ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686 Rolnummer: A. 239563/XIV-39234 Zaak: Arrest 261686 - Prijzen - 10/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-11 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-03 10:44 Fiche Arrest nr 261.686 van 10 december 2024 Economische zaken...

Source officielle

25 min de lecture 5,499 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 10 december 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686

Rolnummer:

A. 239563/XIV-39234

Zaak:

Arrest 261686 – Prijzen – 10/12/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-12-11

Raadplegingen:

98 – laatst gezien 2026-06-03 10:44

Fiche

Arrest nr 261.686 van 10 december 2024 Economische zaken – Prijzen Beslissing
: Vernietiging Verwerping overige

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686 no lien 280438 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 261.686 van 10 december 2024
in de zaak A. 239.563/XIV-39.234
In zake : de BV C.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Schare kantoor houdend te 2018 Antwerpen Van Bréestraat 20
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie en Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 10 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie van 16 juni 2023 houdende de weigering van de aanvraag van de verzoekende partij tot registratie van een handelaar in diamant en/of synthetische diamant.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-39.234-1/18
Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november 2024 om 14.15 uur.
Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Caroline Maes, die loco advocaat Philippe Schare verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Lukas Asselman, die loco advocaat Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij is een vennootschap opgericht bij notariële akte van 22 februari 2023 en heeft, blijkens haar statuten, tot voorwerp onder meer de handel van ruwe en geslepen diamant.
3.2. Op 24 maart 2023 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot registratie van een handelaar in diamant en/of synthetische diamant, overeenkomstig artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 20 november 2019
‘houdende maatregelen betreffende het toezicht op de diamantsector’ (hierna: het koninklijk besluit van 20 november 2019).
XIV-39.234-2/18
XIV-39.234-3/18
3.3. Op 16 juni 2023 wordt deze aanvraag geweigerd, als volgt:
“ 1. De rechtsgrond van de beslissing Artikel 2, § 8, 3° van het koninklijk besluit houdende maatregelen betreffende het toezicht op de diamantsector van 20 november 2019 stelt dat de registratie kan worden geweigerd indien er sprake is van een andere reden die de betrouwbaarheid van de handelaar in diamant en/of synthetische diamant ernstig in het gedrang brengt.
2. De opgave van de feiten De Dienst Vergunningen en Diamant heeft uw aanvraag tot registratie voor [de bv C.D.] goed ontvangen. Deze werd aan een grondig onderzoek onderworpen waaruit wij kennis hebben genomen van volgend element:
•Uit onderzoek via [B.V.D.] kwam aan het licht dat de bestuurder [C.]
in opspraak kwam wegens bankfraude in India (bijlage 1). Dit blijkt ook uit de persartikels uit [H.] (bijlage 2). De feiten dateren wel van 2013 en de heer [C.] kan wel een blanco strafregister voorleggen.
• [C.] was bestuurder van de onderneming [nv D.], die in 2015 wegens faling werd geschrapt en tijdelijk onder gerechtelijk gezag werd geplaatst.
• [C.] is eveneens bestuurder bij [de nv D.S.]. Was in 2015 eveneens failliet, maar dit werd ingetrokken en de onderneming werd heringeschreven in 2016. Uit de jaarrekening van 2021 blijkt dat de onderneming verlieslatend is, en momenteel al een verlies overdraagt naar 2022 van €187.946 (bijlage 3). Ook in de laatste wijzigingen in het uittreksel van de KBO worden al enkele artikelen voorzien in de aanstelling van vereffenaars (bijlage 4).
3. De overwegingen die feitelijk en rechtens aan de basis liggen van de beslissing, tot weigering van de registratie en de datum waarop de weigering uitwerking heeft.
Op basis van bovenstaand gegeven zien we ons genoodzaakt om uw aanvraag tot registratie van handelaar in diamant en/of synthetische diamant te weigeren. Dit in uitvoering van artikel 2, § 8, 3° van het koninklijk besluit houdende maatregelen betreffende het toezicht op de diamantsector van 20 november 2019 dat stelt dat de registratie kan worden geweigerd indien er sprake is van een andere reden bestaat die de betrouwbaarheid van de handelaar in diamant en/of synthetische diamant ernstig in het gedrang brengt.”
