ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.917
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.917 Rolnummer: A. 239523/XII-9543 Zaak: Arrest 260917 - Tucht (openbaar ambt) - 04/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-10 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-04 07:29 Fiche Arrest nr 260.917 van 4 oktober 2024...
26 min de lecture · 5,524 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 04 oktober 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.917
Rolnummer:
A. 239523/XII-9543
Zaak:
Arrest 260917 – Tucht (openbaar ambt) – 04/10/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-10
Raadplegingen:
112 – laatst gezien 2026-06-04 07:29
Fiche
Arrest nr 260.917 van 4 oktober 2024 Openbaar ambt – Tucht (openbaar ambt)
Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.917 no lien 279116 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 260.917 van 4 oktober 2024
in de zaak A. 239.523/XII-9543
In zake : XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Martens kantoor houdend te 9000 Gent Gustaaf Callierlaan 291
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/Legal/CTX
gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 6 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 10 mei 2023 van de hogere tuchtoverheid waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.
XII-9543-1/16
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2024.
Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Vincent Goovaerts die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is beveiligingsagent van politie bij de Federale politie. In die functie staat hij onder meer in voor de beveiliging bij de overbrenging van gedetineerden tussen de gevangenissen en de rechtbanken.
3.2. Op 20 november 2020 doet er zich een incident voor tijdens de overbrenging van een gedetineerde van de gevangenis naar het gerechtsgebouw, waarvan verzoeker en zijn collega’s een gezamenlijk administratief verslag opstellen. Naar aanleiding van dit verslag wordt op 23 november 2020 een aanvankelijk proces-verbaal opgesteld ten laste van de gedetineerde, waarna een opsporingsonderzoek wordt gestart ten laste van de gedetineerde.
3.3. Op 18 december 2020 gelast de dienst Intern Toezicht van de dienst waar verzoeker is tewerkgesteld een administratief onderzoek naar de feiten van 20 november 2020. Daarbij wordt vastgesteld dat wat in het gezamenlijk verslag door verzoeker en zijn collega’s is vermeld niet in overeenstemming is met ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.917 XII-9543-2/16
wat blijkt uit de camerabeelden. Onder meer blijkt dat één van verzoekers collega’s slagen heeft gegeven aan de betrokken gedetineerde. Op 22 december 2020 wordt een aanvankelijk proces-verbaal opgesteld voor opzettelijke slagen en/of verwondingen en valsheid in authentieke en openbare geschriften door een ambtenaar in de uitoefening van zijn functies, ten laste van één van verzoekers collega’s als verdachte en ten laste van verzoeker en een andere collega als betrokkene (verdachte).
3.4. Op 23 december 2020 krijgt de gewone tuchtoverheid kennis van het verslag van het administratief onderzoek naar de feiten. Zij beslist op 7
januari 2021 de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid.
3.5. Op 4 januari 2021 wordt verzoeker gehoord als getuige in het kader van het opsporingsonderzoek ten laste van de gedetineerde. Op 22 april 2021
wordt verzoeker gehoord als verdachte in het kader van het opsporingsonderzoek ten laste van hemzelf en zijn collega’s.
3.6. Op 9 juni 2021 gelast de hogere tuchtoverheid een voorafgaand onderzoek, waarvan zij het verslag ontvangt op 16 juni 2021.
3.7. Op 20 juni 2021 beslist de hogere tuchtoverheid om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet).
3.8. Op 1 december 2021 bezorgt het parket een afschrift van de twee strafdossiers aan de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid. Op 3 maart 2022
deelt het parket mee dat het strafdossier wat verzoeker betreft zonder gevolg wordt gerangschikt wegens voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling.
3.9. Op 29 april 2022 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen.
XII-9543-3/16
3.10. Op 2 juni 2022 dient verzoeker zijn schriftelijk verweer in en op 3 juni 2022 wordt hij gehoord.
3.11. Op 28 juli 2022 formuleert de hogere tuchtoverheid het voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen.
Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad.
