ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.464
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.464 Rolnummer: A. 242505/IX-10496 Zaak: Arrest 260464 - Examens (onderwijs) - 29/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-29 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-03 19:08 Fiche Arrest nr 260.464 van 29 juli 2024 Onderwijs...
37 min de lecture · 8,034 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 29 juli 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.464
Rolnummer:
A. 242505/IX-10496
Zaak:
Arrest 260464 – Examens (onderwijs) – 29/07/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-07-29
Raadplegingen:
90 – laatst gezien 2026-06-03 19:08
Fiche
Arrest nr 260.464 van 29 juli 2024 Onderwijs en cultuur – Examens (onderwijs)
Beslissing : Bevolen Depersonalisatie
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER
nr. 260.464 van 29 juli 2024
in de zaak A. 242.505/IX-10.496
In zake: XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW INRICHTENDE MACHT MARIS STELLA
INSTITUUT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Adriaensens, Liesbeth Peeters en Matthew Bonjean, kantoor houdend te 2300 Turnhout Parklaan 126 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 17 juli 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Inrichtende Macht Maris Stella Instituut van 10 juli 2024 waarbij het aan XXXX toegekende oriënteringsattest B met clausulering voor het algemeen secundair onderwijs wordt gehandhaafd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
IX-10.496-1/28
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 om 11.30 uur.
Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Paulina Boamah, die loco advocaat Christophe Vangeel verschijnt voor verzoekster, en advocaat Matthew Bonjean, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Adjunct-auditeur Daniël Plas, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is in het schooljaar 2023-2024 tijdens het eerste semester leerling in het eerste leerjaar van de tweede graad natuurwetenschappen in het Maris Stella Instituut te Malle, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is.
In het tweede semester is zij leerling in de studierichting humane wetenschappen.
3.2. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een jaartotaal van 57,2%, met jaartekorten voor Frans (43,2%) en geschiedenis (48,3%).
IX-10.496-2/28
De klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor het algemeen secundair onderwijs. De motivering luidt als volgt:
“De delibererende klassenraad reikt een B-attest uit dat toegang geeft tot het volgende leerjaar, behalve in de geclausuleerde studierichtingen, onderwijsvorm(en) of finaliteit(en). Ze stelt immers vast dat de basis aan het einde van dit schooljaar te zwak is om voldoende slaagkansen te hebben in deze studierichtingen, onderwijsvorm(en) of finaliteit(en). Ze baseert zich hierbij op volgende elementen:
Voor een aantal vakken werden de leerplandoelen onvoldoende bereikt. Er is immers een eindresultaat van minder van 50% voor Frans en geschiedenis.
Het gaat bovendien om vakken uit de basisvorming.
Een resultaat van minder dan 50% op de grote overhoringen (examens) in december voor meerdere vakken Engels, Frans, Nederlands en geschiedenis.
Een resultaat van minder dan 50% op de grote overhoringen (examens) in juni voor meerdere vakken fysica, Frans en Nederlands.
Een resultaat van minder dan 50% op dagelijks werk voor de vakken wiskunde en Frans.
Tekorten werden behaald tijdens zowel het eerste als het tweede semester.
Je behaalde zwakke resultaten en onvoldoendes tijdens het eerste semester. We zien onvoldoende positieve evolutie in het tweede semester.”
Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad.
Verzoekster stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur.
3.3. Op 10 juli 2024 handhaaft de beroepscommissie het B-attest met de gegeven clausulering. Die beslissing is als volgt gemotiveerd:
“3° Ten gronde:
De beroepscommissie beschikt weliswaar over de mogelijkheid om in de plaats van de klassenraad een ander attest uit te schrijven en beschikt in die zin over de volheid van beslissingsbevoegdheid.
Dit betekent dat de beroepscommissie moet nagaan of de klassenraad in redelijkheid tot haar beslissing kon komen en dat haar motivering afdoende en zorgvuldig was. Dit betekent echter niet dat de
IX-10.496-3/28
beroepscommissie noodzakelijkerwijze het werk van de klassenraad moet overdoen, omdat de beslissing van de klassenraad defectueus is. De mogelijkheden van de beroepscommissie moet als een marginaal toetsingsrecht aanzien worden.
Verleden jaar nog bevestigde de minister van onderwijs dat erin hoofde van de klassenraad een vermoeden van deskundigheid geldt, en dat het aan beroepers toekomt te bewijzen dat de klassenraad zich vergistte.
In antwoord op de argumenten van beroepers antwoordt de beroepscommissie:
I. De motivering lijkt enkel op de tekorten te focussen Uiteraard worden enkel de tekorten in aanmerking genomen om een B- of een C-attest uit te reiken. Indien er geen tekorten zouden zijn zou er quasi automatisch een A-attest uitgesproken worden.
Het zijn derhalve de tekorten die een ander dan een A-attest verantwoorden.
Uiteraard speelt het ook een rol wat de kwaliteit en de hoegrootheid van de tekorten is.
1° Onder kwaliteit moet verstaan worden:
De aard van het vak (richting specifiek of niet);
De belangrijkheid van een vak (zonder afbreuk te doen aan het belang van eender welk vak: een hoofdvak (zoals Frans of wiskunde) of een bijvak (zoals LO, dat uiteraard ook belangrijk is maar minder doorslaggevend);
Een éénmalig tekort of een herhaald tekort (een éénmalige misstap of gebrek aan inzet versus een gebrek aan basis);
Wijst het tekort op een ander probleem (de capaciteit om grotere gehelen te verwerken of een gebrek aan dagelijkse inzet).
2° De hoegrootheid van het tekort, enkele tienden van een punt of enkele tientallen punten.
II. [Verzoekster] behaalde slechts 2 tekorten en de motivering houdt geen rekening met de persoon van de leerlinge, die slechts voor 6 van de 30 studie-uren niet slaagde.
Uit de rapporten blijkt dat [verzoekster] weliswaar slechts 2 jaartekorten behaalde doch dat zij van de 27 maal dat zij een examen aflegde 13 maal niet de helft van de punten behaalde op de grotere toetsingsmomenten (examens).
Ingevolge haar wijziging van studierichting werd dit aantal herleid naar 9 op 23 omdat er met een aantal onvoldoendes uit het eerste semester geen rekening gehouden werd (daar de lesinhoud niet overeenstemt in de beide richtingen).
