ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.147

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.147 Rolnummer: A. 241883/XIV-39523 Zaak: Arrest 260147 - Overheidsopdrachten - 17/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-19 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-06 03:24 Fiche Arrest nr 260.147 van 17 juni 2024 Overheidsopdrachten en...

Source officielle

35 min de lecture 7,602 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 17 juni 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.147

Rolnummer:

A. 241883/XIV-39523

Zaak:

Arrest 260147 – Overheidsopdrachten – 17/06/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-06-19

Raadplegingen:

110 – laatst gezien 2026-06-06 03:24

Fiche

Arrest nr 260.147 van 17 juni 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken
– Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.147 no lien 277727 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 260.147 van 17 juni 2024
in de zaak A. 241.883/XII-9495
In zake: de BV BEZÕE
gevestigd te 2980 Zoersel Eindhovensebaan 9
tegen:
de STAD GENK
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Dieter Torfs kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 11 mei 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk van 16 april 2024
waarbij de plaatsingsprocedure voor de opdracht ‘Raamovereenkomst voor het leveren van elektrische fietsen [ten behoeve van] Groep Genk’ wordt stopgezet.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 mei 2024.
Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht.
XII-9495-1/25
N.L., zaakvoerder, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Dieter Torfs, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Adjunct-auditeur Anke Meskens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De stad Genk schrijft een overheidsopdracht voor leveringen uit met als benaming ‘Raamovereenkomst voor het leveren van elektrische fietsen [ten behoeve van] Groep Genk’.
De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 25 september 2023.
3.2. Onder punt I.2, ‘Identiteit van de aanbesteder’, van het bestek, met referentie 2023-100/AA, wordt bepaald dat de stad Genk zal optreden als aankoopcentrale voor een aantal “aanbestedende overheden of aanbestedende entiteiten”.
Onder hetzelfde punt wordt nog het volgende bepaald in verband met de maximale waarde van de opdracht:
“Deze raamovereenkomst heeft een maximale waarde, over de volledige looptijd van de opdracht, [van] 600.000 euro incl. btw. De aanbestedende overheid wijst de inschrijvers erop dat bij de bepaling van de vermelde maximale waarde niet is uitgegaan van de vermoedelijke hoeveelheden die in de inventaris zijn opgenomen en deze maximale waarde bijgevolg geen indicatie vormt voor het offertebedrag waarmee kan worden ingeschreven.
Het betreft daarentegen de maximale waarde van de raamovereenkomst, vastgesteld op basis van de maximaal te bestellen hoeveelheden over alle
XII-9495-2/25
opdrachten die binnen de raamovereenkomst kunnen worden geplaatst heen. Er worden geen minimale afnames gegarandeerd.
Om de omvang van de opdracht te kunnen controleren, zullen de uitgaven binnen de raamovereenkomst worden gemonitord en zullen indien nodig maatregelen worden genomen om […] te voorkomen dat de maximale waarde van de opdracht zou worden overschreden.”
3.3. Er zijn zeven inschrijvers, waaronder de verzoekende partij.
3.4. Op 18 december 2023 informeert de verzoekende partij naar de voortgang van de gunningsprocedure. Op 19 december 2023 antwoordt de verwerende partij als volgt:
“Momenteel zijn we bezig met het nazicht van de offertes en zullen op korte termijn overgaan tot gunning van de opdracht.”
Op 16 januari 2024 vraagt de verzoekende partij nogmaals of een beslissing al is genomen, dan wel een gunningsverslag is opgesteld. Op 18 januari 2024 antwoordt de verwerende partij dat “door omstandigheden” nog geen beslissing is genomen, en dat er in de loop van de maand “nog gecommuniceerd [zal] worden”.
Op 22 februari 2024 informeert de verzoekende partij andermaal naar de stand van zaken. Op 23 februari 2024 laat de verwerende partij het volgende weten:
“Helaas kan ik op dit moment vertellen dat het dossier nog steeds on hold staat en er door het bestuur nog geen beslissing werd genomen”.
Met een e-mail van 1 maart 2024, gericht aan de burgemeester, de schepenen en de fractieleiders in de gemeenteraad van de verwerende partij, beklaagt de verzoekende partij zich over het uitblijven van een beslissing, en vraagt zij zich af wat de redenen daarvoor kunnen zijn. Op 8 maart 2024 stuurt zij een herinneringsmail. Dezelfde dag antwoordt de burgemeester dat hij de vraag opneemt met zijn diensten en hierop “zo snel als mogelijk” terugkomt.
XII-9495-3/25
3.5. Op 12 maart 2024 beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij om de plaatsingsprocedure stop te zetten. Die beslissing wordt gemotiveerd als volgt:
“Aanleiding en context In het kader van de opdracht ‘Raamovereenkomst voor het leveren van elektrische fietsen [ten behoeve van] Groep Genk’ werd een bestek met nr.
2023-100/AA opgesteld door de dienst Aankoop.
De uitgave voor deze opdracht wordt geraamd op € 619.834,71 excl. btw of € 750.000,00 incl. 21% btw.
[…]
Argumentatie Gezien het huidige beschikbare budget om effectief afroepen te plaatsen uit de raamovereenkomst nog slechts ¼ bedraagt van het oorspronkelijke voorziene budget, wordt voorgesteld om de lopende gunningsprocedure stop te zetten. Er bestaat immers geen zekerheid dat de gekozen leverancier de fietsen tegen dezelfde eenheidsprijs kan leveren zoals opgenomen in zijn offerte en waarbij hij zich vermoedelijk gebaseerd heeft op de aantallen opgenomen in de inventaris van het bestek.
Rekening houdende met het voorgaande, is het aangewezen af te zien van de gunning van deze opdracht en de procedure later eventueel opnieuw op te starten.
