ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.914

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.914 Rolnummer: A. 243048/XII-9770 Zaak: Arrest 260914 - Rusthuizen - 04/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-04 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-04 07:28 Fiche Arrest nr 260.914 van 4 oktober 2024 Sociale zaken...

Source officielle

35 min de lecture 7,504 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 04 oktober 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.914

Rolnummer:

A. 243048/XII-9770

Zaak:

Arrest 260914 – Rusthuizen – 04/10/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-10-04

Raadplegingen:

85 – laatst gezien 2026-06-04 07:28

Fiche

Arrest nr 260.914 van 4 oktober 2024 Sociale zaken en volksgezondheid
– Rusthuizen Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.914 no lien 279113 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 260.914 van 4 oktober 2024
in de zaak A. 243.048/XII-9770
In zake: de VZW WOON- EN ZORGCENTRUM SINT-VINCENTIUS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stéphanie Taelemans kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Evelyne Lozie Maes en Brecht Vroonen kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 34/0101
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 24 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van de secretaris-generaal van het Departement Zorg d.d. 16 september 2024 tot de schorsing van de erkenning onder nummer PE2920
van het woonzorgcentrum Eureka […], uitgebaat door vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius […] voor een periode van zes maanden, ingaande op de tiende dag na ondertekening van dit besluit”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
XII-9770-1/24
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2024, om 10.30 uur.
Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht.
Advocaten Stéphanie Taelemans en Anton Geerts, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaten Evelyne Lozie Maes en Brecht Vroonen, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij is de verantwoordelijke beheersinstantie van het woonzorgcentrum Eureka.
3.2. Op 13 december 2022 vindt een inspectiebezoek plaats bij het woonzorgcentrum Eureka. Tijdens dit inspectiebezoek worden verscheidene inbreuken vastgesteld op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra, vervat in bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019 ‘betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers’. Deze inbreuken worden weergegeven in de inspectieverslagen van 1 maart 2023 met kenmerken V-2022-KAGI-0038, V-2022-KAGI-0039 en V-2022-KAGI-0040
(met laatste vaststelling op 16 december 2022). De vastgestelde tekorten hebben onder meer betrekking op het profiel van de bewoners, het personeelstekort, de medicatieveiligheid en de hulp- en dienstverlening.
XII-9770-2/24
Uit dit inspectieverslag blijkt ook dat een aantal tekorten uit het vorige inspectieverslag van 21 november 2022 met kenmerk V-2022-KAGI-0033
nog niet of niet volledig werden opgelost. Deze tekorten hebben onder andere betrekking op het personeelstekort, de hulp- en dienstverlening en het dagelijks onderhoud van de infrastructuur.
3.3. Omwille van de blijvende en nieuw vastgestelde tekorten op de erkenningsvoorwaarden, maant de waarnemend administrateur-generaal van het agentschap Zorg en Gezondheid met een brief van 17 maart 2023 de verzoekende partij aan om binnen 15 dagen na ontvangst van deze brief, rekening houdend met de vastgestelde niet-conformiteiten, schriftelijk, middels een gemotiveerd actieplan met een beschrijving van alle genomen maatregelen, een timing van uitvoering en vergezeld gaande van de nodige bewijsstukken, te melden welke concrete maatregelen de voorziening heeft genomen om aan alle erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra te voldoen.
De waarnemend administrateur-generaal deelt de verzoekende partij mee dat indien het agentschap Zorg en Gezondheid de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn ontvangt of indien de voorziening niet binnen de gestelde termijn kan aantonen dat zij aan de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra voldoet, een volgende stap in de procedure voorzien in hoofdstuk V, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 2009 ‘betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers’ zal worden opgestart. In de brief van de aanmaning wordt eveneens meegedeeld dat de voorziening onder verhoogd toezicht wordt geplaatst.
3.4. Op 30 maart 2023 stuurt de verzoekende partij een actie- en remediëringsplan op naar het departement Zorg, als antwoord op de aanmaning van 17 maart 2023. Dit actie- en remediëringsplan bevat maatregelen om de tekorten, vastgesteld in het inspectieverslag met kenmerk V-2022-KAGI-0038, weg te werken. Als tijdstip van uitvoering geeft de verzoekende partij bij de meeste
XII-9770-3/24
tekorten aan dat deze reeds werden geremedieerd. Bij enkele tekorten vermeldt de verzoekende partij “[c]ontinue proces”.
3.5. Op 14 juni 2023 vindt een nieuw inspectiebezoek plaats, om de toepassing van de in het actie- en remediëringsplan van 30 maart 2023
voorgestelde maatregelen na te gaan. Uit het inspectieverslag met kenmerk V-2023-KAGI-0019 blijkt dat niet aan alle erkenningsvoorwaarden wordt voldaan. Op 13 december 2023 volgt opnieuw een inspectiebezoek, om andermaal de toepassing van het actie- en remediëringsplan van 30 maart 2023 na te gaan. Uit het inspectieverslag met kenmerk ZI-2023-01311 blijkt dat nog steeds niet aan alle erkennings-voorwaarden wordt voldaan.