Het reduceren van het tekort tot slechts 6 studie-uren op 30 lesuren is derhalve al te simplistisch, en houdt geen rekening met de ‘kwaliteit’ van de tekorten[.]
Het is duidelijk dat Frans als een hoofdvak aanzien dient te worden. Ook geschiedenis kan niet zomaar als een bijvak beschouwd worden, nu dit vak meer en meer gericht is op vaardigheden als inzicht en het leggen van verbanden tussen verschillende feiten.
III. De klassenraad argumenteerde niet waarom de twee tekorten een slaagkans in het 4° jaar humane wetenschappen hoogst
IX-10.496-4/28
onwaarschijnlijk of onmogelijk maakt, zeker niet als men rekening houdt met het gegeven dat de leerlinge een voldoende behaalde voor 24 van de dertig studie-uren[.]
Uit deze resultaten blijkt dat [verzoekster] in meerdere vakken ernstige moeilijkheden heeft om grotere gehelen te verwerken.
De klassenraad verwees in haar beslissing ook expliciet naar dit tekort in vaardigheid. Naarmate de studie vorderen wordt het verwerken van grotere gehelen leerstof steeds belangrijker. Ook de omvang van de alsdan te verwerken leerstof neemt dan toe. De klassenraad verwees uitdrukkelijk naar dit kwalitatieve tekort.
Voor Frans blijkt bovendien dat de basisvaardigheid onvoldoende aanwezig is vermits noch op dagelijks werk, noch op de examens een voldoende gehaald werd. Uit de toetscommentaren bij alle rapporten blijkt dat zowel op grammaire als op vocabulaire zwak gescoord wordt.
Dit soort hiaten is niet op te vullen in de periode van 1 à 1,5 maand(en).
Zonder deze basisvaardigheden voor Frans is het quasi onmogelijk om in een navolgend jaar voldoende te behalen voor dit basisvak. De twee jaartekorten zijn enkel symptomatisch voor een groter gebrek dat [verzoekster] in het 4° jaar ongetwijfeld parten zal spelen als zij er niet eerst voor zorgt dat basiskennis, noodzakelijke voorkennis, voor een aantal vakken breder wordt zodat zij ook gemakkelijker de grotere gehelen kan verwerken en reproduceren.
Dit is des te meer waar nu de leerlinge ook voor die andere vakken een extra tandje zal moeten bijzetten om de grotere gehelen verwerkt te krijgen.
Uit de commentaren bij de periodieke rapporten blijkt ook dat [verzoekster] evenmin sterk scoort op inzichtelijke vraagstukken. Dit gebrek aan vaardigheid werd ook aangestipt in de toetscommentaren voor andere vakken waarvoor [verzoekster] weliswaar (nipt) een voldoende scoorde. Inzichtelijkheid en het vermogen om verbanden te leggen zijn weliswaar geen aparte vakken waarop afzonderlijk punten gegeven worden, maar spelen wel degelijk een rol bij het bepalen van de slaagkansen in een volgend jaar.
Er is wel een positieve evolutie ingezet, doch deze evolutie is nog niet groot genoeg om enige kans van slagen te hebben in het 4° jaar humane.
IV. De vraag of [verzoekster] op basis van de voorliggende cijfers volstrekt onbekwaam geacht moet worden om haar studies in de richting Humane wetenschappen verder te zetten wordt niet beantwoord. Er is immers wel een positieve evolutie merkbaar in de loop van het schooljaar, en niets belet haar deze positieve evolutie ook verder te zetten in een vierde jaar.
In de vorige onderdelen werd reeds aangestipt waarom een overgang naar een 4° jaar humane op dit ogenblik een irrealistische verwachting is, en waarom haar onvoldoende slaagkansen toegemeten kunnen worden om haar thans reeds een A-attest uit te reiken.
De beroepscommissie verwijst ook naar de toelichting:
‘2. De evolutie van het leerproces in het tweede semester’, welke de beroepscommissie enkel kan bijtreden, gelet op de vaststellingen die
IX-10.496-5/28
volgen uit de periodieke toetsencommentaren en de feedbackmomenten.
V. Een attest regelmatige lesbijwoning wordt gevraagd, en de beslissing uitstellen tot het einde van de tweede graad.
Bij het afleveren van een attest dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de leerlinge. Het is naar het oordeel van de beroepscommissie niet in haar belang een quasi zekere mislukking op het einde van een graad te laten plaatsvinden. De leerlinge zal alsdan van studierichting moeten veranderen en de basis missen voor de verdieping die in een derde graad noodzakelijk is. De leerlinge zou zich dan niet alleen [een] andere studie-inhoud moeten eigen maken, maar tevens de basisvaardigheden en de voorkennis voor deze nieuwe studierichtingen missen.
Meer aangewezen is de leerlinge een faire kans te geven in een minder veeleisende maar daarom niet mindere studierichting, – opdat ze daar wel met een succeservaring verder kan studeren zonder een jaar achter te geraken t.o.v. haar leeftijdsgenoten, – en haar daarbij onmiddellijk toe te laten de nodige basis voor de andere studie-inhouden te verwerven.
Dan wel haar het jaar te laten overzitten om een bredere basis op te bouwen die haar niet alleen volgend jaar, maar hopelijk ook de jaren nadien de mogelijkheid geven met meer zekerheid en comfort de leerstof te verwerken.
De klassenraad kan niet alleen rekening houden met de beweerde of mogelijke capaciteiten, zij moet uitgaan van de behaalde resultaten. Enkel rekening houden met de (beweerde maar niet bewezen) potentialiteiten van een leerlinge is echter onvoldoende om een A-attest te verantwoorden. De klassenraad heeft in casu terecht niet alleen rekening gehouden met de punten an sich (de kwantiteit van de behaalde punten)
maar ook met andere elementen zoals de vaardigheid om grotere gehelen te verwerven.”
Dat is de bestreden beslissing.