In samenwerking met de dienst Mobiliteit zal verder onderzocht worden op welke manier aan de korte termijn behoefte kan voldaan worden.”
Met een e-mail van 18 maart 2024 en een op 20 maart 2024 ter post aangetekend schrijven stelt de verwerende partij de verzoekende partij in kennis van de beslissing om de opdracht stop te zetten.
3.6. Op 2 april 2024 dient de verzoekende partij een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in, gericht tegen de voornoemde beslissing van 12 maart 2024.
3.7. Na kennisneming van het verzoekschrift tot schorsing beslist het college van burgemeester en schepenen op 16 april 2024 om zijn beslissing van 12 maart 2024 tot stopzetting van de plaatsingsprocedure in te trekken. Die beslissing is gemotiveerd als volgt:
“Aanleiding en context Bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen d.d. 12.03.2024 (2024_CBS_00852) werd de plaatsingsprocedure van een
XII-9495-4/25
raamovereenkomst voor het leveren en onderhoud van elektrische fietsen [ten behoeve van] Groep Genk stopgezet.
Argumentatie In deze beslissing werd de stopzetting van de plaatsingsprocedure als volgt gemotiveerd:
Gezien het huidige beschikbare budget om effectief afroepen te plaatsen uit de raamovereenkomst nog slechts ¼ bedraagt van het oorspronkelijke voorziene budget, wordt voorgesteld om de lopende gunningsprocedure stop te zetten. Er bestaat immers geen zekerheid dat de gekozen leverancier de fietsen tegen dezelfde eenheidsprijs kan leveren zoals opgenomen in zijn offerte en waarbij hij zich vermoedelijk gebaseerd heeft op de aantallen opgenomen in de inventaris van het bestek.
Deze motivering is echter enigszins dubbelzinnig. Deze motivering wijst niet voldoende duidelijk op de schaarste aan publieke middelen waarmee stad Genk haar investeringen en werking financiert, het gegeven dat financiële projecties in het meerjarenplan tweemaal per jaar worden bijgestuurd gezien er continue meerdere financiële noden zijn op het vlak van investeringen en exploitatie-opdrachten van stad Genk, het naderende einde van de huidige legislatuurcyclus alsook o.a. het meerjarig karakter van de raamovereenkomst tot 31/12/2027 en het gegeven dat stad Genk zou optreden als aankoopcentrale voor meerdere entiteiten.
Inmiddels diende een kandidaat een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State […] wegens een gebrekkige motivering.
Bijgevolg is het aangewezen om de beslissing van het college van burgemeester en schepenen d.d. 12.03.2024 (2024_CBS_00852) in te trekken en in een navolgende beslissing de motivering tot stopzetting van de gunning te hernemen en te verduidelijken.”
3.8. Met een afzonderlijk besluit van dezelfde datum beslist het college van burgemeester en schepenen opnieuw tot stopzetting van de opdracht.
Deze beslissing tot stopzetting van 16 april 2024 is de thans bestreden beslissing.
Die beslissing is gemotiveerd als volgt:
“Aanleiding en context In het kader van de opdracht ‘Raamovereenkomst voor het leveren van elektrische fietsen [ten behoeve van] Groep Genk’ werd een bestek met nr. 2023-100/AA opgesteld door de dienst Aankoop.
De uitgave voor deze opdracht werd geraamd op een maximum van € 600.000,00 incl. 21% btw (waarvan € 300.000,00 incl. btw voor Stad Genk).
[…]
XII-9495-5/25
De schaarste aan publieke middelen voor financiering van de investeringen en de recurrente werking van stad Genk is toegenomen door de opeenvolging van crisissen in het huidige meerjarenplan samen met een ongunstige evolutie in de algemene financiële economische context (hoge inflatie, hoge rente, zwakke conjunctuur, …). Meerdere projecten vragen daarvoor extra financiële middelen in de voorbije maanden. Vanuit het gegeven dat financiële projecties in het meerjarenplan tweemaal per jaar worden bijgestuurd en rekening houdende met de vaststelling dat er meerdere financiële noden zijn op het vlak van investeringen en exploitatie-opdrachten van stad Genk, zijn er als resultante minder mogelijkheden in de vooruitzichten van het meerjarenplan om voldoende budgettaire middelen vrij te kunnen houden en maken t.o.v. de vorig jaar in september geraamde opdrachtwaarde van de meerjarige raamovereenkomst voor elektrische fietsen tot 31/12/2027. Gezien het naderende einde van de huidige legislatuurcyclus en het gegeven dat stad Genk zou optreden als aankoopcentrale voor meerdere entiteiten is het ook niet aangewezen om daarvoor nog extra financieringsbronnen aan te gaan die een weerslag op het volgende meerjarenplan 2026-2031 zouden hebben.
Rekening houdende met het voorgaande, is het noodzakelijk af te zien van de gunning van deze opdracht en de procedure later eventueel opnieuw op te starten.
In samenwerking met de dienst Mobiliteit zal verder onderzocht worden op welke manier aan de korte termijn behoefte kan voldaan worden.”
3.9. Met een e-mail van 17 april 2024 brengt de verwerende partij de twee beslissingen van 16 april 2024 ter kennis van de inschrijvers, waaronder de verzoekende partij.
Een tweede kennisgeving volgt met een aangetekende brief, gedateerd op 19 april 2024. De brief is op het postkantoor afgegeven op 19 april 2024. Ze is aan de verzoekende partij aangeboden en afgegeven op 26 april 2024.
3.10. Bij arrest nr. 259.612 van 24 april 2024 verklaart de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, gericht tegen de eerste stopzettingsbeslissing (van 12 maart 2024 – zie overweging 3.5)
zonder voorwerp, minstens onontvankelijk bij gebrek aan belang van de verzoekende partij.
