ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.846
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.846 Rolnummer: A. 232647/VII-40994 Zaak: Arrest 260846 - Dierenwelzijn - 30/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-10 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-04 04:52 Fiche Arrest nr 260.846 van 30 september 2024 Sociale zaken...
10 min de lecture · 2,060 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 30 september 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.846
Rolnummer:
A. 232647/VII-40994
Zaak:
Arrest 260846 – Dierenwelzijn – 30/09/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-10
Raadplegingen:
91 – laatst gezien 2026-06-04 04:52
Fiche
Arrest nr 260.846 van 30 september 2024 Sociale zaken en volksgezondheid
– Dierenwelzijn Beslissing : Vernietiging
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 260.846 van 30 september 2024
in de zaak A. 232.647/VII-40.994
In zake : de BV F.H.M.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Van Hulle kantoor houdend te 9930 Lievegem Zomerlaan 1, bus 102
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eline Smits kantoor houdend te 2500 Lier Donk 54
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 5 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van (1) Pro justitia van inbreuk van 6 november 2020 (PV nr.
63/CITES/155/1/2020), (2) Pro justitia van inbeslagname van 6 november 2020
(PV nr. 63/CITES/155/2/2020 van dossier 155/2020), (3) Pro justitia van inbreuk van 8 december 2020 (PV nr. 63/CITES/155/4/2020), en (4) Pro justitia tot opheffing van inbeslagname (PV nr. 63/CITES/155/5/2020 van 8 december 2020).
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend.
VII-40.994-1/8
Eerste auditeur Anja Somers heeft op 25 januari 2024 een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni 2024.
Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Sander Kaïret, die loco advocaat Stijn Van Hulle verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.
Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : RvS-wet).
III. Regelmatigheid van de rechtspleging
3. De verwerende partij heeft de memorie van antwoord en het administratief dossier niet ingediend binnen de termijn van zestig dagen bedoeld in artikel 6, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
De laattijdig ingediende memorie wordt uit het debat geweerd (artikel 21, zesde lid, RvS-wet).
VII-40.994-2/8
Met de argumenten in de laatste memorie van de verwerende partij wordt maar rekening gehouden in zoverre zij niet in de memorie van antwoord konden worden aangevoerd, wat met name het geval kan zijn wanneer die argumenten betrekking hebben op feitelijke gegevens die de verwerende partij niet kon kennen in de periode dat zij de memorie van antwoord moest indienen.
De door de verzoekende partij aangehaalde feiten worden als bewezen geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn (artikel 21, derde lid, RvS-wet).
IV. Feiten
4.1. De verzoekende partij baat een familiepark uit waarin onder meer een dierentuin is ondergebracht. Bij een controle van de inrichting van de verzoekende partij op 17 juli 2020 treft de inspecteur van de cel Soorten van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (hierna: cel Soorten) veertien dieren aan die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 28 juli 1981 ‘houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomt, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979’ (hierna : CITES-wet) waarvoor geen bewijs van legale oorsprong kan worden voorgelegd. De inspecteur neemt deze dieren ter plaatse in beslag.
4.2. Voor tien van de betrokken dieren kan de verzoekende partij in de daaropvolgende periode een bewijs van legale oorsprong voorleggen. De vier overblijvende dieren worden op 5 november 2020 definitief in beslag genomen en ondergebracht in een opvangcentrum. Het gaat om één blauwgele ara, twee groenvleugelara’s en één edelpapegaai.
4.3. Op 6 november 2020 stelt de inspecteur van de cel Soorten een proces-verbaal op van de bij de verzoekende partij vastgestelde inbreuken. Dit is de eerste bestreden beslissing. Eveneens op 6 november 2020 stelt de inspecteur
VII-40.994-3/8
het proces-verbaal op van inbeslagname van de vier dieren. Dit is de tweede bestreden beslissing.
4.4. Na onderzoek van bijkomende documentatie die wordt bezorgd door de verzoekende partij, stelt de inspecteur van de cel Soorten vast dat de legale oorsprong van één van de groenvleugelara’s alsnog wordt aangetoond, en besluit hij om de inbeslagname ervan op te heffen. Op 8 december 2020 stelt hij een proces-verbaal op van de bij verzoekende partij vastgestelde inbreuken, waarbij de inbeslagname van drie dieren wordt bevestigd. Dit is de derde bestreden beslissing.
Eveneens op 8 december 2020 stelt hij een proces-verbaal op van opheffing van de inbeslagname van één groenvleugelara. Dat is de vierde bestreden beslissing.
V. Ontvankelijkheid
5. De vier bestreden beslissingen zijn processen-verbaal waarin de inspecteur van de cel Soorten enerzijds bepaalde inbreuken vaststelt en anderzijds beslist om over te gaan tot de inbeslagname van bepaalde dieren. Slechts in de mate dat hierin beslist wordt tot de inbeslagname van dieren, gaat het om uitvoerbare bestuurshandelingen die als zodanig voor vernietiging vatbaar zijn.
De beslissingen dienen zich aan als één complexe bestuurshandeling waarvan het resultaat is dat drie dieren van de verzoekende partij definitief in beslag zijn genomen. Het beroep tot nietigverklaring is dan ook ontvankelijk in zoverre het gericht wordt tegen de beslissing tot definitieve inbeslagname van deze drie dieren, zoals die uit de aangevochten complexe bestuurshandeling volgt.
