ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.694
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.694 Rolnummer: Zaak: Arrest 260694 - Wegenwezen - 20/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-27 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-04 03:05 Fiche Arrest nr 260.694 van 20 september 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu...
27 min de lecture · 5,877 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 20 september 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.694
Rolnummer:
Zaak:
Arrest 260694 – Wegenwezen – 20/09/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-09-27
Raadplegingen:
93 – laatst gezien 2026-06-04 03:05
Fiche
Arrest nr 260.694 van 20 september 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Wegenwezen Beslissing : Vernietiging
Samenvoeging bekendmaking
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 260.694 van 20 september 2024
in de zaken A. 236.442/X-18.154 (I)
A. 237.256/X-18.242 (II)
In zake : I.
H.W.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30/0102
bij wie woonplaats wordt gekozen II.
1. G.L.
2. H.V.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc Savelkoul en Kilian Stulens kantoor houdend te 3583 Beringen-Paal Paalsesteenweg 131
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
I.
1. de GEMEENTE LANAKEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns, Jef Goffings en Charlotte Cams kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122
wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18
bij wie woonplaats wordt gekozen
II.
1. de GEMEENTE LANAKEN
2. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Heleen Vandermeersch kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
X-18.154-18.242
Tussenkomende partij :
I.
de BV GEOTEC
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gaël Bedert kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Paquaylaan 184
II.
de BV GEOTEC
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Gaël Bedert kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Paquaylaan 184
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep sub I, ingesteld op 20 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et Ministerieel Besluit van 11 maart 2022 […] waarbij het beroep van verzoekster tegen het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Lanaken van 27 september 2021 tot […] vaststelling van de rooilijn van de nieuwe wegenis en de verbrede Grensstraat in de te realiseren verkaveling binnengebied Grensstraat – Dukatonweg – Maastrichterweg –
Maaseikerst[een]weg en opheffing van de voetweg […] 94 [hierna: het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021] ongegrond werd verklaard”.
Het beroep sub II, ingesteld op 15 september 2022, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et Ministerieel besluit van 21 juli 2022 betreffende [verzoekers’] beroep tegen het [gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021]”.
X-18.154-18.242
II. Verloop van de rechtspleging
2. In de zaak sub I hebben de verwerende partijen een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
In de zaak sub II heeft de tweede verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft in de zaak sub I een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 juli 2022. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
De tussenkomende partij heeft in de zaak sub II een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 november 2022. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft in beide zaken een verslag opgesteld.
In de zaak sub I hebben verzoekster, de verwerende partijen en de tussenkomende partij een laatste memorie ingediend.
In de zaak sub II hebben de verzoekende partijen, de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn in de zaak sub I opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 maart 2024.
X-18.154-18.242
De partijen zijn in de zaak sub II opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 juni 2024.
Staatsraad Jan Clement heeft in beide zaken verslag uitgebracht.
Advocaat Buket Karaca, die loco advocaat Koenraad Maenhout verschijnt voor verzoekster in de zaak sub I, advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de eerste verwerende partij in de zaak sub I, advocaat Dylan Vercammen, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de tweede verwerende partij in de zaak sub I, en advocaat Gaël Bedert, die verschijnt voor de tussenkomende partij in de zaak sub I, zijn gehoord.
Advocaat Kilian Stulens, die verschijnt voor verzoekster in de zaak sub II, advocaat Heleen Vandermeersch, die verschijnt voor de tweede verwerende partij in de zaak sub II, en advocaat Gaël Bedert, die verschijnt voor de tussenkomende partij in de zaak sub II, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft in de zaak sub I een met dit arrest andersluidend advies gegeven en in de zaak sub II
een met dit arrest eensluidend advies.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. In de gemeente Lanaken loopt de Grensstraat van de Dukatonweg in het noorden naar de grens met Nederland in het zuiden. De laatstgenoemde weg sluit in het oosten aan op de Maastrichterweg. Het tracé van de in de Atlas der Buurtwegen opgenomen voetweg nr. 94 loopt doorheen een huizenrij aan de Maastrichterweg en vervolgens over een perceel achter deze huizenrij (hierna: het perceel achter de huizenrij). In het zuiden loopt de
X-18.154-18.242
oostelijke helft van de voetweg over het grondgebied van Nederland. Tussen de achterzijde van de huizenrij en de grens met Nederland bevindt zich een open ruimte die in het oosten reikt tot aan de bebouwing langs de Maaseikersteenweg.