3.11. Op 11 mei 2024 dient de verzoekende partij de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in.
XII-9495-6/25
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
A. Tijdigheid van de vordering
Standpunt van de partijen
4. De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan.
De verwerende partij wijst erop dat de kennisgeving van de bestreden beslissing, beginpunt van de termijn van vijftien dagen, is gebeurd met een e-mail van 17 april 2024 en met een aangetekend schrijven van 19 april 2024.
In hoofdorde voert zij aan dat de verzoekende partij op de e-mail van 17 april 2024 repliceerde met een e-mail van dezelfde datum. Om die reden was de laatste datum om de vordering in te stellen 1 mei 2024, eventueel verlengd naar 2 mei 2024. De vordering, ingesteld op 11 mei 2024, is dan laattijdig.
Subsidiair, voor het geval enkel met de aangetekende zending rekening gehouden zou mogen worden, voert de verwerende partij aan dat de termijn van vijftien dagen een aanvang neemt op de datum van verzending van de aangetekende zending, d.i. op 19 april 2024. Ook dan is het verzoekschrift, ingediend op 11 mei 2024, laattijdig.
5. In haar verzoekschrift en ter terechtzitting voert de verzoekende partij aan dat de aangetekende brief van 19 april 2024, waarmee de bestreden beslissing haar ter kennis is gebracht, haar pas op 26 april 2024 is aangeboden. In die omstandigheden is haar vordering, ingesteld op 11 mei 2024, binnen de termijn van vijftien dagen ingesteld.
Zij voert aan dat de vertraging die de aanbieding van de aangetekende brief heeft opgelopen, een vertraging bij de postdienst is, waarvoor zij niet verantwoordelijk is.
XII-9495-7/25
Beoordeling
6. Artikel 23, § 3, van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna:
rechtsbeschermingswet), bepaalt dat de vordering tot schorsing op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt ingediend binnen een termijn van vijftien dagen.
Artikel 23, § 1, eerste lid, bepaalt dat die termijn begint te lopen “vanaf de bekendmaking, de kennisgeving of de kennisneming van de rechtshandeling, al naargelang”. Artikel 23, § 1, tweede lid, bepaalt dat, “wanneer deze wet een mededelingsplicht oplegt, in geval van niet-gelijktijdige zendingen, […] de termijnen [beginnen] te lopen vanaf de dag van de laatste verzending”.
Artikel 9 van de rechtsbeschermingswet bepaalt dat de aanbestedende overheid onmiddellijk na het nemen van de beslissing om af te zien van het plaatsen van de opdracht, de gemotiveerde beslissing meedeelt aan de betrokken kandidaten, deelnemers en inschrijvers. Artikel 9/1, § 1, bepaalt dat de aanbestedende instantie onmiddellijk de in artikel 9 bedoelde mededeling doet “per fax, per e-mail of via de elektronische platformen […] en, dezelfde dag, per aangetekende zending”.
Volgens artikel 68 van de rechtsbeschermingswet gebeurt de berekening van de in deze wet bepaalde termijnen “overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden [hierna: verordening 1182/71] in het recht van de Europese Unie”. Artikel 3, lid 1, van die verordening bepaalt dat “wanneer een in dagen […]
omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of handeling plaatsvindt, […] de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn [wordt] inbegrepen”. Artikel 3, lid 4, van de verordening bepaalt dat, “indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn een feestdag, een zondag of een zaterdag is, […] deze termijn [dan afloopt] bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag”.
XII-9495-8/25
7.1. Overeenkomstig artikel 9 van de rechtsbeschermingswet diende de bestreden beslissing aan onder meer de verzoekende partij te worden meegedeeld. Op grond van artikel 23, § 1, eerste lid, van dezelfde wet ging de in artikel 23, § 3 bepaalde termijn in met die “kennisgeving”. Te dezen is de bestreden beslissing aan de verzoekende partij meegedeeld, eerst met een e-mail van 17 april 2024, daarna met een aangetekende brief van 19 april 2024.
Overeenkomstig artikel 23, § 1, tweede lid, van de rechtsbeschermingswet, dient in een dergelijk geval de laatste van beide data als beginpunt van de termijn te worden genomen.
Tussen de partijen bestaat betwisting over de vraag op welke dag de mededeling geacht moet zijn te zijn verricht: volgens de verwerende partij is dat de dag waarop zij de aangetekende brief aan de post heeft afgegeven (19 april 2024), volgens de verzoekende partij is dat de dag waarop de post die brief aan haar heeft aangeboden en afgegeven (26 april 2024).
7.2. De Raad van State stelt vast dat artikel 23, § 1, eerste lid, van de rechtsbeschermingswet het heeft over de “bekendmaking, de kennisgeving of de kennisneming” van de betrokken beslissing, en dat artikel 23, § 1, tweede lid, dat specifiek handelt over het geval dat er twee niet-gelijktijdige zendingen zijn, het heeft over de laatste “verzending”. Ook in artikel 11, eerste lid, van de rechtsbeschermingswet, dat betrekking heeft op de wachttermijn die de aanbestedende overheid in acht moet nemen wanneer zij een gunningsbeslissing heeft genomen – bepaling die te dezen weliswaar niet van toepassing is -, worden de woorden “mededeling” en “verzending” gebruikt.
De tekst van die bepalingen is aldus een sterk argument om te dezen de datum van de verzending van de aangetekende brief, dit wil zeggen 19 april 2024, als beginpunt van de termijn van vijftien dagen te nemen.