3.12. Op 21 december 2022 adviseert de Tuchtraad als volgt:
“In hoofdorde:
Dat het gepast voorkomt voor de tuchtoverheid af te zien een straf op te leggen wegens schending van de rechten van verdediging van de verzoeker tijdens de tuchtprocedure;
In ondergeschikte orde: in zoverre de tuchtoverheid de schending van de rechten van verdediging van verzoeker niet volgt:
dat de tuchtvordering voor de ten laste gelegde feiten sub 1 en 4.1., zoals heromschreven in punt 5.1., vervallen is door verjaring;
dat de overige ten laste gelegde feiten sub 2, 3 en 4.2., zoals heromschreven in punt 5.1., bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend;
dat deze bewezen voormelde feiten sub 2, 3 en 4.2 geen tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten;
dat het dus gepast voorkomt voor de tuchtoverheid af te zien een straf op te leggen;
In meer ondergeschikte orde: in zoverre de tuchtoverheid de verjaring voor de feiten sub 1 en 4.1. niet volgt:
Dat de voorgestelde straf van de terugzetting in weddeschaal voor de tenlasteleggingen sub 1 en 4.1, zoals heromschreven in punt 5.1., een gepaste straf is.”
3.13. Op 30 maart 2023 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om gedeeltelijk af te wijken van het advies van de Tuchtraad met het voorstel om de tuchtstraf van de blaam op te leggen.
3.14. Nadat verzoeker op 13 april 2023 een schriftelijk verweer heeft ingediend, beslist de hogere tuchtoverheid op 10 mei 2023 om verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen.
Dit is de bestreden beslissing.
XII-9543-4/16
In de bestreden beslissing worden de ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen zoals bedoeld in artikel 3 van de tuchtwet gekwalificeerd op grond van de volgende formele motivering:
“’Als personeelslid van de Federale Politie tekort te zijn gekomen aan zijn beroepsplichten, meer bepaald de integriteitsplicht, de voorbeeldfunctie en de plicht om de wetten en reglementen na te leven, in casu de Wet op het politieambt en de Deontologische code, door, zoals u zelf verklaart, getuige te zijn geweest van het opzettelijk toebrengen van twee slagen met de vuist door een collega op de rug van de gedetineerde […], tijdens het instappen in de celwagen aan de garage van het gerechtsgebouw te […].
A) u op 4 januari 2021 tegenover de lokale politie […] een niet-waarheidsgetrouwe verklaring van de concrete gebeurtenissen heeft gegeven en zodoende de waarheid te hebben verzwegen, in casu door te hebben verklaard dat collega […] de gedetineerde […] bij de arm heeft genomen om hem te begeleiden naar het voertuig, dat collega […] in het voertuig stond om de celdeur te openen en, ik citeer: “wat er precies gaande was, weet ik enkel van het vertellen van mijn collega’s. Zelf heb ik het niet zien gebeuren”, waardoor de integriteit, dat onder meer te maken heeft met vertrouwen en geloofwaardigheid, wordt geschonden en het Openbaar Ministerie niet over de correcte informatie beschikte die van belang is voor de uitoefening van de strafvordering;
B) u, in het raam van het proces-verbaal met notitienummer […] aan de Federale Gerechtelijke Politie te […], op 22 april 2021, heeft verklaard dat u duidelijk zicht had op hoe […] de gedetineerde […] naar de celwagen begeleidde en ik citeer: “een duw of zo” heeft gezien van […] aan de gedetineerde […] tijdens het instappen van de celwagen, doch bij confrontatie met de camerabeelden (waarop te zien zou zijn dat u in de richting keek en de gebeurtenissen wel kon aanschouwen en enige tijd later met het hoofd heen en weer schudde), daarop zelf verklaarde deze slagen niet te kunnen goedkeuren daar het geweld niet proportioneel was en als gevolg hiervan blijk te hebben gegeven van een vorm van willekeur en afbreuk te hebben gedaan aan de onpartijdigheid die de burgers van een personeelslid van de Federale Politie verwachten;