Naar aanleiding van de tekorten in het inspectieverslag met kenmerk ZI-2023-01311, wordt op 10 januari 2024 aan de verzoekende partij gevraagd om een nieuw actie- en remediëringsplan in te dienen binnen dertig dagen. Eveneens wordt haar gevraagd om zelf een termijn van uitvoering aan te geven.
Op 8 februari 2024 dient de verzoekende partij een nieuw actie-
en remediëringsplan in. Bij tijdstip van uitvoering wordt bij de meeste tekorten door haar aangegeven dat het tekort reeds werd geremedieerd.
3.6. Op 26 maart 2024 vindt een nieuw inspectiebezoek plaats, om de toepassing van het actie- en remediëringsplan van 8 februari 2024 na te gaan. Uit het inspectieverslag met kenmerk ZI-2024-01025 blijkt dat niet aan alle erkenningsvoorwaarden voldaan wordt, waardoor het op 8 februari 2024
ingestuurde actie- en remediëringsplan als onvoldoende wordt beoordeeld.
3.7. Op 14 mei 2024 wordt een gemotiveerd voornemen tot schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum Eureka aangetekend verstuurd aan de verzoekende partij, als de verantwoordelijke beheersinstantie van het woonzorg-centrum. In dit voornemen tot schorsing worden alle tekorten opgesomd
XII-9770-4/24
waarvoor de verzoekende partij op 17 maart 2023 werd aangemaand om concrete maatregelen te melden. Vervolgens worden de vastgestelde tekorten uit de daaropvolgende inspecties (inspectieverslagen met kenmerken V-2023-KAGI-0019 en ZI-2023-01311) weergegeven.
Het voornemen tot schorsing geeft aan dat er op 10 januari 2024
andermaal werd gevraagd om een actie- en remediëringsplan in te dienen binnen dertig dagen en dat desondanks dit actie- en remediëringsplan er bestaande en nieuwe tekorten worden vastgesteld bij de daaropvolgende inspectie (inspectieverslag met kenmerk ZI-2024-01025). Aldus wordt het voornemen te kennen gegeven om de erkenning van het woonzorgcentrum te schorsen voor zes maanden om de verzoekende partij, als verantwoordelijke, een laatste mogelijkheid te verlenen tot effectieve en duurzame remediëring. In dit voornemen wordt tevens gevraagd om binnen dertig dagen na ontvangst een nieuw grondig remediëringsplan over te maken.
3.8. Op 13 juni 2024 verstuurt de verzoekende partij een nieuw remediëringsplan, waarin bij de meeste tekorten wordt aangeven dat deze reeds werden geremedieerd of zich in een “[c]ontinue proces” bevinden.
Op 13 juni 2024 dient de verzoekende partij tevens een bezwaarschrift in bij het departement Zorg tegen het voornemen tot schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum Eureka.
3.9. Op 24 juni 2024 bezorgt het departement Zorg het bezwaarschift samen met het administratief dossier aan het secretariaat van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers (hierna: de adviescommissie).
De adviescommissie behandelt de vraag tot heroverweging van het voornemen tot schorsing in zitting van 29 augustus 2024 en hoort de verzoekende partij en de afdeling Woonzorg van het departement Zorg.
XII-9770-5/24
Het advies met nummer 2024_39_ACW van de adviescommissie wordt op 6 september 2024 overgemaakt aan het departement Zorg, waarin de vraag tot heroverweging van het voornemen tot schorsing van de erkenning als ongegrond wordt geadviseerd, op grond van de volgende overwegingen:
“De commissie gaat niet over tot een nieuwe, eigen beoordeling van de situatie, maar spreekt zich uit over de genomen beslissing. Zij gaat na of die beslissing in overeenstemming is met de wettelijke regeling, met de algemene rechtsbeginselen en met de beginselen van behoorlijk bestuur, of zij procedureel correct tot stand gekomen is en of zij redelijk verantwoord en opportuun is. Na kennisname van het administratief dossier en de hoorzitting, beschouwt de commissie dit bezwaarschrift bijgevolg ongegrond.
Gezien het herhaaldelijk optreden van tekorten, ook al zijn deze vaak beperkt en toont de voorziening telkens inspanningen om ze te verhelpen, meent de Commissie dat de afdeling Woonzorg kan besluiten tot een schorsing. De Commissie benadrukt echter dat een schorsing aanzienlijke gevolgen met zich meebrengt en dat de afdeling Woonzorg moet waken over de proportionaliteit van een dergelijke maatregel. De schorsing moet gericht zijn op het waarborgen en verbeteren van de continuïteit en kwaliteit van zorg in het woonzorgcentrum, en mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk. Indien de afdeling Woonzorg besluit tot een schorsing, roept de Commissie de betrokken partijen op om in dialoog te treden over de doelstellingen en uitvoering van de schorsing, en om deze onmiddellijk te beëindigen zodra het beoogde resultaat is bereikt.
De Commissie beveelt de afdeling Woonzorg aan om in aanmaningen duidelijk te communiceren over de termijn waarbinnen de beheersinstantie moet aantonen dat zij voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. Als de afdeling Woonzorg het beleid hanteert dat de wettelijke termijn samenvalt met de termijn die is vastgelegd in het remediëringsplan van de beheersinstantie en door de afdeling Woonzorg is goedgekeurd, wordt dit best expliciet gecommuniceerd.”
3.10. Op 13 augustus 2024 volgt een nieuw inspectiebezoek, om de actuele situatie in het woonzorgcentrum Eureka na te gaan. Een ontwerpverslag hiervan wordt op 26 augustus 2024 aan de verzoekende partij bezorgd.
Op 2 september 2024 wordt het definitieve inspectieverslag verstuurd. De vaststellingen van dit inspectiebezoek worden opgenomen in het inspectieverslag met nummer ZI-2024-02569. Uit dit inspectieverslag blijkt dat er ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.914 XII-9770-6/24