7.3. De termijnregeling vervat in artikel 23 van de rechtsbeschermingswet vormt de omzetting in het interne recht van artikel 2quater van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 ‘houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten
XII-9495-9/25
voor leveringen en voor de uitvoering van werken’, ingevoegd bij richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007. Dat artikel 2quater luidt als volgt:
“Wanneer een lidstaat bepaalt dat beroep tegen een besluit van een aanbestedende dienst dat is genomen in het kader van of met betrekking tot een onder Richtlijn 2014/24/EU of Richtlijn 2014/23/EU vallende gunningsprocedure, binnen een bepaalde termijn moet worden ingesteld, bedraagt deze termijn ten minste 10 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit van de aanbestedende dienst per faxbericht of langs elektronische weg aan de inschrijver of gegadigde is gezonden of, indien van andere communicatiemiddelen gebruik wordt gemaakt, bedraagt deze termijn hetzij ten minste 15 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum waarop het besluit van de aanbestedende dienst aan de inschrijver of gegadigde is gezonden, hetzij ten minste 10 kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum van ontvangst van het besluit van de aanbestedende dienst. […].”
De Belgische wetgever heeft ervoor geopteerd om een termijn van 15 kalenderdagen te bepalen. Die termijn vangt, volgens de richtlijn, aan op de dag na die waarop het betrokken besluit aan de inschrijver of gegadigde is “gezonden”.
Ook artikel 2quater van de richtlijn biedt aldus steun voor de interpretatie dat de termijn van vijftien dagen begint te lopen vanaf de verzending van de aangetekende brief.
7.4. Die interpretatie wordt bevestigd door de parlementaire voorbereiding van de wet waarbij de bepalingen die thans artikel 23 van de rechtsbeschermingswet vormen, in de rechtsorde zijn opgenomen.
Die bepalingen waren oorspronkelijk vervat in artikel 65/23 van de wet van 24 december 1993 ‘betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten’, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009. De bepalingen die thans vervat zijn in artikel 11 van de wet rechtsbescherming, over de wachttermijn na het nemen van een gunningsbeslissing, waren toen vervat in artikel 65/11 van de wet van 24 december 1993. Volgens artikel 65/11 mocht de sluiting van de opdracht niet plaatsvinden vóór het verstrijken van een termijn van vijftien dagen “die ingaat de dag nadat de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.147 XII-9495-10/25
gemotiveerde gunningsbeslissing aan de betrokken kandidaten en inschrijvers […]
is verzonden”. In verband met die laatste bepaling werd in de memorie van toelichting onder meer het volgende gesteld:
“Er is voor geopteerd om de dag na de verzendingsdatum als vertrekdatum van de termijn te nemen. Alhoewel deze benadering in principe minder voordelig is voor de geadresseerde, is ervoor geopteerd om redenen van rechtszekerheid. De ontvangstdatum vormt immers een onzeker element bij de berekening van de termijn, terwijl de verzendingsdatum objectief kan worden bepaald. De langere termijn die de Belgische wetgever toestaat en de verzending van de betrokken informatie via elektronische middelen kunnen de nadelen verbonden aan deze berekeningsvorm in ruime mate opvangen, met name bekeken vanuit het standpunt van de buitenlandse inschrijvers.
Om ervoor te zorgen dat potentiële verzoekers zo vlug mogelijk worden geïnformeerd, wordt in eerste instantie voorzien in een verzending per telefax, e-mail of een ander elektronisch middel. Om reden van juridisch bewijs wordt tegelijk ook voorzien in een verzending bij aangetekende brief” (memorie van toelichting bij het ontwerp dat geleid heeft tot de wet van 23 december 2009, Parl. St. Kamer, nr. 52-2276/001, p. 24).
Uit die passus blijkt dat de wetgever welbewust gekozen heeft voor de verzendingsdatum als vertrekpunt van de wachttermijn van vijftien dagen, en niet de ontvangstdatum. De redenen die hij daarvoor aanhaalde, en de verantwoording voor het “minder voordelig” behandelen van de geadresseerde, golden vanzelfsprekend ook voor de met de wachttermijn overeenstemmende termijn van vijftien dagen voor het instellen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bedoeld in artikel 65/23 (thans artikel 23, § 3, van de rechtsbeschermingswet).
7.5. De conclusie is dan ook dat de gebeurtenis die de termijn heeft doen ingaan, de verzending van de aangetekende brief van 19 april 2024 is.
De Raad van State merkt hierbij op dat de verzoekende partij al eerder op de hoogte was van het bestaan en de motieven van de bestreden beslissing, met name via de e-mail van 17 april 2024.
8. Gelet op artikel 3, lid 1, van verordening 1182/71, nam de termijn van vijftien dagen om tegen de thans bestreden beslissing een vordering tot
XII-9495-11/25
schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State in te stellen, een aanvang op de dag na die dag, dus op 20 april 2024. De termijn van vijftien dagen verstreek derhalve op 4 mei 2024. Aangezien die dag een zaterdag was, werd de termijn met toepassing van artikel 3, lid 4, van verordening 1182/71
verlengd tot de eerstvolgende werkdag, dus tot 6 mei 2024.
Het inleidend verzoekschrift is elektronisch ingediend op 11 mei 2024, dus buiten de termijn.
9. De exceptie is gegrond.
Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. In de gegeven omstandigheden acht de Raad van State het niettemin wenselijk om, weliswaar ten overvloede, in te gaan op de andere excepties en op het door de verzoekende partij ingeroepen middel.
B. Belang bij de vordering
Standpunt van de partijen
10. De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit een gebrek aan belang van de verzoekende partij bij de vordering.
De verwerende partij voert aan dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat, indien de plaatsingsprocedure niet stopgezet zou zijn, de opdracht zonder meer aan haar gegund had moeten worden. Daarnaast wijst zij erop dat de stopzetting van de plaatsingsprocedure tot gevolg heeft dat de opdracht aan geen enkele inschrijver kan worden gegund. De verzoekende partij kan dan ook geen voordeel halen uit haar vordering.