C) Uw verklaringen ertoe hebben geleid dat er onrechtmatig beroep werd gedaan op het ambt en de medewerkers van het Openbaar Ministerie en de Lokale en Federale Politie, waarvoor zij bijgevolg een opportuniteitsverlies hebben geleden en zodoende de politionele en gerechtelijke diensten hun beperkte middelen en tijd niet kon aanwenden voor andere gerechtelijke activiteiten, en waarbij u belangrijke informatie heeft achtergehouden die van belang is gebleken voor de uitoefening van de strafvordering, waardoor het vertrouwen werd geschonden dat de bevolking, de leden van het Openbaar Ministerie, de hiërarchie en de collega’s dienen te hebben in een politieambtenaar, en waardoor de waardigheid van het ambt in het gedrang werd gebracht.’ Voornoemde feiten maken een tekortkoming uit aan de onderstaande professionele en deontologische verplichtingen:
XII-9543-5/16
Art. 130 WGP
[…]
Artikel 130 benadrukt de eis tot integriteit. Integriteit heeft onder meer te maken met vertrouwen en geloofwaardigheid. Integriteit kan gerust als basis voor het politiewerk aanzien worden, waarbij alle handelingen van individuele personeelsleden de toetsing aan de integriteit moeten kunnen doorstaan. Het achterhouden van de waarheid in uw verklaringen als slachtoffer en als betrokkene maakt een inbreuk uit op artikel 130 WGP.
Art. 132 WGP juncto punt 28 van de Deontologische code […]
Artikel 132 juncto punt 28 benadrukt de eis tot het stellen van gedrag dat de waardigheid van het ambt te allen tijde en in alle omstandigheden strikt waarborgt. Het gaat hier om handelingen en houdingen die politiefunctionarissen en het politieambt in opspraak brengen doordat ze raken aan de voorbeeldrol. Het nalaten de waarheid te vermelden in uw verklaringen als slachtoffer en als betrokkene maakt een inbreuk uit op artikel 130 WGP en punt 28 van de Deontologische code.
Punt 32 van de Deontologische code […]
Het onthouden van de waarheid in uw verklaring als slachtoffer en als betrokkene maakt een inbreuk uit op punt 32 van de Deontologische code.”
Als formele motivering waarom op dit punt wordt afgeweken van het advies van de Tuchtraad vermeldt de bestreden beslissing:
“Ik verwacht van elk personeelslid dat gevraagd wordt om een verklaring af te leggen, ongeacht in welke hoedanigheid, dat het deze verklaring aflegt op een loyale wijze en er zich met andere woorden van onthoudt de waarheid te verdraaien of te verzwijgen en als gevolg daarvan capaciteitsverlies te veroorzaken bij het Openbaar Ministerie en de lokale en de Federale Politie.”
XII-9543-6/16
IV. Onderzoek van het tweede middel
Standpunt van de partijen
4. In het verzoekschrift voert verzoeker de schending aan van artikel 3 van de tuchtwet, van het recht van verdediging en van de materiëlemotiveringsplicht.
Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, als volgt samen in zijn verslag:
“In een tweede middel werpen de verzoekende partij[…] bij verzoekschrift de schending op van artikel 3 van de Tuchtwet, van de rechten van verdediging (zwijgrecht) en van de materiëlemotiveringsplicht. De Tuchtraad heeft er in zijn advies van 21 december 2022 terecht op gewezen dat de niet-verjaarde ten laste gelegde feiten niet kunnen worden gekwalificeerd als een tuchtvergrijp, aangezien een dergelijke kwalificatie een miskenning inhoudt van de rechten van verdediging, met name het zwijgrecht. Het – door de verzoeker geciteerde – standpunt van de Tuchtraad wordt onderschreven. De verzoeker beschikt over het recht om te zwijgen, stil te zitten, de feiten of de kwalificatie ervan als (tucht)vergrijp te ontkennen en zijn onschuld voor te houden of om de feiten op een andere manier voor te stellen, dit desgevallend tegen de gegevens van de zaak in. De wijze van uitoefening van dit recht mag geenszins worden beschouwd als een tuchtrechtelijk strafbaar feit. De motivering van de hogere tuchtoverheid om ter zake af te wijken van het advies van de Tuchtraad gaat voorbij aan het bestaan en de toepasselijkheid van het zwijgrecht als onderdeel van de rechten van verdediging en dit zowel in het strafrecht als in het tuchtrecht, door ten onrechte te poneren dat van een personeelslid mag worden verwacht, wanneer hem wordt gevraagd om een verklaring af te leggen – in welke hoedanigheid dan ook, dus ook als beschuldigde – hij er zich steeds van moet onthouden om de waarheid te verdraaien of te verzwijgen.”
5. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het antwoord van de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt samen in zijn verslag:
“Bij memorie van antwoord citeert de verwerende partij vooreerst de kwalificatie van het begane tuchtvergrijp uit de bestreden beslissing evenals de uiteindelijke beslissing om de lichte tuchtstraf ‘de blaam’ op te leggen.
Daarmee wordt verwezen naar artikel 3 van de Tuchtwet, dat de voor een personeelslid van de politiediensten geldende laakbare handelingen definieert die tuchtrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd. In deze staat onbetwistbaar vast dat de verzoeker rond het incident dat zich op 20
XII-9543-7/16
november 2020 heeft afgespeeld, verklaringen heeft afgelegd die niet stroken met de realiteit. Deze verklaringen leidden ertoe dat Parket en politiediensten een strafrechtelijk onderzoek hebben opgestart en hieraan –
door de verzoeker op het verkeerde been gezet – tijd en middelen werden gespendeerd. Dergelijke gedragingen kunnen wel degelijk worden gekwalificeerd als tuchtvergrijp. Dit onrechtmatig handelen wordt blijkens de stukken van het dossier door de verzoeker ook niet betwist en zelfs toegegeven. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de verklaringen die de verzoeker aflegt in het kader van de aan hem verweten feiten (tuchtrechtelijk dan wel anderszins), en de verklaringen die hij aflegt als getuige, als personeelslid van het operationeel kader die (strafrechtelijke)
feiten vaststelt en hiervan melding maakt. Personeelsleden van het operationeel kader dienen zich op integere en loyale wijze van de uitoefening van de opdrachten kwijten. Wanneer men als personeelslid van het operationeel kader getuige is van bepaalde feiten, dan is men verplicht hiervan melding te maken. Deze melding dient waarheidsgetrouw te zijn, wat impliceert dat men geen feiten mag verklaren waarvan men aangeeft getuige te zijn geweest, terwijl dit niet het geval is. In het dossier met notitienummer […] trad de verzoeker op als vaststeller van feiten, getuige en slachtoffer van vermeende handelingen gesteld door de betrokken gedetineerde. De verzoeker stond zelf niet terecht en er werd hem in dit dossier niets ten laste gelegd, noch tuchtrechtelijk, noch strafrechtelijk. De verzoeker kan zich in deze geenszins beroepen op zijn zwijgrecht of op de door hem aangevoerde rechten om de feiten op een andere manier voor te stellen en dit desgevallend tegen alle gegevens van de zaak in. Wel integendeel heeft hij net de wettelijke verplichting om te spreken, op een waarheidsgetrouwe, integere en loyale wijze. Een getuigenis mag ook niet vals zijn, en het afleggen van een valse getuigenis of verklaring is zelfs strafbaar. De door de bestreden beslissing aan de verzoeker verweten onrechtmatige handelingen en verklaringen zijn door de verzoeker zonder meer en meermaals toegegeven. Het gaat niet op bekentenissen en verklaringen af te leggen om zich vervolgens op het zwijgrecht te beroepen, teneinde de tuchtoverheid de mogelijkheid te ontzeggen deze bekentenissen en verklaringen te gebruiken. Voorafgaand aan deze bekennende verklaringen is ook steeds uitdrukkelijk gewezen op zijn rechten, zowel in het strafrecht als in het tuchtrecht, zodat deze verklaringen zijn afgelegd met de volle kennis van zijn rechten. Het zwijgrecht en de vrije keuze van de wijze waarop men zich in rechte wenst te verdedigen is ook geen absoluut rechtsbeginsel. Het advies van de Tuchtraad kan niet worden gevolgd, en de hogere tuchtoverheid heeft in de punten waarin wordt afgeweken van het advies zijn beslissing wel degelijk deugdelijk gemotiveerd.”
