ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.750

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.750 Rolnummer: A. 238875/X-18375 Zaak: Arrest 261750 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 13/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-20 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-02 23:45 Fiche Arrest nr 261.750 van...

Source officielle

30 min de lecture 6,405 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 13 december 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.750

Rolnummer:

A. 238875/X-18375

Zaak:

Arrest 261750 – Stedenbouw en ruimtelijke ordening – Reglementen – 13/12/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-12-20

Raadplegingen:

107 – laatst gezien 2026-06-02 23:45

Fiche

Arrest nr 261.750 van 13 december 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Stedenbouw en ruimtelijke
ordening – Reglementen Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 261.750 van 13 december 2024
in de zaak A. 238.875/X-18.375
In zake : 1. de BV T.
2. V.V.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gaël Bedert kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Paquaylaan 184
tegen :
1. de GEMEENTE KONTICH
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Ellen Voortmans kantoor houdend te 2600 Antwerpen – Berchem Borsbeeksebrug 36 bus 9
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bus 001
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 14 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van:
a) het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Kontich van 21 november 2022 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Meylweg’;
b) het besluit van het team Milieueffectenrapportage van de Vlaamse overheid (hierna: team Mer) van 23 december 2021 inzake het toekennen van een ontheffing
X-18.375-1/25
voor het opmaken van een planmilieueffectrapport voor het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Meylweg’.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 november 2024.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Gaël Bedert, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Anton Rombaut, die loco advocaten Yves Loix en Ellen Voortmans verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Jutte Nijs, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
X-18.375-2/25
III. Feiten
3.1. De verwerende partij wenst ten oosten van de kern van Kontich een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Meylweg’ (hierna: het gemeentelijk RUP) op te maken. Het doel van het gemeentelijk RUP bestaat er luidens de toelichtingsnota bij dat plan in “de bestaande sport- en recreatieve functies te bundelen ter creatie van een recreatieve pool. Tevens wenst men met voorliggend RUP de bestaande open ruimte te versterken en te bestendigen binnen een geëigende bestemming. Daarnaast wordt ook het netwerk van trage wegen uitgebreid”.
3.2. De scopingnota vermeldt dat het voorgenomen gemeentelijk RUP niet van rechtswege planmilieueffectrapportplichtig (plan-MER-plichtig) is om reden dat het plangebied het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau bepaalt (een totale oppervlakte van 0,57 km² of 2,40 % van de totale oppervlakte van de gemeente Kontich) en een kleine wijziging inhoudt. Uit de scopingnota blijkt voorts dat ingevolge het gemeentelijk RUP geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden.
3.3. Op 17 december 2020 vindt een participatiemoment aangaande het voorgenomen gemeentelijk RUP plaats.
3.4. Op 23 december 2021 beslist het team Mer dat er geen plan-MER moet opgesteld worden.
Dit is de tweede bestreden beslissing.
3.5. Op 22 maart 2022 vindt een plenaire vergadering over het voorgenomen gemeentelijk RUP plaats.
3.6. Op 16 mei 2022 stelt de gemeenteraad van de gemeente Kontich het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast.
X-18.375-3/25
3.7. Verzoekers’ perceel situeert zich in de Vredestraat te Kontich, vlak naast het plangebied. Hierna wordt verzoekers’ perceel ter verduidelijking benaderend aangeduid, alsook de fietsostrade F1 (blauw):
Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979
vastgestelde gewestplan Antwerpen bevindt het perceel van de verzoekende partijen (hierna aangegeven in blauw) zich deels in ‘woongebied’, deels in ‘bufferzone’:
X-18.375-4/25
3.8. Van 1 juni 2022 tot 31 juli 2022 wordt over het ontwerp van het gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek gehouden. De verzoekende partijen dienen een bezwaarschrift in.
3.9. Op 27 september 2022 brengt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Kontich (hierna: de Gecoro) een advies uit.
3.10. Met het eerste bestreden besluit van 21 november 2022 stelt de gemeenteraad van de gemeente Kontich het gemeentelijk RUP definitief vast.