11. In haar verzoekschrift voert de verzoekende partij aan dat zij voldoet aan de kwalitatieve selectiecriteria om de opdracht uit te voeren, en dat zij een regelmatige offerte heeft ingediend. Zij wordt geconfronteerd met een
XII-9495-12/25
stopzettingsbeslissing die voor haar definitieve rechtsgevolgen met zich brengt. Zij meent dan ook belang bij haar vordering te hebben.
Beoordeling
12. Volgens artikel 15 van de rechtsbeschermingswet, gelezen in samenhang met artikel 14 van die wet, kan de Raad van State de tenuitvoerlegging van “beslissingen van de aanbestedende instanties” schorsen “op verzoek van elke persoon die een belang heeft of heeft gehad om een bepaalde opdracht […] te krijgen en die door de beweerde schending is of dreigt te worden benadeeld”.
Te dezen bestaat de bestreden beslissing erin dat de plaatsingsprocedure wordt stopgezet. Die beslissing verhindert aldus dat de verzoekende partij, zoals ook elke andere inschrijver, nog een kans maakt op de gunning van de opdracht. Een vernietiging van de stopzettingsbeslissing zou ertoe leiden dat de verzoekende partij opnieuw een kans maakt om de opdracht gegund te krijgen.
In die omstandigheden beschikt de verzoekende partij als inschrijver op het eerste gezicht over het rechtens vereiste belang om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van die beslissing. Het feit dat ook de andere inschrijvers dan de kans krijgen om de opdracht gegund te krijgen, doet daaraan geen afbreuk.
13. De exceptie is niet ernstig.
C. Vertegenwoordiging van de verzoekende partij
Standpunt van de partijen
14. De verwerende partij werpt een derde exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het feit dat de verzoekende partij haar statuten niet bij haar verzoekschrift heeft gevoegd, en zij ook niet bewijst dat de beslissing om in rechte te treden is genomen door haar bevoegde orgaan. Zij verwijst naar de artikelen 3, 4°, en 3bis, eerste lid, 1°, van het besluit
XII-9495-13/25
van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement).
15. Ter terechtzitting legt de verzoekende partij haar statuten neer.
Haar vertegenwoordiger verklaart dat hij de enige zaakvoerder is.
Beoordeling
16. Artikel 3, 4°, van het algemeen procedurereglement bepaalt dat de verzoekende partij bij haar verzoekschrift voegt, indien zij een rechtspersoon is:
“een afschrift van haar gepubliceerde statuten en van haar gecoördineerde geldende statuten en, indien deze rechtspersoon niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd, een afschrift van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden”. Artikel 3bis, eerste lid, 1°, van dat reglement bepaalt dat het verzoekschrift niet op de rol wordt ingeschreven indien, “uitgaande van een rechtspersoon, het niet vergezeld gaat van de stukken opgesomd in artikel 3, 4°”.
De artikelen 3 en 3bis van het algemeen procedurereglement zijn bij artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ van toepassing verklaard op de vordering tot schorsing. Artikel 16, § 1, van het laatstgenoemde besluit bevat echter bijzondere bepalingen voor het verzoekschrift waarmee een vordering in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingediend.
Noch bij dat artikel 16, § 1, noch bij enige andere bepaling zijn de artikelen 3 en 3bis van het algemeen procedurereglement van toepassing verklaard op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
17. Overigens blijkt uit de ter terechtzitting neergelegde statuten dat N.L. voor een onbepaalde duur is aangesteld als enige zaakvoerder van de verzoekende partij. In die hoedanigheid is hij bevoegd om namens de verzoekende
XII-9495-14/25
partij te beslissen om de voorliggende vordering in te stellen en ook om de verzoekende partij ter terechtzitting te vertegenwoordigen.
18. De exceptie kan niet aangenomen worden.
V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
19. Zoals hiervoor is overwogen, wordt hierna ten overvloede onderzocht of voldaan is aan de materiële voorwaarden om een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen.
Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de rechtsbeschermingswet, moet dan enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd.
VI. Onderzoek van het enig middel
Uiteenzetting van het middel
20.1. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 12 en 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 maart 2018 ‘over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen’, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, de formele motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht.
Het middel is gericht tegen de motieven van de bestreden beslissing om de plaatsingsprocedure stop te zetten. De verzoekende partij wijst erop dat de verwerende partij in die beslissing aanvoert dat “de schaarste aan publieke middelen voor financiering van de investeringen en de recurrente werking
XII-9495-15/25
van de stad Genk is toegenomen door de opvolging van crisissen in het huidige meerjarenplan”. Die motieven moeten gelezen worden in samenhang met de motieven van de eerdere (thans ingetrokken) beslissing van 12 maart 2024 om de plaatsingsprocedure stop te zetten. Daarin werd gesteld dat er maar ¼ budget is. In die eerdere beslissing werd ook verwezen naar bedragen van de opdracht die niet overeenkwamen met de bedragen in de aanbesteding of in de meerjarenplanning.
Tegen die motieven voert de verzoekende partij drie grieven aan, die zij structureert in drie onderdelen.
20.2. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij de plaatsingsprocedure pas in een laat stadium ervan heeft stopgezet. Aldus heeft de verwerende partij niet gehandeld als een goed huisvader en zijn de door haar ingeroepen redenen niet geloofwaardig.