Het woonperceel van verzoekster in de zaak sub I maakt deel uit van de huizenrij aan de Maastrichterweg en paalt aan het perceel achter de huizenrij. Het woonperceel van verzoekers in de zaak sub II ligt langs de Grensstraat.
Ter verduidelijking is hierna een uittreksel uit de basiskaart van de website geopunt.be opgenomen, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht.
3.2. Het bij koninklijk besluit van 24 oktober 1980 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg tot wijziging van het bij koninklijk besluit van 17 april 1962 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg ‘Smeermaas’ van de gemeente Lanaken (hierna: het BPA) voorziet doorheen de voornoemde open ruimte een west-oost aftakking van de Grensstraat die in het oosten eindigt op een pijpenkop, met daarrond zones voor woningbouw.
X-18.154-18.242
Op het bij het BPA horende grafische plan zijn de rooilijnen van de wegenis ingetekend met zwarte streepjeslijn.
4.1. Op 10 juni 2021 dient de tussenkomende partij een omgevingsvergunningsaanvraag in voor het verkavelen met wegenisaanleg en grondafstand aan de gemeente op een terrein langs de Grensstraat.
Ter verduidelijking volgt hierna een weergave van het bij de aanvraag horende verkavelingsplan. Het terrein waarop de omgevings-
vergunningsaanvraag betrekking heeft is met rood omrand.
4.2. Het aanvraagdossier van de tussenkomende partij bevat het hiernavolgend rooilijnplan.
X-18.154-18.242
5.1. Van 30 juni tot 29 juli 2021 wordt een openbaar onderzoek gehouden, waaraan alle verzoekers deelnemen.
5.2. Verzoekster in de zaak sub I voert in haar bezwaarschrift aan dat er bij de opheffing van voetweg nr. 94 geen correcte toepassing is gemaakt van artikel 12 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: het gemeentewegendecreet).
5.3. Verzoekers in de zaak sub II voeren in hun bezwaarschrift aan dat artikel 12 van het gemeentewegendecreet geschonden is doordat de in de aanvraag voorziene wegenis afwijkt van hetgeen verordenend voorzien is in het BPA, met name ter hoogte van de pijpenkop aan het einde van de west-oost aftakking van de Grensstraat.
6.1. Met het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 worden de bezwaren in verband met de zaak der wegen verworpen en wordt het bij de aanvraag gevoegde rooilijnplan en de erin vervatte afschaffing van voetweg nr.
94 goedgekeurd.
X-18.154-18.242
6.2. In het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 wordt het in randnummer 5.2 bedoelde bezwaar als volgt weerlegd:
“[Voetweg] nr. 94 doorkruist inderdaad het verkavelingsgebied. De voetweg 94 werd aanvankelijk (1941) gedeeltelijk afgeschaft. In 1942 werd de volledige afschaffing van het laatste gedeelte van deze voetweg gevraagd, doch bij besluit van 27.07.1942 werd geen goedkeuring maar een weigeringsbeslissing genomen omtrent de volledige afschaffing van voetweg 94.
De voorliggende omgevingsaanvraag tot het verkavelen van gronden voorziet in het afschaffen van de voetweg. Conform het decreet gemeentewegen (welke in werking trad op 1 september 2019) is de gemeenteraad bevoegd in het nemen tot beslissingen betreffende de afschaffing van gemeentewegen. Deze afschaffing is vervoegd in de zaak der wegen die is opgemaakt en deze wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad in de zitting van 27.09.2021. Daarmee is de aanvraag in overeenstemming met […] het decreet gemeentewegen.
[…]
Artikel 12 § 2 lid 3 is […] bedoeld voor wegen opgenomen (‘bestemd’) in een BPA of RUP.
Gezien deze voetweg echter niet is opgenomen in het BPA, kan dus toepassing worden gemaakt van het Gemeentewegendecreet, met name de integratie in de omgevingsvergunningsprocedure op basis van artikel 12 §2 lid 1 [van het gemeentewegendecreet] [in] artikel 31 [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’].
Momenteel is deze voetweg reeds meer dan 30 jaar privé-eigendom en wordt hij niet meer door derden gebruikt. Deze voetweg is visueel ook niet meer aanwezig op de locatie zoals hij administratief is ingetekend op de atlas der buurtwegen.
Het volledig afschaffen van deze voetweg 94 is aldus louter een administratieve procedure gezien deze voetweg privé-eigendom is en al zeer lang niet meer gebruikt wordt.
