ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269 Rolnummer: A. 241695/XII-9713 Zaak: Arrest 261269 - Tucht (openbaar ambt) - 05/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-07 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-04 05:05 Fiche Arrest nr 261.269 van 5 november 2024...
15 min de lecture · 3,140 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 05 november 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269
Rolnummer:
A. 241695/XII-9713
Zaak:
Arrest 261269 – Tucht (openbaar ambt) – 05/11/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-11-07
Raadplegingen:
102 – laatst gezien 2026-06-04 05:05
Fiche
Arrest nr 261.269 van 5 november 2024 Openbaar ambt – Tucht (openbaar
ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269 no lien 279883 identiques
ecli_input ECLI:BE:GHCC:2012:ARR:20
ecli_prefixe ECLI
ecli_pays BE
ecli_cour GHCC
ecli_cour_old GHCC
ecli_annee 2012
ecli_ordre ARR:20
ecli_typedec
ecli_datedec
ecli_chambre
ecli_nosuite
Invalid ECLI ID – no_ordre – 1 elements
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2012:ARR:20 invalide Invalid ECLI ID – no_ordre – 1 elements
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 261.269 van 5 november 2024
in de zaak A. 241.695/XII-9713
In zake: XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Quinten De Keersmaecker kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled en Casper François kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 12 april 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 9 februari 2024 van de hogere tuchtoverheid waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde gedurende twee maanden ten bedrage van 10 % wordt opgelegd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.
XII-9713-1/11
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2024.
Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Quinten De Keersmaecker, die loco advocaat Walter Van Steenbrugge verschijnt voor verzoeker en advocaat Casper François, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is hoofdcommissaris in een lokalepolitiezone.
3.2. Op 17 mei 2021 ontvangt de voorzitter van het politiecollege van de politiezone drie verschillende brieven van de procureur des Konings waarin gewag wordt gemaakt van drie opsporingsonderzoeken ten laste van verzoeker, met name inzake:
– “valsheid in geschriften als openbaar ambtenaar en gebruik ervan te […]”
(hierna: het eerste opsporingsonderzoek);
– “A. Daden van willekeur (schending recht op privacy, recht op eerlijk proces), B. Kennisnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie, C. Inbreuk op de Wet op de Gegevens Bescherming te […]
ten laste van […] n.a.v. het toezichtsrapport dat opgesteld werd door het Controleorgaan op de politionele informatie” (hierna: het tweede opsporingsonderzoek);
XII-9713-2/11
– “schending van het beroepsgeheim te […] op 27.04.2021” (hierna: het derde opsporingsonderzoek), waarover de brief verder vermeldt: “Hieruit is gebleken dat [verzoeker] derden in kennis stelt van door politie vastgestelde strafrechtelijke inbreuken en daaruit voorvloeiende gerechtelijke onderzoeken.”
Deze brieven vermelden telkens dat het betrokken onderzoek toevertrouwd is aan de dienst enquêtes van het Comité P, dat nog geen inzage/afschrift van het dossier kan worden verleend, maar dat de procureur des Konings de politiezone op de hoogte zal houden van het verder verloop van de zaak.
3.3. Op 25 mei 2021 beslist het politiecollege om verzoeker voorlopig te schorsen zonder inhouding van wedde van 26 mei 2021 tot 25 september 2021.
3.4. Op 22 september 2021, 24 januari 2022, 24 mei 2022, 23 september 2022, 24 januari 2023, 25 mei 2023, 25 september 2023 en 23 januari 2024 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen, telkens voor een termijn van vier maanden zonder inhouding van wedde.
3.5. Op 1 april 2022 richt het politiecollege van de politiezone een brief aan de hogere tuchtoverheid. Het politiecollege meldt dat het op 9 maart 2022
kennisnam van de brief van de procureur des Konings van 3 februari 2022, ontvangen op 8 maart 2022, met betrekking tot het derde opsporingsonderzoek, waarin de procureur des Konings meedeelt dat verzoeker zal worden gedagvaard en waarmee de procureur des Konings een kopie van het strafdossier bezorgt voor verder gevolg op tuchtgebied. Het politiecollege maakt met de brief van 1 april 2022 de zaak aanhangig bij de hogere tuchtoverheid.