Zij wijst erop dat de voorziene uitgaven voor de opdracht op 19 september 2023 door de gemeenteraad werden goedgekeurd en onder de betreffende nummers in het meerjarenplan van de verwerende partij werden ingeschreven. In november 2023 werd van de inschrijvers nog een testfiets gevraagd; toen was er geen sprake van budgettaire problemen. Ook in antwoord op vragen van de verzoekende partij werden in januari 2024 geen dergelijke problemen vermeld. Op 25 januari 2024 werden zelfs bijkomende vragen aan de verzoekende partij in verband met haar offerte gesteld. Pas in de eerste stopzettingsbeslissing van 12 maart 2024 komt de verwerende partij aanzetten met de uitleg dat het beschikbare budget nog maar ¼ bedraagt van het oorspronkelijk voorziene budget. Bovendien wordt in die beslissing verwezen naar een geraamd bedrag van de opdracht van 750.000 euro, btw inbegrepen, terwijl in het bestek sprake is van een bedrag van slechts 600.000 euro, btw inbegrepen. Nadat de verzoekende partij tegen die beslissing een vordering tot schorsing heeft ingesteld, en na intrekking van die eerste stopzettingsbeslissing, geeft de verwerende partij in de thans bestreden beslissing plots een andere uitleg. Nu zou er helemaal geen budget meer zijn.
De verzoekende partij betwist de gegrondheid van de opgegeven motieven. Zij vindt het ongeloofwaardig dat de verwerende partij enkele maanden
XII-9495-16/25
na het uitschrijven van de opdracht zou zijn “weggezakt in een financieel moeras”.
Het lijkt er volgens haar sterk op dat de verwerende partij “vooral naar de juiste woorden zoekt” om toch maar van de opdracht af te geraken. Inschrijvers zijn ondertussen op kosten gejaagd en aan het lijntje gehouden. De verwerende partij heeft hen zelfs een testfiets gevraagd, die 100 % op maat gemaakt diende te worden. Door de zeer late stopzetting geeft de verwerende partij geen blijk van goed huisvaderschap.
In dit verband vindt de verzoekende partij het ook “vreemd” dat geen gunningsverslag is opgemaakt. Aan de telefoon was haar meegedeeld dat er wel een verslag was, en dat de conclusie was dat zij “niet gewonnen” had. Het zou echter ook kunnen dat zij wel de eerst gerangschikte inschrijver was, dat de verwerende partij haar de opdracht niet wilde gunnen en dat zij daarom maar de hele procedure stopzette.
20.3. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de uitgavenkredieten volgens artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 maart 2018 ‘over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen’ “limitatief [zijn] op het niveau van het totaal van de exploitatie en het totaal van de investeringen”. Er kan dan ook niet gezegd worden dat een budget dat voorzien is voor een bepaalde post al voor ¾ is opgebruikt, vermits dit budget niet per post beschouwd kan worden. Een budget van 600.000 euro kan overigens niet op zes maanden in rook zijn opgegaan. Bovendien was volgens het meerjarenplan van de stad Genk voor 2024 een bedrag van 200.000 euro als exploitatiekost voor de leasing van fietsen voor het personeel van de stad voorzien.
De verzoekende partij herhaalt dat het goedkeuren van een aanbesteding, waarvoor budgetten ingeschreven worden, en het vervolgens vaststellen dat de ingeschreven bedragen niet correct zijn, getuigt van een slecht huisvaderschap. Het voorzien en het controleren van de budgetten is een taak van het bestuur, die het als een goed huisvader moet vervullen.
20.4. In een derde onderdeel roept de verzoekende partij het zorgvuldigheidsbeginsel in. Zij voert aan dat dit beginsel inhoudt dat een overheid haar beslissing diligent dient voor te bereiden, hetgeen veronderstelt dat zij haar
XII-9495-17/25
beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding, en dat zij op het moment van de besluitvorming alle relevante factoren en omstandigheden dient af te wegen.
Beoordeling
Eerste en tweede onderdeel
21. Artikel 85 van de wet overheidsopdrachten 2016 luidt als volgt:
“Het volgen van een procedure houdt geen verplichting in tot het gunnen of het sluiten van de opdracht. De aanbestedende overheid kan zowel afzien van het gunnen of het sluiten van de opdracht als de procedure herbeginnen, desnoods op een andere wijze. […]”
22. De plaatsing van een overheidsopdracht strekt ertoe te voldoen aan de behoeften van de aanbestedende overheid. Die overheid beschikt in principe dan ook over een beoordelingsruimte bij het nemen van de beslissing om een opdracht al dan niet te gunnen en om de plaatsingsprocedure al dan niet stop te zetten. Wel mag zij daarbij niet willekeurig te werk gaan en moet die beslissing steunen op deugdelijke motieven die de beslissing kunnen dragen.
Het komt de Raad van State niet toe zich in de plaats te stellen van de aanbestedende overheid, noch mag hij zijn eigen opvatting over de noodzaak van het al dan niet gunnen van een opdracht in de plaats stellen van die van de overheid. Enkel een beslissing tot niet-gunning die op het eerste gezicht als onwettig, onzorgvuldig of onredelijk dient te worden aangemerkt, kan leiden tot een schorsing van de tenuitvoerlegging ervan.
23. In de consideransen van het bestreden besluit wordt uitgegaan van de vaststelling dat er een toegenomen “schaarste aan publieke middelen voor financiering van de investeringen en de recurrente werking van de stad Genk” is. In de voorbije maanden hebben meerdere projecten extra financiële middelen gevraagd. Het gevolg is dat er “minder mogelijkheden in de vooruitzichten van het meerjarenplan [zijn] om voldoende budgettaire middelen vrij te kunnen houden en maken t.o.v. de […] in september [2023] geraamde opdrachtwaarde van de
XII-9495-18/25
meerjarige raamovereenkomst voor elektrische fietsen tot 31/12/2027”. Gelet op “het naderende einde van de huidige legislatuurcyclus en het gegeven dat [de] stad Genk zou optreden als aankoopcentrale voor meerdere entiteiten”, wordt het niet aangewezen geacht om voor dat project “nog extra financieringsbronnen aan te gaan die een weerslag op het volgende meerjarenplan 2026-2031 zouden hebben”.
De verwerende partij steunt de stopzetting van de plaatsingsprocedure aldus op de inschatting dat de beschikbare middelen het niet meer mogelijk maken om in de financiering van de uitvoering van de betrokken raamovereenkomst te voorzien. Die inschatting gebeurt mede op grond van de vaststelling dat andere projecten duurder zijn gebleken dan verwacht.