nog steeds tekorten op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra blijven bestaan en dat die tekorten reeds eerder werden vastgesteld. Uit hetzelfde inspectieverslag blijken ook nieuwe tekorten op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra.
3.11. Op 9 september 2024 stuurt de verzoekende partij op eigen initiatief een nieuw actie- en remediëringsplan in voor de tekorten die worden vermeld in het inspectieverslag met nummer ZI-2024-02569.
3.12. Op 16 september 2024 neemt de secretaris-generaal van het departement Zorg de beslissing tot schorsing van de erkenning van woonzorg-centrum Eureka voor een periode van zes maanden, op grond van de volgende overwegingen:
“Rechtsgronden Dit besluit is gebaseerd op:
– het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, artikel, 64, eerste lid en artikel 65, §2;
– het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, artikel 19, §1, artikel 22 en artikel 40;
– het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, arti[kel] 22, §2, tweede lid.
Motivering Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven:
– het woonzorgcentrum Eureka[…], uitgebaat door de vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius[…], is erkend onder nummer PE2920 voor onbepaalde duur voor maximaal 158 woongelenheden;
– op 17 maart 2023 heeft de vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius[…], verantwoordelijke beheersinstantie van voornoemd woonzorgcentrum Eureka, een aanmaning ontvangen waarin de beheersinstantie werd verzocht om zich te schikken naar de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra en om binnen de vijftien dagen na ontvangst van die brief mee te delen welke concrete maatregelen er genomen werden om aan alle erkenningsvoorwaarden te voldoen;
– op 30 maart 2023 heeft voornoemde vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius een actie- en remediëringsplan opgestuurd naar het Departement Zorg, als antwoord op de aanmaning van 17 maart 2023;
XII-9770-7/24
– dit actie- en remediëringsplan bevat maatregelen om de tekorten, vastgesteld in het inspectieverslag met kenmerk V-2022-KAGI-0038, weg te werken;
– er vond een nieuw inspectiebezoek plaats op 14 juni 2023, om de toepassing van de elementen van het actie- en remediëringsplan van 30 maart 2023 na te gaan;
– uit het inspectieverslag met kenmerk V-2023-KAGI-0019 blijkt echter nog steeds dat niet aan alle erkenningsvoorwaarden voldaan wordt, waardoor het op 30 maart 2023 ingestuurde actie- en remediëringsplan als onvoldoende werd beoordeeld;
– er vond opnieuw een inspectiebezoek plaats op 13 december 2023, om de toepassing van de elementen uit het actie- en remediëringsplan van 30
maart 2023 na te gaan;
– uit het inspectieverslag met kenmerk ZI-2023-01311 blijkt echter nog steeds dat niet aan alle erkenningsvoorwaarden voldaan wordt, waardoor het op 30 maart 2023 ingestuurde actie- en remediëringsplan opnieuw als onvoldoende werd beoordeeld;
– op 10 januari 2024 werd aan de vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius gevraagd om een nieuw actie-en remediëringsplan in te dienen binnen dertig dagen;
– op 8 februari 2024 heeft de vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius een actie- en remediëringsplan ingestuurd;
– er vond een nieuw inspectiebezoek plaats op 26 maart 2024, om de toepassing van het actie- en remediëringsplan van 8 februari 2024 na te gaan;
– uit het inspectieverslag met nummer ZI-2024-01025 blijkt echter nog steeds dat niet aan alle erkenningsvoorwaarden voldaan wordt, waardoor het op 8 februari 2024 ingestuurde actie- en remediëringsplan als onvoldoende werd beoordeeld;
– op 14 mei 2024 werd een gemotiveerd voornemen tot schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum Eureka[…] aangetekend verstuurd naar de vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius[…], verantwoordelijke beheersinstantie van het woonzorgcentrum;
– op 13 juni 2024 heeft de vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius een bezwaarschrift ingediend bij het Departement Zorg tegen het voornemen tot schorsing van de erkenning;
– op 24 juni 2024 heeft het Departement Zorg het bezwaarschift samen met het administratief dossier bezorgd aan het secretariaat van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers;
– er vond een nieuw inspectiebezoek plaats op 13 augustus 2024, om de actuele situatie in het woonzorgcentrum Eureka na te gaan;
– de vaststellingen van dit inspectiebezoek werden opgenomen in het inspectieverslag met nummer ZI-2024-02569;
– de kamer welzijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers heeft de vraag tot heroverweging van het voornemen tot schorsing behandeld in de zitting van 29 augustus 2024 en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.914 XII-9770-8/24
heeft de afvaardiging van de vzw Woon en Zorgcentrum Sint- Vincentius en van het Departement Zorg gehoord;
– het advies met nummer 2024_39_ACW van voornoemde adviescommissie werd op 6 september 2024 bezorgd aan het Departement Zorg;
– de adviescommissie adviseert de vraag tot heroverweging van het voornemen tot schorsing van de erkenning als ongegrond in het advies met nummer 2024_39_ACW, dat luidt als volgt:
‘De commissie gaat niet over tot een nieuwe, eigen beoordeling van de situatie, maar spreekt zich uit over de genomen beslissing. Zij gaat na of die beslissing in overeenstemming is met de wettelijke regeling, met de algemene rechtsbeginselen en met de beginselen van behoorlijk bestuur, of zij procedureel correct tot stand gekomen is en of zij redelijk verantwoord en opportuun is. Na kennisname van het administratief dossier en de hoorzitting, beschouwt de commissie dit bezwaarschrift bijgevolg ongegrond.