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
IX-10.496-6/28
IX-10.496-7/28
V. Ernst van de middelen
5. Het komt gepast voor eerst het tweede middel en vervolgens het eerste middel te bespreken.
A. Tweede middel
Standpunt van de partijen
6. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 60 en 61 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2022
‘over de organisatie van het secundair onderwijs, wat leerlingen betreft’ (hierna: organisatiebesluit), van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verzoekster vat haar middel als volgt samen:
“Doordat [verzoekster] [mag] verwachten dat er een correct en afdoende antwoord volgt op [haar] ernstige grieven zoals zij [die] [heeft]
geformuleerd in het kader van het intern beroep en [verzoekster] [mag]
verwachten dat een beslissing wordt gebaseerd op correcte en redelijke overwegingen en meer in het bijzonder dat een pertinente prospectieve afweging wordt gemaakt.
Terwijl de bestreden beslissing de grieven van [verzoekster] negeert en bijgevolg niet afdoende beantwoordt waardoor deze derhalve kennelijk onredelijk zijn, maar bovendien ook faalt in de prospectieve toets.”
Verzoekster licht vervolgens onder meer toe dat zij bij het intern beroep “zeer duidelijke en pertinente grieven” heeft aangevoerd waarop zij een antwoord wenste te krijgen. Dat geldt, bijvoorbeeld, voor de “cruciale vraag”
welke “zeer overtuigende motieven er zijn die aantonen dat de kansen van [verzoekster] om te slagen in het volgende leerjaar Humane Wetenschappen onbestaand[e] zijn”. De beroepscommissie verwijst in dat verband naar een “vermeend probleem van het verwerken van grotere hoeveelheden” en focust daarbij vooral op het vak Frans. Volgens verzoekster toont de commissie niet aan
IX-10.496-8/28
waarom het tekort voor Frans in het volgende jaar – als het tekort al zou blijven bestaan – noodzakelijkerwijze zou verhinderen dat zij slaagt. De beroepscommissie verwijst ook naar “vermeend […] niet behaalde vaardigheden”. Het gaat daarbij om vakken waarvoor verzoekster op jaarbasis slaagcijfers behaalde. Zij betoogt dat een slaagcijfer een slaagcijfer is. De leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, heeft voor dat vak de leerplandoelstellingen op voldoende wijze bereikt. De “beweerde niet verworven vaardigheden” zijn bijgevolg niet relevant en evenmin wordt duidelijk gemaakt op welke wijze deze het slagen van verzoekster in een vierde jaar humane wetenschappen zouden verhinderen. Welke rol deze vaardigheden spelen, blijkt nergens uit. Het argument met betrekking tot het verwerken van grotere gehelen klopt niet voor alle vakken. Voor wiskunde scoort verzoekster beter op de examens dan op dagelijks werk. Bovendien slaagt verzoekster voor drie van de twaalf examens in het tweede semester niet, maar zij behaalt voor dat semester slechts één tekort. Verzoekster argumenteert dat zij dus voor dagelijks werk en de grotere gehelen wél slaagt voor het merendeel van de vakken. Er is geen enkele indicatie dat dit volgend jaar anders zou zijn; minstens wordt zulks in de bestreden beslissing niet tot uitdrukking gebracht. Het lijkt volgens verzoekster erop dat de beroepscommissie zich heeft gefocust op het eerste semester, maar toen zat zij nog in een andere studierichting. De klassenraad of de beroepscommissie die vindt dat een dermate belang moet worden gehecht aan dat eerste semester, had bijkomende proeven kunnen opleggen om de ontbrekende informatie te verkrijgen. Dat is niet gebeurd. Daarmee werd het belang van dat semester stilzwijgend geminimaliseerd.
Verzoekster voert nog aan dat het juni-examen Frans plaatsvond op de dag van de herdenking van haar overleden vader. Dit argument en de vraag om een uitgestelde proef te krijgen, bleven onbesproken in de bestreden beslissing.
Dat Frans haar “parten zal spelen” noemt verzoekster geen afdoende motivering. Evenmin de overweging dat de positieve evolutie “niet
IX-10.496-9/28
groot genoeg [is] om enige kans [op] slagen te hebben in het 4° jaar humane”.
Aan Frans wordt trouwens een “onrechtmatig groot belang” gehecht. Andere vakken zoals psychologie en sociologie, filosofie en kunstbeschouwing zijn de richtingspecifieke vakken. Frans is dat niet en vertegenwoordigt slechts een beperkt aantal uren. Hoe dit verzoekster volgend jaar zou verhinderen om te slagen – wat zij dit jaar dus wel doet – is voor haar niet duidelijk.
Het tekort voor geschiedenis is dan weer gering, zo betoogt verzoekster.
Beide vakken zijn maar “één (klein) aspect” van de studierichting van verzoekster.
7. In haar nota met opmerkingen betoogt de verwerende partij dat de klassenraad over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. De Raad van State mag de inhoudelijke beoordeling van de klassenraad of de beroepscommissie niet overdoen en evenmin zijn oordeel in de plaats stellen van die van de klassenraad of de beroepscommissie. De Raad van State mag alleen nagaan of de bestreden beslissing zorgvuldig en correct is tot stand gekomen en of de beslissing niet kennelijk onredelijk is. De verwerende partij kan zich niet van de indruk ontdoen dat verzoekster met de door haar geformuleerde kritiek de Raad ertoe beweegt de inhoudelijke beoordeling over te doen en inhoudelijk uitspraak te doen over de opportuniteit van het aan verzoekster toegekende B-
attest. Daarvoor is de Raad van State niet bevoegd. De redenen die verzoekster aanhaalt om het B-attest te betwisten, zijn van inhoudelijke aard en vallen buiten het bestek van een beoordeling ‘op het eerste gezicht’ in het kader van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dat verzoekster het inhoudelijk niet eens is met de bestreden beslissing volstaat niet om deze onredelijk of onwettig te noemen.
Vervolgens citeert de verwerende partij in extenso de bestreden beslissing. Zij besluit daarbij dat iedere grief van verzoekster uitvoerig wordt
IX-10.496-10/28
besproken en weerlegd. Er wordt ook omstandig toegelicht waarom de beroepscommissie het zeer waarschijnlijk acht dat verzoekster het vierde jaar in dezelfde studierichting niet met succes zal kunnen voltooien.