3.6. Bij brief van 19 april 2022, ontvangen door het politiecollege op 21 april 2022, deelt de procureur des Konings mee dat het derde opsporingsonderzoek werd geseponeerd wegens voorrang aan de tuchtrechtelijke ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269 XII-9713-3/11
afhandeling. De procureur des Konings bezorgt met deze brief tegelijk een kopie van het strafdossier aan het politiecollege. Op 16 juni 2022 richt het politiecollege van de politiezone opnieuw een brief aan de hogere tuchtoverheid waarmee het aangeeft ook deze zaak bij de hogere tuchtoverheid aanhangig te maken.
3.7. Op 5 september 2022 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel gedurende twee maanden op te leggen. Het inleidend verslag wordt aan verzoeker betekend op 6 september 2022.
3.8. Op 6 oktober 2022 dient verzoeker zijn schriftelijk verweer in en op 7 oktober 2022 wordt hij gehoord.
3.9. Op 18 oktober 2022 beslist de hogere tuchtoverheid om toepassing te maken van artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999
‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna:
de tuchtwet) en getuigen te horen.
3.10. De getuigenverhoren vinden plaats op 8 november 2022 en op 16 november 2022.
3.11. Op 6 april 2023 deelt de hogere tuchtoverheid de getuigenverklaringen mee aan verzoeker en verleent hem een aanvullende verweertermijn van 20 werkdagen vanaf de ontvangst van de getuigenverklaringen, te dezen vanaf 11 april 2023.
Op 4 mei 2023 dient verzoeker een aanvullend verweer in.
3.12. Op 5 mei 2023 formuleert de hogere tuchtoverheid het voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde gedurende twee maanden ten bedrage van 10 % op te leggen.
Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad.
XII-9713-4/11
3.13. Op 27 juni 2023 veroordeelt de rechtbank van eerste aanleg te X, zetelend in correctionele zaken, verzoeker tot een gevangenisstraf van zes maanden met gewoon uitstel gedurende drie jaar, onder meer voor feiten van schending van het beroepsgeheim die in de tuchtprocedure eveneens ten laste van verzoeker worden gelegd. Deze veroordeling is evenwel niet definitief, daar verzoeker hoger beroep aantekende.
3.14. Op 7 november 2023 adviseert de Tuchtraad:
“dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1, sub A en B.1 en B.2
bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend;
dat de feiten sub A en B.2 geen tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten;
dat het feit sub B.1 een tuchtinbreuk uitmaakt in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten;
dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 10 % gedurende twee maanden voor het bewezen gebleven tuchtmisdrijf sub B.1 een gepaste straf is.”
3.15. Op 3 januari 2024 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om gedeeltelijk af te wijken van het advies van de Tuchtraad.
3.16. Nadat verzoeker op 15 januari 2024 een schriftelijk verweer heeft ingediend, beslist de hogere tuchtoverheid op 9 februari 2024 om verzoeker de zware tuchtstraf van inhouding van wedde gedurende twee maanden ten bedrage van 10 % op te leggen.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269 XII-9713-5/11
wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
V. Spoedeisendheid
Uiteenzetting in het verzoekschrift
5. In zijn inleidend verzoekschrift voert verzoeker onder het kopje “spoedeisendheid” aan dat de bestreden beslissing “onherroepelijke schadelijke gevolgen met zich mee[brengt] voor verzoeker”.