Dit is de bestreden beslissing.
XIV-39.234-4/18
IV. Onderzoek van het tweede middel
Standpunt van de partijen
4. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van artikel 2, § 8, 3°, van het koninklijk besluit van 20 november 2019. Zij stelt dat de weigering van haar aanvraag tot registratie als diamanthandelaar gesteund op die bepaling onterecht is.
Zij licht toe dat de andere mogelijke weigeringsgronden vermeld in hetzelfde artikel, namelijk in § 8, 1° en 2°, niet van toepassing zijn omdat alle vereiste documenten zijn ingediend en er geen sprake is van strafrechtelijke veroordelingen. Volgens de bewoordingen van artikel 2, § 8, 3°, van het koninklijk besluit van 20 november 2019 moet er sprake zijn van een reden die de betrouwbaarheid van de handelaar in diamant “ernstig” in het gedrang brengt. In het Verslag aan de Koning bij dit koninklijk besluit worden enkele voorbeelden opgegeven van redenen die aan dit criterium zouden voldoen. De redenen die door de verwerende partij worden aangevoerd om haar betrouwbaarheid in twijfel te trekken, zijn volgens de verzoekende partij niet ernstig genoeg.
Vooreerst wordt verwezen naar oude gebeurtenissen van 2013, zijnde tien jaar geleden, en naar eenzijdige persartikelen die niet geverifieerd werden. Voor zover in de bestreden beslissing wordt gesteld dat uit onderzoek via B.V.D aan het licht kwam dat de bestuurder C. “in opspraak kwam wegens bankfraude in India” en “[d]e feiten dateren […] van 2013”, dateert dit zogezegde rapport – het betreft niet meer dan een onvolledige fiche – van 19 april 2019, en is deze informatie onjuist. In het rapport wordt verwezen naar een Indisch krantenartikel van 2018, waarin sprake is van een burgerlijke procedure (en niet een strafprocedure) tussen de nv D. enerzijds en een bank anderzijds voor een Belgische rechtbank van koophandel. Het is dan ook flagrant onjuist om in de bestreden beslissing te beweren dat C. in opspraak zou zijn gekomen wegens bankfraude in India, terwijl dit niet blijkt uit het aangehaalde rapport. In het krantenartikel wordt nergens het woord “fraud” gebruikt, enkel “defaulted” wat zoveel wil zeggen als “in gebreke zijn”. Ook het in de bestreden beslissing ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686 XIV-39.234-5/18
aangehaalde persartikel is onjuist en partijdig, en de verzoekende partij heeft destijds, in 2021, bij de krant juridische stappen genomen om deze verkeerde informatie recht te zetten. Deze bronnen kunnen bijgevolg geen ernstige redenen vormen in de zin van artikel 2, § 8, 3°, van het voornoemd besluit.
Daarnaast voert de verzoekende partij aan dat het faillissement van de nv D. geen geldige reden kan zijn om haar aanvraag te weigeren, omdat dit onder meer was te wijten aan gerechtelijke procedures tussen de nv D. en haar kredietverlener waartegen de nv D. ook vorderingen heeft ingesteld.
De omstandigheid dat C. bestuurder is van de nv D.S. kan evenmin een geldige reden zijn. Uit de gepubliceerde jaarrekening voor boekjaar 2021 (bijlage 3 bij de bestreden beslissing) blijkt immers dat het eigen vermogen van de nv D.S. een positief saldo heeft, zodat eventuele schulden kunnen worden opgevangen. Bovendien mag de impact van COVID-19 op de wereldwijde diamanthandel niet worden onderschat. De wijzigingen in het uittreksel van de KBO waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, betreffen volgens de verzoekende partij verplichte aanpassingen van de statuten aan de vennootschapswetgeving, het zijn overigens standaardclausules.