Gezien het herhaaldelijk optreden van tekorten, ook al zijn deze vaak beperkt en toont de voorziening telkens inspanningen om ze te verhelpen, meent de Commissie dat de afdeling Woonzorg kan besluiten tot een schorsing. De Commissie benadrukt echter dat een schorsing aanzienlijke gevolgen met zich meebrengt en dat de afdeling Woonzorg moet waken over de proportionaliteit van een dergelijke maatregel. De schorsing moet gericht zijn op het waarborgen en verbeteren van de continuïteit en kwaliteit van zorg in het woonzorgcentrum, en mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk. Indien de afdeling Woonzorg besluit tot een schorsing, roept de Commissie de betrokken partijen op om in dialoog te treden over de doelstellingen en uitvoering van de schorsing, en om deze onmiddellijk te beëindigen zodra het beoogde resultaat is bereikt.
[…]’ – uit het inspectieverslag met nummer ZI-2024-02596 blijkt dat er nog steeds, ondanks de inspanningen van de voorziening, tekorten op de erkennings- voorwaarden voor woonzorgcentra blijven bestaan en dat die tekorten reeds eerder werden vastgesteld;
– uit hetzelfde inspectieverslag blijken ook nieuwe tekorten op de erkenningsvoorwaarden voor woonzorgcentra;
– op 9 september 2024 heeft de vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius een nieuw actie- en remediëringsplan ingestuurd voor de tekorten die vermeld worden in het inspectieverslag met nummer ZI-2024-02596;
– dit actie- en remediëringsplan biedt onvoldoende garanties dat de kwaliteit van de zorg en ondersteuning voor de bewoners op voldoende en op structurele wijze gewaarborgd zal worden.
Juridisch kader Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving:
– het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers.
De secretaris-generaal van het Departement Zorg besluit:
XII-9770-9/24
Artikel 1. De erkenning onder nummer PE2920 van het woonzorgcentrum Eureka[…], uitgebaat door de vzw Woon- en Zorgcentrum Sint-Vincentius[…], wordt geschorst voor een periode van zes maanden, ingaande op de tiende dag na ondertekening van dit besluit.
Art. 2. Overeenkomstig artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 mag een voorziening of vereniging tijdens de duur van de schorsing alleen verder blijven functioneren voor de gebruikers die op het ogenblik waarop de schorsingsmaatregel ingaat, in de voorziening of de vereniging opgenomen waren of er hulp- en dienstverlening van ontvingen.
Als bij het beëindigen van de schorsingstermijn nog niet aan alle erkenningsvoorwaarden is voldaan, wordt de procedure tot intrekking van de erkenning ingesteld.
Art. 3. Binnen vijftien dagen na de ingangsdatum van de schorsingsmaatregel moet de vzw Woon en Zorgcentrum Sint-Vincentius[…] een nieuw actie- en remediëringsplan aan het Departement Zorg bezorgen dat de uitgevoerde maatregelen omvat die men zal treffen om uiterlijk tegen het einde van de schorsingsperiode opnieuw aan alle erkenningsvoorwaarden te voldoen.
Art. 4. De schorsing wordt ingetrokken wanneer vastgesteld wordt dat de voorziening opnieuw aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
XII-9770-10/24
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
5. Ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid voert de verzoekende partij vooreerst aan dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing volgens de gewone schorsingsprocedure, evenals de vernietiging ervan, onherroepelijk voor haar te laat zullen komen en meerdere ernstige en onherstelbare nadelen slechts kunnen worden vermeden mits een onverwijlde hervatting van de normale gang van zaken ingevolge het – middels een dringende schorsing – wegnemen van de drastische belemmeringen op het opnamebeleid van bewoners binnen het woonzorgcentrum.
Niettegenstaande een schorsingsarrest enkel gevolgen heeft voor de toekomst en de eventuele reeds begonnen tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet meer volledig kan worden ongedaan gemaakt door een schorsing, is het volgens de verzoekende partij cruciaal en noodzakelijk dat zij wordt behoed voor nog verdere schade en grotere nadelen die zullen ontstaan bij verdere uitwerking van de bestreden beslissing.
Te dezen laat de verzoekende partij gelden dat de bestreden beslissing ingaat op de tiende dag na ondertekening ervan, mat name op 26 september 2024 en dat de duur van de schorsing van de erkenning zes maanden bedraagt, wat met zich meebrengt dat een gewone schorsingsprocedure (en alleszins een annulatieprocedure) te laat zal komen, daar de bestreden beslissing in dat geval al volledig uitwerking zal hebben gehad vooraleer de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen zou zijn, nu een eventueel schorsingsarrest geen retroactieve werking, doch enkel gevolgen voor de toekomst heeft.
De verzoekende partij benadrukt dat zij ten gevolge van de (gepubliceerde) bestreden beslissing ernstige nadelen, waaronder morele en financiële nadelen, ondervindt waardoor de spoedeisendheid zich opdringt.
Niettegenstaande volgens de rechtspraak van de Raad van State een moreel nadeel
XII-9770-11/24
in beginsel geheel kan worden goedgemaakt door een vernietigingsarrest, komt het volgens de verzoekende partij haar toe om aan te tonen dat in haar geval bijzondere omstandigheden nopen anders te oordelen. Te dezen is de verzoekende partij de mening toegedaan dat deze bijzondere omstandigheden op twee niveaus kunnen worden uiteengezet.