Onder de hoofding “Argumentatie” wordt in het eerste bestreden besluit gesteld:
“Het plangebied wordt reeds ontsloten voor traag verkeer dankzij de aanwezigheid van de fiets-o-strade F1 en enkele trage verbindingen. De aanwezigheid van de verschillende sport- en recreatieve functies in combinatie met de kwalitatieve openruimtekamers, maakt dat het plangebied zich optimaal leent voor het verder uitbreiden en versterken van dit netwerk voor zacht verkeer. Binnen het plangebied zullen er verschillende trage wegen vormgegeven worden. Er wordt één nieuwe functionele verbinding ingepland op het tracé van de oude spoorwegbedding. Zo zal de bestaande trage weg met aansluiting op de F1 in het noorden doorgetrokken worden tot aan de Vredestraat. De andere trage verbindingen binnen het plangebied zullen eerder ingezet worden voor de doorwaadbaarheid van het plangebied.
X-18.375-5/25
In de Bautersemstraat, de verbinding tussen de Beukendreef en de Meylweg, wordt er ingezet op ontharding.”
3.11. Het grafisch plan van het gemeentelijk RUP is het volgende – ter verduidelijking wordt onder meer verzoekers’ perceel erop aangeduid:
De bij het grafisch plan horende legende luidt:
X-18.375-6/25
3.12.1. Verzoekers’ perceel grenst aan een strook die op het grafisch plan is aangeduid als een zone voor gemeentewegen, waarvoor de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 3.1. van het gemeentelijk RUP
gelden:
“3.1. Gemeentewegen 3.1.1 Bestemming – openbare verkeers- en vervoersinfrastructuur, aanhorigheden van de wegeninfrastructuur en openbaar groen.
3.1.2 Inrichting – alle werken, handelingen en wijzigingen voor de aanleg van, het functioneren van of aanpassingen aan de weginfrastructuur, aanhorigheden en publieke ruimte zijn toegestaan;
– bij de inrichting moeten volgende aspecten meegenomen worden:
– de inrichting moet steeds gebaseerd zijn op het visueel samenhangend totaalbeeld van de verkeersruimte, infrastructuren en het wegkarakter;
X-18.375-7/25
– speciale aandacht dient te gaan naar het maximaliseren van de verkeersveiligheid op de Meylweg;
– het tracé van de gemeenteweg houdt rekening met de landschappelijke en natuurlijke waarden.
3.1.3 Beheer – alle beheermaatregelen in functie van de functionaliteit van de gemeentewegen zijn toegelaten.”
3.12.2. Zoals in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP
is geïllustreerd (afbeelding hierna) is de vorm van de zone voor gemeentewegen achter verzoekers’ perceel te verklaren door het feit dat de trage weg ingeplant wordt ten zuiden van de bomenrijen langs de oude spoorlijn, zodat dit biologisch waardevol element gevrijwaard wordt.
3.13. Van de “gemeentewegen” onderscheiden zich de “indicatieve trage wegen”, waarvoor de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 3.2 van het gemeentelijk RUP gelden:
“3.2. Indicatieve trage wegen 3.2.1 Bestemming – openbare wandel- en fietswegen met de daarbij horende vrije ruimte.
3.2.2 Inrichting – de aangegeven trage wegen zijn indicatief waardoor de exacte ligging max. 10 m kan afwijken van de aanduiding op het grafisch plan.
– de indicatieve trage wegen brengen volgende verbindingen tot stand:
 tracé A: verbinding tussen de Meylweg en de fietsostrade F1
(Antwerpen-Mechelen-Brussel);
 tracé B: verbinding tussen de Bautersemstraat en de nog te ontwikkelen trage wegen binnen artikel 7;
X-18.375-8/25
 tracé C: verbinding tussen tracé B en de Meylweg doorheen het recreatiegebied.
– het tracé van de indicatieve trage wegen houdt rekening met:
 een min. breedte van 1 m en een max. breedte van 2,5 m;
 de verkeersveiligheid van de trage wegen;
 het niet hypothekeren van de landschappelijke en natuurlijke waarden;
 het niet hypothekeren van de agrarische activiteiten.