De weigering klemt volgens de verzoekende partij des te meer nu de FOD Economie, dienst Vergunningen Diamant, zich eerder in een e-mail had verbonden tot het goedkeuren van haar registratie na het voldoen aan bepaalde voorwaarden, die waren vervuld.
5. In de memorie van antwoord benadrukt de verwerende partij dat uit de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk blijkt dat op grondige wijze onderzoek werd verricht naar de betrouwbaarheid van de verzoekende partij en haar bestuurder, waarna werd besloten dat er verschillende redenen voorhanden zijn die deze betrouwbaarheid ernstig in het gedrang brengen. De verzoekende partij beperkt zich tot louter blote beweringen die het tegendeel niet aantonen.
In het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 20 november 2019 wordt tevens melding gemaakt van de “zeer bedenkelijke ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686 XIV-39.234-6/18
voorgeschiedenis ten tijde van of voorafgaand aan het registratieproces”. Uit het rapport van B.V.D. blijkt dat een bank een miljoenenvordering heeft ingesteld tegen de nv D., met als bestuurder C., en dat de bank heeft ontdekt dat belangrijke informatie werd verzwegen, wat wel degelijk een impact heeft op de betrouwbaarheid van de bestuurder van de verzoekende partij. De verwerende partij benadrukt dat de diamantsector wordt gekenmerkt door de hoge waarde van de te verhandelen goederen en aldus een enorm lucratief karakter heeft. In die zin betaamt het een zorgvuldige overheid om met de nodige voorzichtigheid om te springen bij de registratie van diamanthandelaars. Het feit dat in een rapport van een gespecialiseerd bureau inzake private bedrijfsgegevens melding wordt gemaakt van bankfraude in het verleden door de bestuurder van de aanvrager tot registratie als diamanthandelaar, doet vanzelfsprekend knipperlichten afgaan. Het loutere feit dat dit in een burgerlijke procedure, dan wel in een strafprocedure geschiedde, en het feit dat de verzoekende partij protest heeft geuit tegen deze informatie, doet geen afbreuk aan de waarachtigheid van de opgesomde feiten.
Wat de kritiek op het persartikel betreft, waarin de bestuurder van de verzoekende partij wordt beschuldigd van grootschalige omkoping, geldt ook hier dat de verzoekende partij niet louter kan verwijzen naar haar eenzijdig protest op dit artikel om te stellen dat de inhoud ervan onjuist is. Dergelijke artikelen, des te meer in de context van de diamanthandel, vormen een groot knipperlicht inzake de betrouwbaarheid van de diamanthandelaar.
Daar waar de verzoekende partij kritiek uit op de vaststelling in de bestreden beslissing dat er voor de nv D.S. uit de jaarrekeningen een over te dragen verlies naar 2022 blijkt, toont zij met een blote verwijzing naar het eigen vermogen en naar COVID-19 niet aan dat de verwerende partij zich niet op dit overgedragen verlies kon beroepen. In zoverre de verzoekende partij nog stelt dat de wijzigingen in het uittreksel van de KBO standaardclausules betreffen, toont zij niet aan dat de verwerende partij, door dit aan te halen in de bestreden beslissing, is uitgegaan van onjuiste gegevens.
Voor zover de verzoekende partij ten slotte verwijst naar een e-mail van 4 april 2023 van de verwerende partij, waaruit zou blijken dat zij zich ertoe zou hebben verbonden dat de inschrijving in orde zou komen, miskent de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686 XIV-39.234-7/18
verzoekende partij de rechtsgrond van de bestreden beslissing. Er wordt wel degelijk rekening gehouden met de door de verzoekende partij voorgelegde stukken bij haar aanvraag, en de bestreden beslissing steunt dan ook niet op artikel 2, § 8, 1°, van het koninklijk besluit van 20 september 2019, doch wel op artikel 2, § 8, 3°, ervan, namelijk omdat er redenen voorhanden zijn die de betrouwbaarheid van de handelaar ernstig in het gedrang brengen.
6. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat zij de aanvraag heeft geweigerd door te steunen op de drie aangehaalde elementen “gecombineerd”. Er dient bovendien rekening te worden gehouden met de eigenheid van de diamantsector, die gekenmerkt wordt door de zeer hoge waarde van de te verhandelen goederen, waardoor vanzelfsprekend de nodige voorzichtigheid aan de dag moet worden gelegd bij de beoordelingen van aanvragen tot handelaar in diamant.
Uit de stukken van het dossier en uit de motieven van de bestreden beslissing blijken volgende elementen:
“- de bestuurder van verzoekende partij, [C.], kwam reeds in opspraak wegens bankfraude in India;
– de naam van de bestuurder van verzoekende partij leverde een match op bij het [B.V.D.];
– [een bank] heeft in 2014 een vordering ingesteld tegen [de nv D.], waarvan [C.] bestuurder was, en dit wegens het in gebreke blijven van aflossingen van leningen voor een bedrag van 25.000.000 USD (Amerikaanse dollar);
– er werd beslag gelegd op de onroerende activa van [C.];
– door dezelfde bank werd voor de Belgische rechtbank een vordering ingesteld tot bevriezing van de activa van [C.] wereldwijd;
– [C.] had sinds 2004 een handelskrediet lopen bij [de bank];
– op het moment dat de leningen niet meer werden afbetaald, ontdekte de bank dat [C.] slechts 11 werknemers in dienst had en slechts 100.000 USD
aan diamanten in bezit;
-er zijn persartikelen in [H.] waarin gewag wordt gemaakt van ernstige feiten van omkoperij in hoofde van [C.];
-de onderneming [nv D.] werd in 2015 wegens faling geschrapt en tijdelijk onder gerechtelijk gezag geplaatst;
– [C.] is tevens bestuurder bij [de nv D.S.];
– deze onderneming was in 2015 eveneens failliet, doch werd heringeschreven in 2016;
XIV-39.234-8/18
– uit de jaarrekening van 2021 blijkt evenwel dat deze onderneming verlieslatend is en er een verlies van 187.946 euro wordt overgedragen naar 2022;
in de laatste wijziging van het uittreksel van de KBO worden reeds enkele artikelen voorzien in de aanstelling van vereffenaars.”
Het is het geheel van de omstandigheden zoals hierboven opgesomd – en zoals gemotiveerd in de bestreden beslissing – dat het bestuur ertoe heeft genoopt om te besluiten dat er een reden is die de betrouwbaarheid van de handelaar in diamant en/of synthetische diamant ernstig in het gedrang brengt. Het koninklijk besluit van 20 november 2019 is genomen in uitvoering van de wet van 18 september 2017 ‘tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten’. Binnen deze antiwitwaswetgeving vormt de regulering van de diamantsector een zeer belangrijk onderdeel, gelet op de te verhandelen goederen. Diamanten als product vormen een zeer hoog risico voor witwassen (onder meer wegens de hoge waarde, het duurzaam karakter, het feit dat ze moeilijk te traceren zijn waardoor ze relatief eenvoudig buiten het normale bancaire systeem te verhandelen zijn, de prijsschommelingen,…). Teneinde zoveel mogelijk te vermijden dat inbreuken worden gepleegd, dient de integriteit van handelaren in diamant aan een strenge controle te worden onderworpen.
Wat de kritiek op het onderzoek via B.V.D. betreft, stelt de verwerende partij dat een match in de databank van B.V.D., een gespecialiseerde instantie inzake private bedrijfsgegevens, op zich reeds een belangrijk knipperlicht is, zodat deze informatie niet zonder meer kan worden weerlegd door te stellen dat de informatie te speculatief is. Uit het persartikel gevoegd als bijlage 2 bij de bestreden beslissing blijkt dat, naast de match bij B.V.D., negatieve informatie werd bekomen omtrent C. in het kader van omkoperij. Het loutere feit dat op heden een blanco strafregister kan worden overgelegd, doet geen afbreuk aan de terechte en objectieve vaststellingen uit de bestreden beslissing.