Zo wordt er gewezen op het tekort voor Frans. Verzoekster heeft voor dit vak nooit een voldoende behaald, niet voor dagelijks werk en ook niet voor de examens. De achterstand voor dit vak kan niet worden opgelost vóór de start van het nieuwe schooljaar. Verzoekster beheerst niet de nodige basisvaardigheden. De bestreden beslissing benadrukt ook dat Frans een “hoofdrol” speelt doorheen de opleiding humane wetenschappen en alle andere opleidingen in het ASO. Frans is dus wel degelijk een doorslaggevend vak voor deze studierichting.
Wat de grief betreft dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met het argument dat het examen Frans samenviel met de herdenking van het overlijden van verzoeksters vader, licht de verwerende partij toe dat de school heeft voorgesteld om dat examen uit te stellen. De moeder van verzoekster bevestigde echter dat verzoekster zou deelnemen aan het examen op de voorziene datum.
Wat geschiedenis betreft, betoogt de verwerende partij dat de inhoud van het vak niet verschilt in de studierichtingen natuurwetenschappen en humane wetenschappen, zodat het niet onredelijk is om de resultaten van het eerste semester mee te nemen in de beoordeling van het jaartotaal.
Daarenboven wordt benadrukt dat ook voor de andere vakken door de leerkrachten werd opgemerkt dat verzoekster specifieke moeilijkheden ondervindt bij inzichtelijke vraagstukken. Zij heeft tevens moeilijkheden bij het verwerken van grote gehelen. Het is niet onzorgvuldig om deze moeilijkheden bij andere vakken te betrekken in de bestreden beslissing, ook al liggen voor die vakken slaagcijfers voor.
IX-10.496-11/28
De kern van het B-attest ligt in de behaalde tekorten; zonder tekorten zou er “quasi automatisch” een A-attest zijn toegekend.
De bestreden beslissing geeft blijk van een duidelijke prospectieve benadering waarbij formeel is gemotiveerd dat de vakken met jaartekorten belangrijk zijn voor de richting humane wetenschappen en ASO. De bestreden beslissing is aldus op zorgvuldige en omstandige wijze gemotiveerd.
De motieven zijn “zorgvuldig uitgewerkt en draagkrachtig alsook pertinent om de bestreden beslissing te schragen”.
Beoordeling
8.1. Verzoekster voert aan dat niet werd geantwoord op haar argument dat het juni-examen Frans plaatsvond op de dag van de herdenking van haar overleden vader.
Ook haar vraag om een “uitgestelde proef” te krijgen, zou niet zijn betrokken in de bestreden beslissing.
8.2. Zo geformuleerd, betreft het middel wel degelijk de wettigheid en niet de opportuniteit van de bestreden beslissing. Immers, het bestaan en de zin van de beroepsprocedure tegen evaluatiebeslissingen vereisen onder meer dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. Zo zulks niet het geval is, miskent de beroepscommissie de formelemotiveringsplicht, waaraan ook zij onderworpen is.
IX-10.496-12/28
8.3. In haar bezwaarschrift heeft verzoekster inderdaad doen gelden dat zij “nogmaals [wenste] te benadrukken: […] Haar examen Frans in juni was op dezelfde dag als de herdenking voor haar overleden vader”.
Wat zij met die ‘vaststelling’ – het lijkt inderdaad niet méér dan dat te zijn – van de beroepscommissie verwacht, is op het eerste gezicht niet duidelijk. Zij hecht daaraan, zo lijkt, zelf geen enkele conclusie. Prima facie zelfs niet, bijvoorbeeld, dat het cijfer niet representatief is of dat precies om die reden een bijkomende proef op haar plaats zou zijn.
Dat gebrek aan duidelijkheid lijkt de vereiste ernst van de grief te ondergraven. Bezwaarindieners kunnen, zoals gezien en op het eerste gezicht, slechts aanspraak maken op een uitdrukkelijk antwoord op wezenlijke grieven die voor hen een gunstiger resultaat mogelijk maken. Dat karakter moet, zo lijkt, aan de voormelde ‘vaststelling’ worden ontzegd.
Een en ander klemt des te meer gelet op wat volgt. De pedagogisch directeur schreef in dat verband een drietal weken vóór het betrokken examen aan de moeder van verzoekster:
“We willen [verzoekster] zeker de kans geven om deze herdenking bij te wonen. Gegeven dat de herdenking plaatsvindt tijdens de examenperiode, zullen we één of meerdere inhaalexamens moeten inrichten. Ik vermoed dat [verzoekster] al zeker geen examen zal kunnen afleggen op 13 juni, maar misschien ook op 14 juni? […] Kan u mij laten weten wat haalbaar is?”
Daarop liet de moeder van verzoekster aan de school het volgende weten:
“Het examen Frans op donderdagvoormiddag 13 juni zal [verzoekster]
gewoon meedoen, het probleem ligt bij de examens voor vrijdag 14 juni, daar zij in de namiddag onvoldoende zal kunnen studeren. Alsook weet ik van de voorbije jaren dat het mentaal toch ook steeds een impact heeft.”
IX-10.496-13/28
In deze mate is het middel niet ernstig.
8.4. Verzoekster houdt ook voor een uitgestelde proef te hebben “gevraagd”.
In haar elf bladzijden lang bezwaarschrift komt een dergelijke bijkomende proef op het eerste gezicht slechts éénmaal ter sprake, namelijk op de laatste bladzijde:
“Verzoekers hebben geen bezwaar, om indien de interne beroepscommissie dit nodig acht een alternatieve maatregel uit te voeren teneinde alle twijfel over het kunnen van verzoeker weg te nemen (vakantietaak, bijkomende proef, literatuurstudie, bijwerkplan in het komende jaar,…).”
Verzoekster geeft hiermee weliswaar te kennen tegen onder meer een bijkomende proef “geen bezwaar” te hebben gehad. In de huidige stand van de procedure kan de Raad van State hierin echter geen “vraag” om een bijkomende proef bespeuren. Alleen wie uitdrukkelijk om een dergelijke gunst vraagt, lijkt hierop ook een duidelijk antwoord te mogen verwachten. Aangezien van verzoekster in dat verband geen vraag of eis uitging, kan zij zich prima facie niet erover beklagen in de bestreden beslissing geen antwoord te hebben teruggevonden.
In die mate faalt het middel eveneens.
9. Hierna wordt, binnen het kader van het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift, onderzocht of de beroepscommissie, steunend op de resultaten van verzoekster en de overige elementen van het voorliggende leerlingendossier, haar beslissing om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen op een deugdelijke grondslag heeft gesteund.
