ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.597

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.597 Rolnummer: A. 239575/XII-9573 Zaak: Arrest 261597 - Dierenwelzijn - 29/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-03 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-06-03 08:52 Fiche Arrest nr 261.597 van 29 november 2024 Sociale zaken...

Source officielle

32 min de lecture 6,987 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 29 november 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.597

Rolnummer:

A. 239575/XII-9573

Zaak:

Arrest 261597 – Dierenwelzijn – 29/11/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-12-03

Raadplegingen:

224 – laatst gezien 2026-06-03 08:52

Fiche

Arrest nr 261.597 van 29 november 2024 Sociale zaken en volksgezondheid
– Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105
ecli_prefixe ECLI
ecli_pays BE
ecli_cour GHCC
ecli_cour_old
ecli_annee 2020.ARR.105
ecli_ordre
ecli_typedec
ecli_datedec
ecli_chambre
ecli_nosuite
Invalid ECLI ID – 4 element(s)
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID – 4 element(s)
ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109
ecli_prefixe ECLI
ecli_pays BE
ecli_cour GHCC
ecli_cour_old
ecli_annee 2010.ARR.109
ecli_ordre
ecli_typedec
ecli_datedec
ecli_chambre
ecli_nosuite
Invalid ECLI ID – 4 element(s)
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID – 4 element(s)