Wat de kritiek op de informatie inzake de nv D. betreft, stelt de verwerende partij dat de faling en het plaatsen onder gerechtelijk gezag van de nv D. op zich elementen zijn die ernstige twijfels doen rijzen bij de
XIV-39.234-9/18
betrouwbaarheid van de handelaar in diamant, waarbij opnieuw moet worden herhaald dat de diamanthandel wordt gekenmerkt door producten van zeer hoge waarde en een groot risico op witwassen. Nergens wordt aannemelijk gemaakt dat deze informatie, die werd gehaald bij een gespecialiseerd bureau, niet correct zou zijn.
Wat de financiële problemen van de nv D.S. betreft, waarvan [C.] de enige bestuurder is, herhaalt de verwerende partij dat moet worden gekeken naar het geheel van alle omstandigheden die worden opgesomd in de bestreden beslissing, om te beoordelen of zij op deugdelijke wijze heeft gemotiveerd waarom er in hoofde van de verzoekende partij redenen zijn die de betrouwbaarheid van de handelaar in diamant ernstig in het gedrang brengen. De verwerende partij is er niet toe gehouden om de motieven van haar motieven te vermelden, zodat niet kan worden vereist dat nog verder wordt gemotiveerd waarom langdurige financiële problemen bij een vennootschap waarvan [C.] de enige bestuurder is, een ernstige aantasting vormen van de betrouwbaarheid van de verzoekende partij. Een precaire financiële situatie op zich kan volstaan, terwijl hoe dan ook uit de andere elementen die aan bod komen in de bestreden beslissing blijkt dat er ernstige redenen bestaan die de betrouwbaarheid van de diamanthandelaar ernstig in het gedrang brengen.
Samenvattend stelt de verwerende partij dat moet worden gekeken naar het geheel van de omstandigheden, in plaats van de elementen louter elk afzonderlijk te beoordelen, dat rekening moet worden gehouden met de eigenheid van de diamantsector, en dat de elementen die aan bod komen in de bestreden beslissing nergens worden weerlegd, doch op blote wijze worden bekritiseerd.
Beoordeling
7. In het tweede middel stelt de verzoekende partij dat de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, geen redenen zijn die de betrouwbaarheid van de handelaar in diamant ernstig in gedrang kunnen brengen,
XIV-39.234-10/18
in de zin van artikel 2, § 8, 3°, van het koninklijk besluit van 20 november 2019, omdat ze hetzij te oud, niet geverifieerd, of onjuist zijn, hetzij niet pertinent zijn.
De verzoekende partij betwist aldus de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing, wat neerkomt op het aanvoeren van een schending van de materiëlemotiveringsplicht. Centraal staat immers de vraag of de verwerende partij op grond van die feiten rechtmatig kon oordelen dat de verzoekende partij niet over de noodzakelijke betrouwbaarheid beschikt voor de uitoefening van de professionele activiteit van handelaar in diamant. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.
8. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
Ter beoordeling van deze grief wordt gewezen op artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 november 2019 dat luidt:
“§ 1 Elke handelaar in diamant en/of synthetische diamant gevestigd op het grondgebied van het Koninkrijk België die transacties van diamant en/of synthetische diamant stelt en/of die een voorraad diamant en/of synthetische diamant aanlegt in de zin van dit koninklijk besluit dient zich eerst te registreren bij de Dienst van de FOD Economie.
