ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.497
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.497 Rolnummer: A. 242744/XII-9742 Zaak: Arrest 260497 - Dierenwelzijn - 17/08/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-08-20 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-03 20:41 Fiche Arrest nr 260.497 van 17 augustus 2024 Sociale zaken...
13 min de lecture · 2,860 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 17 augustus 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.497
Rolnummer:
A. 242744/XII-9742
Zaak:
Arrest 260497 – Dierenwelzijn – 17/08/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-08-20
Raadplegingen:
95 – laatst gezien 2026-06-03 20:41
Fiche
Arrest nr 260.497 van 17 augustus 2024 Sociale zaken en volksgezondheid
– Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER
nr. 260.497 van 17 augustus 2024
in de zaak A. 242.744/XII-9742
In zake: de VZW DIERENVRIENDEN SINT-TRUIDEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Beelen en Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
C.D.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te 3870 Heers Steenweg 161
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 14 augustus 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 14 augustus 2024 van het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het Departement Omgeving, […] handelend krachtens de bevoegdheid hem verleend bij de wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren,
XII-9742-1/11
om […] de bestemming te bepalen van dieren die […] in beslag werden genomen, met name ze terug te geven aan [H.F]. en [C.D.]., meer bepaald 1 kat”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
Met een verzoekschrift van 16 augustus 2024 heeft C.D.
gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2024, om 14 uur.
Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Charlotte Pexsters, die loco advocaat Gerald Kindermans verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
XII-9742-2/11
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij is exploitant van een dierenasiel. Luidens artikel 3 van haar statuten stelt zij zich, onder meer, tot doel de dierenbescherming te verzekeren door diensten te organiseren in verband met ophalen en opvang van verloren gelopen, achtergelaten, verwaarloosde, mishandelde en overtollige dieren.
3.2. H.F. en C.D., wonende te Heers, zijn eigenaar van een kat.
Op 19 juni 2024 wordt er ten aanzien van de voormelde eigenaars van de kat een proces-verbaal opgesteld door de politie nadat deze in het bezit werd gesteld van bezwarende beelden inzake dierenmishandeling. In dit proces-verbaal worden de feiten als volgt weergeven:
“Een 9-jarig kind post een filmpje online, [waarin] wij kunnen zien dat de kat [mishandeld] wordt. De kat wordt met de poten omhoog getrokken en wordt in het rond gezwierd, vasthoudend aan de voorpoten. Vervolgens zwiert het kind de kat op de arm/ schouder en slaat zij de kat zeer hard op de onderrug en achterpoten. Vervolgens gooit het kind de kat door de lucht.”
De kat wordt door de politie administratief in beslag genomen met toepassing van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (“dierenwelzijnswet”) en in afwachting van een bestemmingsbeslissing overgebracht naar het dierenasiel dat door de verzoekende partij wordt geëxploiteerd.
3.3. Op 9 augustus 2024 worden door de politie nog twee navolgende processen-verbaal opgesteld met beelden van het filmpje dat op sociale media werd verspreid, een verslag van de dierenarts en een fotoverslag.
3.4. De betrokken eigenaars van de kat worden uitgenodigd voor een verhoor door de politie.
XII-9742-3/11
Op 13 augustus 2024 wordt de verzoekende partij tot tussenkomst verhoord.
3.5. Op 14 augustus 2024 beslist het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving:
“De kat zonder chipnummer wordt, in toepassing van artikel 42, §2, van de wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, teruggegeven aan betrokkenen mits volgende voorwaarden worden nageleefd:
– Ten allen tijd de dieren voorzien in voldoende en kwalitatief drinkwater;
– Ten allen tijde de dieren voorzien van voldoende en kwalitatief voeder;
– Voldoende krabmogelijkheden en schuilmogelijkheden voorzien voor de katten, alsook voldoende niveaus en spelmogelijkheden;
– Zachte ligplaatsen voorzien voor de dieren;
– Aantal kattenbakken = aantal katten + 1
– Ten allen tijde een zachte omgang hanteren met de dieren en dit door alle gezinsleden: geen handelingen stellen die het dier mogelijks ongemak, pijn of letsels kunnen bezorgen. Het is ten zeerste aangeraden hiervoor een gekwalificeerd gedragstherapeut aan te stellen, zodoende meer inzicht te verwerven in de ethologische gedragingen en behoeften van de kat en een correcte omgang met het dier te kunnen garanderen – Vóóraleer de kat aan te raken, moet men eerst de kat aan de hand laten ruiken om te verwittigen dat men de kat gaat strelen Indien er in de toekomt opnieuw overtredingen worden vastgesteld, kan de kat opnieuw in beslag genomen worden, Neem voorafgaand aan de afhaling contact op met het dierenasiel Sint-Truiden, Overeenkomstig artikel 42, §5, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, is de betrokkene aan de afdeling Dierenwelzijn een vergoeding verschuldigd voor de kosten verbonden aan de inbeslagname en de bestemming van de dieren.”