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 261.597 van 29 november 2024
in de zaak A. 239.575/XII-9573
In zake : 1. de VZW GLOBAL ACTION IN THE INTEREST OF
ANIMALS (GAIA)
2. de VZW HET BLAUWE KRUIS VAN BELGIË
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Godfroid kantoor houdend te 2970 ’s-Gravenwezel Drijverslaan 13
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586/9
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
J.D.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Godfroid kantoor houdend te 2970 ’s-Gravenwezel Drijverslaan 13
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 13 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van “de bestemmingsbeslissing van onbekende datum (ze dateert vermoedelijk van eind mei 2023) waarbij beslist is dat de hond met chipnummer 972 274 001 289 015, door de politie in beslag genomen op 25 april 2023, moet worden teruggeven aan de eigenaar ( = aan de BVBA Puppyhouse met zaakvoerder [M.C.]”.
XII-9573-1/19
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 november 2023. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2024.
Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Anthony Godfroid, die verschijnt voor de verzoekende partijen en de tussenkomende partij, en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
XII-9573-2/19
III. Feiten
3.1. De lokale politie stelt op 25 april 2023 in een dierenwinkel van de bv Puppyhouse overtredingen op het dierenwelzijn vast. Een hond wordt administratief in beslag genomen.
3.2. Het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving beslist op 26 mei 2023 om, in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: wet van 14 augustus 1986), de hond terug te geven aan de verantwoordelijke ervan.
Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd:
“De vaststellingen en foto’s geacteerd in PV AN.63.L7.003672/2023:
– De politie heeft op 25/04/2023 een melding ontvangen dat er bij Puppyhouse puppy’s stervende zouden zijn en dat medische zorgen geweigerd zouden zijn door de eigenaar.
– De eigenaar is met vakantie, de politie wordt door het personeel binnen gelaten.
– Er liggen 2 pups onder een warmtelamp bij de moeder in een kennel. De pups zouden 2 dagen oud zijn. Ze bewegen slechts minimaal. Er is voldoende voeder en water aanwezig voor de teef.
– De teef werd vanuit het buitenland ingevoerd en zou er slechts 1 week verblijven.
– De eigenaar zou gezegd hebben tegen het personeel dat een dierenarts niet noodzakelijk is en dat als de pups zouden sterven het dan maar zo is.
– De pups worden in beslag genomen en overgebracht naar een dierenarts voor dringende medische zorgen. Voor vertrek sterft 1 van de pups, de andere bij de dierenarts.
– De 4 reeds gestorven pups worden eveneens meegegeven.
– Meester Godfroid wenst in zijn hoedanigheid van raadsman van GAIA als getuige verhoord te worden. Hij voegt eveneens een aantal documenten toe aan zijn verhoor.
Het verhoor van medewerker […] op 25/04/2023 waarin zij onderstaande verklaart:
– In de nacht van 22 op 23/04/2023 is de hond bevallen. Op 23/04/2023 was alles op het eerste zicht in orde. Op 24/04/2023 was er weinig beweging op [te] merken bij de pups. Ze voelden koud aan en sommige waren stijf.
– Ze heeft naar dierenarts [W.] gebeld. Hij adviseerde om de warmtelamp boven de pups te hangen en ze verder met rust te laten.
– Er mocht van [C.] niemand anders komen.
– Rond 18u op 24/04/2023 waren er al 2 pups dood. Omstreeks 22u waren er nog 2
gestorven.
– ’s Morgens op 25/04/2023 waren de overgebleven pups ook zo goed als dood.
– Het personeel zorgt voor de honden tijdens de openingsuren van de winkel.
XII-9573-3/19
Wanneer de winkel dicht is, zorgt er niemand voor de honden. Wanneer er problemen zijn met de dieren, moet er aan [C.] toestemming gevraagd worden om een dierenarts te bellen.
– [C.] moet in mei voor de rechtbank komen omdat hij een dode hond in de container had gegooid.
Het verhoor van [C.] op 05/05/2023 waarin hij onderstaande verklaart:
– Op 24/04/2023 heeft [medewerker] aan hem laten weten dat er iets mis was met de pups. [C.] heeft dan gezegd dat ze met de dierenarts moest bellen. De dierenarts zou dan geprobeerd hebben om [medewerker] terug te bellen, maar zij nam toen niet op.
– De dierenarts had geadviseerd om een warmtelamp boven de pups te hangen, ze met een fles melk te geven en om te proberen ze bij een andere teef te leggen. De teef liet de pups niet toe.
– Een tweede dierenarts die hij heeft gecontacteerd wilde niet komen. De derde dierenarts, [S.G.], kon niet komen. [C.] heeft op 24/04/2023 omstreeks 15:59u een bericht naar zijn dierenarts gestuurd dat hij moest komen of dat het anders te laat zou zijn.
– Volgens [C.] is de moeder negatief getest op parvo, en zijn ook de pups negatief.
– Op de vraag of er ’s nachts iemand aanwezig is, antwoordt [C.] dat alles onder camerabewaking staat en er [een] branddetectiesysteem aanwezig is.
– De dierenarts heeft hem gezegd dat als een hond voor de eerste keer bevalt het kan gebeuren dat er pups doodgaan.
– [C.] verklaart dat de teef op 13/04/2023 is toegekomen vanuit Hongarije en dat de pups op 23/04/2023 geboren zijn. (de worpfiche en het tracescertificaat met nummer INTRA.EU.HU.2023.0010021 bevinden zich in bijlage bij het verhoor)
Verklaring Dr. [W.V] van […] toegevoegd bij het verhoor van [C.]:
– Hij heeft op 13/04/2023 een drachtdiagnose uitgevoerd bij 3 teckels, waaronder de teckel die voorwerp uitmaakt van deze beslissing. Hij heeft de honden gezond bevonden en door middel van echografisch onderzoek vastgesteld dat ze drachtig waren.
– Op 24/04/2023 omstreeks 8u20 heeft een medewerksters van Happy Doggy (noot van de opsteller: dit is de commerciële naam van Puppyhouse bvba) hem gebeld dat de teef de pups niet aanvaardde en dat ze onrustig waren. Hij heeft dan telefonisch geadviseerd om de pups onder een warmtelamp te leggen en de teef zacht te dwingen de pups te laten zuigen zodat haar moederinstinct kon ontwikkelen.
– Bij het tweede contact omstreeks 9u heeft hij geadviseerd om de pups te voeden via een andere aanwezige teef of via een flesje. (noot van de opsteller: dit contact wordt gestaafd via het oproeplogboek van zijn smartphone)
– Hij kon niet ter plaatse komen.
– Op 25/04/2023 omstreeks 10u10 heeft hij de medewerkster tweemaal opnieuw gebeld, maar deze nam niet op. (noot van de opsteller: dit contact wordt gestaafd via het oproeplogboek van zijn smartphone)
Het dierenartsverslag van de dierenarts van het asiel waaruit blijkt dat:
– Op 25/04/2023 werden een teckel teef en 6 pups aangeboden. 5 van de pups waren reeds overleden, de 6de stierf in de praktijk.
– De teef was alert en vertoonde normaal moedergedrag.
– Ze was mager, wat niet abnormaal is na een dracht.
– De rectale temperatuur was gestegen, maar dit bleek achteraf te wijten aan opwinding.
– De teef had geen melkklierontsteking en er kwam voldoende melk uit de tepels bij handmatig melken.
– De rectale parvo witness swab bij 1 pup testte positief.
– Twee pups werden voor pathologisch onderzoek opgestuurd naar de faculteit diergeneeskunde te Merelbeke.
Het verslag van het pathologisch onderzoek van 2 pups waaruit blijkt dat:
XII-9573-4/19
– Sterfte tgv sepsis via navelinfectie.
– Geen histopathologische tekenen van parvovirusinfectie.
De dierenarts werd geraadpleegd om de zieke pups te onderzoeken, maar heeft enkel telefonisch advies gegeven. Er werd bij 2 pups na pathologisch onderzoek vastgesteld dat ze een sepsis doormaakten. De pups konden enkel geholpen worden met een doortastende diergeneeskundige behandeling. De dierenarts heeft echter nagelaten de pups te onderzoeken en zijn advies te baseren op degelijk klinisch onderzoek. [C.] heeft op basis van het advies van zijn dierenarts geen verdere stappen ondernomen.”
3.3. De tweede verwerende partij laat weten dat het pleeggezin waarbij het hondje verbleef (i.e. de tussenkomende partij) de hond heel graag wou overnemen, dat de eigenaar van de hond daarmee akkoord ging en alles onderling geregeld is. De tussenkomende partij heeft 500 euro betaald aan de bv Puppyhouse.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie inzake het belang
4. De verwerende partij werpt de volgende exceptie op:
“Aangaande eerste verzoekende partij […]Conform vaste rechtspraak van Uw Raad binnen het contentieux van het dierenwelzijn volstaat een ruime omschrijving van het maatschappelijk doel niet om het belang tot vernietiging van het bestreden besluit te aanvaarden en vormt de bekommernis om geen onwettige besluiten uitwerking te laten krijgen als actio popularis evenmin een wettig belang.
[…]Op geen enkele wijze wordt enig persoonlijk nadeel aangetoond in het verzoekschrift. In tegendeel, er wordt enkel gesteld dat eerste verzoekende partij wil verhinderen dat de BVBA Puppyhouse ‘vruchten zou kunnen plukken van een misdrijf’. Als belang wordt enkel verwezen naar de doelstelling van eerste verzoekende partij om inbreuken op de dierenwelzijnswet te verhinderen, hetgeen per definitie een actio popularis uitmaakt.
Essentieel is uiteraard dat het dier, zoals blijkt uit de verklaringen van tweede verzoekende partij, nu eigendom is geworden van een pleeggezin waarmee alles werd afgerond. Het lijkt erop dat verzoekende partijen dit stuk (communicatie van henzelf ) zijn vergeten. Het beweerde nadeel waartegen eerste verzoekende partij zich beweert te verzetten (eigendomsteruggave aan BVBA Puppyhouse), kan zich aldus niet realiseren.
[…]Bij gebrek aan direct, persoonlijk belang dient de vordering in hoofde van eerste verzoekende partij dan ook onontvankelijk verklaard te worden.
[…]Aangaande tweede verzoekende partij […]Tweede verzoekende partij is het asiel waar de hond met chip met nummer 972274001289015 tijdelijk werd ondergebracht in toepassing van de beslissing tot inbeslagname.
XII-9573-5/19
Tweede verzoekende partij ent haar belang enerzijds op de omstandigheid dat haar inziens de hond niet mag worden teruggeven aan de BVBA Puppyhouse aangezien dit het welzijn van het dier zou schade[n] en zo haar beschermingsdoelstelling zou schaden (i) en anderzijds omdat door de bestemmingsbeslissing zij geen vergoeding zou kunnen stellen lastens de BVBA Puppyhouse (ii).
[…]Het staat buiten discussie dat tweede verzoekende partij geen recht kan laten gelden t.a.v. het eigendomsstatuut van het middels het bestreden besluit aan de BVBA Puppyhouse toegewezen dier. Het dier werd slechts tijdelijk overgebracht naar het dierenasiel in afwachting van de bestemmingsbeslissing. Tweede verzoekende partij kan dan ook niet voorhouden dat zij op rechtmatige wijze kan nastreven het dier in volle eigendom te krijgen.
Uw Raad zal vaststellen dat de statuten waarnaar verwezen worden bijzonder ruim en algemeen zijn en daarenboven nergens vermelden dat zij tweede verzoekende partij in staat moeten stellen om procedures op te starten t.a.v. het eigendomsstatuut van dieren die tijdelijk in haar inrichting worden ondergebracht.