VI. Onderzoek van het tweede middel tot nietigverklaring
Uiteenzetting van het middel
6. De verzoekende partij voert de schending aan van :
VII-40.994-4/8
– de artikelen 8, eerste en vijfde lid, en 16, eerste lid, j), en tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 ‘inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer’ (hierna : Verordening 338/97) ;
– de artikelen 4, 5 en 6, § 1, van de CITES-wet ;
– de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ ;
– de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
7. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden beslissing niet de rechtsgrond vermeldt voor de inbeslagname. Zij beweert dat er geen misdrijf werd gepleegd die de inbeslagname kan verantwoorden. Vermits het hier gaat om dieren die behoren tot soorten die vallen onder de Bijlage II van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (hierna : de Overeenkomst), is een bestuurlijke inbeslagname volgens de verzoekende partij maar mogelijk in geval van een inbreuk op artikel 5
van de CITES-wet.
De omstandigheid dat de legale herkomst van de dieren niet kan worden bewezen, leidt volgens de verzoekende partij tot een inbreuk op artikel 8, eerste en vijfde lid, van de Verordening 338/97, maar niet tot een schending van artikel 5 van de CITES-wet, en kan de inbeslagname dan ook niet verantwoorden.
Het in artikel 8, eerste lid, van de Verordening 338/97 bedoelde “ten toon stellen voor commerciële doeleinden” kan immers niet gekwalificeerd worden als het “invoeren, uitvoeren, doorvoeren of wederinvoeren, of vanuit de zee inbrengen”, zijnde de handelingen die met artikel 5 van de CITES-wet strafbaar worden gesteld. De verzoekende partij wijst erop dat elke motivering op dit punt ontbreekt, minstens onjuist is.
De verzoekende partij laat bovendien gelden dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat de betrokken dieren reeds werden verkregen nog vóór zij werden ingedeeld als een soort die onder de Bijlage II van de Overeenkomst valt.
VII-40.994-5/8
Er werd dan ook geen misdrijf gepleegd op het ogenblik van verwerving, een gegeven dat eveneens ontbreekt in de bestreden beslissing.
8. In haar laatste memorie ontwikkelt de verwerende partij geen argumenten die niet reeds in de memorie van antwoord konden worden aangevoerd.
Beoordeling
9. Met de bestreden beslissing worden drie dieren in beslag genomen die werden aangetroffen in de inrichting van de verzoekende partij.
Blijkens het proces-verbaal van inbeslagname van 6 november 2020 wordt de inbeslagname gesteund op artikel 6 van de CITES-wet.
10. Artikel 6, § 1, van de CITES-wet luidt als volgt :
“In geval van de door artikel 5 voorziene overtredingen, zijn de in artikel 7
vermelde overheidsagenten bevoegd voor het opleggen van bestuurlijk beslag op de specimens die het voorwerp uitmaken van het misdrijf.
Om tot inbeslagname te kunnen overgaan op grond van deze bepaling, moet bijgevolg een overtreding worden vastgesteld die voorzien is in artikel 5 van de CITES-wet. Blijkens die bepaling worden daarbij geviseerd :
– de overtredingen van artikel 4 ;
– de invoer, uitvoer, doorvoer, wederuitvoer of inbreng vanuit de zee, van specimens die voorkomen op de bijlagen I, II, III van de Overeenkomst, in overtreding van de Overeenkomst of van ter uitvoering hiervan genomen maatregelen, of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake.
VII-40.994-6/8
11. Artikel 4 van de CITES-wet verbiedt het houden van dieren die voorkomen op de bijlage I van de Overeenkomst, alsook de invoer van jachttrofeeën. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de in beslag genomen dieren voorkomen op de bijlage II van de Overeenkomst. Ook gaat het hier kennelijk niet om jachttrofeeën.
Uit geen enkel element dat in de bestreden beslissing wordt aangehaald, noch uit enig element uit het administratief dossier, blijkt dat de in beslag genomen dieren in overtreding van enige bepaling zouden zijn ingevoerd, uitgevoerd, doorgevoerd, wederuitgevoerd of ingebracht uit de zee. In de bestreden beslissing is integendeel enkel sprake van een commercialisatie van de betrokken dieren -door de tentoonstelling ervan met commerciële doeleinden in de zin van artikel 8.1 van Verordening 338/97-, zonder het bijhouden van het register van binnenkomst en vertrek, en zonder certificaat of bewijs van legale herkomst.
Het wordt in deze omstandigheden niet aangetoond dat de inbeslagname een wettige grondslag vindt in artikel 6, § 1, van de CITES-wet.
Het middel is in zoverre gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt (1) Pro Justitia van inbreuk van 6 november 2020 (PV nr. 63/CITES/155/1/2020), (2) Pro Justitia van inbeslagname van 6 november 2020 (PV nr. 63/CITES/155/2/2020 van dossier 155/2020), (3) Pro Justitia van inbreuk van 8 december 2020 (PV nr. 63/CITES/155/4/2020), en (4) Pro Justitia tot opheffing van inbeslagname (PV nr. 63/CITES/155/5/2020
van 8 december 2020), in zoverre met deze bestuurshandelingen besloten wordt tot de definitieve inbeslagname van drie dieren van de verzoekende partij (één blauwgele ara, één groenvleugelara en één edelpapegaai).
VII-40.994-7/8
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Carlo Adams
VII-40.994-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.846
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...