Vooreerst zorgt de schorsing van de erkenning, volgens de verzoekende partij, voor een zwaarwichtige reputatieschade in haar hoofde. Deze reputatieschade vloeit rechtstreeks voort uit de bestreden beslissing. Bovendien heeft het departement Zorg op 23 september 2024 op zijn website gepubliceerd dat de erkenning van het woonzorgcentrum geschorst wordt met ingang van 26 september 2024. Hoewel deze publicatie volgens de verzoekende partij reeds aantoont dat de bestreden beslissing zonder nuances de wereld werd ingestuurd door verwerende partij, kan in de e-mail van 19 september 2024 met kennisgeving van de bestreden beslissing bovendien vastgesteld worden dat de bestreden beslissing werd overgemaakt aan de woordvoerder van het departement Zorg, zodat het een kwestie van tijd is vooraleer op alle Vlaamse en Brusselse nieuwskanalen wordt bericht over de schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum en de bestreden beslissing ongenuanceerd de wereld wordt ingestuurd. Deze bestreden beslissing, met haar aantijgingen en negatieve uitlatingen die duidelijk de verzoekende partij haar reputatie schaden, werd reeds openbaar gemaakt en zal nog verder verspreid worden. De verzoekende partij benadrukt dienaangaande dat zij het voorwerp uitmaakt van verdachtmakingen en afkeur die een kwalijke reputatie werpen op haar professionele loopbaan, nu de beslissing steunt op elementen die haar in een slecht daglicht plaatsen, zodat het moreel nadeel moeilijk, dan wel onmogelijk te herstellen is vanwege de schandvlek, blaam en publieke oneer die dit met zich meebrengt.
Verwijzend naar rechtspraak van de Raad van State in het kader van een ontslag van rechtswege, waarin werd geoordeeld dat “[h]et op verzoeker rustende odium […] slechts [zal] kunnen worden herroepen door een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Wanneer daarentegen de procedure
XII-9770-12/24
ten gronde zou worden afgewacht, is het niet uitgesloten dat dit odium al onherroepelijk geworden is, zelfs zo op dat ogenblik nog overgegaan zou worden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Hetzelfde geldt voor de mogelijks onherroepelijke gevolgen op sociaal vlak. De vaststelling dat onherroepelijke schade op moreel en sociaal vlak kan zijn opgetreden wanneer het resultaat van de procedure ten gronde zou worden afgewacht, volstaat om te besluiten dat te dezen aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan.” (RvS 19 juni 2014, nr. 227.766) (ECLI:BE:RVSCE:2014:ARR.227.766), is de verzoekende partij van oordeel dat hoewel deze uitspraak in het kader van een ontslag van rechtswege werd genomen, dit gegeven geen afbreuk doet aan het feit dat te dezen sprake is van een gelijkaardige schandvlek. Méér nog, terwijl bovenstaande casus betrekking had op een schandvlek op (lokaal) sociaal vlak, zal het nieuws van de schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum verkondigd worden voor gans Vlaanderen en Brussel via alle mogelijke nieuwskanalen.
Eveneens volgens de verzoekende partij oordeelde de Raad van State dat door de tijdelijke sluiting van een drankgelegenheid reële morele schade dreigt te worden geleden. Hoewel dit een tijdelijke sluiting met onmiddellijke ingang betrof, is er te dezen volgens de verzoekende partij eveneens een uiterst dringende urgentie, nu de bestreden beslissing ingaat op de tiende dag na ondertekening van het schorsingsbesluit, met name met ingang van 26 september 2024. Bovendien is er volgens haar te dezen sprake van een gelijksoortige reputatieschade, gezien de tijdelijke schorsing zeer nadelig is voor de uitstraling en de reputatie van het woonzorgcentrum, bij haar bewoners, diens familieleden en alle andere burgers van (groot) Brussel en de Brusselse Rand. Méér nog, de reputatieschade stelt zich hier op een véél ruimere schaal. Volgens de verzoekende partij zorgt deze zwaarwichtige reputatieschade voor onherroepelijke schadelijke gevolgen waardoor de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing cruciaal is. Het resultaat van een annulatieverzoek zou een vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg hebben. Echter zou op dat moment haar reputatie dermate beschadigd zijn, dat het herstel onmogelijk, minstens uiterst moeilijk, zal zijn. Bovendien zou de
XII-9770-13/24
vernietiging van de bestreden beslissing nooit zodanig veel publiciteit van de nieuwsdiensten krijgen, dat de publieke opinie zou wijzigen.
Daarnaast zorgt de schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum volgens de verzoekende partij voor ernstige financiële implicaties, zodat het in een neerwaartse financiële spiraal zal terechtkomen.
Dienaangaande benadrukt de verzoekende partij dat de schorsingsperiode als doelstelling heeft om “de beheerinstantie een finale mogelijkheid te geven om zich te conformeren aan de erkenningsvoorwaarden”.
Evenwel bezit de schorsingsmaatregel volgens haar in werkelijkheid louter een sanctionerend karakter. De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat zij tijdens de duur van de schorsing alleen verder kan blijven functioneren voor de gebruikers/bewoners die op het ogenblik waarop de schorsingsmaatregel ingaat in de voorziening opgenomen waren of er hulp- en dienstverlening van ontvingen. Er worden aldus géén nieuwe opnames van zorgbehoevenden toegelaten gedurende de schorsingsperiode. Dit maakt dat de verzoekende partij binnen de kortste keren met leegstand zal worden geconfronteerd en dus minder financiële middelen zal ontvangen.