Bij de registratie maakt de handelaar in diamant en/of synthetische diamant daarbij de volgende stukken over aan de Dienst van de FOD Economie:
1° bij de registratie van een zelfstandige-natuurlijke persoon in de hoedanigheid van handelaar in diamant en/of synthetische diamant:
[…]
XIV-39.234-11/18
2° bij de registratie van een rechtspersoon in de hoedanigheid van handelaar in diamant en/of synthetische diamant, zowel naar Belgisch recht als deze naar buitenlands recht:
a) een vermelding van het Rijksregisternummer van alle zaakvoerders en/of bestuurders;
b) een weergave van de aandeelhoudersstructuur van de rechtspersoon alsook de namen van de uiteindelijke begunstigden van de rechtspersoon;
c) een vermelding van het ondernemingsnummer toegekend door de Kruispuntbank van Ondernemingen;
d) ofwel een uittreksel van de oprichtingsakte uit het Belgisch Staatsblad of een kopie van deze akte, ingeval het een Belgische vestiging betreft, […]
e) een uittreksel uit het strafregister of gelijkwaardig document van iedere bestuurder, permanente vertegenwoordiger van de rechtspersoon-bestuurder, zaakvoerder en elke bijzondere gemachtigde van de rechtspersoon alsook een uittreksel uit het strafregister van de rechtspersoon, uiterlijk drie maanden oud op het moment van de aanvraag door de aanvrager; […]
f) een overzicht van de eerder uitgeoefende beroepsactiviteiten van ten minste één natuurlijke persoon die de werkzaamheden van de onderneming permanent en daadwerkelijk leidt en een bewijs dat deze persoon over beroepservaring in de diamantsector beschikt, zoals omschreven en vastgelegd door de Dienst van de FOD Economie;
g) een deelnamecertificaat aan een door de Dienst van de FOD Economie goedgekeurde antiwitwasopleiding waarbij de verplichtingen van een handelaar in diamant en/of synthetische diamant worden toegelicht overeenkomstig het koninklijk besluit van 7 oktober 2013, op naam van ten minste één natuurlijke persoon die de werkzaamheden van de onderneming permanent en daadwerkelijk leidt;
[…]
§ 8 De registratie kan worden geweigerd in een van de volgende gevallen:
1° (een) stuk(ken) vermeld in paragraaf 1 wordt (worden) niet overgemaakt;
2° er is sprake van een strafrechtelijke veroordeling van de zelfstandige handelaar in diamant en/of synthetische diamant bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, de rechtspersoon-handelaar in diamant en/of synthetische diamant bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2° of de zaakvoerder(s), bestuurder(s), uiteindelijke begunstigde(n) van deze rechtspersoon, zowel in binnen- of buitenland, die verband houdt met de professionele activiteit van handelaar in diamant en/of synthetische diamant;
3° een andere reden bestaat die de betrouwbaarheid van de handelaar in diamant en/of synthetische diamant ernstig in het gedrang brengt.
Met het oog op het al dan niet weigeren van de registratie, kan de Dienst van de FOD Economie steeds om bijkomende verduidelijking vragen met betrekking tot de voorgelegde stukken. Ingeval de Dienst van de FOD
Economie besluit de registratie te weigeren, dan neemt deze hiertoe een met redenen omklede beslissing met identificatie van de vastgestelde feiten en de grond(en) tot weigering.
[…]”
9. Het voormelde materiëlemotiveringsbeginsel impliceert te dezen dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686 XIV-39.234-12/18
bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat de verzoekende partij niet over de noodzakelijke betrouwbaarheid beschikt om de professionele activiteit van handelaar in diamant en/of synthetische diamant uit te oefenen. Artikel 2, § 8, 3°, van het koninklijk besluit van 20 november 2019
bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria die betrouwbaarheid moet worden beoordeeld. Wel is er sprake van een “andere”
reden die de betrouwbaarheid van de handelaar in diamant en/of synthetische diamant ernstig in het gedrang brengt, gesteld tegenover de reden bepaald in 2°, namelijk dat er sprake is van een strafrechtelijke veroordeling van de zelfstandige handelaar of de rechtspersoon-handelaar in diamant en/of synthetische diamant, die verband houdt met de professionele activiteit van handelaar in diamant en/of synthetische diamant. De FOD Economie beschikt te dezen bijgevolg over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid.
In het Verslag aan de Koning bij artikel 2 van dit besluit (BS
13 december 2019 (ed. 2)), wordt een en ander nog verduidelijkt als volgt:
“De verplichte registratie van diamanthandelaars vormt een eerste controle om transacties die verband houden met witwassen van geld en de financiering van terrorisme te voorkomen, op te sporen en te verhinderen.
Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de FOD Economie, als toezichthoudende overheid van de Belgische diamantsector. Hij dient bij de aanvraag tot registratie over te gaan tot een eerste deskundigheids- en betrouwbaarheidscontrole (fit & proper-screening).