– constructies en kleinschalige infrastructuur kunnen ingericht worden met het oog op het optimaliseren van de functionele en recreatieve functie van de trage wegen;
– het plaatsen van verlichting is toegestaan mits het volgen van onderstaand stappenplan:
 a) verlicht enkel een deel van de nacht (smart lighting of sensor gestuurde verlichting waarbij de verlichting standaard gedoofd wordt, of door bepaald tijdslot);
 b) beperk de intensiteit van het licht en vermijd strooilicht zoveel mogelijk. Plaats verlichting zo laag mogelijk;
 c) gebruik een aangepaste lichtkleur;
 d) andere (nieuwe) technieken om de negatieve impact van verlichting op de omgeving te beperken kunnen steeds aangewend worden.
– gemotoriseerd verkeer is verboden met volgende uitzonderingen:
 gemotoriseerd verkeer i.f.v. onderhoud en (afval)beheer van de trage wegen;
 landbouwvoertuigen;
 hulpdiensten.”
3.14. Ook binnen het ‘parkgebied’ kunnen trage wegen worden aangelegd. De stedenbouwkundige voorschriften – in artikel 7.2.2 ‘Onbebouwde ruimte’ – bepalen dienaangaande:
“Trage wegen – nieuwe trage wegen kunnen aangelegd worden indien ze deel uitmaken van een samenhangend netwerk en aansluiten op de reeds aanwezige trage wegen binnen het plangebied;
– nieuwe trage wegen mogen geen afbreuk doen aan de parkaanleg;
– gemotoriseerd verkeer is enkel toegelaten in functie van het beheer van het gebied en de trage wegen.”
X-18.375-9/25
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 3°, en tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids-, redelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel.
Zij bekritiseren dat de ligging van de trage wegen, in het bijzonder de ligging van de fietsostrade, slechts indicatief is bepaald, waardoor de exacte ligging ervan zo’n 10 meter kan afwijken van de aanduiding op het grafisch plan. Daardoor blijven de verzoekende partijen grotendeels in het ongewisse over de concrete ligging van deze wegen, en dit voor onbepaalde tijd. Uiteraard moeten zij weten waar de fietsostrade komt, teneinde te kunnen nagaan of hun belangen worden aangetast. Het vormt een groot verschil wanneer in de fietsostrade wordt voorzien ter hoogte van de spoorwegbedding, die een hoge natuurwaarde kent, dan wel wanneer die elders wordt gelegd. Met verwijzing naar artikel 3.2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP stellen de verzoekende partijen dat de aangegeven trage wegen slechts indicatief zijn bepaald. Daardoor kan de exacte ligging 10 meter afwijken van de aanduiding op het grafisch plan. De verwerende partij heeft dit ook bevestigd in antwoord op een bezwaar daaromtrent. Met andere woorden liggen de exacte locaties van de trage wegen in het bestreden gemeentelijk RUP nog niet vast. Ook in het bestreden besluit, bij de bespreking van de bezwaren, houdt de verwerende partij alle opties open met betrekking tot de concrete ligging van de fietsostrade.
Daarnaast voeren de verzoekende partijen aan dat ook over de concrete inrichting van de trage wegen, en in het bijzonder van de fietsostrade, veel onduidelijkheid heerst. Zo wordt in de stedenbouwkundige voorschriften gesteld dat gemotoriseerd verkeer niet is toegelaten, doch wordt er verder niets bepaald
X-18.375-10/25
omtrent elektrische fietsen of speed pedelecs, hoewel geweten is dat dergelijke fietsen een hoge snelheid kunnen bereiken. Ook is niet duidelijk hoe de realisatie van de trage wegen in parkgebied, waarop wel gemotoriseerd verkeer wordt toegestaan, te verzoenen valt met de daarop aansluitende trage wegen, waarop gemotoriseerd verkeer verboden wordt. Evenmin wordt de belofte verduidelijkt hoe rekening zal gehouden worden met de privacy van de omwonenden en met de natuurlijke waarden in de omgeving. De stedenbouwkundige voorschriften bepalen weliswaar dat met verkeersveiligheid en de landschappelijke en natuurlijke waarden rekening zal worden gehouden, maar dit wordt niet geconcretiseerd. Het is niet duidelijk welke maatregelen er in dit verband zullen worden genomen.