[…]
Zoals artikel 12 § 2 stelt kan de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg met overeenkomstige toepassing van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning opgenomen worden in een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, voor zover die wijziging past in het kader van de realisatie van de bestemming van gronden. Die mogelijkheid geldt voor zover het aanvraagdossier een ontwerp van rooilijnplan bevat dat voldoet aan de bij en krachtens dit decreet gestelde eisen op het vlak van vorm en inhoud van gemeentelijke rooilijnplannen of voor zover het een grafisch plan met aanduiding van de op te heffen rooilijn bevat.
Door de opmaak van de zaak der wegen, welke ter goedkeuring is voorgelegd aan de gemeenteraad dd. 27.09.2021, werd er aan de voorwaarde voldaan dat de gemeenteraad eerst een beslissing neemt over het al dan niet wijzigen of opheffen van het gemeentelijk rooilijnplan,
X-18.154-18.242
alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. Derhalve werd de correcte procedure gevolgd.”
6.3. In het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 wordt het in randnummer 5.3 bedoelde bezwaar als volgt weerlegd:
“De voorgestelde zone voor wegenis, welke conform [is met] het bij de aanvraag gevoegde rooilijnplan, is gelijk aan de ingetekende zone ‘wegenis en voetpaden’ zoals ingetekend op het grafisch plan van het BPA […].
Deze zone zal conform de opgemaakte zaak der wegen, welke ter goedkeuring aan de gemeenteraad dd. 27.09.2021 is voorgelegd, worden overgedragen aan het openbaar domein.
[…] De positionering van de wegenis binnen de verkaveling werd reeds vastgelegd door het BPA […] en hiervan kan er niet afgeweken worden.
In de voorschriften van het BPA is echter niet de typologie van de weg beschreven, of het om een ontsluitingsweg moet gaan voor gemotoriseerd verkeer of enkel voor de trage weggebruiker zoals fietsers en voetgangers, of de weg éénrichtingsverkeer of twee richtingen moet zijn, hoe breed de weg moet zijn, hoe breed de bermen[.] Enkel de bestemming ‘wegenis’ is door de ‘gele’ kleur vastgelegd binnen het BPA en dat in deze zone er niet mag/kan gebouwd worden.
[…]
Zoals de bij de aanvraag gevoegde motiveringsnota al aangaf zal het openbaar domein worden ingericht als woonerf. Daarmee wordt bedoeld dat er een verharde zone zal worden aangelegd dat zal gaan voorzien in een gemengd gebruik voor voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer. Dit betreft een weginrichting waarbij de trage weggebruiker prioritair is en de auto ondergeschikt. Vandaar [dat] er langs de weg geen voetpad word[t]
aangelegd. Dergelijke ontwerpprincipes zijn tevens in lijn met het geldende witboek en de principes voor ontharden. Er wordt minder verharding aangelegd, er wordt een duurzamer ruimtegebruik nagestreefd, er ontstaat ruimte voor groen in het straatbeeld en het gemotoriseerd verkeer wordt geremd en dient zich af te stemmen op voetgangers en fietsers. Tevens zorgt het voor mogelijkheden dat kinderen terug op straat kunnen spelen door deze inrichting als woonstraat met een lage verkeersintensiteit van max. 33 nieuw op te richten woningen.”
7.1. Op 30 september 2021 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lanaken voorwaardelijk de gevraagde omgevings-
vergunning.
7.2. Tegen deze omgevingsvergunning stelt verzoekster in de zaak sub I op 5 november 2021 bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de
X-18.154-18.242
provincieraad van de provincie Limburg (hierna: de deputatie). Verzoekers in de zaak sub II doen hetzelfde op 17 november 2021.
8.1. Tegen het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 dient verzoekster in de zaak sub I op 5 november 2021 bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering.
In haar beroepsschrift herhaalt zij de kritiek dat er bij de opheffing van voetweg nr. 94 geen correcte toepassing is gemaakt van artikel 12 van het gemeentewegendecreet.
8.2. Tegen het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 dienen verzoekers in de zaak sub II op 17 november 2021 bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering.
In hun beroepsschrift herhalen zij de kritiek dat artikel 12 van het gemeentewegendecreet geschonden wordt doordat de in de aanvraag voorziene wegenis afwijkt van hetgeen voorzien is in het BPA, met name ter hoogte van de pijpenkop.
9. Met een besluit van 11 maart 2022 verwerpt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken het door verzoekster in de zaak sub I ingestelde beroep tegen het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021
(hierna: het ministerieel besluit van 11 maart 2022).
