ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.842

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.842 Rolnummer: A. 232686/VII-41002 Zaak: Arrest 260842 - Voedselveiligheid (FAVV) - 30/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-10 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-04 04:50 Fiche Arrest nr 260.842 van 30 september 2024 Sociale...

Source officielle

21 min de lecture 4,487 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 30 september 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.842

Rolnummer:

A. 232686/VII-41002

Zaak:

Arrest 260842 – Voedselveiligheid (FAVV) – 30/09/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-10-10

Raadplegingen:

81 – laatst gezien 2026-06-04 04:50

Fiche

Arrest nr 260.842 van 30 september 2024 Sociale zaken en volksgezondheid
– Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Vernietiging

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 260.842 van 30 september 2024
in de zaak A. 232.686/VII-41.002
In zake : de BV D.V.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patricia Scheirlynck kantoor houdend te 8630 Veurne Statiestraat 6
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s, Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge)
Karel Van Manderstraat 123
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 11 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 16 november 2020 dat aan de verzoekende partij een gedeelte weigert van de aangevraagde compensatie in het kader van de fipronilcrisis.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Melissa Celis heeft op 30 oktober 2023 een verslag opgesteld.
VII-41.002-1/15
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni 2024.
Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Patricia Scheirlynck, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Yati Wouters, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : RvS-wet).
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij baat een inrichting uit voor de productie van kippeneieren voor consumptie. Daarbij beschikt zij over een pakstation waar de eieren worden gesorteerd en verpakt.
3.2. In de loop van 2017 worden door het bedrijf van verzoekende partij geproduceerde eieren op bevel van het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid (hierna : FAVV) vernietigd wegens mogelijke contaminatie met fipronil.
VII-41.002-2/15
3.3. Door een wet van 21 november 2017 wordt voorzien in een compensatieregeling voor bedrijven die getroffen werden door de fipronilcrisis van 2017.
3.4. Bij koninklijk besluit van 17 december 2017 wordt de procedure vastgesteld voor de compensaties ten gunste van de door de fipronilcrisis getroffen bedrijven van de primaire sector (hierna : KB 2017). De verzoekende partij dient een aanvraag in om op basis van deze regeling een compensatie te verkrijgen. Op 30 augustus 2018 beslist de minister van Landbouw om aan de verzoekende partij een compensatie toe te kennen van 1.432.680,64 euro, en een gedeelte van 149.278,46 euro van de aangevraagde compensatie te weigeren.
3.5. Op 6 september 2018 ondertekent de verzoekende partij de verklaring dat zij inzicht heeft gekregen in het compensatiebedrag dat haar zal worden uitgekeerd, en zonder voorbehoud en onherroepelijk verzaakt aan elke vordering en elk recht tegen de verwerende partij en/of het FAVV omwille van schade geleden ten gevolge van de fipronilcrisis.
3.6. Bij koninklijk besluit van 8 september 2019 wordt de procedure vastgesteld voor de compensaties ten gunste van de door de fipronilcrisis getroffen bedrijven van de sectoren verwerking en distributie. De verzoekende partij dient een aanvraag in om ook op basis van deze regeling een compensatie te verkrijgen.
3.7. Met het bestreden besluit van 16 november 2020 beslist de minister van Landbouw om een compensatie toe te kennen van 3.997,50 euro, en een gedeelte van 110.489,05 euro van de aangevraagde compensatie te weigeren.
Het besluit wordt als volgt gemotiveerd :
“In het kader van de Fipronilcrisis heeft u bij het Uniek Loket Fipronil een aanvraagdossier voor compensatie ingediend voor een totaalbedrag van 114.486,55 euro.
Op basis van het door u ingevulde aanvraagformulier en bijgevoegde stukken, heeft dit Uniek Loket een compensatievoorstel ingediend bij de Commissie Fipronil. Na analyse van uw dossier in de opeenvolgende
VII-41.002-3/15