Een overschrijding van het beschikbare budget en het feit dat het project financieel niet langer haalbaar is, vormen in beginsel geldige redenen tot niet-gunning van de betrokken overheidsopdracht. Te dezen lijken de motieven voor het nemen van de bestreden beslissing die beslissing in beginsel dus te kunnen verantwoorden.
24. De verzoekende partij betwist evenwel de juistheid en de deugdelijkheid van de in de bestreden beslissing opgegeven motieven.
24.1. Zij voert aan, ten eerste, dat het door de gemeenteraad op 19 september 2023 goedgekeurde bedrag werd ingeschreven in het meerjarenplan 2020-2025 van de stad Genk. Op die dag was er volgens haar dus nog geen probleem, en het is ongeloofwaardig dat er dan in april 2024 sprake zou zijn van plots opgedoken crisissen. Specifiek in het tweede onderdeel voert zij aan dat er voor 2024 op de post ‘fietsaanschaf voor stadspersoneel’ een bedrag van 200.000
euro was begroot, en dat moeilijk in te zien valt hoe dit budget op korte tijd voor ¾ zou zijn opgebruikt.
Zoals de verwerende partij terecht lijkt op te merken, dienen de gegevens waarop de verzoekende partij steunt, in hun context geplaatst te worden, en dienen ze ook gecorrigeerd te worden. Uit het aanvankelijke meerjarenplan 2020-2025, terug te vinden op de website van de stad Genk, blijkt dat onder post ‘MJP003169 Investering elektrische fietsen voor stadspersoneel’ aanvankelijk
XII-9495-19/25
inderdaad een investeringskrediet van 200.000 euro voor het jaar 2020 was voorzien. Dit transactiekrediet werd echter reeds in 2020 gewijzigd, zoals blijkt uit de aanpassing 2020/2 van het meerjarenplan. Omdat er op dat ogenblik in plaats van voor een aankoop van fietsen gekozen werd voor een leasing ervan, werd het voorziene investeringsbudget van 200.000 euro geschrapt. In de plaats daarvan werden onder post ‘MJP003327 Onderhoud van elektrische fietsen voor het stadspersoneel’ exploitatiekredieten voorzien, die toen gespreid werden over de jaren 2021, 2022 en 2023 (respectievelijk 100.000 euro, 60.000 euro en 40.000
euro).
De Raad van State stelt vast dat het voorwerp, het bedrag en de spreiding van die kredieten nadien nog herhaaldelijk werden gewijzigd. Op vraag van de verzoekende partij heeft de verwerende partij op 28 en 29 maart 2024 laten weten dat de posten die verband hielden met de litigieuze overheidsopdracht op dat ogenblik terug te vinden waren op de volgende posten van het aangepaste meerjarenplan:
– MJP 003169. Duurzaam personeel: investering elektrische fietsen voor stadspersoneel 2024: 41.418,00 euro 2025: 15.000,00 euro – MJP 003308. Fiets: aankoop fietsen voor fietsprojecten 2024: 62.109,33 euro.
De omstandigheid dat de kredieten zijn gewijzigd, doet niet blijken van enige onwettigheid. Een krediet is het bedrag voor ontvangsten en uitgaven binnen één boekjaar (artikel 256 van het decreet van 22 december 2017
‘over het lokaal bestuur’). Minstens één keer per jaar wordt het meerjarenplan aangepast, “waarbij in elk geval de kredieten voor het volgende boekjaar worden vastgesteld” en waarbij, “als dat nodig is, […] ook de kredieten voor het lopende boekjaar [kunnen] worden aangepast” (artikel 257, § 1, van het voornoemde decreet).
Het feit dat artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 maart 2018 ‘over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen’ bepaalt dat “de uitgavenkredieten […] limitatief [zijn] op het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.147 XII-9495-20/25
niveau van het totaal van de exploitatie en het totaal van de investeringen”, zoals door de verzoekende partij benadrukt, betekent niet dat de voorziene kredieten noodzakelijk aangewend moeten worden. Bovendien is in artikel 14 van het voornoemde besluit sprake van “het aangepaste overzicht van de kredieten, met aanduiding van de wijzigingen ten opzichte van het meerjarenplan […]”, overigens volkomen in lijn met artikel 257, § 1, van het decreet van 22 december 2017.
Een herschikking van de kredieten, waarbij voor een bepaalde post eventueel geen krediet meer voorzien wordt, lijkt aldus perfect aanvaardbaar te zijn. Dit is te dezen des te meer het geval, nu de verwerende partij wijst op onverwachte omstandigheden, met name “de opeenvolging van crisissen in het huidige meerjarenplan samen met een ongunstige evolutie in de algemene financiële economische context (hoge inflatie, hoge rente, zwakke conjunctuur, …)”.
Het is de Raad van State in elk geval niet duidelijk welk gevolg voor de wettigheid van de bestreden beslissing afgeleid zou moeten worden uit het feit dat op een bepaald ogenblik bepaalde kredieten voorzien worden voor de financiering van een opdracht die pas later uitgevoerd moet worden. De inschrijving van een bepaald bedrag in een meerjarenplan betekent immers niet dat het betrokken bestuur geen toepassing meer zou kunnen maken van artikel 85 van de wet overheidsopdrachten 2016 en niet meer zou kunnen beslissen, in het licht van de budgettaire toestand op een bepaald ogenblik, om een plaatsingsprocedure stop te zetten en de daaraan verbonden uitgaven te vermijden.
Het komt ten slotte niet aan de verzoekende partij toe om zich in de plaats te stellen van de verwerende partij wat betreft het inschatten van de financiële haalbaarheid van de litigieuze overheidsopdracht. De kritiek volgens welke de voorziene kredieten te dezen toereikend zouden zijn, is een opportuniteitskritiek, die op zich niet kan leiden tot de conclusie dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is.