Dit is de bestreden beslissing.
3.6. Met een e-mailbericht van diezelfde dag deelt de verwerende partij het volgende mee aan de verzoekende partij:
“(…) Na onderzoek heeft onze dienst beslist, in toepassing van art. 42, § 2
van [de dierenwelzijnswet], om de bovengenoemde kat terug te geven aan [de eigenaars]”
XII-9742-4/11
De bestreden beslissing zelf wordt niet bijgevoegd.
3.7. Eveneens op 14 augustus 2024 richt de raadsman van de verzoekende partij een e-mailbericht aan de verwerende partij waarin hij meedeelt dat de verzoekende partij zich geenszins akkoord kan verklaren met deze beslissing, onder meer omdat er duidelijke bewijzen zijn van mishandeling van de kat. Tevens vraagt hij op basis van de wetgeving openbaarheid van bestuur om onmiddellijk een kopie te ontvangen van de gemotiveerde beslissing tot teruggave.
3.8. Vervolgens wordt diezelfde dag onderhavig beroep ingesteld bij de Raad van State onder verwijzing naar artikel 42, § 3, van de dierenwelzijnswet op grond waarvan het beslag “van rechtswege [wordt] opgeheven door de in paragraaf 2 bedoelde beslissing of, bij het uitblijven van dergelijke beslissing, na een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van inbeslagname.”
IV. Tussenkomst
4. De verzoekende partij tot tussenkomst blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen.
Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
5. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij en de tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
XII-9742-5/11
6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
VII. Ernst van de middelen
Uiteenzetting van het middel
7. Het enig middel is genomen uit de schending van artikel 42, § 1
en § 2, van de dierenwelzijnswet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna:
motiveringswet), het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht, en het redelijkheidsbeginsel.
De verzoekende partij betoogt in essentie dat de bestemmingsbeslissing, waarbij beslist wordt om de kat terug te geven aan de eigenaars, niet afdoende is gemotiveerd, dat zij onzorgvuldig tot stand gekomen is en kennelijk onredelijk is.
Zij doet daarbij gelden dat er in het licht van de vastgestelde feiten geen wettig motief kan bestaan om de kat als bestemming te geven dat deze wordt teruggegeven aan de verantwoordelijke van het dier. De bestreden beslissing kan volgens haar niet ontkennen dat er een inbreuk op de dierenwelzijnswet heeft plaatsgevonden. Ook is het volgens de verzoekende partij kennelijk onredelijk dat er geen garanties worden geboden dat het dier niet meer zal worden mishandeld.
Zo wordt volgens de verzoekende partij tot teruggave besloten zonder dat men andere preventieve maatregelen heeft overwogen en zonder dat men bijzondere
XII-9742-6/11
voorwaarden zoals gedragstherapie heeft opgelegd. Ook wordt nergens afgewogen waarom de kat niet in eigendom aan de verzoekende partij wordt overgedragen.
Beoordeling
8. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formele motiveringsplicht moet voorts rekening worden gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiële motiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de
XII-9742-7/11
vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen.
9. De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. Op basis van de vaststellingen in de processen-verbaal en het verhoor, waarvan de inhoud integraal in de bestreden beslissing wordt weergegeven, wordt overwogen dat daaruit blijkt dat “- betrokkene niet op de hoogte was [van] het maken van het filmpje door haar dochter en zij dit niet wil;
– betrokkene enerzijds vindt dat de beelden niet beschouwd kunnen worden als [dierensmishandeling] en dat dit een momentopname was;
– ze duidelijk gemaakt heeft aan haar dochter dat dergelijke filmpjes niet kunnen en dat ze rustiger moet omgaan met de kat;
– ze allerlei materiaal aangeschaft heeft voor de kat;
– het briefje van de dochter vermeldt dat het haar spijt Het welzijn van de kat kan gewaarborgd worden mits hogervermelde voorwaarden worden nageleefd door betrokkenen en diens kinderen.”