vergaderingen van 18 september en 2 en 23 oktober 2020, adviseert deze commissie mij om akkoord te gaan met een tussenkomst van 3.997,5 euro.
De redenen van weigering van het gedeelte ten belope van 110.489,05 euro van de aangevraagde vergoeding zijn:
 Retour : 12.133,13 € (90% van 13.481,25€)
 Stock : 52.218,35 € (90% van 58.020,37€)
 Onbetaalde factuur [A.] Ingebrekestelling 21.746,7 € zonder BTW
 Schadeclaims 24.391,2 € waarvan o 15.593,13 € van [An.]
o 6.264,26€ + 2.533,81€ van [A.F.]
Motivering [De verzoekende partij] werd als pluimveebedrijf […] al vergoed conform de bepalingen van het KB1 van 17/12/2017 (eerste KB voor compensatie van de primaire sector). [De verzoekende partij] heeft voor de vernietiging van de eieren (zowel retour als in stock) dezelfde vergoeding ontvangen als de andere producenten van eieren. Er is geen reden om de vraag naar een bijkomende compensatie te aanvaarden en af te wijken van het principe van de gelijke behandeling.
[De verzoekende partij] heeft bij het afhandelen van het dossier een verklaring ondertekend waarmee [zij] afziet van verdere schadeclaims aan de overheid voor alle door de overheid vergoede eieren.
[De verzoekende partij] heeft als pakstation in toepassing van het KB van 08/09/2019 (tweede KB voor de verwerkingsbedrijven) een nieuwe aanvraag ingediend voor de vergoeding van opgelopen schade. Er is geen juridische basis voor de verantwoording van een bijkomende vergoeding voor de producten (in dit geval eieren) waarvoor al een vergoeding werd uitgekeerd.
Indien het bedrijf als pluimveebedrijf al vergoed werd voor duidelijk bepaalde lotnummers, kan niet aanvaard worden dat voor dezelfde lotnummers een bijkomende vergoeding zou betaald worden aan hetzelfde bedrijf dat die schade als pakstation indient. Dit zou immers betekenen dat de vergoeding voor dezelfde schade in een bedrijf met twee activiteiten hoger zou liggen dan in een bedrijf met één activiteit.
Voor de schadeclaims met een totaal van 24.391,2 (15.593,13€ van [An.] +
6.264,26€ + 2.533,81€ van [A.F.]) werd bevestigd dat er tot op heden géén schadeclaims betaald of ontvangen werden. Volgens het principe dat enkel effectief betaalde bedragen, waarvoor een betalingsbewijs (bij voorbeeld een bankafschrift) voorgelegd kan worden, voor vergoeding aanvaard worden, dienen deze claims geweigerd te worden. Enkel de vergoeding van 3.997,5€ in verband met een schadeclaim voor kosten van [E.], die zijn doorgerekend aan [de verzoekende partij], wordt aanvaard.
Na controle van uw dossier besluit ik het advies en de motieven van de commissie te volgen.”
VII-41.002-4/15
IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring
Uiteenzetting van het middel
4. De verzoekende partij voert in een enig middel tot nietigverklaring de schending aan van de artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 21 november 2017 ‘betreffende compensaties ten gunste van bedrijven getroffen door de fipronilcrisis’, van het koninklijk besluit van 8 september 2019 ‘tot vaststelling van de procedure en van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de compensaties ten gunste van de bedrijven van de sectoren verwerking en distributie getroffen door de fipronilcrisis’ (hierna: KB 2019), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.
5. De verzoekende partij zet in het algemeen uiteen dat zij met de eerste compensatiebeslissing van 30 augustus 2018 slechts een vergoeding heeft gekregen voor het verlies dat zij ten gevolge van de fipronilcrisis heeft geleden als producent van de vernietigde eieren. Die crisis heeft echter ertoe geleid dat ook haar pakstation, waar zij eieren sorteert en verpakt, geen normaal rendement heeft gehad. Met haar twee activiteiten (productie en pakstation) zou de verzoekende partij dan ook meer schade geleden hebben dan een bedrijf met slechts één van deze activiteiten. De verzoekende partij wijst erop dat de activiteiten van pakstations worden geviseerd door artikel 2, 2°, KB 2019, zodat zij voor de schade die zij als uitbater van een pakstation heeft geleden, aanspraak kan maken op de door dat koninklijk besluit voorziene compensatie.
De verzoekende partij verdeelt haar middel vervolgens in drie onderdelen.
6. In het eerste onderdeel van het middel bekritiseert de verzoekende partij de afwijzing van een compensatie van 12.133,13 euro voor de
VII-41.002-5/15
vernietigde retoureieren, en van 52.218,35 euro voor de vernietigde stock. Zij zet uiteen dat het gaat om schade die zij geleden heeft als exploitant van het pakstation.