De verzoekende partij laat gelden dat uit het laatste inspectieverslag van 13 augustus 2024 blijkt dat het woonzorgcentrum slechts 119 bewoners telde, terwijl het over een erkenning van 158 wooneenheden beschikt. Het hoeft volgens haar geen betoog dat de huidige bewoners – die reeds woonachtig waren in het woonzorgcentrum op het moment dat de schorsingsmaatregel ingaat – zullen wegvallen en dat de leegstand op die manier alleen maar zal toenemen gedurende de schorsingsperiode, zodat de inkomsten van het woonzorgcentrum alleen maar zullen dalen, waardoor het voor de verzoekende partij moeilijker zal zijn om te conformeren aan de erkenningsvoorwaarden binnen het woonzorgcentrum. Dit klemt volgens de verzoekende partij des te meer nu de inkomsten van het woonzorgcentrum op heden reeds onvoldoende zijn om de hoge kosten, die gepaard gaan met de exploitatie ervan, te voldoen. Getuige hiervan de
XII-9770-14/24
halfjaarcijfers die de verzoekende partij ontving van haar fiscaal accountant waaruit blijkt dat in de eerste helft van 2024 het woonzorgcentrum 3.599.118,57 euro aan inkomsten genereerde, terwijl er 3.976.528,34 euro kosten verbonden waren aan de exploitatie ervan, zodat alleen al in de eerste helft van 2024 een verlies werd geboekt van 377.409,77 euro. Dit verlies zal volgens de verzoekende partij mogelijks nog groeien vermits zij nog verschillende vorderingen heeft overgemaakt aan de bewoners, dewelke tot op heden, om welke reden dan ook, onbetaald blijven. Die debiteuren lopen op tot 360.000 euro aan verlies van inkomsten. Gedurende de schorsingsperiode zullen die verliezen, volgens de verzoekende partij, alleen maar oplopen, zodat een structureel verlies van 1.000.000- euro op het einde van het jaar 2024 niet is uitgesloten.
De verzoekende partij benadrukt dat luidens artikel 4, § 2, 14°, van het decreet van 15 februari 2019 ‘betreffende de woonzorg’ elke (afzonderlijke) woonzorgvoorziening financieel weerbaar moet zijn en dat de bestreden beslissing deze financiële weerbaarheid van het woonzorgcentrum, als woonzorgvoorziening, ontegensprekelijk aantast. De bestreden beslissing heeft volgens de verzoekende partij tot gevolg dat haar activiteit, zijnde de exploitatie van het woonzorgcentrum, blijvend in gevaar zal worden gebracht. De in het woonzorgcentrum opgestapelde tekorten ingevolge de bestreden beslissing zullen bovendien vanzelfsprekend het financiële evenwicht van de verzoekende partij in gevaar brengen.
Naast het moreel en financieel nadeel is het volgens de verzoekende partij ook duidelijk dat de schorsing zoals voorzien in de bestreden beslissing een omgekeerd effect met zich meebrengt: in de plaats van een woonzorgcentrum te faciliteren om zich te conformeren aan de erkennings-voorwaarden, maakt deze schorsing het voor haar net moeilijker om conform te blijven met de erkenningsvoorwaarden. De verzoekende partij ondervindt aldus een ernstig nadeel die een spoedeisende uitspraak vereist. Het wachten op het resultaat van een annulatieprocedure zou er dan ook voor zorgen dat de financiële en morele schade dermate groot zou zijn, dat zij onmogelijk
XII-9770-15/24
conform kan blijven met de erkenningsvoorwaarden, wat niemand ten goede komt, noch de verzoe-kende partij, noch de verwerende partij, noch de personeelsleden of het algemeen belang, én al helemaal niet de zorgbehoevenden die er op vandaag verblijven. De verzoekende partij benadrukt dat de bestreden beslissing haar persoonlijk raakt, nu het haar toekomt om haar decretale taak uit te oefenen, zijnde het aanbieden van verzorging van welke aard ook aan hulp- en zorgbehoevende personen, evenals het aanbieden van een tijdelijk of permanent thuisvervangend milieu aan hulp- of zorgbehoevende personen. De schorsing van de erkenning van het woonzorg-centrum heeft dan ook tot gevolg dat de verzoekende partij verhinderd wordt in de uitvoering van haar statutaire (en decretale) taak. Los van het maatschappelijk belang, is het volgens de verzoekende partij duidelijk dat zij een persoonlijk nadeel ondervindt wanneer zij haar eigen doelstelling niet meer kan nakomen.
Uit het voorgaande volgt, volgens de verzoekende partij, dat ingevolge de onherroepelijke schadelijke gevolgen die de bestreden beslissing heeft, het resultaat van een annulatieprocedure evenals van een gewone schorsingsprocedure niet kan worden afgewacht en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing derhalve dient te worden geschorst bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Beoordeling
6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen
XII-9770-16/24
zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings-procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.
De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.
Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2277/1, 13).
XII-9770-17/24
7. Hoewel de Raad van State geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat de verzoekende partij niet met gepaste spoed en diligentie haar vordering heeft ingesteld eenmaal zij van de bestreden beslissing kennis heeft gekregen, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
8. Evenmin volstaat het gegeven dat de bestreden maatregel ingang heeft vanaf 26 september 2024 en dat de duur van de schorsing van de erkenning zes maanden bedraagt, opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan zoals de verzoekende partij aangeeft. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring of een gewone schorsingsprocedure maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepsindiener en het staat aan een verzoekende partij die erop aandringt dat haar zaak bij voorrang wordt behandeld om aan te tonen, en zulks aan de hand van concrete, specifieke op haar betrekking hebbende en verifieerbare gegevens, dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of de gewone schorsingsprocedure, die gelet op artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State normaliter binnen vijfenveertig dagen berecht moet zijn, niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat zoals hierna zal blijken de verzoekende partij nalaat te doen.