Het ministerieel besluit van 11 maart 2022 verwerpt de in randnummer 8.1 bedoelde kritiek als volgt:
“Overeenkomstig artikel 12, §2 van het Decreet Gemeentewegen kan ook een opheffing van een gemeenteweg opgenomen worden in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, voor zover die wijziging past in het kader van de realisatie van de bestemming van die gronden en voor zover het aanvraagdossier een ontwerp van grafisch plan tot opheffing omvat.
X-18.154-18.242-
In zoverre beroepsindiener meent dat de omgevingsvergunning werd verleend zonder voorafgaande beslissing van de gemeenteraad, blijkt deze kritiek ongegrond.
[…]
Beroepsindiener lijkt er […] vanuit te gaan dat de gemeenteraad twee afzonderlijke beslissingen diende te nemen, vooraleer tot de opheffing van deze voetweg 94 te kunnen overgaan. Nochtans blijkt hiervoor geen gemeentelijk rooilijnplan te bestaan, doch werd deze opgenomen op de Atlas der Buurwegen. Zodat de gemeenteraad niet eerst over een bestaand rooilijnplan moest of kon besluiten, vooraleer de opheffing te beoordelen.
Tevens blijkt in het BPA […] de betreffende voetweg 94 niet bestemmingsmatig verankerd te zijn als gemeenteweg, waardoor in eerste instantie het BPA zou dienen aangepast te worden opdat tot een wijziging of opheffing hiervan kon worden besloten. In het BPA […] werden diverse wegen niet louter indicatief doch bij bestemming verankerd, doch dit is niet het geval voor voetweg 94.
Zodoende kon gebruik gemaakt worden van de geïntegreerde procedure.”
10.1. Met een besluit van 31 mei 2022 verwerpt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken het door verzoekers in de zaak sub II
ingestelde beroep tegen het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021.
Dit ministerieel besluit verwerpt de in randnummer 8.2 bedoelde kritiek als volgt:
“De gemeenteraad geeft in het bestreden besluit op algemene wijze aan dat ingetekende zone ‘wegenis en voetpaden’ zoals ingetekend op het grafisch plan BPA […] gelijk is aan […] de voorgestelde zone ‘wegenis en voetpaden’ […].
Op het eerste gezicht lijkt het rooilijnplan de bestemde wegenis […] van het BPA […] grotendeels te volgen.
[…]
Dit geldt eveneens voor de wegenis aan het uiteinde, namelijk ter hoogte van de aanleg van de pijpenkop.
[…]
Nu de aanhorigheden bij de wegenis horen en onvermijdelijk in het rooilijnplan mee zijn opgenomen […], is het zo dat de wegenis niet overeenstemt op deze locatie. Het uiteinde van de pijpe[n]kop wordt in het rooilijnenplan opgeschoven naar het oosten.
Voor wat betreft de beroepsgrief dat de pijpenkop dus de facto anders wordt uitgevoerd dan wat voorzien is in het BPA [….], dient deze kritiek evenwel getoetst te worden aan artikel 12, § 2 Decreet Gemeentewegen.
Het eerste lid bepaalt dat een afwijking van artikel 11 mogelijk is bij de aanleg van een gemeenteweg. Het derde lid van dezelfde paragraaf bepaalt dat deze mogelijkheid niet kan voor een wijziging, verplaatsing of opheffing voor zoverre deze is opgenomen in een plan. Nergens bepaalt het derde lid van deze paragraaf dat dit geldt voor een aanleg van een gemeenteweg, terwijl de aanleg van een gemeenteweg wel uitdrukkelijk is opgenomen in artikel 12, § 2, eerste lid.
X-18.154-18.242-
Om die reden dient terug verwezen te worden naar de detailvergelijking om te onderzoeken of er sprake is van een wijziging, verplaatsing, opheffing dan wel een aanleg.
Er kan niet anders dan vastgesteld worden dat links van de zwarte lijn het rooilijnplan gelijk loopt met het BPA […]. Rechts van de zwarte lijn is er duidelijk nieuwe wegenis. Er moet dus worden vastgesteld dat het hier gaat om de aanleg van nieuwe wegenis en niet om een wijziging, verplaatsing of opheffing, zodoende dat artikel 12, §2, eerste lid onverminderd van toepassing is.”