Op grond van het KB 2017 werd zij slechts vergoed voor het verlies van de vernietigde eieren, maar niet voor de sortering en verpakking van die eieren. Het bestreden besluit zou ten onrechte beslissen dat de verzoekende partij hiervoor reeds vergoed werd als producent van de eieren, en de motivering van het besluit zou dan ook onzorgvuldig, niet afdoende en onredelijk zijn. De redenering dat een lot eieren maar één keer kan vergoed worden, is volgens de verzoekende partij niet juist : voor hetzelfde vernietigde ei kan zowel een vergoeding verkregen worden door de producent ervan als door de verwerker ervan. De verklaring waarin zij afziet van verdere schadeclaims, werd afgelegd in haar hoedanigheid van producent, maar niet van uitbater van een pakstation. De verzoekende partij wijst bovendien erop dat zij ten tijde van die verklaring niet kon weten dat er nadien nog een tweede koninklijk besluit zou worden aangenomen op grond waarvan zij ook als uitbater van een pakstation aanspraak zou kunnen maken op een compensatie.
7. Het tweede middelonderdeel komt op tegen de weigering om de factuur van de firma A. voor een bedrag van 21.746,70 € te vergoeden. Het bestreden besluit zou deze weigering niet motiveren. Volgens de verzoekende partij gaat het om eieren die verkocht werden, die niet werden geretourneerd, en waarvoor zij wel een ingebrekestelling heeft ontvangen. Zij had hiervoor reeds een compensatie gevraagd als producent, maar die werd in de eerste compensatiebeslissing afgewezen met de motivering dat schadeclaims niet onder het toepassingsgebied vallen van het KB 2017. In zoverre zou gemotiveerd worden dat de verzoekende partij voor deze schade reeds gecompenseerd werd, zou deze motivering dan ook onjuist zijn.
8. Het derde onderdeel van het middel wordt gericht tegen de weigering om de schadeclaims te vergoeden van de firma’s An. en A.F. voor bedragen van 15.593,13 €, 6.264,26 € en 2.533,81 €. De weigeringsmotieven van de minister zijn volgens de verzoekende partij niet zorgvuldig en missen alle redelijkheid. In tegenstelling tot wat wordt voorgehouden in de motieven van het bestreden besluit zou de verzoekende partij immers niet hebben beweerd deze
VII-41.002-6/15
schadeclaims niet te hebben betaald. De minister zou dit ten onrechte hebben afgeleid uit een antwoord dat zij heeft gegeven op een onduidelijke vraag. Uit de door haar voorgelegde stukken blijkt wel degelijk dat zij deze schadeclaims betaald heeft.
Standpunt van de verwerende partij
9. De verwerende partij werpt op dat het eerste middelonderdeel niet ontvankelijk is in zoverre hierin de schending van de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel niet wordt uitgewerkt. De verwerende partij wijst verder erop dat de verzoekende partij afstand heeft gedaan van elk recht en elke vordering omwille van schade ten gevolge van de fipronilcrisis, zodat de vraag rijst of zij belang heeft bij het middelonderdeel.
Met betrekking tot dat eerste onderdeel laat de verwerende partij ten gronde gelden dat de verzoekende partij als uitbater van een pakstation weliswaar onder het toepassingsgebied valt van het KB 2019, doch dat de omstandigheid dat zij reeds werd vergoed voor de vernietigde eieren op grond van het KB 2017 verhindert dat zij hiervoor nogmaals wordt vergoed. De verwerende partij wijst op de definities van het begrip “materiële schade” in artikel 2, 4° KB
2017 en in artikel 2, 5° KB 2019. Volgens haar volgt hieruit dat beide vergoedingsregelingen voorzien dat de schade die voortvloeit uit de vernietiging van de niet-conforme eieren op dezelfde wijze dient te worden vergoed, namelijk aan de hand van de waarde van deze eieren. Vermits die schade reeds werd vergoed kan de verzoekende partij geen tweede maal aanspraak maken op die vergoeding. Eén en ander zou ook correct zijn uiteengezet in het bestreden besluit zodat het aangevoerde motiveringsgebrek ongegrond is.
10. Ook het tweede middelonderdeel is volgens de verwerende partij niet ontvankelijk in zoverre hierin de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel niet wordt uitgewerkt.
VII-41.002-7/15