Beoordeling
5.1. Uit artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 3°, VCRO en artikel 2.2.5, § 1, tweede lid, VCRO volgt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan stedenbouwkundige voorschriften bevat inzake de bestemming, de inrichting of het beheer en dat die stedenbouwkundige voorschriften verordenende kracht bezitten.
5.2. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit.
5.3. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht.
5.4. De vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften die uit het voormelde rechtszekerheidsbeginsel voortvloeit, verhindert evenwel niet dat stedenbouwkundige voorschriften flexibel
X-18.375-11/25
kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij het beoordelen van een concrete aanvraag voor een omgevingsvergunning.
5.5. In hun betoog verliezen de verzoekende partijen uit het oog dat binnen de stedenbouwkundige voorschriften die gelden voor de zone ‘openbaar domein’ een onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, de zones die zijn aangeduid als ‘gemeentewegen’ (artikel 3.1, zie randnummer 3.12.1) en, anderzijds, de zones die zijn aangeduid als ‘indicatieve trage wegen’ (artikel 3.2, zie randnummer 3.13). De verzoekende partijen halen deze onderscheiden regelingen door elkaar.
5.6. De zone ‘gemeentewegen’ achter het perceel van de verzoekende partijen, waar de kwestieuze verbinding wordt voorzien, is duidelijk aangeduid op het grafisch plan. In het eerste bestreden besluit bevestigt de eerste verwerende partij dat deze verbinding binnen de zone voor ‘gemeentewegen’ kan worden aangelegd, mits voldoende rekening wordt gehouden met de aanwezige natuurwaarden.
Het feit dat het eerste bestreden besluit melding maakt van “de eventueel te voorziene” verbinding naar de fietsostrade, houdt nog geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel in. Een RUP is toekomstgericht, zodat de aanleg van de verbinding naar de fietsostrade afhankelijk is van een initiatief daartoe.
Nu de verzoekende partijen noch de stedenbouwkundige voorschriften die gelden voor de betreffende zone voor ‘gemeentewegen’, noch de aanduiding van deze zone voor ‘gemeentewegen’ op het grafisch plan bij hun betoog betrekken, tonen zij niet aan dat de ligging van de verbinding ter hoogte van de oude spoorwegbedding “zeer vaag” zou zijn.
5.7. Dat de ligging van de ‘indicatieve trage wegen’, bedoeld in artikel 3.2. van de stedenbouwkundige voorschriften, niet exact is bepaald, toont
X-18.375-12/25
nog geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel aan. Artikel 3.2.2 van het gemeentelijk RUP bepaalt dat de exacte ligging van de trage wegen “max. 10 m kan afwijken van de aanduiding op het grafisch plan”, en dat het tracé ervan rekening houdt met “een min. breedte van 1 m en een max. breedte van 2,5 m”, met “de verkeersveiligheid van de trage wegen”, met “het niet hypothekeren van de landschappelijke en de natuurlijke waarden” en met “het niet hypothekeren van de agrarische activiteiten”. In acht genomen het gestelde onder randnummer 5.4, wordt het tracé van de indicatieve trage wegen aldus op een voldoende rechtszekere wijze bepaald.
De verzoekende partijen tonen voorts niet aan dat de regeling voor trage wegen binnen ‘parkgebied’ (artikel 7) onwettig zou zijn. Hun kritiek dat “niet duidelijk [is] hoe de realisatie van trage wegen in parkgebied, waarop wel gemotoriseerd verkeer zou worden toegestaan, te verzoenen valt met de daarop aansluitende trage wegen waar gemotoriseerd verkeer verboden zou worden”, gaat eraan voorbij dat ook in ‘parkgebied’ een stringente regeling geldt, waarbij “gemotoriseerd verkeer […] enkel [is] toegelaten in functie van het beheer van het gebied en de trage wegen”.
5.8. De Gecoro antwoordt op verzoekers’ bezwaar dat er onduidelijkheid bestaat over het toegelaten (gemotoriseerd) verkeer op de trage wegen, onder meer dat “[h]et statuut van de trage wegen zal bepaald worden door signalisatie uit de wegcode”. De verzoekende partijen gaan er niet op in en tonen aldus niet aan dat het gemeentelijk RUP op dit punt onwettig zou zijn. Op verzoekers’ kritiek dat niet duidelijk is welke maatregelen zullen genomen worden om rekening te houden met de privacy van de omwonenden en met de natuurlijke waarden in de omgeving, antwoordt de Gecoro dat “[d]it zal beoordeeld worden bij de vergunningsaanvraag”. De verzoekende partijen betrekken dit antwoord evenmin bij hun uiteenzetting, en verduidelijken voorts niet waarom een beoordeling op het niveau van de vergunningverlening te dezen niet kan volstaan.