Daarnaast overweegt dit ministerieel besluit onder meer het volgende:
“Het is zo dat het ganse toekomstig openbaar domein binnen de rooilijn wordt gelegd, aangezien de rooilijn namelijk méér omvat dan enkel de eigenlijke wegzate nu de bevoegdheid van de gemeenteraad zich uitstrekt over het tracé en de uitrusting van gemeentewegen, inclusief alle aanhorigheden bij een gemeenteweg, o.a. de trottoirs, de inrichting van de (eventuele) parkeerplaatsen, de ligging, aansluiting en de materialen van de nutsleidingen (rioleringen) en van de aan te leggen groenvoorzieningen, de ligging, breedte en diepte van eventueel nieuw te delven gracht naast de nieuw ontworpen weg, de afwatering, waterzuivering, noodzakelijke uitbreiding van maatschappelijke infrastructuur,… (MvT, Parl. St. Vl. Parl.
2018-19, nr. 1847/1, p. 43).
Dat dus, binnen de rooilijn, een andere aanhorigheid van de wegenis wordt voorzien (bv. groenzone of wadi), kan perfect”.
10.2. Met een besluit van 18 juli 2022 trekt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken het in het vorige randnummer bedoelde besluit in.
10.3. Met een besluit van 21 juli 2022 verwerpt dezelfde minister (opnieuw) het door verzoekers in de zaak sub II ingestelde beroep tegen het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 (hierna: het ministerieel besluit van
X-18.154-18.242-
21 juli 2022). Het ministerieel besluit van 21 juli 2022 herneemt de in randnummer 10.1 aangehaalde overwegingen uit het besluit van 31 mei 2022, met uitzondering van de afbeelding.
11. Met een besluit van 29 september 2022 verwerpt de deputatie de sub 7.2 bedoelde bestuurlijke beroepen en verleent zij een voorwaardelijke omgevingsvergunning.
12. Bij arrest nr. RvVb-A-2223-1153 van 10 augustus 2023
vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen het in het vorige randnummer bedoelde besluit.
IV. Precisering van het voorwerp van de beroepen
13. Met haar beslissingen van 11 maart 2022 en 21 juli 2022
(randnrs. 9 en 10.3) heeft de bevoegde Vlaamse minister louter een vernietigings-
en geen hervormingstoezicht uitgeoefend. Haar beslissingen zijn niet in de plaats van het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 gekomen, maar hebben er zich aan toegevoegd.
Rekeninghoudend met de in de verzoekschriften aangevoerde middelen, is er reden om, naast de ministeriële besluiten van 11 maart 2022 en 21 juli 2022, ook het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 tot het voorwerp van de beroepen te rekenen.
V. Samenvoeging
14. De beroepen zijn dermate verknocht dat het in het raam van een goede rechtsbedeling past de zaken samen te voegen.
X-18.154-18.242-
VI. Ontvankelijkheid van het beroep in de zaak sub I
Uiteenzetting van de exceptie
15. De eerste verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak sub I, omdat verzoekster onvoldoende aantoont dat zij nadeel ondervindt van het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 en haar beroep neerkomt op een actio popularis.
Beoordeling
16. Door de bestreden besluiten wordt voetweg nr. 94 opgeheven en wordt de daadwerkelijke realisatie mogelijk gemaakt van de west-oost aftakking van de Grensstraat doorheen de open ruimte aan de achterzijde van verzoeksters woonperceel. Door op te komen voor het behoud van de bestaande toestand, doet zij blijken van een voldoende geïndividualiseerd belang bij haar beroep.
De exceptie wordt verworpen.
VII. Onderzoek van de middelen
A. Het vierde middel in de zaak sub I
Standpunt van de partijen
17. In het middel wordt onder meer de schending aangevoerd van artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet.
Volgens verzoekster is voor de opheffing van de voetweg nr. 94
ten onrechte gebruik gemaakt van de in artikel 12, § 2, van het gemeentewegen-
decreet voorziene mogelijkheid tot integratie in de omgevingsvergunnings-
procedure.
X-18.154-18.242-
18. De verwerende partijen en de tussenkomende partij voeren als exceptie aan dat het middel onontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021, daar het beroep niet tegen dit besluit gericht is.
19. Ten gronde wijst de eerste verwerende partij erop dat verzoekster een gelijkaardige kritiek heeft geuit in haar tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschrift en in haar beroepsschrift bij de Vlaamse regering. De eerste verwerende partij citeert de overwegingen die hiervoor zijn aangehaald in de randnummers 6.2 en 9. Volgens de eerste verwerende partij doet verzoekster geen enkele poging om het standpunt in het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 en het ministerieel besluit van 11 maart 2022 te weerleggen.