Essentieel is uiteraard dat het dier, zoals blijkt uit de verklaringen van tweede verzoekende partij zelf, nu eigendom is geworden van een pleeggezin waarmee alles werd afgerond. Het lijkt erop dat verzoekende partijen dit stuk (communicatie van henzelf) zijn vergeten. Het beweerde nadeel waartegen ook tweede verzoekende partij zich beweert te verzetten, kan zich aldus niet realiseren.
[…]Wat betreft het tweede beweerde nadeel, dient opgemerkt te worden dat de dierenwelzijnswet geenszins een onderscheid maakt voor wat betreft de aansprakelijkheid in geval van enerzijds beslissingen waar de dieren in volle eigendom worden gegeven aan het asiel en anderzijds beslissingen waar de dieren worden teruggeven. In beide gevallen zijn de kosten gemaakt in het kader van de inbeslagname voor de verantwoordelijke zoals uitdrukkelijk vermeld in artikel 42 § 5 dierenwelzijnswet:
[…]
Het is dus tevens niet correct om te stellen dat bepaalde kosten in deze context niet zouden kunnen worden teruggevorderd die in het geval van een andersluidende beslissing wel konden worden teruggevorderd. Daarnaast is het niet mogelijk om het dier in kwestie terug te geven aan het asiel, waardoor deze hypothese in ieder geval niet relevant is. De vergelijking met een situatie waar het dier in volle eigendom aan het asiel zou zijn gegeven, gaat dus sowieso niet op aangezien de vernietiging van het bestreden besluit dit niet tot gevolg zou hebben.
[…]
De kosten die verbonden zijn aan de inbeslagname worden onbetwistbaar bij de eigenaar gelegd. Indien er discussie zou bestaan over welke kosten wel voor terugbetaling in aanmerking komen en welke niet, is dit een geheel ander geschil dat tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbank hoort aangezien het subjectieve rechten aanbelangt.
[…]Bij gebrek aan direct, persoonlijk belang dient de vordering in hoofde van tweede verzoekende partij dan ook onontvankelijk verklaard te worden.”
5. De verzoekende partijen zetten hun belang uiteen in het verzoekschrift:
“A. Het belang van VZW Het Blauwe Kruis van België VZW Het Blauwe Kruis stelt zich volgend doel (zie artikel 3 van de Statuten van VZW Het Blauwe Kruis van België): ‘De vereniging heeft als hoofdzakelijk maatschappelijk doel de bescherming en het welzijn van de dieren. Zij heeft ook als
XII-9573-6/19
maatschappelijk doel de bescherming van de natuur in het algemeen en van de dierenwereld in het bijzonder. Daarenboven, heeft zij ook als doel de bevordering van een goede mens-dier relatie. Om dit maatschappelijk doel te verwezenlijken zal zij zorg dragen het publiek hieromtrent objectief te informeren en op te voeden ten einde hem beter te doen begrijpen hetgeen leeft. Zij zal mogen deelnemen aan onderzoekswerken betreffende problemen die voortvloeien uit het dierenwelzijn en aan het zoeken van adequate oplossingen in een realistische en rationele geest.
Zonder dat deze opsomming limitatief is, mag zij asielen voor alle diersoorten, dierenparken, desgevallend hondenscholen en opleidingen met betrekking tot het dierenwelzijn organiseren. Zij mag alle daden stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op haar maatschappelijk doel. Zij zal ondermeer haar steun kunnen verlenen aan alle gelijkaardige activiteiten door samen te werken, hetzij met andere nationale of internationale verenigingen, hetzij met de nationale, gewestelijke, provinciale of plaatselijke overheden. Ten dien einde, mag zij alle erkenningen aanvragen als naar recht en, indien zij dat nodig acht, een vertegenwoordiging vorderen in de schoot van officiële organismen.’ De bestemmingsbeslissing heeft een rechtstreekse impact op het asiel:
– Het asiel heeft als bestaansreden dieren te beschermen en hun welzijn te verzekeren.
Het is in die optiek dat VZW Het Blauwe Kruis van België asiel aanbiedt aan dieren die nood hebben aan bescherming. De teckel met chipnummer 9722 7400 1289 015
is een dergelijk dier. De BVBA Puppyhouse zag dit dier louter als een middel om snel en eenvoudig geld te verdienen: het teckel-teefje in kwestie werd hoogzwanger illegaal (!) geïmporteerd vanuit Hongarije om daarna te bevallen in Boechout.
Wanneer het dier op 23 april 2023 bevalt, wordt er niet omgekeken naar haar puppy’s die allemaal gestorven zijn. Het is veelzeggend dat het personeel aan de alarmbel moet trekken en de politie belt: zie […] verhoor door de politie van 25
april 2023 van [medewerkster], personeelslid, krachtens artikel 42, § 1/1, van de Dierenwelzijnswet overgemaakt aan de Dienst Dierenwelzijn[…]. Op 25 april 2023
verklaart het personeelslid in kwestie, [medewerkster], dat de hond met chipnummer 9722 7400 1289 015 op 23 april 2023 bevallen was van 6 puppy’s, dat er op 24 april 2023 omstreeks 18 uur al twee dood waren, dat zij om 22 uur nog eens kwam kijken (omdat de zaakvoerder en diens echtgenote op vakantie waren wat betekent dat er niemand voor de dieren zorgt van 18.00 uur ’s avonds tot 8 uur ‘s morgens) en dat er dan nog eens 2 dood lagen. ’s Ochtends, de 25ste april, waren de laatste 2 nog overblijvende puppy’s stervende. [Medewerkster] verklaart dat het haar niet toegestaan was een dierenarts erbij te halen.