5.9. In zoverre de verzoekende partijen eerst in hun memorie van wederantwoord aanvoeren dat de eerste verwerende partij de opmaak van een
X-18.375-13/25
plan-MER ontloopt door de exacte ligging van de kwestieuze verbinding niet te concretiseren in het gemeentelijk RUP, is hun kritiek laattijdig en onontvankelijk.
5.10. Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
6. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 1.1.4 VCRO, alsook van het zorgvuldigheids-, materiëlemotiverings-, redelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel.
Zij betogen dat in het plangebied veel diersoorten voorkomen en dat het biologisch waardevol is. Met de komst van een wegenis waarvan verwacht kan worden dat zij druk bereden zal worden, wordt afbreuk gedaan aan het biologisch waardevol karakter van het gebied. De aanleg van bijkomende verhardingen zal de erosiegevoeligheid van het gebied alleen maar in de hand werken. De verzoekende partijen wijzen erop dat in de ontheffingsbeslissing van het team Mer en in de scopingnota vermeld wordt dat er geen negatieve effecten voor de natuur te verwachten zijn, mits er aan een aantal randvoorwaarden inzake bijvoorbeeld verhardingen en verlichting is voldaan. Evenwel kan niet worden aanvaard dat door de plannende overheid zelf randvoorwaarden worden bepaald om vervolgens te besluiten dat er geen significante effecten op het milieu te verwachten zijn. Bovendien zijn de opgelegde randvoorwaarden zeer onduidelijk en wordt er nergens afdoende aangetoond dat deze volstaan om de nadelige effecten te vermijden. Ook de Gecoro heeft melding gemaakt van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. De verwerende partij heeft daarop zeer vaag geantwoord. In plaats van de ligging van het tracé te herbekijken, heeft zij zich beperkt tot de vermelding dat een en ander naar de stedenbouwkundige voorschriften vertaald wordt. In de stedenbouwkundige voorschriften zijn evenwel geen effectieve maatregelen opgenomen. Er wordt alleen in bepaald dat “rekening
X-18.375-14/25
moet worden gehouden met” onder andere de landschappelijke en de natuurlijke waarden. Dat volstaat niet om tegemoet te komen aan het advies van de Gecoro.
Daarnaast menen de verzoekende partijen dat er talrijke alternatieven bestaan voor de aanleg van het fietspad/de trage wegenis. Uit de scopingnota kan niet worden afgeleid dat dergelijke alternatieven werden onderzocht. De eerste verwerende partij kan niet volstaan met de verwijzing naar het goedgekeurde mobiliteitsplan om op grond daarvan te stellen dat de fietsverbindingen het gevolg zijn van beslist beleid. Ook volstaat de overweging niet dat de bestaande trage weg, in het verlengde van de Bautersemstraat, ontoereikend zou zijn om als functionele verbinding te fungeren. Ook de motivering in de scopingnota, waarin wordt verwezen naar de actuele situatie en het gewenste beleid van de overheid, kan niet overtuigen.
Voorts betogen de verzoekende partijen dat de aanleg van een fietspad ter hoogte van de oude spoorwegbedding, of doorheen het (maïs)veld achter hun perceel, de goede ruimtelijke ordening manifest miskent. Ook wordt er onvoldoende rekening gehouden met het gegeven dat het fietspad niet voor lokaal gebruik zal dienen, dat de bestaande overlast van en naar de Meylweg een niet te onderschatten aandachtspunt is, dat van hen niet kan worden verwacht dat zij sterk op hun privacy inboeten, dat de veiligheid van de buurtbewoners ernstig in het gedrang zal komen en dat de waarde van de huizen van de omwonenden aanzienlijk zal dalen.
Beoordeling
7.1. Artikel 1.1.4 VCRO bepaalt:
“De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische
X-18.375-15/25
en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.”
