstandigheid dat er op 24 juli 2025 nog een lopend opsporingsonderzoek was wegens bedreigingen in de intrafamiliale sfeer t.a.v. S.A., een vergoeding toe van 3.280,00 euro, hetzij 40,00 euro per dag.
33. Er is geen grond om een hogere vergoeding toe te kennen, daar geen enkel gegeven wijst op een bijzondere schade van morele aard in oorzakelijk verband met de door de verzoeker ondergane onwerkzame hechtenis.
34. Aangezien artikel 28, § 1, Wet Onwerkzame Hechtenis niet de vergoeding beoogt van schade die door een fout is veroorzaakt, is er geen grond tot toekenning van interesten.
35. Het verzoek is bijgevolg gedeeltelijk gegrond.
DICTUM
De Commissie,
uitspraak doende in openbare zitting na behandeling met gesloten deuren,
verklaart het verzoek ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond,
bepaalt dat de hechtenis in de periode van 4 oktober 2024 tot en met 24 december 2024, hetzij gedurende 82 dagen, onwerkzaam is,
bepaalt de vergoeding voor de materiële schade op 3.000,00 euro en de vergoeding voor de morele schade op 3.280,00 euro.
Aldus door de Commissie van beroep inzake onwerkzame hechtenis uitgesproken in openbare rechtszitting 23 april 2026, waar aanwezig zijn de voorzitter van het Hof van Cassatie Filip Van Volsem, voorzitter, de eerste voorzitter van de Raad van State Wilfried Van Vaerenbergh, lid, de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies Peter Callens, lid, plaatsvervangend magistraat Alain Winants en de griffier Ayse Birant, secretaris.
PDF document ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.4
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...