Evident oefent verzoekster aldus, zo lijkt, ook een wettigheidskritiek uit op de bestreden beslissing. Mocht die deugdelijke
IX-10.496-14/28
grondslag ontbreken, miskent de beroepscommissie de materiëlemotiveringsplicht.
10.1. Aan verzoekster is een oriënteringsattest B toegekend.
10.2. Naar luid van artikel 70, eerste lid, 2°, van het organisatiebesluit betekent een B-attest dat – onder meer – de leerling het eerste leerjaar van de tweede graad “met vrucht en met clausulering heeft beëindigd”.
Een clausulering betekent dan weer dat “aan de overstap naar een hoger leerjaar beperkingen worden opgelegd” (artikel 61, eerste lid, van het organisatiebesluit).
De vaststelling dat een leerling het leerjaar “met vrucht” heeft beëindigd, doet vooralsnog aannemen dat de tekorten die zij heeft behaald géén reden waren om haar te beschouwen als niet-geslaagd voor het desbetreffende jaar. In dat geval zou zij immers een C-attest hebben gekregen. Het lijkt eveneens te doen aannemen dat de motivering van een dergelijk B-attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht haar studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de beroepscommissie toch de toegang tot een welbepaalde onderwijsvorm of finaliteit moet worden ontzegd. Het aanvechten van een B-attest binnen het raam van de administratieve beroepsprocedure verplicht met andere woorden de beroepscommissie ertoe om in de veruitwendigde motieven de clausulering in het B-attest zorgvuldig te verantwoorden.
10.3. Het toekennen van een B-attest vereist van de beroepscommissie een ‘prospectief’ – dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend – onderzoek. De leerling is immers geslaagd, want heeft “rekening houdend met het pedagogisch project van de school […] in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving en opgenomen in het curriculumdossier en in de leerplannen, […] bereikt of nagestreefd” (artikel 60, eerste lid, van het organisatiebesluit), en wordt geacht
IX-10.496-15/28
haar studies te kunnen voortzetten. Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen of zelfs een gehele onderwijsvorm of finaliteit niet aankan. Met dit oordeel stelt de beroepscommissie zich als het ware in de plaats van de klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dát schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling – of van haar ouders.
Een klassenraad of een beroepscommissie kan op basis van de zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een richting te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, of zij kunnen vakantietaken opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, geslaagd is verklaard. De beroepscommissie die een B-attest toekent, verkiest echter in de plaats van die leerling de studiekeuze gedeeltelijk te bepalen.
De aard van de prospectieve deliberatie moet een beroepscommissie bij het uitreiken van een B-attest tot grotere omzichtigheid in de motivering nopen. Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is immers geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. De vooruitblik van de beroepscommissie is noodzakelijk ook deels subjectief.
Daarom moet zij deze deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt. Kan de beroepscommissie dat niet, dan zou zij de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden.
Artikel 61, derde lid, 1°, van het organisatiebesluit bepaalt nog dat de clausulering “studiekeuzes in de loop van het secundair onderwijs niet vroegtijdig sterk [mag] verengen”.
IX-10.496-16/28
10.4. Uit wat voorafgaat volgt, samengevat, dat van een beroepscommissie die beslist een clausulering op te leggen, een sterk doorgedreven motivering mag worden verwacht, zowel vanuit formeel oogpunt –
de uitdrukkelijke en afdoende vermelding van de motieven in de beslissing – als vanuit materieel oogpunt – de aanwezigheid van een deugdelijke grondslag van die beslissing in het dossier. De beroepscommissie zal met overtuigende motieven moeten aantonen dat de kansen van de betrokken leerling om te slagen voor het volgende leerjaar van dezelfde studierichting zo miniem zijn, dat haar zelfs niet de mogelijkheid mag worden geboden dat volgende leerjaar in die studierichting aan te vatten.
11. Toegepast op de voorliggende zaak, moet in de huidige stand van de procedure worden vastgesteld wat volgt.
12. Verzoekster heeft voor alle vakken slaagcijfers behaald, behalve voor geschiedenis (48,3%) en Frans (43,2%). Voor vijf vakken behaalt zij een resultaat tussen 50% en 60%, voor zes vakken een resultaat tussen 60% en 70% en voor twee vakken scoort zij tussen 70% en 80%. Een en ander geeft, zoals gezien, een gewogen jaartotaal van 57,2%.
Die punten moeten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Aangenomen moet worden dat een jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. En een slaagcijfer is een slaagcijfer. Daaruit volgt, in beginsel, dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de
IX-10.496-17/28
leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Om die reden overigens, wordt zij ook geslaagd verklaard.
13. De beroepscommissie beschikt weliswaar over een ruime discretionaire bevoegdheid bij het oordelen over het al dan niet slagen van leerlingen, maar zij moet haar beslissing wel steunen op álle relevante concrete gegevens van het dossier.
14. Dat de bestreden beslissing op determinerende wijze wordt bepaald door de tekorten voor Frans en geschiedenis, kan de Raad van State op het eerste gezicht niet bijvallen.
De beroepscommissie brengt de jaartekorten voor Frans en geschiedenis weliswaar ter sprake, maar noemt deze “enkel symptomatisch voor een groter gebrek dat [verzoekster] in het 4° jaar ongetwijfeld parten zal spelen als zij er niet eerst voor zorgt dat [haar] basiskennis, noodzakelijke voorkennis, voor een aantal vakken breder wordt zodat zij ook gemakkelijker de grotere gehelen kan verwerken en reproduceren”.
Specifiek met betrekking tot de grief van verzoekster dat de klassenraad niet heeft aangetoond waarom de twee jaartekorten haar slaagkansen in een vierde jaar humane wetenschappen “hoogst onwaarschijnlijk of onmogelijk” maken, wijst de beroepscommissie erop dat de resultaten van verzoekster aangeven dat zij “in meerdere vakken ernstige moeilijkheden heeft om grotere gehelen te verwerken” en dat is vastgesteld dat zij “evenmin sterk scoort op inzichtelijke vraagstukken”, terwijl “[i]nzichtelijkheid en het vermogen om verbanden te leggen […] wel degelijk een rol [spelen] bij het bepalen van de slaagkansen in een volgend jaar”.