9. In zoverre de verzoekende partij zich in de eerste plaats beroept op “reputatieschade” en in het bijzonder op de zeer nadelige gevolgen voor de uitstraling en de reputatie van haar woonzorgcentrum, bij haar bewoners, diens familieleden en alle andere burgers van (groot) Brussel en de Brusselse Rand, nu zij het voorwerp uitmaakt van verdachtmakingen en afkeur die een kwalijke reputatie werpen op haar professionele loopbaan, vermits de beslissing steunt op elementen die haar in een slecht daglicht plaatsen, zodat het moreel nadeel
XII-9770-18/24
moeilijk, dan wel onmogelijk te herstellen is vanwege de schandvlek, blaam en publieke oneer die dit met zich meebrengt, laat het zich verstaan dat de bestreden maatregel van de schorsing van de erkenning de verzoekende partij onmiskenbaar moreel schaadt. De verzoekende partij maakt evenwel niet aannemelijk dat die morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit moreel nadeel ongedaan kan maken en haar naam opnieuw kan zuiveren. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat de verzoekende partij ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan.
De verzoekende partij tracht zulks aan te tonen door te verwijzen naar de publicatie op de website van het departement Zorg dat de erkenning van het woonzorgcentrum geschorst wordt met ingang van 26 september 2024 en naar de e-mail van 19 september 2024 met kennisgeving van de bestreden beslissing waarin werd aangegeven dat ze ook werd overgemaakt aan de woordvoerder van het departement Zorg, zodat het volgens haar een kwestie van tijd is vooraleer op alle Vlaamse en Brusselse nieuwskanalen wordt bericht over het de schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum en de bestreden beslissing ongenuanceerd de wereld wordt ingestuurd. Dienaangaande beklemtoont zij dat de bestreden beslissing, met haar aantijgingen en negatieve uitlatingen die duidelijk haar reputatie schaden, reeds werd openbaar gemaakt en nog verder zal worden verspreid. Daargelaten de vaststelling dat het nadeel veroorzaakt door de communicatie op de website van het departement Zorg zich reeds heeft voltrokken en een gebeurlijke schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit nadeel bijgevolg niet meer kan voorkomen, maakt zij met het door haar aangevoerde betoog over mogelijkse ruchtbaarheid via Vlaamse en Brusselse nieuwskanalen, nog daargelaten de vaststelling van het eerder hypothetische karakter van het vermeende nadeel en niettegenstaande zulks doet blijken van de ongemakken en gevolgen die verbonden zijn aan het uitvoerbaar karakter van de bestreden
XII-9770-19/24
beslissing, niet aannemelijk dat het aangevoerde moreel nadeel en in het bijzonder de reputatieschade van dien aard en omvang zijn dat de verzoekende partij ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan en zulks los van de vraag of de ingeroepen reputatieschade van dien aard is dat een eventueel later tussen te komen schorsings- of vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen.
10. In zoverre de verzoekende partij daarnaast laat gelden dat de schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum voor ernstige financiële implicaties zal zorgen en zij in een neerwaartse financiële spiraal zal terechtkomen en dat tijdens de duur van die schorsing géén nieuwe opnames van zorg-behoevenden toegelaten zijn, wat maakt dat de verzoekende partij binnen de kortste keren met leegstand zal worden geconfronteerd en dus minder financiële middelen zal ontvangen en zich aldus beroept op een financieel-economisch nadeel, dient vooreerst te worden vastgesteld dat zij dat nadeel koppelt aan de schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum met ingang van 26 september 2024.
Hoewel het zich laat verstaan dat de schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum, voor de verzoekende partij ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak, dan nog is vereist dat de verzoekende partij, wil zij spoedeisendheid – te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid –
verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens én stavingstukken, dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of om haar belangen veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid – laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid – tenzij de verzoekende partij concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten, bewijs dat zoals hierna zal blijken door de verzoekende partij niet wordt geleverd.
XII-9770-20/24
In zoverre de verzoekende partij ter staving van haar standpunt de halfjaarcijfers neerlegt die zij ontving van haar fiscaal accountant waaruit volgens haar blijkt dat in de eerste helft van 2024 het woonzorgcentrum 3.599.118,57 euro aan inkomsten genereerde, terwijl er 3.976.528,34 euro kosten verbonden waren aan de exploitatie ervan, zodat alleen al in de eerste helft van 2024 een verlies werd geboekt van 377.409,77 euro en zij verder laat gelden dat het voornoemde bedrag mogelijks nog kan toenemen, nu verschillende vorderingen werden overgemaakt aan bewoners, dewelke tot op heden onbetaald bleven en een verlies van inkomsten tot 360.000 euro kan genereren en dat gedurende de schorsingsperiode die verliezen alleen maar zullen oplopen, zodat een structureel verlies van 1.000.000 euro op het einde van het jaar 2024 niet is uitgesloten, kan haar betoog niet worden bijgevallen.