Het bestreden besluit is volgens de verwerende partij wel degelijk gemotiveerd met betrekking tot de afwijzing van de vergoeding voor de onbetaalde factuur van de firma A. Het bestreden besluit vermeldt immers de redenen waarom de verzoekende partij geen aanspraak meer kan maken op een vergoeding voor vernietigde niet-conforme eieren, namelijk de omstandigheid dat zij voor de vernietigde eieren reeds een globale vergoeding heeft ontvangen op grond van het KB 2017. Of daarbij een vergoeding voor deze specifieke factuur al dan niet werd geweigerd, is volgens de verwerende partij van geen belang, nu de verzoekende partij het compensatievoorstel heeft aanvaard en daarna afstand heeft gedaan van elk recht op vergoeding van haar schade wat dat betreft.
11. Met betrekking tot het derde middelonderdeel wijst de verwerende partij erop dat onder het KB 2019 de vóór 30 juni 2018 ontvangen schadeclaims wel worden vergoed, wat niet het geval is onder het KB 2017. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moeten die schadeclaims echter niet enkel ontvangen, maar ook betaald zijn door de aanvrager van de compensatie. In dat kader heeft de verzoekende partij op 25 september 2020 meegedeeld “ondertussen geen schadeclaims betaald of ontvangen te hebben”. Ook heeft de verzoekende partij geen betalingsbewijzen bij haar aanvraagformulier gevoegd.
Bij gebreke aan bewijsstukken kon de verwerende partij niet anders dan de vergoeding voor die schadeclaims weigeren.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
12. De verzoekende partij heeft in de uiteenzetting van haar middel, en van de verschillende onderdelen ervan, op voldoende duidelijke wijze uiteengezet op welke wijze het bestreden besluit volgens haar een schending inhoudt van de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. De excepties van niet-ontvankelijkheid van het middel of de middelonderdelen die in dat verband worden opgeworpen, worden verworpen.
VII-41.002-8/15
13. De verzoekende partij voert in het middel onder meer aan dat de verklaring die zij op 6 september 2018 heeft ondertekend, geen geldig motief is om haar een compensatie te weigeren in het kader van het KB 2019. De ondertekening van die verklaring ontneemt haar in die omstandigheden niet het belang bij het middel. Ook deze exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel wordt verworpen.
Eerste onderdeel
14. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten het bestuur om in de akte uitdrukkelijk de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een afdoende wijze.
Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de aangehaalde motieven pertinent moeten zijn en moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van deze motiveringsplicht bestaat erin de personen die door de beslissing worden getroffen toe te laten te controleren of de overheid is uitgegaan van de juiste feiten, of die gegevens correct werden beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing kon komen.
15. De artikelen 2 en 7 van het KB 2019 bepalen :
“Artikel 2.
Voor de toepassing van dit besluit, verstaan we onder:
[…]
2° distributie : de aankoop, de invoer […] en het hanteren en/of verwerken van producten […], met inbegrip van de […] activiteiten van de pakstations;
[…]
5° materiële schade: de geleden materiële schade die voortvloeit uit de fipronilcrisis met betrekking tot :
[…]
6. de waarde van vernietigde niet-conforme eieren, […]
[…]”
“Artikel 7.
§ 1. De compensatie wordt berekend op grond van de volgende formule:
met een maximumbedrag van 200.000 EUR verminderd met de ‘de minimis’-steun verkregen in de loop van de laatste drie fiscale boekjaren, totaal van de geleden materiële schade verbonden:
[…]
VII-41.002-9/15
6/ aan de waarde van vernietigde niet-conforme eieren […] : 90 %
[…]”
16. In het eerste middelonderdeel komt de verzoekende partij op tegen de afwijzing van het gedeelte van de aangevraagde compensatie dat betrekking had op de posten “retour” en “stock” voor respectievelijk 12.133,13 € en 52.218,35 €.
In de bijlage bij haar aanvraagformulier zette de verzoekende partij uiteen dat het hier gaat om het verlies dat zij ten gevolge van de vernietiging van niet-conforme eieren zou hebben geleden als uitbater van een pakstation.
Daarbij gaf zij aan :
“Retour = € 12 133,13
Voor alle eieren die retour werden gebracht of opgehaald werden hebben we een credit nota opgemaakt. Deze eieren werden allemaal op ons bedrijf vernietigd. Hiervoor hebben we, zoals alle producenten, €5,76/100st ontvangen. Uiteraard dekt dit niet de effectieve waarde van de eieren op dat ogenblik. Het verschil bedraagt 13 481.25 euro […]”
“Stock = € 52 218,35