Dat de politie, geconfronteerd met dergelijke toestanden, overgaat tot inbeslagname op grond van artikel 42, § 1 van de Dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986, is niet meer dan logisch. Dat het asiel daarna akkoord is om onderdak te bieden aan dergelijk ernstig tekortgedaan moederdier dat net al haar puppy’s verloren heeft, is even logisch.
De beschermingsmaatregel genomen door de politie op 25 april 2023 is door de verwerende partij teruggedraaid met de bestreden beslissing. De verwerende partij weet nochtans hoe er met het teckel teefje in kwestie was omgegaan door de BVBA
Puppyhouse. De bestreden beslissing schaadt VZW het Blauwe Kruis van België in de beschermingsdoelstellingen die het asiel zich ten aanzien van dieren gesteld heeft; de bestreden beslissing benadeelt VZW het Blauwe Kruis van België.
De vernietiging door de Raad van State van de bestreden beslissing neemt dit nadeel voor VZW het Blauwe Kruis van België weg.
Conclusie: VZW het Blauwe Kruis van België beschikt over het rechtens vereiste belang om de vernietiging na te streven van de bestreden beslissing.
– Na de inbeslagname (op 25 april 2023) door de politie is, zoals gezegd, het inbeslaggenomen moederdier van het ras teckel (chipnummer: 9722 7400 1289
015) ondergebracht bij verzoekende partij sub 2 in afwachting van een
XII-9573-7/19
bestemmingsbeslissing. Op grond van artikel 1382 (oud) van het Burgerlijk Wetboek, samen gelezen met (bijvoorbeeld) artikel 4 van de Dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986, kan het dierenasiel de kosten van verzorging, plaatsing en verblijf van een, in asiel genomen dier terugvorderen van de verantwoordelijke. […] Slechts wanneer er een bestemmingsbeslissing genomen wordt die het dier definitief in eigendom toewijst aan het asiel kunnen opvang- en veterinaire kosten teruggevorderd worden van de persoon bij wie de inbeslagname heeft plaatsgevonden […]. De bestreden beslissing maakt dit nu onmogelijk: gelet op de bestemmingsbeslissing kan verzoekster sub 2 geen schadevergoedingseis stellen lastens de BVBA Puppyhouse. De vernietiging van de bestreden beslissing maakt dat wel terug mogelijk. Conclusie: niet alleen op moreel vlak, maar ook op financieel/pecuniair vlak beschikt verzoekster sub 2 over het rechtens vereiste belang om de vernietiging na te streven van de bestreden beslissing.
Conclusie: zowel op moreel, als op financieel/pecuniair vlak beschikt verzoekster sub 2 over het rechtens vereiste belang om de vernietiging van de bestreden beslissing na te streven voor de Raad van State. Het verzoekschrift, voor zover het uitgaat van verzoekster sub 2, is ontvankelijk.
B. Het belang van VZW GAIA
[…]
GAIA heeft er in deze zaak wel degelijk belang bij dat de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer wordt verwijderd. Door de bestreden beslissing zou de BVBA Puppyhouse namelijk het hoogzwanger geïmporteerd teckelteefje terugkrijgen terwijl het dier net door Puppyhouse (en diens zaakvoerder) […]
onwaardig behandeld was. Bovendien is het dier in kwestie (chipnummer 972 274
001 289 015) illegaal geïmporteerd door de BVBA Puppyhouse op 12/13 april 2023
én wist de dienst dierenwelzijn dit, minstens behoorde de dienst dit te weten. Door aan een kweker-handelaar, die over één van de slechtste reputaties in de sector beschikt (zoals bevestigd door verschillende ex-personeelsleden), een dier terug te geven dat door diezelfde kweker-handelaar de maand eerder illegaal is geïmporteerd, faciliteert de verwerende partij een inbreuk op de dierenbeschermende wetgeving (namelijk een inbreuk op artikel 19/5 van het Koninklijk Besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren).
Minstens dient geoordeeld te worden dat de verwerende partij de inbreuk doet verder duren, daar waar het net de verwerende partij is die bij machte is om de inbreuk te doen ophouden. Nog anders uitgedrukt: met de bestreden beslissing zorgt de verwerende partij ervoor dat Puppyhouse de vruchten kan plukken van een misdrijf (immers de bestreden beslissing maakt het bijvoorbeeld mogelijk voor de BVBA Puppyhouse om het dier opnieuw te verkopen).
Door de vernietiging na te streven van de bestreden beslissing handelt GAIA dan ook conform artikel 4, § 1, derde gedachtestreepje van haar statuten: ‘het opkomen voor de rechten van deze dieren, onder meer op waardig leven en sterven, op respectvolle behandeling en op de wettelijke bescherming van hun leven en welzijn.’ Nog volgens artikel 4, § 1 van haar statuten stelt GAIA zich als doel om: ‘de bestaande dierenbeschermende wetten te doen naleven en te ijveren voor regelgeving die steeds beter tegemoetkomt aan de belangen en de rechten van dieren zoals hoger vermeld. In dat opzicht stelt de vereniging zich ook tot doel bij te dragen tot de bewustwording dat deze dieren ethisch belangrijke en waardevolle levende wezens zijn, en tot een samenleving die voor deze dieren zorg draagt en deze wezens respecteert.’ Door de bestreden beslissing wordt de BVBA Puppyhouse in staat gesteld voordelen te putten uit het plegen van een misdrijf (namelijk de illegale import) en worden zodoende de bestaande dierenbeschermende wetten niet nageleefd
XII-9573-8/19
(concreet gaat het om artikel 19/5, § 3°, b) van het Koninklijk Besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren, strafbaar gesteld via artikel 41 van de Dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986).