In de mate in het middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing niet zelf de motieven bevat, is het aldus niet ernstig.
10. Voorts lijkt de motivering op het eerste gezicht ook te volstaan om de bestreden beslissing te kunnen dragen en in rechte en in feite te verantwoorden.
Overeenkomstig artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet zijn er, nadat een levend dier in beslag werd genomen, vijf bestemmingsmogelijkheden, waarvan de keuze wordt overgelaten aan de dienst bevoegd voor Dierenwelzijn.
Anders dan de verzoekende partij het ziet, houdt de bestreden beslissing geen ontkenning in van de vastgestelde inbreuken, maar motiveert zij op grond van een afweging van de verschillende elementen die het dossier kenmerken waarom de kat wordt teruggegeven aan de eigenaars.
XII-9742-8/11
In zoverre de verzoekende partij ter terechtzitting opwerpt dat geen motivering aanwezig is die het belang van het dier in aanmerking neemt, lijkt deze kritiek niet te kunnen worden bijgevallen. Zo wordt onder meer in aanmerking genomen dat de tussenkomende partij zelf niet op de hoogte was van het maken van het filmpje, dat zij haar dochter duidelijk heeft gemaakt dat ze rustiger moet omgaan met de kat en dat er sprake is van een spijtbetuiging en een verbetering van de materiële omstandigheden voor het dier ingevolge de aankoop van materiaal.
De bestemmingsbeslissing in de zin van artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet, waarbij in beslag genomen dieren in volle eigendom worden overgedragen aan een erkend opvangcentrum, wordt voorts in beginsel maar genomen wanneer blijkt dat de eigenaar van de dieren niet in staat is te voldoen aan de bepalingen van deze wet.
De standpunten die de verzoekende partij in haar verzoekschrift en ter terechtzitting inneemt ten aanzien van de vaststellingen in de processen-verbaal en het navolgende verhoor, getuigen weliswaar van een eigen appreciatie van deze feiten, maar tonen niet aan dat de verwerende partij de grenzen van de redelijkheid zou zijn te buiten gegaan door de gevolgtrekkingen die zij daaraan heeft verbonden, namelijk dat een teruggave van het dier verantwoord is, waarbij zij ervan uitgaat dat het welzijn van de kat kan worden gewaarborgd mits de opgelegde voorwaarden worden nageleefd door de betrokkenen.
11. De verzoekende partij toont op het eerste gezicht ook niet aan dat de feiten niet op behoorlijke en zorgvuldige wijze werden vastgesteld, nu hiervoor gesteund wordt op vaststellingen die blijken uit drie processen-verbaal, een verslag van een dierenarts en het verhoor.
12. Anders dan de verzoekende partij het ziet, blijken in de bestreden beslissing bovendien wel degelijk voorwaarden te worden gekoppeld aan de teruggave van de in beslag genomen kat.
XII-9742-9/11
Deze voorwaarden lijken op het eerste gezicht betrekking te hebben op de leefomstandigheden van de kat en de wijze waarop met dit dier moet worden omgegaan. Zo wordt onder meer als uitdrukkelijke voorwaarde opgelegd dat ten alle tijde en door alle gezinsleden een zachte omgang met het dier wordt gehanteerd en dat geen handelingen worden gesteld die het dier mogelijks ongemak, pijn of letsels kunnen bezorgen. In dat verband beveelt de gemotiveerde beslissing ook aan om een gekwalificeerd gedragstherapeut aan te stellen om meer inzicht te verwerven en een correcte omgang met het dier te kunnen garanderen.
Dat de aanstelling van dergelijke gedragstherapeut slechts “ten zeerste [wordt]
aangeraden”, ondergraaft de draagkracht van de bestemmingsbeslissing op het eerste gezicht niet.
13. Een schending van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen is niet aangetoond.
Het enig middel is niet ernstig.
14. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
1. Het verzoek van C.D. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
XII-9742-10/11
3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien augustus tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit:
Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Inge Vos
XII-9742-11/11
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.497
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...