ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.345
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.345 Rolnummer: A. 241316/XIV-39405 Zaak: Arrest 260345 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 01/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-15 Raadplegingen: 268 - laatst gezien 2026-06-05 22:57 Fiche Arrest nr 260.345...
13 min de lecture · 2,809 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 01 juli 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.345
Rolnummer:
A. 241316/XIV-39405
Zaak:
Arrest 260345 – Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen – 01/07/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-07-15
Raadplegingen:
268 – laatst gezien 2026-06-05 22:57
Fiche
Arrest nr 260.345 van 1 juli 2024 Economische zaken – Energie (subsidies,
premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen Beslissing :
Verwerping Depersonalisatie
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 260.345 van 1 juli 2024
in de zaak A. 241.316/XIV-39.405
In zake: XXXX
woonplaats kiezend te 8700 Tielt Grote Hulststraat 23/0002
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 16 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 18 december 2023 van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie tot afwijzing van de aanvraag van het “Basispakket 1.”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 22 april 2024 aan de partijen voorgesteld dat de zaak
XIV-39.405-1/9
niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt.
Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd.
Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 26 juni 2024.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Op 18 december 2023 weigert de verwerende partij verzoekers individuele aanvraag tot het bekomen van het basispakket voor november en december 2022.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Toepassing kortedebattenprocedure
Ontvankelijkheid – ambtshalve exceptie inzake rechtsmacht
Uiteenzetting van de exceptie
4. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve het gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State opgeworpen. Er wordt toegelicht dat de voorwaarden om de federale elektriciteits- en gaspremie te bekomen, volledig zijn vastgelegd in titel 7 van de wet van 30 oktober 2022 ‘houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis’ (hierna: de wet van
XIV-39.405-2/9
30 oktober 2022), zoals dat blijkt uit het volgende door het auditoraat gegeven juridisch kader:
“3. Het juridisch kader 1. De wet van 30 oktober 2022 ‘houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis’ (hierna: wet van 30 oktober 2022) bevat een titel 7 ‘Energie Toekenning van een federale elektriciteits- en gaspremie’.
Deze wet voorziet in de invoering van een federale premie voor elektriciteit (122 euro) en gas (270 euro). Ze is bedoeld om de impact van de energiecrisis op de elektriciteits- en gasrekeningen te verzachten.
Deze steun, ook basispakket genoemd, wordt als een eenmalige en forfaitaire premie toegekend aan iedere huishoudelijke afnemers van elektriciteit en gas die op 30 september 2022 een recht op levering van elektriciteit respectievelijk gas voor diens woonplaats heeft binnen een leveringsovereenkomst (ongeacht of er een levering van elektriciteit respectievelijk van gas heeft plaatsgevonden bij de rechthebbende):
1° met een variabele prijs;
2° met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021.[…]
De federale elektriciteits- en gaspremie is niet van toepassing op de personen binnen een gezin of huishouden waarvan een lid kwalificeerde als beschermde residentiële afnemer in de zin van artikel 20, § 2/1, van de Elektriciteitswet op 30 september 2022 of in de zin van artikel 15/10, § 2/2, van de Gaswet, dit zijn de afnemers die een contract hebben onder het sociaal tarief.[…]
2. Het bedrag van de federale elektriciteits- en gaspremie wordt toegekend aan de rechthebbende door de leverancier die voorziet in de levering van elektriciteit op 30 september 2022.[…] Het bedrag van de federale elektriciteitspremie wordt automatisch toegekend aan de rechthebbenden opgenomen in de lijst opgemaakt krachtens artikel 53, § 1, en verrekend op een voorschot- of afrekeningsfactuur in de periode vóór 1 januari 2023. De toekenning van de premie wordt voor diezelfde datum meegedeeld via een voorschot- of afrekeningsfactuur of via een kredietnota of via een afzonderlijke communicatie die de datum van de toekenning attesteert.[…]
[…].”
Het auditoraat concludeert hieruit dat de beoordeling of de federale elektriciteits- en gaspremie moet worden toegekend, volledig gebonden is en er dus sprake is van een subjectief recht voor zij die aan de voorwaarden, die geen discretionaire invulling vergen, voldoen. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering (het petitum) betreft een de vaststelling van een subjectief recht. Voorts stelt het auditoraat vast dat het verzoekschrift geen
XIV-39.405-3/9
middelen bevat, zodat er dan ook geen sprake is van een middel (de causa petendi)
waarover de Raad van State zich zou kunnen uitspreken.