[…]
In het kader van zijn toezichtbevoegdheid zal de FOD Economie de registratie weigeren indien de verplichte stukken vermeld in § 1 niet worden overgemaakt. Het betreft hier niet enkel de ontbrekende stukken, maar ook de stukken die ontoereikend of onvolledig zijn, en daarom als niet-bestaand worden beschouwd.
De registratie zal ook geweigerd worden indien er sprake is van een strafrechtelijke veroordeling.
Tenslotte wordt ook voorzien dat de registratie kan geweigerd worden indien er redenen zijn die de betrouwbaarheid van een handelaar in diamant en/of synthetische diamant in het gedrang kunnen brengen. Het kan bijvoorbeeld gaan om:
o ernstig vermoeden van witwassen van gelden, financiering van terrorisme, of andere gelijkaardige en zwaarwichtige feiten;
o ernstig vermoeden dat de stukken die werden overgemaakt vervalst werden;
o ernstige vragen bij drijfveren of bedoelingen/handelswijze van de kandidaat handelaar;
XIV-39.234-13/18
o zeer bedenkelijke voorgeschiedenis ten tijde van of voorafgaand aan het registratieproces;
o etc.
[…]”.
10. In de bestreden beslissing worden onder de hoofding ‘De opgave van de feiten’ drie elementen of motieven opgesomd, waarna wordt besloten dat op basis van die gegevens de aanvraag wordt geweigerd. Volgens de verwerende partij heeft het geheel van de omstandigheden haar ertoe gebracht de aanvraag te weigeren, wat niet wegneemt dat elk van de motieven op zich de weigering kunnen schragen, en ze bijgevolg alle onwettig dienen te zijn om een nietigverklaring bij gebrek aan deugdelijke motivering te verantwoorden.
Een eerste element of motief betreft het feit dat de bestuurder van de verzoekende partij in opspraak kwam wegens bankfraude in India in 2013.
De enkele omstandigheid dat de feiten waarop de bestreden beslissingen steunen “oud” zouden zijn, belet op zich niet dat de verwerende partij die feiten of gedragingen niet meer zou mogen in aanmerking nemen ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de verzoekende partij. Wel blijkt uit de bestreden beslissing dat voor dit motief wordt verwezen naar een onderzoek van B.V.D., dat als bijlage 1 wordt gevoegd. Bijlage 1 gevoegd bij de bestreden beslissing, betreft een fiche met informatie over C., zonder dat duidelijk blijkt dat deze afkomstig is van B.V.D. Daarin is sprake van “Accused of bank fraud – 2013”, “[a]ccording to […], […] 2018”. Aldus blijkt het motief dat de bestuurder van de verzoekende partij “in opspraak kwam wegens bankfraude in India”, in 2013, enkel te steunen op een krantenartikel, stuk dat zelf niet bij de bestreden beslissing wordt gevoegd. Uit de voornoemde fiche blijkt niet dat een eigen onderzoek door B.V.D. zou zijn gevoerd. Voorts wordt in de bestreden beslissing, wat dit eerste motief betreft, verwezen naar een krantenartikel dat als bijlage 2 wordt gevoegd. In dit krantenartikel is evenwel sprake van omkoping door de bestuurder van de verzoekende partij in D. in 2019, en niet van bankfraude. Gelet op het voorgaande is het motief van het “in opspraak” komen van de bestuurder van de verzoekende partij wegens bankfraude in India in 2013 – en zonder dat gewag wordt gemaakt van gebeurlijke omkoping – onvoldoende bewezen om het gebrek aan betrouwbaarheid van de verzoekende partij te onderbouwen.
XIV-39.234-14/18
Een tweede en derde element of motief betreft het feit dat de bestuurder van de verzoekende partij eveneens bestuurder was van de nv D. die in 2015 in faling ging, evenals van de nv D.S., die ook in 2015 in faling ging doch in 2016 werd heringeschreven, maar waarbij uit de jaarrekening van 2021 (gevoegd als bijlage 3 bij de bestreden beslissing) blijkt dat de onderneming verlieslatend is.