Kortom, op het eerste gezicht worden in de bestreden beslissing ook de hiervóór aangehaalde elementen aangegrepen om het B-attest en de clausulering te rechtvaardigen.
IX-10.496-18/28
Dat aan één van die motieven in het bijzonder een determinerend karakter wordt toegedicht, kan de Raad van State uit de lezing van de bestreden beslissing prima facie niet vaststellen.
Van de voormelde motieven moet dus worden nagegaan of ze deugdelijk zijn.
15.1. Het motief dat verzoekster “in meerdere vakken ernstige moeilijkheden heeft om grotere gehelen te verwerken”, dat “[n]aarmate de studie[s] vorderen […] het verwerken van grotere gehelen leerstof steeds belangrijker [wordt]” en dat “de omvang van de alsdan te verwerken leerstof [toeneemt]”, acht de Raad van State op het eerste gezicht niet deugdelijk.
15.2. Welke “meerdere vakken” de beroepscommissie precies bedoelt, is prima facie niet duidelijk. Het lijkt alleszins ook om andere vakken te gaan dan de twee vakken die een jaartekort hebben opgeleverd.
15.3. In dat verband moet echter mét verzoekster worden opgemerkt dat zij voor die andere vakken wel slaagcijfers kan voorleggen.
De jaarcijfers per vak, zoals die op het rapport van verzoekster verschijnen, lijken voorts niet de eenvoudige som van de cijfers voor dagelijks werk en de examencijfers van december, Pasen en juni te zijn. Het jaartotaal per vak is, zo lijkt, een ‘gewogen’ cijfer. Over hoe dat jaarcijfer precies is samengesteld, verstrekt de verwerende partij prima facie niet de minste informatie, trouwens net zomin als de beroepscommissie. Er is nagelaten het schoolreglement in het administratief dossier op te nemen – mocht dit op dat vlak al enige opheldering bieden. Van de Raad van State mag dan weer niet worden verwacht dat hij in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zelf poogt te achterhalen aan de hand van de deelcijfers voor elk vak op grond van welke wegingsfactoren de eindcijfers zijn tot stand gekomen.
IX-10.496-19/28
In het geval dat voor het eerste leerjaar van de tweede graad het belang van het dagelijks werk verhoudingsgewijs hoger is dan dat van de examens, laat de beroepscommissie niet verstaan, zo lijkt, hoe op grond van die cijfers en in het licht van dit specifieke motief van de beroepscommissie, een prospectieve benadering mogelijk is, minstens lijkt zij niet inzichtelijk te maken of er een wijziging in de verhouding dagelijks werk – examens bij de berekening van het jaartotaal per vak optreedt bij de overstap naar een tweede leerjaar van dezelfde graad, laat staan waarin die wijziging zou bestaan en in welke mate daaraan desgevallend welbepaalde conclusies kunnen worden verbonden in verband met de slaagkansen van verzoekster in dat volgende leerjaar. De algemene bewoordingen dat “[n]aarmate de studie[s] vorderen […] het verwerken van grotere gehelen leerstof steeds belangrijker [wordt]” en dat “de omvang van de alsdan te verwerken leerstof [toeneemt]”, lijken alvast niet de vereiste, op de zaak toegespitste verduidelijkingen te bieden.
In het andere geval, namelijk dat in het eerste leerjaar van de tweede graad het aandeel van de examens méér doorweegt dan de cijfers voor dagelijks werk, lijkt de redeneerwijze van de beroepscommissie des te minder te kunnen worden bijgevallen. Immers, alsdan zou de bijzondere weging van beide onderdelen op het eerste gezicht precies impliceren dat het al dan niet in staat zijn om grotere hoeveelheden leerstof te verwerken, reeds per vak in het jaartotaal is verdisconteerd. Wie niet in staat is om grote hoeveelheden leerstof te verwerken, zal minder goed scoren op examens en dat moet leiden, door het gewicht dat aan die examens wordt toegekend, tot een lager gewogen jaartotaal per vak. Wanneer, in die omstandigheden, een leerling ‘voldoende’ gewogen jaarcijfers behaalt, dan volgt daaruit dat zij voor die vakken de leerplandoelstellingen heeft bereikt.
Daarmee lijkt dan weer niet te sporen het oordeel van de beroepscommissie – zich daarbij aansluitend bij een “toelichting” van de klassenraad naar aanleiding van het administratief beroep van verzoekster – dat
IX-10.496-20/28
verzoekster “voor meerdere vakken de leerplandoelen niet voldoende [heeft]
bereikt”.
Voor zover de beroepscommissie daarmee zou refereren aan de vakken chemie, fysica en wiskunde – waarvan de klassenraad deed opmerken dat “de leerkrachten [hebben] toegelicht dat [verzoekster] de leerplandoelen onvoldoende beheerst”, beoordeling waarbij de beroepscommissie zich eveneens heeft aangesloten – lijkt mét die klassenraad te moeten worden vastgesteld dat dit “[m]athematisch […] niet zichtbaar [is] op het rapport”. Dat voor wiskunde en fysica “de basis die [verzoekster] beheerst eveneens te zwak [is]”, laat zich in het licht van wat voorafgaat, vooralsnog dus evenmin begrijpen.
Een reden te meer, zo lijkt, waarom de beroepscommissie met grote omzichtigheid, omstandig en precies, aan de hand van onderwijsdoelen en leerplannen gerelateerd aan de concreet behaalde (deel)resultaten, moest uiteenzetten waarom de voorhanden zijnde – voldoende – resultaten toch de kansen van verzoekster determineren voor het verwerven van de volgend jaar in de door haar geambieerde studierichting vereiste kennis en kunde voor die vakken.
15.4. Evenmin lijkt zich, op grond van wat voorafgaat, te laten verklaren waarom de beroepscommissie van oordeel is dat verzoekster “ook voor die andere vakken een extra tandje zal moeten bijzetten om de grotere gehelen verwerkt te krijgen”.
16. Ook het motief dat verzoekster “evenmin sterk scoort op inzichtelijke vraagstukken” lijkt niet deugdelijk te zijn.
Terecht wijst de beroepscommissie erop dat dit ook ter sprake werd gebracht bij de vakken waarvoor verzoekster ‘voldoende’ scoorde. Hoe de slaagcijfers voor die vakken evenwel ervan moeten overtuigen dat verzoeksters kans op slagen in een volgend leerjaar in de door haar gekozen studierichting
IX-10.496-21/28
dermate miniem moet worden ingeschat dat haar de toegang daartoe bij voorbaat moet worden ontzegd, is prima facie niet evident zichtbaar.