24.2. De verzoekende partij voert aan, ten tweede, dat de motivering in de bestreden beslissing op twee punten afwijkt van de motivering in de eerste stopzettingsbeslissing, aangenomen op 12 maart 2024.
XII-9495-21/25
Zij voert in de eerste plaats aan dat in de eerste beslissing werd gesteld dat “er maar ¼ budget is”, terwijl er volgens de bestreden beslissing “geen budget meer [is]”.
Zelfs al mocht er enige tegenstrijdigheid bestaan tussen de motivering in de twee stopzettingsbeslissingen, daaruit kan geen onwettigheid of gebrek in de motivering van de bestreden beslissing worden afgeleid. De eerste stopzettingsbeslissing werd immers op 16 april 2024 ingetrokken, zodat zij geacht wordt nooit te hebben bestaan. Bovendien heeft de verwerende partij in haar intrekkingsbeslissing uitdrukkelijk afstand genomen van de eerdere motivering.
De motivering in de bestreden stopzettingsbeslissing van 16 april 2024 moet dan ook beschouwd worden als een correctie op de eerdere motivering.
De verzoekende partij voert voorts aan dat in de stopzettingsbeslissing van 12 maart 2024 verwezen wordt naar een geraamd bedrag van 619.834,71 euro, btw niet inbegrepen, of 750.000 euro, btw inbegrepen, terwijl in het bestek en in de bestreden beslissing wordt uitgegaan van een maximumwaarde voor de raamovereenkomst van 600.000 euro, btw inbegrepen.
Het is inderdaad zo dat in het bestek een maximumwaarde van 600.000 euro, btw inbegrepen, is bepaald. Dat is ook het bedrag dat in de bestreden beslissing wordt vermeld. De haalbaarheid van het project lijkt dus gebaseerd te zijn op het correcte bedrag. De omstandigheid dat in de eerdere stopzettingsbeslissing een ander bedrag wordt genoemd, volgens de verwerende partij op grond van een materiële vergissing, doet aan die vaststelling geen afbreuk.
24.3. De verzoekende partij voert aan, ten derde, dat de verwerende partij pas tot haar beslissing tot stopzetting van de plaatsingsprocedure is gekomen nadat zij de inschrijvers eerst “aan het lijntje [heeft] gehouden” en hen zelfs gevraagd heeft om een testfiets op maat te bezorgen. De “zeer late terugtrekking”
getuigt volgens haar niet van goed huisvaderschap.
XII-9495-22/25
Er moet evenwel opgemerkt worden dat artikel 85 van de wet overheidsopdrachten 2016 de aanbestedende overheid de mogelijkheid biedt om op elk ogenblik van de procedure af te zien van het gunnen van de opdracht. Zij kan zelfs nog afzien van het sluiten van een gegunde opdracht zolang de opdracht niet effectief gesloten is.
Dat de verzoekende partij als inschrijver in de voorbereiding van haar offerte en lopende de gunningsprocedure kosten heeft gemaakt, zonder zekerheid om de opdracht gegund te krijgen, lijkt het risico uit te maken van elke gegadigde bij een overheidsopdracht, onder voorbehoud van het verkrijgen van een biedvergoeding als bedoeld in artikel 12/9 van de wet overheidsopdrachten 2016.
24.4. De verzoekende partij voert ten slotte aan, ten vierde, dat de beslissing tot stopzetting misschien genomen is om andere redenen dan redenen die te maken hebben met de financiën van de verwerende partij. Zij vindt het in dit verband ook vreemd dat er geen gunningsverslag zou zijn opgemaakt.
Die grief lijkt niet aangenomen te kunnen worden. De kritiek van de verzoekende partij doet zich voor als een loutere bewering, waarvoor geen bewijs, zelfs geen begin van bewijs wordt aangebracht. Op een vraag van de verzoekende partij heeft de verwerende partij met een e-mail van 29 maart 2024
formeel geantwoord dat er geen gunningsverslag is. De loutere bewering dat aan de verzoekende partij telefonisch zou zijn meegedeeld dat er wel een verslag zou bestaan, volstaat niet om die uitdrukkelijke verklaring tegen te spreken. De verzoekende partij maakt nog minder aannemelijk dat in een gunningsverslag zou worden voorgesteld om de opdracht aan haar te gunnen. Het feit dat er geen gunningsverslag is, ook al zijn bepaalde stappen gezet in de plaatsingsprocedure, lijkt trouwens logisch ingeval de procedure wordt stopgezet.
Overigens zou zelfs het bestaan van een gunningsverslag de toepassing van artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 niet verhinderen. Zoals hiervoor overwogen, mag van de gunning van de opdracht immers tot aan de sluiting ervan worden afgezien. Het mogelijke bestaan van een gunningsverslag
XII-9495-23/25
lijkt evenmin van aard te zijn om het bestaan van het financiële motief van de verwerende partij in twijfel te trekken.
25. Gelet op het voorgaande, zijn het eerste en het tweede onderdeel niet ernstig.
Derde onderdeel
26. In het derde onderdeel beperkt de verzoekende partij zich tot een uiteenzetting van wat volgens de rechtspraak van de Raad van State onder het zorgvuldigheidsbeginsel moet worden begrepen.
Zij maakt echter niet duidelijk waarin de schending van dat beginsel door de bestreden beslissing zou bestaan. Het onderdeel is dan ook niet duidelijk, en bijgevolg onontvankelijk.
VII. Besluit
27. De vordering is onontvankelijk. Het enig middel is bovendien in geen van zijn onderdelen ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XII-9495-24/25
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien juni tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Paul Lemmens
XII-9495-25/25

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.147

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.147

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.