Voorts wordt gesteld dat “in de laatste wijzigingen in het uittreksel van de KBO”
(gevoegd als bijlage 4 bij de bestreden beslissing) blijkt dat “al enkele artikelen [worden] voorzien in de aanstelling van vereffenaars”. Die bijlage 4 is evenwel geen “uittreksel van de KBO” doch een uittreksel uit de notulen van de buitengewone vergadering van de nv D.S., waaruit blijkt dat deze heeft beslist om de statuten van de vennootschap in overeenstemming te brengen met de voorschriften van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. In de bestreden beslissing wordt in ieder geval niet toegelicht waarom deze motieven betreffende de precaire financiële situatie van twee vennootschappen waarin de bestuurder van de verzoekende partij eveneens bestuurder is en was, de betrouwbaarheid van de verzoekende partij ernstig in het gedrang brengt. Dit blijkt ook geen evident motief. Het feit dat binnen de antiwitwaswetgeving de regulering van de diamantsector een zeer belangrijk onderdeel vormt, gelet op de te verhandelen goederen, zoals de verwerende partij benadrukt in haar laatste memorie, kan daar niets aan veranderen.
11. Gelet op het voorgaande, maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat de stukken waarop zij steunt, hetzij voldoende bewijskrachtig, hetzij voldoende pertinent zijn om het gebrek aan betrouwbaarheid van de verzoekende partij te onderbouwen. Zodoende heeft de verwerende partij motieven gehanteerd die niet in rechte ter verantwoording van de bestreden beslissing in aanmerking kunnen worden genomen. Geen enkel van de drie motieven, al dan niet tesamen genomen, volstaat om de beslissing dat de betrouwbaarheid van de verzoekende partij ernstig in het gedrang is gebracht, te verantwoorden.
Voor zover de verwerende partij nog stelt dat de elementen die aan bod komen in de bestreden beslissing nergens worden weerlegd, draait zij in wezen de bewijslast om. Het komt immers de verwerende partij toe aannemelijk te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686 XIV-39.234-15/18
maken dat de bestreden beslissing steunt op afdoende vaststaande feiten die de beslissing in rechte kunnen verantwoorden. Hiervoor is vastgesteld dat zulks niet het geval is.
12. Het tweede middel is in de aangeven mate gegrond.
V. Toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
Uiteenzetting van het verzoek tot injunctie
13. De verzoekende partij vraagt in het inleidend verzoekschrift de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen uiterlijk binnen een termijn van twee maanden na datum van het tussen te komen arrest. In de memorie van wederantwoord geeft zij als reden hiervoor dat zij reeds op 24 maart 2023 haar aanvraag indiende en het vervolgens bijna drie maanden heeft geduurd alvorens de bestreden beslissing op 16 juni 2023 werd genomen. Intussen kan de verzoekende partij niet deelnemen aan het economisch verkeer. Het is volgens haar volstrekt noodzakelijk om niet nog meer tijd verloren te laten gaan. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat de verwerende partij drie maanden nodig had voor de behandeling van een simpel verzoek en de vrees bestaat dat zij geconfronteerd zal worden met additionele maandenlange vertraging.
Beoordeling
14. De verzoekende partij vraagt klaarblijkelijk om toepassing te maken van artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat luidt:
“Art. 36. § 1. Wanneer het arrest inhoudt dat de betrokken overheid een nieuwe beslissing neemt, kan de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, in dat arrest bevelen dat die beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden genomen.”
XIV-39.234-16/18
De reden die de verzoekende partij voor haar verzoek aangeeft, namelijk dat het bijna drie maanden heeft geduurd alvorens een beslissing over haar aanvraag tot registratie werd genomen, volstaat te dezen niet om te veronderstellen dat de verwerende partij niet binnen een redelijke termijn na de kennisneming van het voorliggende arrest een nieuwe beslissing zal nemen.
15. Het verzoek tot toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie van 16 juni 2023 houdende de weigering van de aanvraag van de verzoekende partij tot registratie van een handelaar in diamant en/of synthetische diamant.
2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
XIV-39.234-17/18
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-39.234-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.686

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.