Zij doet geen enkele moeite om aan te tonen dat die besluiten steunen op verkeerde of kennelijk onjuiste motieven. Er kan bezwaarlijk betwist worden dat de verwerende partijen geantwoord hebben op de geuite kritiek in verband met artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet.
20. De tweede verwerende partij benadrukt in haar memorie van antwoord dat de gemeenteraad er reeds in het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 op gewezen heeft dat de voetweg nr. 94 niet opgenomen is in het BPA. Deze zienswijze werd onderschreven en bevestigd in het ministerieel besluit van 11 maart 2022, doordat uit het BPA duidelijk af te leiden is dat deze voetweg er niet in verankerd werd. Voor de voetweg bestaat er ook geen gemeentelijk rooilijnplan. Het loutere feit dat een buurtweg in een plangebied van een BPA ligt, volstaat niet om de toepassing van artikel 12, § 2, derde lid, van het gemeentewegendecreet met zich mee te brengen: enkel een bestemmingsmatige verankering van een gemeenteweg in een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan maakt dat de geïntegreerde procedure niet gehanteerd zou kunnen worden. Daar de voetweg niet bestemmingsmatig – en zelfs niet indicatief – is opgenomen in het BPA, geldt in casu artikel 12, § 2, derde lid, van het gemeentewegendecreet niet.
X-18.154-18.242-
21. In haar memorie tot tussenkomst sluit de tussenkomende partij zich aan bij het verweer van de tweede verwerende partij.
Beoordeling
22. De in randnummer 18 bedoelde exceptie moet worden verworpen daar het uitgangspunt ervan, als zou het beroep niet gericht zijn tegen het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021, onjuist is (randnr. 13).
23.1. De artikelen 11 en 12, § 2, van het gemeentewegendecreet stellen:
“Artikel 11. § 1. De gemeenten leggen de ligging en de breedte van de gemeentewegen op hun grondgebied vast in gemeentelijke rooilijnplannen, ongeacht de eigenaar van de grond.
De gemeentelijke rooilijnplannen komen tot stand op de wijze, vermeld in afdeling 2. De procedure voor het tot stand komen van gemeentelijke rooilijnplannen is ook van toepassing op het wijzigen ervan.
§ 2. De opheffing van een gemeenteweg gebeurt door een besluit tot opheffing van de rooilijn, in voorkomend geval met inbegrip van het daartoe vastgestelde rooilijnplan, op de wijze, vermeld in afdeling 3.
Artikel 12. […]
§ 2. In afwijking van artikel 11 kan de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg met overeenkomstige toepassing van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning opgenomen worden in een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, voor zover die wijziging past in het kader van de realisatie van de bestemming van de gronden. Die mogelijkheid geldt voor zover het aanvraagdossier een ontwerp van rooilijnplan bevat dat voldoet aan de bij en krachtens dit decreet gestelde eisen op het vlak van de vorm en inhoud van gemeentelijke rooilijnplannen of voor zover het een grafisch plan met aanduiding van de op te heffen rooilijn bevat.
Als de beoogde wijziging, verplaatsing of opheffing betrekking heeft op een gemeentelijk rooilijnplan dat niet in een ruimtelijk uitvoeringsplan is opgenomen, neemt de gemeenteraad eerst een beslissing over het al dan niet wijzigen of opheffen van het gemeentelijk rooilijnplan, alvorens te beslissen over de goedkeuring, vermeld in artikel 31 van het decreet van 25
april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt niet als de beoogde wijziging, verplaatsing of opheffing betrekking heeft op een gemeenteweg die in een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan bestemd is, of op een gemeentelijk rooilijnplan dat in een plan van aanleg of ruimtelijk
X-18.154-18.242-
uitvoeringsplan is opgenomen. In dat geval gelden de procedureregels voor het opstellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan.”
23.2. Sedert de inwerkingtreding van het gemeentewegendecreet verloopt de opheffing van een gemeenteweg in principe steeds volgens de bepalingen van afdeling 3 “Procedurele bepalingen over de opheffing van gemeentewegen” van hoofdstuk 3 van het decreet (hierna: de reguliere procedure van de artikelen 20 tot 23 van het gemeentewegendecreet), waarin onder meer is voorzien in twee beslissingen van de gemeenteraad en een afzonderlijk openbaar onderzoek over een door die raad voorlopig vastgesteld ontwerp van grafisch plan tot opheffing.