GAIA heeft er belang bij dat een overheidsbeslissing met dergelijke gevolgen uit het rechtsverkeer verwijderd wordt. Net zoals verzoekster sub 2, beschikt ook GAIA over het rechtens vereiste belang om de bestreden beslissing te laten vernietigen door de Raad van State. Conclusie: het verzoekschrift, voor zover het uitgaat van GAIA, is ontvankelijk aangezien de bestreden beslissing GAIA moreel nadeel berokkent en de vernietiging van de beslissing dit nadeel kan doen ophouden.”
6. De verzoekende partijen repliceren in de memorie van wederantwoord wat het belang van de tweede verzoekende partij betreft:
“Dat de BVBA Puppyhouse nog eens 500 euro kan verdienen door het dier te verkopen op 25 juni 2023 aan [de tussenkomende partij] is cru en ontneemt het dierenasiel haar belang niet. Het dierenasiel heeft er belang bij dat een dier dat wel degelijk aan haar is toegewezen geweest (in casu door de politie van de politiezone MINOS) niet kan terugkeren naar de persoon waar het dier in beslag is genomen om redenen van inbreuken tegen de dierenwelzijnswetgeving die nota bene in onderzoek zijn bij de onderzoeksrechter (concreet: onderzoeksrechter[K.T.], onderzoeksrechter te Antwerpen).
[…]
In de memorie van antwoord wordt erop gewezen dat de bestreden beslissing (waar het asiel pas een kopie van heeft gekregen in september 2023) vermeldt dat de BVBA Puppyhouse / zaakvoerder [C.] een vergoeding verschuldigd is voor de kosten verbonden aan de inbeslagname. Echter, deze vergoeding is niet verschuldigd aan het asiel maar aan de afdeling Dierenwelzijn. Het asiel heeft dan ook wel degelijk een pecuniair belang bij het niet-toewijzen van het dier aan de heer [C.].”
Wat het belang van de eerste verzoekende partij betreft, wordt in de memorie van wederantwoord de uiteenzetting van het belang in het verzoekschrift hernomen.
7. In de laatste memorie voegen de verzoekende partijen, wat de eerste verzoekende partij betreft, toe:
“De auditeur erkent impliciet dat de BVBA Puppyhouse inderdaad 500 euro verdiend heeft bij de verkoop aan [de tussenkomende partij] maar stelt dat dit dan maar moet ongedaan gemaakt worden via de figuur van de verbeurdverklaring (uit te spreken door de strafrechter). Het verhinderen dat een handelszaak in dieren voordelen kan putten uit een misdrijf zou ‘geen belang zijn dat geld voor de administratieve rechter’.
XII-9573-9/19
Nochtans dient de administratieve rechter onwettigheden vast te stellen en over te gaan tot vernietiging bij vaststelling van dergelijke onwettigheid. De visie van de auditeur is bovendien nogal cynisch. Wanneer aan een recidiverende dierenmishandelaar 500 euro wordt gegeven om een dier als het ware van hem ‘vrij te kopen’, dan verliest de zaak haar actualiteit. Dat de handelaar in kwestie nooit die 500 euro had kunnen incasseren zonder de aanwezigheid van een onwettigheid in een administratieve rechtshandeling wordt vergeten.”
Voorts voegen de verzoekende partijen nog toe:
“Omwille van de principieel ruim op te vatten toegang tot de rechter mag de belangvereiste niet op een overdreven formalistische of restrictieve wijze worden toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010).
In zijn verslag gaat de auditeur zo ver dat hij zelfs het faillissement van de BVBA Puppyhouse – faillissement dat niet los kan gezien worden van de lange lijst veroordelingen / schandalen in verband met deze onderneming – ambtshalve inroept om te stellen dat geen enkele partij (GAIA niet, het Blauwe Kruis niet en ook [de tussenkomende partij] niet) nog over een actueel belang beschikt.
Welnu, dat de hond met chipnummer 972 274 001 289 015 niet terug is afgegeven aan de BVBA Puppyhouse is ten gevolge van de betaling van 500 euro door [de tussenkomende partij]. Het wordt hier benadrukt: de 500 euro is niet aan het dierenasiel betaald (het gaat dus niet om een adoptie), doch aan de inbreukpleger.
Zonder de bestreden beslissing had deze verarming resp. verrijking niet plaatsgevonden. De verwerende partij stelt dat de opvangkosten verhaald worden door diezelfde verwerende partij op de BVBA Puppyhouse, maar daar ligt geen enkel bewijs van neer. In dit geval lijkt er geen enkele vordering te zijn gelegd door de verwerende partij inzake opvangkosten voor de inbeslagname van april 2023.
Indien het standpunt inzake de niet-ontvankelijkheid van auditeur Eggermont gevolgd wordt, dan zouden bestemmingsbeslissingen in de praktijk niet aanvechtbaar worden voor de Raad van State:
1) Indien het dier wel was teruggeven aan de BVBA Puppyhouse dan was het al lang teruggestuurd (want de bevalling had plaatsgevonden; de BVBA Puppyhouse stuurt in dat geval de moederdieren altijd terug naar het land van herkomst (hier Hongarije)): ook hier zouden de verzoekende partijen dan geen actueel belang meer hebben.
2) Indien het dier niet was teruggeven aan de BVBA Puppyhouse en er geen 500 euro vrijkoopsom was betaald door [de tussenkomende partij], dan dreigde het dierenasiel (+ [de tussenkomende partij]) het voorwerp uit te maken van een procedure bij de rechtbank van eerste aanleg houdende uitvoering, onder dreiging van het verbeuren van dwangsommen, van een overheidsbeslissing die vermoed wordt wettig te zijn (cfr. de zaak 236.568, VIIde kamer Raad van State)
In de zaak die voorgelegd wordt aan de Raad van State is het zonneklaar dat het hele systeem van de ‘white list’ omzeild is, dat de verwerende partij dit zeer zeker wist en dat desondanks het dier met chipnummer 972 274 001 289 015 toch is teruggeven aan de BVBA Puppyhouse (recidivist als het gaat om het plegen van inbreuken op de Dierenwelzijnswet).