In de laatste memorie verwijst de verwerende partij vooreerst naar de memorie van antwoord. Zij herhaalt dat het onderscheid tussen de verklaringen van verzoeker in het kader van de aan hem verweten feiten en de verklaringen van verzoeker als getuige wel degelijk pertinent is om het recht van verdediging met inbegrip van het zwijgrecht en het verbod tot zelfincriminatie te
XII-9543-8/16
beoordelen. De verwerende partij voegt hieraan toe dat het auditoraatsverslag voorbij gaat aan het feit dat het in verzoekers verhoor van 4 januari 2021 niet gaat om zelfincriminatie, maar om incriminatie van een ander, met name de betrokken gedetineerde. Tijdens het verhoor van 4 januari 2021 werd verzoeker niets ten laste gelegd.
Beoordeling
6. Het auditoraat heeft het tweede middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en het verweer van de verwerende partij in de memorie van antwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, punten 4 en 5). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze samenvattende analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze analyse, aangevuld met de laatste memorie van de verwerende partij, verricht.
7. Artikel 3 van de tuchtwet luidt:
“Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.”
De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij feiten en onachtzaamheden gepleegd door politieambtenaren als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt.
Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van, te dezen, de kwalificatie van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
XII-9543-9/16
Het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging dat zowel geldt in strafzaken als in tuchtzaken, houdt te dezen in dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon het recht heeft om vrij zijn verdediging te organiseren zoals hij dat verkiest. Hij beschikt aldus in het bijzonder over het recht te zwijgen en stil te zitten in de eigen zaak (Arbitragehof 25 januari 2001, nr. 4/2001, punt B.5.5., ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.4), alsook over het recht om de feiten of de kwalificatie ervan als tuchtvergrijp te ontkennen en om zijn onschuld vol te houden, of om de feiten op een andere manier voor te stellen en dit desgevallend tegen alle gegevens van de zaak in. De wijze van de uitoefening van dit recht mag niet worden beschouwd als een tuchtrechtelijk strafbaar feit op zich, noch mag die bij het bepalen van de strafmaat aan de tuchtrechtelijk vervolgde persoon worden toegerekend. De tuchtoverheid die de strafmaat mede bepaalt door de wijze waarop de tuchtrechtelijk vervolgde persoon zich voor haar heeft verdedigd, schendt derhalve dan ook het recht van verdediging van deze. Het verbod om de bestraffing (mede) te laten beïnvloeden door de wijze waarop een tuchtrechtelijk vervolgde persoon zich verdedigt, geldt evenwel niet (meer)
wanneer de verdediging van de tuchtrechtelijk vervolgde persoon precies de grenzen van het recht van verdediging overschrijdt.
De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
8. Verzoeker voert in essentie aan dat de hogere tuchtoverheid volledig voorbijgaat aan het zwijgrecht dat een onderdeel is van het recht van verdediging zowel in het strafrecht als in het tuchtrecht. Dit blijkt volgens ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.917 XII-9543-10/16
verzoeker uit het standpunt dat van een personeelslid mag worden verwacht, wanneer het wordt gevraagd om een verklaring af te leggen – in welke hoedanigheid dan ook, dus ook als beschuldigde – dat het zich er steeds van onthoudt om de waarheid te verdraaien of te verzwijgen.