De beroepscommissie laat na, zo lijkt, om precies uit te leggen welke “rol” “[i]nzichtelijkheid en het vermogen om verbanden te leggen” in deze concrete omstandigheden precies hebben gespeeld bij het bepalen van de slaagkansen van verzoekster in het volgende leerjaar.
17. Uit wat voorafgaat volgt prima facie dat de beroepscommissie niet álle concrete gegevens van het dossier op deugdelijke wijze bij haar beoordeling over verzoekster heeft betrokken.
18. De enkele overwegingen dat Frans “als een hoofdvak aanzien dient te worden” en dat geschiedenis “niet zomaar als een bijvak [kan]
beschouwd worden”, zijn op het eerste gezicht weinig meer dan een affirmatie.
Aldus bieden ze evenmin een verantwoording die in voldoende mate tegemoetkomt aan de plicht van de beroepscommissie om met grote omzichtigheid en precisie uiteen te zetten waarom de resultaten voor deze vakken alléén reeds de slaagkansen van verzoekster in het volgende leerjaar humane wetenschappen hypothekeren.
19. Het middel is in de aangegeven mate ernstig.
B. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
20. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van “artikel 123/17 c), 4° codex secundair onderwijs” en van de “devolutieve werking beroepscommissie”.
IX-10.496-22/28
Zij betoogt dat “de bestreden beslissing lijkt aan te geven dat de beroepscommissie zich slechts een marginaal toetsingsrecht toekent”, terwijl de beroepscommissie volheid van bevoegdheid heeft. Ter adstructie van het middel refereert verzoekster aan een passus in de bestreden beslissing waarover zij als volgt argumenteert:
“Hoewel men dus initieel lijkt te stellen dat er volheid van bevoegdheid is, ontkent men dit in de volgende paragraaf en kent men zich slechts een marginaal toetsingsrecht toe, stelt men dat men het werk van de klassenraad niet moet overdoen, en lijkt het erop dat men enkel zal anders oordelen als de klassenraad zich zou vergist hebben.
Echter beschikt de beroepscommissie over een autonome, eigen beslissingsbevoegdheid. De beroepscommissie, zoals die in de Codex Secundair Onderwijs door de decreetgever is geconcipieerd, is immers een beroepsorgaan waaraan de volle hervormingsbevoegdheid is opgedragen.
Dat beroepsorgaan heeft beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Het plaatst zijn eigen beoordeling van de voorliggende gegevens in de plaats van de klassenraadbeslissing en dit op grond van eigen, autonomie motieven.
In zoverre dat de beroepscommissie zich dus op het standpunt stelt dat er slechts een marginaal toetsingsrecht bestaat is de beslissing niet wettig.”
Beoordeling
21. Dat er, zoals artikel 115/6, § 2, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs bepaalt, “[b]ij een evaluatiebeslissing van de klassenraad […] steeds een vermoeden van deskundigheid [geldt]”, rechtvaardigt op het eerste gezicht niet dat de beroepscommissie zich tot een zogenaamd ‘marginaal toetsingsrecht’ gehouden zou mogen achten.
Met de voormelde bepaling heeft de decreetgever “het vermoeden van deskundigheid bij evaluatiebeslissingen van de klassenraad decretaal in de regelgeving basis- en secundair onderwijs [willen] verankeren”.
Daarbij werd erop gewezen dat “[i]n de rechtspraak van de Raad van State […]
reeds een vermoeden van deskundigheid van de klassenraad bij evaluatiebeslissingen [bestaat]”, dat dit betekent dat “[d]e leden van de klassenraad worden geacht de professionaliteit te hebben om bekwaam te
IX-10.496-23/28
oordelen over de vorderingen die een leerling heeft gemaakt”, dat “[w]anneer een leerling/ouder van oordeel is dat er onwettelijk is gehandeld, […] het aan de leerling/ouder [is] om dat te bewijzen”, maar ook dat het “bovendien een weerlegbaar vermoeden [is]” (Parl.St. Vl. Parl., 2022-2023, nr. 1738/1, p. 6).
Deze bepaling wijzigt op het eerste gezicht niets aan de bewijslast – ook voorheen gold het adagium actori incumbit probatio – en heeft, zo lijkt, evenmin gevolgen voor de aard en de omvang van de bevoegdheid van de beroepscommissie.
22. De beroepscommissie lijkt zich op dat vlak echter slechts ongelukkig te hebben uitgedrukt. Die ene overweging heeft immers op het eerste gezicht niet verhinderd dat de commissie zich wel degelijk bewust was van haar decretale opdracht en dat zij de grieven die verzoekster in haar bezwaarschrift heeft aangevoerd in de nieuwe beslissing heeft betrokken.
Dat die beslissing niet op een deugdelijke grondslag steunt, zoals hiervóór bij de bespreking van het tweede middel voorlopig is vastgesteld, doet aan het voorgaande geen afbreuk.
23. Het eerste middel is niet ernstig.
VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
24. In haar nota met opmerkingen betoogt de verwerende partij dat de algemene uiteenzetting dat verzoekster “haar normale studieloopbaan niet kan vervolgen”, dat zij zonder een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid “een schooljaar verliest” en “geraakt wordt in haar fragiliteit”, niet volstaat als bewijs voor “ernstige nadelen die een schorsing bij udn verantwoorden”.
De verwerende partij licht vervolgens toe wat volgt:
IX-10.496-24/28
“9.
Om te beginnen lijkt verzoekende partij uit het oog te verliezen dat haar met de bestreden beslissing een B-attest werd toegekend (en geen C-
attest). Een B-attest houdt in dat de betrokken leerling wel degelijk gewoon naar het volgend schooljaar mag overgaan, maar niet in alle studierichtingen. Dit staat ook expliciet zo verwoord in de bestreden beslissing waar het luidt ‘dit betekent dat zij (verzoekende partij, nvdr.)
kan overgaan naar een volgend leerjaar in een richting in de domeingebonden doorstroomfinaliteit, de dubbele finaliteit of de finaliteit arbeidsmarkt.’ Er kan dan ook in weerwil van wat verzoekende partij voorhoudt, geen sprake zijn van een verlies van een schooljaar. De bestreden beslissing verhindert bijgevolg niet dat verzoekende partij zal kunnen overgaan, zij het niet in om het even welke richting. Dit had eventueel anders geweest bij een C-attest vermits in dat geval de leerling niet mag overgaan maar het jaar moet dubbelen. De bestreden beslissing heeft evenwel betrekking op een B-attest (en niet op een C-attest)[.]