Verzoeker zet vooreerst uiteen dat hij ernstige reputatieschade lijdt door de bestreden beslissing. Hoewel volgens verzoeker een moreel nadeel doorgaans als volledig herstelbaar wordt beschouwd door de Raad van State, meent verzoeker dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die ervan overtuigen dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen. Verzoeker is immers “in de pers verschenen”, waarbij foute informatie werd verspreid over de tuchtstraf die zou worden opgelegd en de juridische draagwijdte ervan, waardoor het vermoeden van onschuld en het onpartijdigheidsbeginsel zijn geschonden. Verzoeker wijst erop dat de persaandacht niet enkel het gevolg is van de voorlopige schorsing, maar ook op de tuchtprocedure slaat en dat de bestreden beslissing erkent dat de ruchtbaarheid in de pers nadelig was voor verzoeker. Bovendien is de persaandacht deels aan de tuchtoverheid te wijten, daar ze gebaseerd is op “[b]ronnen in de omgeving van [de hogere tuchtoverheid]”.
Ten tweede voert verzoeker ter adstructie van de spoedeisendheid aan dat hij zich nog moet verweren in een correctionele procedure voor het hof van beroep. Hij wijst erop dat er een overlapping bestaat tussen de tenlastelegging D in de strafprocedure en het tuchtfeit B. Door de onterechte vaststelling door de hogere tuchtoverheid dat die feiten bewezen zijn, aan verzoeker toerekenbaar zijn, een tuchtvergrijp uitmaken en een zware tuchtstraf verantwoorden, beïnvloedt de bestreden beslissing zijn verweer in de strafprocedure nadelig. De hangende strafprocedure maakt de zaak spoedeisend nu ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269 XII-9713-6/11
het hof van beroep de laatste feitenrechter is bij wie de strafvordering aanhangig zal zijn.
Verzoeker besluit dat het resultaat van een annulatieberoep niet kan worden afgewacht, daar de schadelijke gevolgen voor zijn reputatie en voor zijn strafproces op dat moment onomkeerbaar zullen zijn. Deze schadelijke gevolgen zouden door een schorsing van de bestreden beslissing worden hersteld, daar die schorsing bij de buitenwereld en het hof van beroep de onterechte indruk zou wegnemen dat de hogere tuchtoverheid rechtmatig heeft besloten dat verzoeker een tuchtvergrijp heeft gepleegd dat noopte tot de opgelegde zware tuchtstraf.
Beoordeling
6. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]
die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een — voortdurende — tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging.
Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269 XII-9713-7/11
toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State).
Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade.
7. Verzoeker voert vooreerst ernstige reputatieschade aan, doordat in de pers foutieve informatie werd verspreid over de tuchtstraf die zou worden opgelegd en over de draagwijdte ervan, zodat het vermoeden van onschuld en het onpartijdigheidsbeginsel zijn geschonden.
In zijn uiteenzetting van de spoedeisendheid verwijst verzoeker in het bijzonder naar één persartikel. Volgens dat artikel is de vraag of verzoeker een tuchtsanctie riskeert “vooralsnog onduidelijk”. “Of en hoe zwaar de man al deze vermoedelijke feiten aangerekend zal krijgen, blijft afwachten”, aldus datzelfde artikel, dat er verder op wijst dat “[b]ronnen in de omgeving van” de hogere tuchtoverheid zich afvragen of “de strafrechtelijke en deontologische feiten zwaarwichtig genoeg zullen blijken voor een strenge sanctie zoals ontslag”.
Volgens diezelfde bronnen lijkt “de kans […] groot dat de man met een blaam overgeplaatst zal worden” naar een andere functie. Het artikel vervolgt dat het zo ver nog niet is, dat er nog geen strafrechtelijke of tuchtrechtelijke uitspraak is, zodat verzoeker “nog steeds het vermoeden van onschuld” geniet.