Uit de voormelde beginselbepaling volgt dat de diverse binnen artikel 1.1.4 VCRO bedoelde behoeften en de daarmee gepaard gaande aanspraken op de ruimte evenwichtig en gelijktijdig tegen mekaar moeten worden afgewogen en dat bij deze afweging rekening dient te worden gehouden met de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. De Raad van State oefent hierop een wettigheidstoets uit, maar het staat aan de plannende overheid de nodige beleidskeuzes te maken.
Het komt een verzoekende partij, die artikel 1.1.4 VCRO
geschonden acht, toe om aan te tonen dat de gemaakte keuze de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat.
7.2. Het betoog van de verzoekende partijen dat het niet aanvaardbaar is dat de plannende overheid zelf randvoorwaarden bepaalt teneinde negatieve effecten voor de natuur te voorkomen, wordt niet bijgevallen. Immers heeft het team Mer de effectscreening inhoudelijk beoordeeld en beslist dat “rekening houdend met de in de scopingnota opgenomen beschrijving van de kenmerken van het voorgenomen RUP, van de effecten ervan en van de gebieden die door het RUP kunnen worden beïnvloed en met de verwerking van de inspraak en adviezen, […] werd aangetoond dat voorliggend plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben”.
7.3.1. De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 3.2 van het gemeentelijk RUP, van toepassing op de indicatieve trage wegen, bepalen dat het tracé van deze wegen de landschappelijke en natuurlijke waarden niet mag hypothekeren.
7.3.2. In antwoord op het advies van de Gecoro heeft de plannende overheid de volgende bepaling in de stedenbouwkundige inrichtingsvoorschriften van artikel 3.1.2 van het gemeentelijk RUP opgenomen:
X-18.375-16/25
“Het tracé van de gemeenteweg houdt rekening met de landschappelijke en natuurlijke waarden”.
In de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP is verduidelijkt dat de trage weg achter verzoekers’ perceel de bomenrijen langs de oude spoorlijn vrijwaart (randnr. 3.12.2).
In het licht van het voorgaande overtuigen de verzoekende partijen er niet van dat het antwoord van de plannende overheid op het advies van de Gecoro al te vaag zou zijn.
7.4. De verzoekende partijen doen niet aannemen dat er verkeerdelijk van uit is gegaan dat het gemeentelijk RUP geen aanzienlijke effecten voor het milieu met zich zal meebrengen of dat er bij de belangenafweging in het kader van artikel 1.1.4 VCRO onvoldoende aandacht zou zijn besteed aan de landschappelijke en natuurlijke waarden.
7.5. Wat het gebrek aan onderzoek naar locatiealternatieven betreft, wordt er in de scopingnota op gewezen dat er “specifiek [werd] geopteerd om een RUP op te maken om de activiteiten rondom de Meylweg ruimtelijk te organiseren”. Het door verzoekers bekritiseerde tracé langs de oude spoorwegbedding, sluit via een bestaande trage weg op de bestaande fietsostrade F1 aan, en maakt aldus een doortrekking van de fietsostrade tot aan de Vredestraat, conform het mobiliteitsplan van de gemeente Kontich, mogelijk. De plannende overheid heeft er voorts op gewezen dat het door de milieuraad voorgestelde alternatief – via de bestaande trage weg in het verlengde van de Boutersemstraat –
zou uitgeven op de Beukendreef, waarvan het profiel ontoereikend is om als functionele verbinding te fungeren. De verzoekende partijen tonen niet aan dat deze beslissing de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan, en geven voorts zelf aan dat een alternatieve locatie dwars doorheen het achterliggende maïsveld, of nog, “ter hoogte van de velden […] rond [de oude spoorwegbedding]”, niet kan worden aanvaard. Gezien het voormelde, en in het licht van de verplichting om bij de realisatie van het wegtracé de landschappelijke en natuurlijke waarden te respecteren, overtuigen de verzoekende partijen er niet van dat de afwezigheid van
X-18.375-17/25
een alternatievenonderzoek voor de tragewegverbindingen in de effectscreening van aard zou zijn het gemeentelijk RUP te vitiëren.