9. Uit de bestreden beslissing (zie supra, nr. 3.14) blijkt dat verzoeker in wezen tuchtrechtelijk wordt verweten 1) getuige te zijn geweest van het opzettelijk toebrengen van twee slagen met de vuist door een collega op de rug van een gedetineerde en daarover op 4 januari 2021 tegenover de lokale politie een niet-waarheidsgetrouwe verklaring te hebben afgelegd en zodoende de waarheid te hebben verzwegen (feit A), 2) aan de Federale Gerechtelijke politie op 22 april 2021 een welbepaalde niet-waarheidsgetrouwe verklaring te hebben afgelegd en als gevolg hiervan “blijk te hebben gegeven van een vorm van willekeur en afbreuk te hebben gedaan aan de onpartijdigheid die de burgers van een personeelslid van de Federale politie verwachten” (feit B), en 3) samengevat, een onrechtmatig beroep op de beperkte middelen en tijd van de politionele en gerechtelijke diensten te hebben veroorzaakt door belangrijke informatie achter te houden die van belang is gebleken voor de uitoefening van de strafvordering (feit C). Uit de bestreden beslissing blijkt dat zowel de verklaring van 4 januari 2021 als de verklaring van 22 april 2021 als “een niet-waarheidsgetrouwe verklaring” worden gekwalificeerd en dat deze beide verklaringen – “uw verklaringen als slachtoffer en als betrokkene” – als een inbreuk op welbepaalde professionele en deontologische verplichtingen worden gekwalificeerd. Van verzoeker wordt verwacht dat hij “ongeacht in welke hoedanigheid” zich ervan onthoudt “de waarheid te verdraaien of te verzwijgen”.
In het licht van het aangevoerde middel rijst bijgevolg de vraag of de hogere tuchtoverheid deze ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet kon kwalificeren, in acht nemend het recht van verdediging.
10. Door zonder meer het afleggen van een niet-waarheidsgetrouwe verklaring of het verzwijgen van de waarheid op 4 januari 2021 – met andere woorden na het initiële administratief verslag opgesteld door verzoeker en zijn ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.917 XII-9543-11/16
collega’s over het incident van 20 november 2020 – als een tuchtvergrijp te kwalificeren (tuchtfeit A), miskent de hogere tuchtoverheid het zwijgrecht en het recht van het personeelslid om zijn verweer te voeren zoals hij meent dat te moeten voeren. Van verzoeker verlangen dat hij op 4 januari 2021 de waarheid spreekt en niets verdraait of verzwijgt, komt immers neer op de verplichting om zichzelf te incrimineren, nu uit die “waarheid” zou blijken dat het administratief verslag over het incident van 20 november 2020 niet waarheidsgetrouw was, waarmee verzoeker zich mogelijk blootstelt aan hetzij een strafrechtelijke vervolging, hetzij een tuchtrechtelijke vervolging, hetzij beide. Dezelfde vaststelling geldt voor verzoekers verklaring afgelegd op 22 april 2021 (tuchtfeit B), daar niettegenstaande de omschrijving als “blijk te hebben gegeven van een vorm van willekeur en afbreuk te hebben gedaan aan de onpartijdigheid die de burgers van een personeelslid van de Federale politie verwachten”, uit de bestreden beslissing (zie supra, nr. 3.14) onmiskenbaar blijkt dat ook die verklaring als een tuchtvergrijp wordt gekwalificeerd omdat het een niet-waarheidsgetrouwe verklaring is die daardoor welbepaalde deontologische plichten schendt. Het “onrechtmatig beroep” op de politionele en gerechtelijke diensten als gevolg van de niet-waarheidsgetrouwe verklaringen (tuchtfeit C) kan bijgevolg evenmin als een tuchtvergrijp worden gekwalificeerd, omdat dit eveneens zou neerkomen op het bestraffen van het voeren door het personeelslid van zijn verweer op de wijze zoals hij meent dat te moeten voeren, noch daargelaten of dit feit C wel als een zelfstandig tuchtvergrijp kan worden gekwalificeerd en niet eerder een gevolg is van de feiten A en B.
Door deze drie feiten te kwalificeren als een tuchtvergrijp zoals bedoeld in artikel 3 van de tuchtwet, miskent de hogere tuchtoverheid deze bepaling, alsook het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.