Een zaak als deze dient inhoudelijk getoetst te worden, daar dergelijke inhoudelijke toetsing ook de kwaliteit van overheidsbeslissingen finaal ten goede komt. In de praktijk zijn bestemmingsbeslissingen onaanvechtbaar geworden, met het gevolg dat de verwerende partij nauwelijks nog bevreesd moet zijn het voorwerp uit te maken van een vernietigingsarrest van een bestemmingsbeslissing. De kwaliteit van
XII-9573-10/19
de beslissingen is hier het slachtoffer van (wat ook wordt aangetoond in deze zaak:
anders was een illegaal ingevoerde hond nooit teruggegeven).”
XII-9573-11/19
Beoordeling
Algemeen
8. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015).
Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406).
Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.)
22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2 en B.12.2).
Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt
XII-9573-12/19
B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.).
9. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.
Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406).
10. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde.
Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren.
Dit kan van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de verzoekende partij voortvloeit haar niet kunnen worden aangerekend, en de verzoekende partij om die reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die zij aanvoerde (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015).
XII-9573-13/19
Wat de eerste verzoekende partij betreft
11. De eerste verzoekende partij situeert haar belang in essentie binnen haar statutair doel. De bestreden beslissing zou haar moreel nadeel berokkenen en de vernietiging van de beslissing kan dit nadeel doen ophouden.
Tevens wil ze vermijden dat “Puppyhouse de vruchten kan plukken van een misdrijf”.
12. Voor zover de eerste verzoekende partij haar belang situeert binnen haar statutair doel, en meer bepaald verwijst naar artikel 4, § 1, van haar statuten, moet worden vastgesteld dat het omschreven doel blijkt te bestaan in “het opkomen voor de rechten van deze dieren, onder meer op waardig leven en sterven, op respectvolle behandeling en op de wettelijke bescherming van hun leven en welzijn” en “de bestaande dierenbeschermende wetten te doen naleven”.
Overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State volstaat de ruime omschrijving van het maatschappelijk doel van de vereniging op zich niet om het belang bij de vernietiging van een bestuurlijke beslissing te aanvaarden en vormt de bekommernis om geen onwettige besluiten uitwerking te laten krijgen als actio popularis evenmin een wettig belang. Er dient een individueel en persoonlijk belang te worden aangetoond bij de vernietiging van de bestreden beslissing.
Voor zover de eerste verzoekende partij in essentie wil verhinderen dat het dier zou worden teruggegeven aan de betrokken handelszaak en het betrokken dier daar opnieuw wordt mishandeld, verliest de eerste verzoekende partij uit het oog dat het door haar beoogde voordeel niet meer kan worden bereikt door de vernietiging van de bestreden beslissing. De hond is intussen verkocht aan de tussenkomende partij. De eerste verzoekende partij beweert niet dat in het gezin waarvan de hond heden deel uitmaakt, een toestand is te ontwaren met een potentieel gevaar voor het welzijn van het dier. Doordat de hond niet langer vertoeft in de handelszaak, en daar ook niet meer naartoe kan worden gebracht, kan de eerste verzoekende partij het ingeroepen doel van haar
XII-9573-14/19
beroep niet meer bereiken. Die betrachting is namelijk reeds verwezenlijkt door de adoptie van het dier door een derde.
13. De eerste verzoekende partij steunt eveneens op het feit dat door de bestreden beslissing “Puppyhouse de vruchten kan plukken van een misdrijf”.
De gevraagde vernietiging van de bestemmingsbeslissing heeft niet tot gevolg dat de verkoop van de hond door de bv Puppyhouse aan de tussenkomende partij nietig wordt. Het beoogde doel dat de bv Puppyhouse de 500 euro voor de verkoop van de hond zou teruggeven en aldus geen vruchten zou plukken van een misdrijf, kan niet worden verkregen door de gevraagde vernietiging van de bestemmingsbeslissing.
Het uitsluitende belang bij het onwettig horen verklaren van de betrokken beslissing om de toekenning van een schadevergoeding door de rechtbanken van de rechterlijke orde te faciliteren, is eveneens onvoldoende.
14. De eerste verzoekende partij ontbeert een actueel belang bij de nietigverklaring van de bestreden bestemmingsbeslissing.
Wat de tweede verzoekende partij betreft
15. De tweede verzoekende partij voert in essentie twee redenen aan waarom zij meent over het vereiste belang te beschikken. Dit belang, zoals door haarzelf beargumenteerd, is in essentie te situeren 1) binnen haar statutair doel, 2)
op financieel/pecuniair vlak.
16. Voor zover de tweede verzoekende partij haar belang situeert binnen haar statutair doel, moet worden vastgesteld dat het in haar statuten omschreven doel blijkt te bestaan in de bescherming en het welzijn van dieren in de meest algemene zin. Overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State volstaat de ruime omschrijving van het maatschappelijk doel van de vereniging op zich niet om het belang bij de vernietiging van een bestuurlijke beslissing te