We hebben als producent reeds een vergoeding ontvangen voor alle eieren, zowel retour als de stock aanwezig in het bedrijf en de lopende productie van 26/7 tot 17/9. […] Om de berekening eenvoudig te houden hebben we de gemiddelde prijs berekend en de laagste marge die wij toepassen nl.
€0.50/100st. […]
Gemiddelde prijs over de periode 26/7  17/9 = €7,11 + €0,50
602240 kg – 100442 kg (=retours) = 501798 kg 501798 kg / (16*100) = 3 136 237,50 st (€ 0,0761 – € 0,0576) * 3 136 237,50 st € 58.020,39”
Deze uiteenzetting maakt duidelijk dat de verzoekende partij een berekening heeft gemaakt van het verlies dat zij aanvoert te hebben geleden als uitbater van een pakstation, bestaande uit het verschil tussen enerzijds de waarde van de vernietigde eieren na verwerking in het pakstation en anderzijds de waarde van de vernietigde eieren vóór die verwerking, waarvoor zij reeds als producent van die eieren werd vergoed.
VII-41.002-10/15
17. De motieven van het bestreden besluit laten niet toe te begrijpen waarom de verzoekende partij voor die aangevoerde schade geen compensatie krijgt op basis van het KB 2019.
De motieven maken vooreerst niet duidelijk waarom de verzoekende partij op gelijke wijze zou moeten behandeld worden als eierproducenten die niet beschikken over een pakstation. Artikel 2, 2° van het KB
2019 viseert immers uitdrukkelijk de uitbaters van een pakstation, en de omstandigheid dat de verzoekende partij zowel producent is van eieren als uitbater van een pakstation lijkt de ongelijke behandeling precies te kunnen verantwoorden. De motieven die gesteund worden op het gelijkheidsbeginsel verhelderen dan ook niet waarom het principieel moet worden uitgesloten dat een bedrijf dat zowel eierproducent is als een pakstation uitbaat, op grond van een gecombineerde toepassing van het KB 2017 en het KB 2019 een hogere vergoeding per vernietigd ei zou kunnen ontvangen dan het bedrijf dat enkel eierproducent is.
Vervolgens wordt met het bestreden besluit niet verduidelijkt waarom de omstandigheid dat de verzoekende partij reeds een vergoeding heeft ontvangen voor vernietigde eieren, die volgens de verzoekende partij werd berekend aan de hand van de waarde van die eieren vóór de verwerking ervan, zou verhinderen dat de verzoekende partij nog een compensatie zou verkrijgen voor het verschil tussen de waarde van de vernietigde eieren na verwerking in het pakstation en de waarde van de vernietigde eieren vóór die verwerking.
De in de motieven aangehaalde omstandigheid dat de verzoekende partij een verklaring heeft ondertekend waarmee zij afziet van verdere schadeclaims voor alle vergoede eieren, vormt geen draagkrachtig motief, nu hiermee niet wordt uitgelegd waarom het verschil tussen de waarde van de vernietigde eieren na verwerking in het pakstation en de waarde van de vernietigde eieren vóór die verwerking niet meer voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Bovendien is het motief niet pertinent nu de ondertekening van die
VII-41.002-11/15
verklaring blijkens hetzelfde bestreden besluit niet eraan in de weg staat dat alsnog een compensatie van 3.997,50 euro wordt uitgekeerd op grond van het KB 2019.
18. Met haar uiteenzetting over de definities van het begrip “materiële schade” in het KB van 2017 en het KB van 2019 voegt de verwerende partij motieven toe die niet in het bestreden besluit te vinden zijn.
19. De weigering om een compensatie te verlenen voor de in de aanvraag van de verzoekende partij geviseerde posten “retour” en “stock” wordt niet op een afdoende wijze gemotiveerd. Het eerste middelonderdeel is gegrond in zoverre hierin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet.
Tweede onderdeel
20. Het bestreden besluit bevat geen motieven die duidelijk maken waarom wordt geweigerd om de in de aanvraag van de verzoekende partij vermelde factuur van de firma A. voor een bedrag van 21.746,70 € , te vergoeden.
21. Uit het bestreden besluit kan niet worden opgemaakt of de in het eerste onderdeel van het middel besproken motieven ook beschouwd moeten worden als de motieven waarop de weigering van de compensatie van het bedrag van de factuur van de firma A. wordt gesteund. Die motieven missen hoe dan ook de vereiste draagkracht en pertinentie om daartoe te kunnen dienen. Bij gebreke aan enige toets aan de feitelijke omstandigheden die met de factuur van de firma A.