11. De verwerende partij benadrukt in haar verweer dat het onmiskenbaar vaststaat dat verzoeker over het incident op 20 november 2020
verklaringen heeft afgelegd die niet stroken met de waarheid, dat verzoeker dat ook uitdrukkelijk erkent en dat de feiten dus vaststaan.
XII-9543-12/16
12. Met dit verweer gaat de verwerende partij eraan voorbij dat het middel niet het bestaan of het bewijs van de (materiële) tuchtfeiten betreft, maar wel de kwalificatie van de bewezen feiten als een tuchtvergrijp zoals bedoeld in artikel 3 van de tuchtwet. Om een tuchtstraf te kunnen opleggen volstaat het niet dat de feiten bewezen zijn. De (bewezen) feiten moeten ook naar recht en redelijkheid als tuchtvergrijpen zoals bedoeld in artikel 3 van de tuchtwet kunnen worden gekwalificeerd. Dit verweer doet daarom niet anders oordelen.
13. Voorts werpt de verwerende partij in de memorie van antwoord op dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd in het kader van de aan hem verweten feiten en de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd als getuige en als personeelslid dat (strafbare) feiten vaststelt en hiervan melding maakt. Nadat de verwerende partij daarover in het auditoraatsverslag kan lezen dat dit onderscheid niet goed kan worden begrepen, daar de bestreden beslissing dit onderscheid niet maakt, verduidelijkt de verwerende partij in de laatste memorie dat het in het verhoor van 4 januari 2021
(tuchtfeit A) niet gaat om zelfincriminatie, maar om de incriminatie van de gedetineerde en dat verzoeker met dit verhoor “niet zelf terecht stond” en hem in dat dossier op dat ogenblik niets ten laste werd gelegd.
14. Ook dit verweer wordt niet bijgevallen. Daargelaten dat de bestreden beslissing een dergelijk onderscheid niet maakt – de beide verklaringen, niet enkel die van 4 januari 2021 maar ook die van 22 april 2021, worden immers als niet-waarheidsgetrouw bestempeld en in strijd met de deontologische plichten geacht – is dit onderscheid niet pertinent. Zoals hiervoor werd vastgesteld (zie supra, nr. 10) miskent de hogere tuchtoverheid het zwijgrecht en het recht van het personeelslid om zijn verweer te voeren zoals hij meent dat te moeten voeren ook reeds door verzoekers verklaringen op 4 januari 2021 als een tuchtvergrijp te kwalificeren.
15. De verwerende partij voert nog aan dat een personeelslid zich op een integere en loyale wijze van zijn opdrachten moet kwijten en dat het personeelslid dat getuige is van bepaalde feiten, verplicht is hiervan melding te maken op een waarheidsgetrouwe wijze.
XII-9543-13/16
16. In de mate dat de verwerende partij hiermee verwijst naar het niet-waarheidsgetrouw opstellen van het initiële feitenverslag naar aanleiding van het incident op 20 november 2020, wordt opgemerkt dat dit feit in navolging van het advies van de Tuchtraad in de bestreden beslissing niet langer als een tuchtvergrijp in aanmerking wordt genomen.
In de mate dat de verwerende partij dit verweer betrekt op verzoekers verklaring van 4 januari 2021 en herhaalt dat het verwijt dat die verklaring niet waarheidsgetrouw was niet wordt betwist, alsook dat verzoeker in dat dossier niets ten laste werd gelegd, wordt verwezen naar wat hiervoor reeds werd geoordeeld (zie supra, nr. 10 en 14). De verwerende partij wordt dan ook niet gevolgd in het standpunt dat verzoeker zich in de geschetste omstandigheden niet kan beroepen op het zwijgrecht en dat hij op 4 juli 2021 op een waarheidsgetrouwe, integere en loyale wijze een verklaring had moeten afleggen.
17. De verwerende partij werpt verder nog op dat een getuigenis niet vals mag zijn en verwijst daarbij naar artikel 215 e.v. van het Strafwetboek.