XII-9573-15/19
aanvaarden en vormt de bekommernis om geen onwettige besluiten uitwerking te laten krijgen als actio popularis evenmin een wettig belang. Er dient een individueel en persoonlijk belang aangetoond te worden bij de vernietiging van de bestreden beslissing.
De tweede verzoekende partij argumenteert in essentie dat de beschermingsmaatregel die het administratief beslag is, wordt teruggedraaid door de bestreden beslissing, met als resultaat dat zij wordt benadeeld in haar maatschappelijk doel van bescherming en welzijn van dieren. De tweede verzoekende partij verliest daarbij uit het oog dat het door haar beoogde voordeel niet meer kan worden bereikt door de vernietiging van de bestreden beslissing. De ingeroepen aantasting van het welzijn van het betrokken dier is immers beëindigd door de verkoop van het dier aan de tussenkomende partij. Er wordt geenszins aangevoerd dat de opname van de hond in het gezin van de tussenkomende partij niet in het welzijnsbelang van het dier is.
17. De tweede verzoekende partij overtuigt evenmin van haar belang wanneer ze een financieel nadeel inroept.
Enig voordeel kan de tweede verzoekende partij niet bekomen met het uit het rechtsverkeer nemen van de bestreden bestemmingsbeslissing, want in toepassing van artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 ontvangt de tweede verzoekende partij van de Vlaamse overheid sowieso een vergoeding voor de opvang en voor de kosten verbonden aan de opvang van de met toepassing van die bepaling in beslag genomen dieren. Artikel 42, § 1, van de laatstgenoemde wet, bepaalt:
“Wanneer de in artikel 34 bedoelde overheidspersonen een inbreuk op deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of Europese verordeningen of beschikkingen/besluiten vaststellen en deze inbreuk over levende dieren gaat, kunnen zij deze dieren administratief in beslag nemen en indien nodig onderbrengen in een geschikte opvangplaats.
Zij kunnen tevens dieren in beslag nemen wanneer deze gehouden worden in weerwil van een in toepassing van artikel 40 uitgesproken verbod.
Als de dieren die in beslag worden genomen met toepassing van deze paragraaf worden opgevangen in een erkend dierenasiel, bezorgt het erkende dierenasiel aan
XII-9573-16/19
de Dienst een overzicht van de dieren die zijn opgevangen en de tijdsduur waarin ze zijn opgevangen.
Er wordt een vergoeding betaald aan het erkende dierenasiel voor de opvang en voor de kosten verbonden aan de opvang.
De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de vergoeding en de nadere regels van de procedure, vermeld in het derde en vierde lid.”
De vergoeding die de tweede verzoekende partij kan bekomen van de dienst, is geregeld door artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 maart 2021 ‘over de vergoeding voor de opvang van in beslag genomen dieren, de subsidiëring van de erkende dierenasielen en het verhalen op de verantwoordelijke van de kosten voor inbeslagname van dieren’ (hierna:
koninklijk besluit van 19 maart 2021). Artikel 8, § 2, eerste lid, van dat besluit stelt dat “het erkende dierenasiel aan de dienst een overzicht [bezorgt] van de dieren die conform artikel 42, § 1, van de voormelde wet in beslag genomen zijn en die het opvangt. Het erkende dierenasiel vermeldt daarbij ook de tijdsduur waarin het de dieren gedurende de inbeslagname heeft opgevangen en in voorkomend geval de informatie nodig voor het bepalen van de transportvergoeding voor het ophalen van de dieren”. Uit artikel 8, § 2, derde lid, van dat besluit volgt dat de dienst een vergoeding betaalt voor de dieren die het dierenasiel opvangt. Of de bestemmingsbeslissing de dieren teruggeeft aan de verantwoordelijke van het dier of in volle eigendom geeft aan het asiel is niet relevant voor de berekening en betaling van deze kosten.
Geenszins wordt aannemelijk gemaakt dat de voornoemde vergoeding niet volstaat en dat bijkomende kosten kunnen worden verhaald door de tweede verzoekende partij.
Het feit dat de dienst de gemaakte kosten overeenkomstig artikel 42, § 5 , van de wet van 14 augustus 1986 en artikel 9 van het koninklijk besluit van 19 maart 2021 kan verhalen op de verantwoordelijke van het dier verandert niets aan de voorgaande analyse.
18. Uit al het voorgaande volgt dat de tweede verzoekende partij aan de hand van haar uiteenzetting in verband met haar belang er niet in slaagt aan te
XII-9573-17/19
tonen over het rechtens vereiste belang bij haar beroep te beschikken. Met haar uiteenzetting heeft zij meteen ook de grenzen van het debat afgebakend.
19. De tweede verzoekende partij ontbeert een actueel belang bij de nietigverklaring van de bestreden bestemmingsbeslissing.
Conclusie
20. Het beroep tot nietigverklaring is onontvankelijk wegens gebrek aan het rechtens vereiste actueel belang van de eerste en de tweede verzoekende partij bij de vernietiging van de bestreden bestemmingsbeslissing.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
XII-9573-18/19
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Chantal Bamps
XII-9573-19/19

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.597

Gerelateerde publicatie(s)

citeert:

ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406

 

ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015

 

ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.597

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.