23.3.1. Uitzonderlijk laat artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet toe af te wijken van de reguliere procedure van de artikelen 20 tot 23 van het gemeentewegendecreet, door meer bepaald de opheffing van een gemeenteweg op te nemen in een omgevingsvergunningsaanvraag (hierna: de afwijkingsmogelijkheid via de omgevingsvergunningsprocedure).
23.3.2. Van deze afwijkingsmogelijkheid kan in beginsel enkel gebruik worden gemaakt voor wegen die gelegen zijn op het terrein waarop de omgevingsvergunningsaanvraag betrekking heeft. Als uitzondering – die slechts een enkele gemeenteraadsbeslissing en geen afzonderlijk openbaar onderzoek vergt – dient deze afwijkingsmogelijkheid immers restrictief te worden geïnterpreteerd.
24. Aan het gestelde in randnummer 23.3.2 wordt geen afbreuk gedaan door de door de verwerende partijen en de tussenkomende partij ingeroepen elementen, zoals het feit dat de voetweg nr. 94 niet opgenomen is in het BPA en dat in casu de verbodsbepaling van artikel 12, § 2, derde lid, van het gemeentewegendecreet geen toepassing kent.
25. Uit het door het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021
goedkeurde rooilijnplan (randnr. 4.2) blijkt dat dit besluit strekt tot de opheffing
X-18.154-18.242-
van het tracégedeelte van de voetweg nr. 94 over het perceel achter de huizenrij evenals van het op het grondgebied van Nederland gelegen tracégedeelte van deze voetweg. Beide tracégedeeltes zijn gelegen buiten het terrein waarop de omgevingsvergunningsaanvraag van de tussenkomende partij betrekking heeft.
Voor het op het Nederlandse grondgebied gelegen tracégedeelte mist de gemeenteraad elke bevoegdheid en, gelet op het in randnummer 23.3.2 gestelde, is het ook voor de opheffing van het tracégedeelte over het perceel achter de huizenrij ten onrechte dat de eerste verwerende partij gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid via de omgevingsvergunningsprocedure. Voor die opheffing diende immers de reguliere procedure van de artikelen 20 tot 23 van het gemeentewegendecreet te worden toegepast.
26. Het middel is ontvankelijk en gegrond.
B. Het vierde middel in de zaak sub II
Standpunt van de partijen
27. In het middel wordt onder meer de schending aangevoerd van artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet.
Verzoekers zetten uiteen dat de door het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 goedgekeurde wegenis afwijkt van hetgeen verordenend voorzien is in het BPA, met name ter hoogte van de pijpenkop aan het einde van de west-oost aftakking van de Grensstraat. Artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet laat dergelijke afwijking niet toe.
28. De tweede verwerende partij benadrukt in haar memorie van antwoord dat de bestemming “wegenis” in het BPA enkel grafisch is vastgelegd.
De binnen het BPA bestemde wegenis wordt op het grafisch plan weergegeven in gele/oranje kleur, waarbij wordt vermeld “wegenis en voetpaden”. Uit de bij dit grafisch plan horende legende volgt echter geen verordenend voorschrift inzake verplicht gemotoriseerd verkeer en zacht verkeer, noch enig verordend
X-18.154-18.242-
voorschrift dat de verkeersafwikkeling in een lus dient te verlopen. Er is in het BPA vandaag wel geen (zachte) ontsluiting voorzien naar de Maaseikersteenweg.
De wegenis eindigt daar in het binnengebied in een pijpenkop, terwijl de in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag goedgekeurde wegenis daarop een zachte verbindingswegel aantakt.
De tweede verwerende partij citeert de overwegingen die hiervoor zijn aangehaald in de randnummers 6.3 en 10.1. Zij meent dat de kritiek van verzoekers daarin deugdelijk ontmoet is. Uit artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet volgt dat de aanleg van nieuwe wegenis binnen een RUP
of plan van aanleg met wegenis mogelijk is, voor zover dit niet strijdt met de bestemming van de eventueel hierin opgenomen bestemde wegenis. De aanleg van nieuwe wegenis is dus mogelijk, maar de wijziging van een bestemd tracé is niet mogelijk. De bevoegde minister heeft duidelijk uiteengezet dat de nieuwe bijkomende trage verbindingsweg naar de Maaseikerweg niet strijdt met de wegenis die is voorzien in het BPA. Dat er ten oosten van de in het BPA
voorziene pijpenkop nieuwe wegenis is voorzien, schendt het gemeentewegendecreet niet. Meer zelfs, deze nieuwe trage verbindingsweg strookt net met de doelstelling van dit decreet om in meer lokale verbindingen en doorsteken te voorzien.