De Raad van State stelt prima facie vast dat verzoeker niet in concreto uiteenzet hoe uit dat persartikel zou blijken dat het vermoeden van onschuld en het onpartijdigheidsbeginsel zijn geschonden en waarom dit ertoe leidt dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten. Nog ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269 XII-9713-8/11
daargelaten dat de berichtgeving wordt toegeschreven aan “bronnen in de omgeving van” de hogere tuchtoverheid – en dus niet aan de hogere tuchtoverheid zelf – zet verzoeker niet uiteen hoe de berichtgeving foutieve informatie verspreidt over “de tuchtstraf die aan verzoeker zou worden opgelegd en over de draagwijdte ervan”, daar uit het persartikel prima facie net blijkt dat het “zo ver […] nog niet [is]”, alles nog “onduidelijk” is en het “afwachten” blijft. In de mate in dit persartikel – net zoals in de andere door verzoeker bijgebrachte persartikels –
wordt ingegaan op de strafrechtelijke vervolging van verzoeker, daarbij overigens overwegend verwijzend naar andere feiten dan de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, wordt vastgesteld dat verzoeker geen rechtstreeks verband aantoont tussen deze negatieve persaandacht en de bestreden beslissing, laat staan dat verzoeker aantoont dat een schorsing van de bestreden beslissing de negatieve persaandacht en dito gevolgen voor verzoeker zou kunnen wegnemen.
Het vereiste oorzakelijk verband tussen de aangevoerde reputatieschade en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is niet aangetoond. Aldus maakt verzoeker niet aannemelijk dat door de morele schade die dat bij hem veroorzaakt, hij de bestreden beslissing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde.
Verzoekers argument dat de nadelige persaandacht deels aan de tuchtoverheid te wijten is, doet niet anders oordelen. Uit één persbericht blijkt dat “[b]ronnen in de omgeving van” de hogere tuchtoverheid worden geciteerd, doch daarmee maakt verzoeker prima facie nog niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid zelf aan de bron van het persartikel ligt, noch dat de hogere tuchtoverheid het vermoeden van onschuld of het onpartijdigheidsbeginsel heeft geschonden.
8. Voorts steunt verzoeker de spoedeisendheid op het gegeven dat hij zich nog moet verweren in de correctionele procedure voor het hof van beroep en dat zijn verweer in die procedure ongunstig wordt beïnvloed door de bestreden beslissing. Verzoekers uiteenzetting vertrekt van de premisse dat het gegeven dat de tuchtoverheid zich al heeft uitgesproken over het bewezen zijn van welbepaalde feiten – feiten waarover de strafrechter zich nog moet buigen –, over de toerekenbaarheid ervan aan verzoeker, alsook over de kwalificatie ervan als een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269 XII-9713-9/11
tuchtvergrijp en de tuchtrechtelijke straftoemeting, een “onterechte indruk” op de strafrechter, te dezen het hof van beroep, zou maken.
Verzoekers uitgangspunt faalt. Het tuchtrecht en het strafrecht worden immers gekenmerkt door hun eigen aard en doel (Arbitragehof 7 december 1999, nr. 129/99, ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.129). Ook al dient de tuchtoverheid rekening te houden met de beoordeling van de feiten door de strafrechter, toch blijven tuchtrecht en strafrecht autonoom ten opzichte van elkaar (GwH 16
februari 2012, nr. 20/2012, punt B.2., ECLI:BE:GHCC:2012:ARR:20). Hoewel de tuchtoverheid rekening moet houden met de beoordeling van de feiten door de strafrechter, toont verzoeker niet aan dat ook het omgekeerde het geval zou zijn.
Verzoeker maakt geenszins aannemelijk dat de strafrechter gebonden zou zijn of zich gebonden zou achten door de beoordeling van de feiten door de tuchtoverheid.
Deze niet onderbouwde vrees noch het loutere gegeven dat de strafprocedure voor dezelfde feiten nog hangende is, verantwoordt de spoedeisendheid van de vordering.
9. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid.
VI. Conclusie
10. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt.
XII-9713-10/11
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Ann Coolsaet
XII-9713-11/11
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.269
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.129
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...