Daargelaten dat in de bestreden beslissing geheel niet wordt verwezen naar deze bepaling uit het Strafwetboek om de ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen te kwalificeren, wordt vastgesteld dat de verwerende partij geenszins uiteenzet, laat staan aannemelijk maakt, dat de door de hogere tuchtoverheid geviseerde verklaringen valse getuigenissen zouden zijn die onder de toepassing vallen van artikel 215 e.v. van het Strafwetboek.
18. De verwerende partij herhaalt voorts dat verzoeker meermaals de hem ten laste gelegde feiten heeft toegegeven en dat het niet opgaat bekentenissen en verklaringen af te leggen om zich vervolgens op het zwijgrecht te beroepen om de tuchtoverheid de mogelijkheid te ontzeggen die bekentenissen en verklaringen te gebruiken.
19. Dit standpunt faalt. Vooreerst wordt verwezen naar wat hiervoor werd uiteengezet inzake het onderscheid tussen het bewijs van de feiten en de kwalificatie van de feiten als tuchtvergrijpen (zie supra, nr. 12). Verder zet de verwerende partij niet uiteen – zij acht dit “vanzelfsprekend” – waarom verzoeker ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.917 XII-9543-14/16
zich na zijn “bekentenissen” niet op het zwijgrecht zou kunnen beroepen. Hiervoor (zie supra, nr. 10) werd reeds uiteengezet dat verzoeker, op het ogenblik waarop hij de twee tuchtrechtelijk verweten verklaringen aflegde, zich in de situatie bevond waarin hij door “de waarheid” te spreken zichzelf zou incrimineren en mogelijk blootstellen aan strafrechtelijke en/of tuchtrechtelijke vervolging. De verwerende partij zet niet uiteen waarom het loutere gegeven dat verzoeker achteraf heeft toegegeven dat die twee verklaringen niet geheel in overeenstemming waren met de waarheid, een afbreuk zou doen aan de vaststelling dat op het moment zelf van die verklaringen verzoeker krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging – daarin inbegrepen het zwijgrecht en het verbod van zelfincriminatie – de waarheid kon en mocht verzwijgen of verdraaien. Het is immers precies deze vaststelling die belet dat de ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen worden gekwalificeerd.
Het standpunt van de verwerende partij dat verzoeker voorafgaand aan zijn “bekennende verklaringen” uitdrukkelijk op zijn rechten werd gewezen, doet niet anders oordelen. Het gegeven dat verzoeker voorafgaand aan zijn “bekennende verklaringen” op zijn recht van verdediging, waaronder het zwijgrecht en het verbod van zelfincriminatie, werd gewezen, brengt immers niet met zich dat datzelfde recht van verdediging op het ogenblik van – de in de tijd eerder te situeren – tuchtrechtelijk verweten verklaringen niet langer zou gelden of als het ware – zoals de verwerende partij lijkt te suggereren – met terugwerkende kracht ongedaan zou worden gemaakt. Overigens maken de latere bekentenissen van verzoeker dat de tuchtrechtelijk ten laste gelegde verklaringen niet geheel waarheidsgetrouw waren, evenzeer deel uit van het recht van verdediging en het recht zijn verweer te voeren zoals hij meent het te moeten voeren.
20. Tot slot zet de verwerende partij uiteen dat het zwijgrecht en de vrije keuze van de wijze waarop men zich in rechte wenst te verdedigen geen absoluut rechtsbeginsel is. Zij verwijst hiervoor in het algemeen naar haar eerdere argumentatie in verband met het loyauteitsbeginsel en het Strafwetboek, alsook naar een arrest van het Hof van Cassatie. De verwerende partij zet echter geenszins uiteen hoe haar standpunt moet worden betrokken op de bestreden beslissing, zodat het niet wordt bijgevallen.
XII-9543-15/16
21. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 10 mei 2023 waarbij aan XXXX de lichte tuchtstraf “de blaam” wordt opgelegd.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154,00 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Chantal Bamps
XII-9543-16/16
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.917
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...