7.6. Ook voeren de verzoekende partijen aan dat de aanleg van de kwestieuze wegenis de goede ruimtelijke ordening manifest miskent, en dat er onvoldoende rekening is gehouden met verscheidene hinderaspecten, waaronder privacyhinder, visuele hinder, veiligheidsaspecten, en de waardevermindering van huizen van omwonenden.
7.7. Een kritiek op de beweerde hinder van de kwestieuze wegenis kwam ook reeds tijdens het participatiemoment aan bod. De scopingnota vermeldt in dat verband:
“Trage verbindingen in relatie tot de privacy, (licht)hinder ,…
Veel opmerkingen in verband met de trage wegen gaan gepaard met het privacyvraagstuk. Sommige personen zijn van mening dat de rust van de buurtbewoners zal verdwijnen, samen met hun privacy, uitzicht op de open ruimte.
Het aanleggen van een trage verbinding heeft geen directe relatie met een toename van een geluidsbelasting. Inden er vandaag reeds bepaalde knelpunten zijn, dan kan er in samenspraak met de eigenaars bepaald worden waar de trage verbinden exact kan lopen. In eerste instantie gaat de visie ervan uit dat er geen verlichting voorzien zal worden aan de trage wegen. Indien er wel verlichting zou komen, dan zal er gezocht worden naar doordachte alternatieven met weinig impact (vb. neerwaartse verlichting, lage verlichtingspalen, temporele verlichting die uitgeschakeld word na bijvoorbeeld 22u0 ,…).
Tot slot vormt een trage verbinding geen visuele barrière voor de omwonende.”
Ook de Gecoro gaat in haar advies op verschillende hinderaspecten in:
“36. De veiligheid zal er op achteruit gaan en de kans op inbraken langs de achterzijde van de huizen in de Eikenstraat zal toenemen.
Deze opmerking is niet ruimtelijk van aard. De aanleg van een fietssnelweg geeft geen aanleiding tot inbraak. Bovendien kan gesteld worden dat de sociale controle met de aanleg van de verbinding verhoogd.
[…]
48. De inkijk vanaf het voorgestelde pad aan de achterzijde en bij sommige aan de zijkant van de tuin is een inbreuk op de privacy. De rust en het
X-18.375-18/25
uitzicht zouden worden teniet gedaan, met daardoor een waardevermindering van de eigendom op de koop toe.
De GECORO dringt aan om bij uitwerking van het RUP privacy te garanderen. De aanleg van deze fietsverbinding betreft een reeds besliste beleidsvisie die opgenomen werd in het mobiliteitsplan Kontich dat dateert van 2017. Deze visie is bijgevolg reeds langer gekend en werd doorvertaald in het RUP. De aanleg van de snelle fietsroute is niet inherent aan een waardevermindering van de eigendom noch zal deze leiden tot een schending van de privacy.
[…]
155. De belofte om rekening te houden met de privacy van de omwonenden en de natuurlijke waarden in de omgeving wordt nergens verduidelijkt.
Dit zal beoordeeld worden bij de vergunningsaanvraag.
[…]
160. Het behoud van de spoorwegbedding zou niet afdoende kunnen dienen als buffer. Dit gebied zou in het geheel doorkruist worden en versnipperd worden. De open ruimte wordt zo, in tegenstelling tot wat de gemeente tracht te doen geloven, wel gehypothekeerd.
De fietssnelweg vormt geenszins een aanzienlijke functionele, fysieke en visuele barrière binnen de openruimte. Ze wordt aangelegd aan de rand van de openruimte net om mogelijke versnippering ervan tegen te gaan.”
Het eerste bestreden besluit gaat tenslotte nog in op het verkeersveiligheidsaspect, waarbij erop gewezen wordt dat het gemeentelijk RUP
“de nodige ontwikkelingsmogelijkheden toelaat om op de Meylweg, indien [dit]
noodzakelijk zou zijn, de nodige verkeerskundige maatregelen te kunnen realiseren […]. Eventuele specifiekere maatregelen indien er zich mobiliteitsproblemen zouden stellen dienen op dat moment onderzocht te worden maar maken, om het RUP niet te stringent te maken, geen onderdeel uit van de scope van het RUP.”