Het feit dat verzoekende partij gebeurlijk een andere studierichting zal moeten aanvatten in plaats van de door haar geambieerde richting humane wetenschappen, betekent niet dat zij geen normale studieloopbaan zou hebben. Het gebeurt regelmatig dat leerlingen van studierichting veranderen. Dit is geen abnormaal of aberrant gegeven dat ogenblikkelijk een halt moet worden toegeroepen. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat zowat elk B-attest automatisch vatbaar zou zijn voor schorsing bij UDN. Zoals gezegd is de schorsing bij UDN echter een uitzonderingsprocedure waar met de nodige omzichtigheid mee moet worden omgesprongen.
Het is eveneens onduidelijk wat verzoekende partij bedoelt met de door haar aangehaalde fragiliteit. Dit wordt niet verder uitgewerkt of aangetoond in het verzoekschrift en bovendien is het een raadsel in welke mate de gevorderde schorsing van de bestreden beslissing bij UDN hier een impact op zou kunnen hebben. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal dit niet wegnemen of verminderen.
10.
In de mate dat het verzoekende partij er om te doen is het beweerdelijk verlies van een schooljaar te voorkomen moet bovendien worden opgemerkt dat de gevorderde schorsing bij UDN hiertoe niet doelmatig is.
De bestreden beslissing verhindert immers niet dat de betrokken leerling kan overgaan. Op basis van de bestreden beslissing kan verzoekende partij een nieuw schooljaar aanvatten zodat zij op haar volledige schoolloopbaan geen jaar hoeft te verliezen.
11.
Tot slot verwijst verzoekende partij naar tijd die verloren aan het gaan zou zijn om nog een mogelijke positieve beslissing op een A-attest te kunnen hebben. Zoals verzoeker zelf reeds opmerkt leidt een schorsing niet automatisch tot het toekennen van een A-attest.
IX-10.496-25/28
De rechtspraak die verzoekende partij in haar verzoekschrift op dat punt citeert (arrest nr. 186.614 van 30 september 2008) doet niet anders besluiten. Nalezing van het integrale arrest waaruit verzoekende partij citeert leert immers dat de passus die verzoekende partij aanhaalt niet gaat over de beoordeling van de spoedeisendheid maar dat [het] een overweging uit het arrest betreft waar door Uw Raad geoordeeld werd over de exceptie van gebrek aan belang in hoofde van de toenmalige verzoekende partij. De school had in die zaak namelijk aangevoerd dat de leerling geen belang had bij de vordering omdat een schorsing niet rechtstreeks leidt tot een A-attest waarbij Uw Raad overwoog dat daarin het belang (niet: de urgentie) van de verzoeker te vinden was.
Opnieuw is dit illustratief voor de wijze waarop belang en hoogdringendheid langs de zijde van verzoekster door elkaar worden gebruikt, terwijl dit zoals gezegd twee onderscheiden vereisten zijn.
Opnieuw wordt louter een belang aangetoond maar daarmee zijn de zwaarwichtige gevolgen niet bewezen waartoe enkel een schorsing bij UDN soelaas voor zou bieden.”
Beoordeling
25. Gewis is het zo dat verzoekster in haar verzoekschrift de ontvankelijkheidsvoorwaarden en de schorsingsvoorwaarden door elkaar bespreekt onder het al even veelzeggende kopje ‘III. Uiterst dringende noodzakelijkheid – spoedeisendheid – belang en nadeel’.
Evenwel blijkt uit de nota dat de verwerende partij zéér wel heeft begrepen waarom verzoekster meent een beroep te mogen doen op de uitzonderingsprocedure van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
26. Verzoekster heeft tijdens het georganiseerd administratief beroep – zowel tijdens het overleg met de directie als in het bezwaarschrift voor de beroepscommissie – erop gehamerd dat zij de kans vraagt om haar studies voort te zetten in de richting humane wetenschappen. Aangenomen wordt derhalve dat zij thans in haar verzoekschrift geloofwaardig betoogt dat deze studierichting haar voorkeur wegdraagt – “[verzoekster] wenst de overgang te maken naar het vierde jaar Humane Wetenschappen”. Die richting kan zij op grond van het toegekende oriënteringsattest B slechts volgen door het jaar over te zitten.
IX-10.496-26/28
Verzoekster brengt dan ook met reden het dreigende verlies van een schooljaar als nadeel naar voor.
Om een dergelijk nadeel af te wenden middels een procedure voor de Raad van State wordt voorts aangenomen dat de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid de meest geëigende weg is.
Verzoekster verwijst bijgevolg terecht naar dit dreigende verlies van een schooljaar ter verantwoording van de door haar ingeleide uitzonderingsprocedure.
27. Voor zover de verwerende partij met haar betoog dat “een schorsing niet automatisch tot het toekennen van een A-attest” leidt, zou bedoelen dat haar ook om die reden de toegang tot deze uitzonderingsprocedure moet worden ontzegd, moet haar het volgende worden tegengeworpen.
Hoewel voorlopig van aard, moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing als een aansporing worden opgevat aan het schoolbestuur om de zaak niet op haar beloop te laten in afwachting van de uitkomst van het annulatieberoep en om de onwettig lijkende beslissing van de beroepscommissie reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure, in het licht van het ernstig bevonden middel te doen heroverwegen, en, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen.
28. Aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan.
VII. Conclusie
IX-10.496-27/28
29. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Inrichtende Macht Maris Stella Instituut van 10 juli 2024 waarbij het aan XXXX toegekende oriënteringsattest B met clausulering voor het algemeen secundair onderwijs wordt gehandhaafd.
2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juli tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit:
Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Jurgen Neuts
IX-10.496-28/28
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.464
Gerelateerde publicatie(s)
gevolgd door:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.660
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...