Beoordeling
5. In haar arrest nr. 257.892 van 14 november 2023 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak het volgende geoordeeld:
“6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de in de eerstgenoemde bepaling bedoelde geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen en vorderingen waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft.
7. De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8).
De Raad van State is op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (i) een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (ii)
het ingeroepen annulatiemiddel gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier; zie eveneens Cass. (verenigde kamers)
8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de concl. van adv.-gen. Th. Werquin).
Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt.
De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de concl. van adv.-gen. Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr.
418; concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27
XIV-39.405-4/9
november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass.
(verenigde kamers) 27 november 2020, 17.0114.N).
Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de concl. van adv.-gen. C. Vandewal voor Cass.
(verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 en van eerste adv.-gen. R.
Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2).
8. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, is vereist dat de verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft; opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden te zijn (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007
(2 arresten), C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9).
Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leiden ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtszoekende.
9. Er dient te dezen dan ook in de eerste plaats worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een (volledig) gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Voorts dient bij die beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering, en anders dan de verwerende partij dat ziet, wel degelijk acht worden geslagen op de door de verzoekende partij ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ (de causa petendi).
10. De omstandigheid daarentegen dat de verwerende partij bij de kennisgeving van haar beslissing aan de verzoekende partij o.m. heeft vermeld dat een annulatieberoep bij de Raad van State kon worden ingesteld, doet – en anders dus dan de verzoekende partij dat ziet – aan het voorgaande
XIV-39.405-5/9
niet af. Die omstandigheid heeft immers geen invloed op het onderzoek naar en de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen, vloeien voort uit de Grondwet en partijen kunnen daarvan niet afwijken.
11. Het valt dan ook de bevoegde kamer toe om te oordelen of in casu aan de beide voorwaarden is voldaan, wat inhoudt dat bij de beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het/de aangevoerde middel(en) (de causa petendi).”
6. De algemene vergadering van de Raad van State oordeelde in dezelfde zin in haar arresten nrs. 257.891 en 257.893 van dezelfde datum.
De Raad van State sluit zich in de voorliggende zaak bij die rechtspraak en de motivering ervan aan.
Er wordt bij de navolgende beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering dan ook acht geslagen op zowel het voorwerp van de vordering (het petitum), dit is de eerste connexe voorwaarde als op het te dezen aangevoerde enig middel (de causa petendi), dit is de tweede connexe voorwaarde.
Toepassing
De eerste (connexe) voorwaarde
7. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve vastgesteld dat uit het geschetste juridische kader blijkt dat de voorwaarden om het (eerste) federale basispakket te bekomen, volledig zijn vastgelegd in de wet van 30 oktober 2022.
Uit de lezing van inzonderheid artikel 36 (federale elektriciteitspremie) en 43 (federale gaspremie) van de wet van 30 oktober 2022
blijkt inderdaad dat de premies van het basispakket worden toegekend aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst
XIV-39.405-6/9
voor, naar gelang van het geval, elektriciteit en/of gas voor diens woonplaats heeft, hetzij 1°) met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, hetzij 2°) met een variabele prijs, behoudens indien die tot een van de in de artikelen 36, § 2 en 43, § 2 van de wet van 30 oktober 2022 van de premie(s)
uitgesloten categorieën behoort. Als de huishoudelijke afnemer voldoet aan deze door de regelgever (nauwkeurig en precies) vastgelegde voorwaarden, is de verwerende partij die met toepassing van deze wet is belast, ertoe gehouden de premie(s) toe te kennen, althans wanneer vaststaat dat de voorwaarden in de wet van 30 oktober 2022 zijn nageleefd. Zij heeft ter zake derhalve geen enkele discretionaire bevoegdheid.
Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State wat deze voorwaarde betreft, geen reden ziet om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, na eigen onderzoek, aldus het auditoraatsverslag bijvallend, dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren.
De tweede (connexe) voorwaarde
8. Het auditoraat stelt in zijn verslag vast dat in de voorliggende zaak het verzoekschrift geen middelen bevat. Dit wordt bijgevallen. Aldus is evenmin aan de tweede connexe voorwaarde voldaan.
Conclusie
9. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is.
10. De ambtshalve exceptie is in de aangegeven mate gegrond.
Het beroep is niet ontvankelijk.
XIV-39.405-7/9
11. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen.
V. Kosten
12. In de gegeven omstandigheden past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen aangezien die in de bestreden beslissing ten onrechte heeft gesteld dat het beroep diende te worden ingeleid bij de Raad van State.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt.
XIV-39.405-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-39.405-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.345
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10
ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11
ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6
ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8
ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9
ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8
ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...