verband houden, kunnen noch de loutere omstandigheid dat de verzoekende partij reeds een compensatie ontving in het kader van het KB 2017, noch de loutere omstandigheid dat de verzoekende partij de verklaring ondertekende waarin zij afzag van verdere aanspraken, een afdoende motivering vormen voor de weigering.
22. De weigering om een compensatie te verlenen voor de in de aanvraag van de verzoekende partij geviseerde post “factuur van de firma A.” voor
VII-41.002-12/15
een bedrag van 21.746,70 €, is dan ook evenmin op afdoende wijze gemotiveerd.
Het tweede middelonderdeel is gegrond in zoverre hierin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet.
Derde onderdeel
23. Het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur verplicht het bestuur om zijn beslissing op zorgvuldige wijze voor te bereiden. Dit betekent met name dat de beslissing moet steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld en op deugdelijke wijze werden onderzocht.
24. Met betrekking tot de schadeclaims van de firma’s An. en A.F.
wordt niet betwist dat de verzoekende partij bij haar aanvraag geen stukken had bijgebracht dat zij tot betaling ervan was overgegaan. Op 25 september 2020
ontvangt de verzoekende partij volgende e-mail :
“De leden van de fipronilcommissie hebben de documenten en bijlagen van uw dossier nagekeken en besproken op de vergadering van 18/09/2020.
Alvorens de commissie een gemotiveerd advies aan de minister […] kan voorleggen, had zij nog graag volgende informatie ontvangen :
Kunt u een actuele stand van zaken geven in verband met de lopende rechtszaken. De commissie wenst te vernemen of [u] intussen al schadeclaims heeft betaald of ontvangen. Indien dit het geval zou zijn, dient het bedrijf hiervan het bewijs te leveren (bankafschrift of betalingsbewijs).
Hierop antwoordt de verzoekende partij nog dezelfde dag :
“Via deze e-mail wens ik [te] bevestigen dat wij ondertussen géén schadeclaims betaald of ontvangen hebben.”
In het bestreden besluit wordt de afwijzing van de compensatie voor de schadeclaims van de firma’s An. en AF als volgt gemotiveerd :
“Voor de schadeclaims met een totaal van 24.391,2 (15.593,13€ van [An.] +
6.264,26€ + 2.533,81€ van [A.F.]) werd bevestigd dat er tot op heden géén schadeclaims betaald of ontvangen werden. Volgens het principe dat enkel
VII-41.002-13/15
effectief betaalde bedragen, waarvoor een betalingsbewijs (bij voorbeeld een bankafschrift) voorgelegd kan worden, voor vergoeding aanvaard worden, dienen deze claims geweigerd te worden.”
25. De conclusie dat de verzoekende partij de schadeclaims van de firma’s An. en A.F. niet betaald heeft, wordt aldus afgeleid uit het antwoord dat de verzoekende partij op 25 september 2020 heeft verstuurd op de vraag die haar eerder die dag werd gesteld. In die vraag is echter niet uitdrukkelijk sprake van de schadeclaims van de firma’s An. en A.F., maar wordt eerder de indruk gewekt dat de vraag wordt gesteld naar het ontvangen of betalen van schadeclaims in het kader van “lopende rechtszaken”. Met het gebruik van het woord “intussen” wekt de vraagsteller daarbij de indruk dat het enkel te doen is om nieuwe schadeclaims die zouden zijn ontvangen of betaald nadat het aanvraagdossier is ingediend.
Gelet op dit gebrek aan precisie van de vraag die aan de verzoekende partij werd gesteld, kon uit het antwoord dat zij “ondertussen géén schadeclaims betaald of ontvangen” heeft, niet met zekerheid worden afgeleid dat de schadeclaims van de firma’s An. en A.F. door haar niet waren betaald en/of dat hiervoor desgevraagd geen betalingsbewijzen konden worden voorgelegd.
De weigering om de verzoekende partij te compenseren voor de bedragen die het voorwerp uitmaken van de schadeclaims van de firma’s An. en A.F. steunt dan ook op feitelijke omstandigheden die niet met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het derde onderdeel van het middel is gegrond in zoverre hierin de schending wordt aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur.
Conclusie
26. Het eerste middel is in zoverre gegrond in al zijn onderdelen.
VII-41.002-14/15
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het ministerieel besluit van 16 november 2020
dat aan de verzoekende partij een gedeelte weigert van de aangevraagde compensatie in het kader van de fipronilcrisis.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Carlo Adams
VII-41.002-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.842

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.842

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.