29. De tussenkomende partij sluit zich aan bij de weergegeven argumenten van de tweede verwerende partij. Zij benadrukt dat de door het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 goedgekeurde wegenis volledig voorzien is binnen de contouren van het BPA. De extra voorziene ‘zachte’ verbinding ten oosten van de pijpenkop mocht opgenomen worden in het rooilijnplan conform artikel 12, § 2, eerste lid, van het gemeentewegendecreet en aldus via de geïntegreerde procedure worden behandeld. Het betreft immers de aanleg van een gemeenteweg. Dergelijke aanleg van een nieuwe gemeenteweg wordt niet geviseerd door het artikel 12, § 2, derde lid, van het gemeentewegendecreet.
X-18.154-18.242-
30. In hun laatste memories herhalen de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij dat uit artikel 12, § 2, derde lid, van het gemeentewegendecreet volgt dat er geen wijziging, verplaatsing of opheffing kan zijn van een gemeenteweg die reeds is bestemd door een BPA. Dit belet niet dat er, binnen de in het grafisch plan bestemde wegenis van een BPA, aanvullend in de aanleg van nieuwe gemeentewegenis kan worden voorzien, die hierop aantakt.
Beoordeling
31. Artikel 12, § 2, derde lid, van het gemeentewegendecreet (randnr. 23.1) bepaalt uitdrukkelijk dat er van de afwijkingsmogelijkheid via de omgevingsvergunningsprocedure geen gebruik mag worden gemaakt voor de wijziging van een gemeentelijk rooilijnplan dat in een plan van aanleg is opgenomen.
32. Te dezen is in het BPA een rooilijnplan voor de Grensstraat opgenomen.
Ter verduidelijking volgt hierna een op het basisplan van de website geopunt.be geprojecteerd uittreksel uit het rooilijnplan van het BPA ter hoogte van de pijpenkop, met daarnaast een op hetzelfde basisplan geprojecteerd uittreksel uit het rooilijnplan dat door het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 is goedgekeurd, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht.
X-18.154-18.242-
Uit de vergelijking van de bovenstaande uittreksels blijkt dat door het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 de in het BPA opgenomen rooilijn aan het oostelijk uiteinde van de Grensstraat opgeheven wordt, daar – met de woorden van het ministerieel besluit van 21 juli 2022 – “het uiteinde van de pijpe[n]kop […] in het rooilijnenplan opgeschoven [wordt] naar het oosten”.
Ter verduidelijking volgt hierna opnieuw een op het meergenoemde basisplan geprojecteerd uittreksel uit het rooilijnplan van het BPA.
33. Er moet worden vastgesteld dat alleen al uit de voornoemde opheffing van de rooilijn uit het BPA met het oog op de verschuiving van het uiteinde van de pijpenkop volgt dat het gemeenteraadsbesluit van 27 september 2021 een gemeentelijk rooilijnplan dat in een plan van aanleg is opgenomen wijzigt. Door voor deze wijziging gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid via de omgevingsvergunningsprocedure schendt het gemeenteraadsbesluit artikel 12, § 2, derde lid, van het gemeentewegendecreet.
34. Aan de in het vorige randnummer gedane vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de door de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij ingeroepen elementen zoals het gegeven dat het toegevoegde weggedeelte voor een trage weg naar de Maaseikersteenweg de aanleg van nieuwe gemeentewegenis betreft.
X-18.154-18.242-
35. Het middel is gegrond.
X-18.154-18.242-
BESLISSING
1. De zaken A. 236.442/X-18.154 en A. 237.256/X-18.242 worden gevoegd.
2. De Raad van State vernietigt:
– het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Lanaken van 27 september 2021 tot vaststelling van de rooilijn van de nieuwe wegenis en de verbrede Grensstraat in de te realiseren verkaveling binnengebied Grensstraat – Dukatonweg – Maastrichterweg – Maaseikersteenweg en de opheffing van de voetweg nr. 94;
– de besluiten van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 11 maart 2022 en 21 juli 2022 betreffende beroepen tegen het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Lanaken van 27 september 2021 inzake de wegenis in de nieuwe verkaveling binnengebied Grensstraat –
Dukantonweg – Maastrichterweg – Maaseikersteenweg.
3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten.
4. De verwerende partijen worden in de zaak sub I, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoekster.
De verwerende partijen worden in de zaak sub II, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 22 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk.
De tussenkomende partij wordt in beide zaken verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro.
X-18.154-18.242-
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-18.154-18.242-
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.694
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...