Zoals terecht wordt opgeworpen door de verwerende partij erkent de verzoekende partij dat, ook zonder de bestreden beslissing, de uitbating van het woonzorgcentrum verlieslatend is. Bovendien dient te worden vastgesteld dat het door de verzoekende partij aangeleverde stuk, waarin enkel de halfjaarcijfers van het woonzorgcentrum Eureka worden weergegeven, niet volstaat om het nodige inzicht te verschaffen over de impact van de schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum op de financiële en vermogenstoestand van de verzoekende partij vooraleer de gewone schorsingsprocedure is doorlopen.
Temeer nu de bestreden beslissing enkel tot gevolg heeft dat het woonzorgcentrum Eureka geen nieuwe bewoners kan ontvangen gedurende zes maanden, doch gedurende deze periode van de schorsing wel kan blijven functioneren voor de huidige bewoners en bijgevolg niet alle inkomsten van het woonzorgcentrum gedurende de kwestieuze periode wegvallen. Betreffend stuk toont evenmin aan over welke eigen (liquide) middelen de verzoekende partij, als beheersinstantie van drie woonzorgcentra, waarvan Eureka er één is, beschikt om dit vermeende financiële verlies op te vangen. Dit klemt des te meer nu met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij verzuimt enig financieel gegeven van de beheersinstantie voor te leggen.
XII-9770-21/24
Vermits het hoe dan ook aan de verzoekende partij toekomt om door middel van overtuigende stukken een globaal en betrouwbaar inzicht te geven in de financiële toestand zodat de Raad van State het door haar aangevoerde financieel nadeel met kennis van zaken kan beoordelen, volstaat de vaststelling dat de verzoekende partij, met het enig stuk dat ze bijbrengt, verzuimt ter zake enig inzicht te geven in haar financiële toestand op het tijdstip van de bestreden maatregel, op een wijze die de Raad van State zou toelaten een getrouw beeld te krijgen van het geclaimde financiële nadeel.
Het bijgebrachte stuk toont bijgevolg niet aan dat de verzoekende partij door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt, dat zij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt, niet zal kunnen dragen en zou verantwoorden dat haar vordering bij voorrang dient te worden behandeld.
In zoverre de verzoekende partij nog laat gelden dat de bestreden beslissing de financiële weerbaarheid van het woonzorgcentrum Eureka als woonzorgvoorziening ontegensprekelijk aantast en het financiële evenwicht van de verzoekende partij in gevaar wordt gebracht, volstaat de vaststelling dat dit argument op generlei wijze wordt gestaafd met enig concreet gegeven of overtuigingsstuk.
Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij niet op afdoende wijze aantoont dat zij, zoals zijzelf aanvoert in het verzoekschrift, de duur van de gewone schorsingsprocedure niet kan overbruggen alvorens zij in zware onherstelbare financiële problemen geraakt. Het door haar ingeroepen financieel nadeel volstaat te dezen op zich niet om een behandeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het voorliggende beroep te verantwoorden.
11. In zoverre de verzoekende partij betoogt dat naast het morele en financiële nadeel het tevens duidelijk zou zijn dat de schorsing van de erkenning
XII-9770-22/24
een omgekeerd effect met zich meebrengt, nu in de plaats van een woonzorg-centrum te faciliteren om zich te conformeren aan de erkenningsvoorwaarden, deze schorsing het net moeilijker zou maken voor de verzoekende partij om conform te blijven met de erkenningsvoorwaarden, volstaat de vaststelling, zoals terecht wordt aangegeven door de verwerende partij, dat de verzoekende partij met dit argument de pertinentie van de bestreden maatregel betwist, zonder daarmee het uiterst dringende karakter van het voorliggende beroep aan te tonen.
12. In zoverre de verzoekende partij tot slot nog laat gelden dat de bestreden beslissing haar persoonlijk raakt, nu het haar toekomt om haar decretale taak uit te oefenen, zijnde het aanbieden van verzorging van welke aard ook aan hulp- en zorgbehoevende personen, evenals het aanbieden van een tijdelijk of permanent thuisvervangend milieu aan hulp- of zorgbehoevende personen en de schorsing van de erkenning van het woonzorgcentrum haar verhindert haar statutaire (en decretale) taak uit te voeren, volstaat de vaststelling dat met dit betoog het belang in hoofde van de verzoekende partij bij de ingediende vordering kan worden aangetoond, doch met een verantwoording van het uiterst dringend karakter ervan geen uitstaans heeft.
13. Uit wat voorafgaat, volgt dat geen uiterst dringende noodzakelijkheid is aangetoond hoewel die procedure slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter door een verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond, daarbij in acht genomen dat de vordering tot schorsing, ook deze bij uiterst dringende noodzakelijkheid, “op elk moment” kan worden ingesteld. Evenmin is aangetoond dat het doorlopen van de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
14. De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond.
XII-9770-23/24
VI. Conclusie
15. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Chantal Bamps
XII-9770-24/24

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.914

Gerelateerde publicatie(s)

gevolgd door:

ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.548

citeert:

ECLI:BE:RVSCE:2014:ARR.227.766

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.914

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.