7.8. Uit de hiervoor weergegeven passages blijkt dat de plannende overheid op meerdere beweerde hinderaspecten is ingegaan. De verzoekende partijen betrekken deze passages niet bij hun kritiek en overtuigen er aldus niet van dat de plannende overheid onvoldoende op de beweerde hinderaspecten zou zijn ingegaan, en dat het gemeentelijk RUP op dat vlak onrechtmatig zou zijn.
7.9. Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van de ingeroepen rechtsregels aangetoond.
X-18.375-19/25
7.10. Het middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
8. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van artikel 4.2.3 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (DABM), alsook van het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Zij menen dat de plan-MER-screening belangrijke leemten vertoont. Volgens de verzoekende partijen geeft het bestreden gemeentelijk RUP
wel degelijk aanleiding tot aanzienlijke milieueffecten en dringt de opmaak van een plan-MER zich op. Concreet geven zij aan dat in de scopingnota wordt erkend dat het planvoornemen voorziet in een bundeling van diverse recreatie- en sportactiviteiten, hetgeen aanleiding kan geven tot het realiseren van bijkomende constructies en verhardingen. De verzoekende partijen verwijzen vervolgens naar het eerste bestreden besluit waarin aangaande de watertoets wordt gesteld dat “eventuele potentiële nadelige effecten […] [in het RUP] beperkt [worden]”.
Daarnaast verwijzen zij naar de beoordeling in de scopingnota van de te verwachten effecten op het oppervlaktewater. De conclusie van een mogelijk positief effect is in tegenstrijd met wat gesteld wordt aangaande de watertoets.
Voorts brengen de verzoekende partijen de effectbespreking binnen de discipline ‘biodiversiteit’ en inzake rust- en lichtverstoring ter sprake. Wat de biodiversiteit betreft, stellen de verzoekende partijen dat de Gecoro heeft opgemerkt dat het tracé van de gemeenteweg ter hoogte van de spoorwegbedding niet geschikt is en dat de eerste verwerende partij in dat verband milderende maatregelen voorstelt, doch dat zij geen concrete maatregelen heeft opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften. Op het vlak van de waterhuishouding heeft de eerste verwerende partij eveneens voorgesteld om randvoorwaarden op te nemen, zoals het aanleggen van nieuwe verhardingen in waterdoorlatende materialen. Deze voorgestelde maatregelen werden evenwel niet doorvertaald in duidelijke en effectieve
X-18.375-20/25
stedenbouwkundige voorschriften. De verzoekende partijen wijzen in dat verband op het gebruik van de volgens hen onduidelijke bewoordingen “maximaal” en “zoveel mogelijk”. Ook op het vlak van de verlichting heeft de eerste verwerende partij in antwoord op het advies van de Gecoro een aantal maatregelen voorgesteld.
De verzoekende partijen bekritiseren dat door het gebruik van vage bepalingen bij de doorvertaling van de voorgestelde maatregelen in de stedenbouwkundige voorschriften, de vergunningverlenende overheid naar willekeur kan bepalen welke projecten vergunbaar zijn en onder welke voorwaarden.
Beoordeling
9.1. Om wettig gebruik te kunnen maken van de in artikel 4.2.3, § 3, DABM bedoelde afwijkingsmogelijkheid van de principiële plan-MER-plicht, moet cumulatief aan twee voorwaarden zijn voldaan: het plan of programma moet het gebruik bepalen van een klein gebied in een gemeentelijk of provinciaal plannings- of programma-initiatief of een “kleine wijziging” inhouden en de initiatiefnemer moet aantonen dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
9.2. De scopingnota die aan het team Mer werd voorgelegd en die de plan-MER-screening bevat, vermeldt:
X-18.375-21/25
“Het RUP is niet ‘van rechtswege’ plan-MER-plichtig, omwille van de volgende redenen:
• Het RUP vormt het kader voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlage I, II of III van het project-m.e.r.-
besluit van 10 december 2004, namelijk voor projecten opgesomd in rubriek 10b van bijlage III. Het RUP bepaalt echter het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 0,57 km² of 2,40% van de totale oppervlakte van de gemeente Kontich. Het RUP bepaalt een kleine wijziging ten opzichte van de bestaande juridisch planologische context. Het hoofddoel van voorliggende RUP betreft het creëren van een éénduidige planologische context voor de verschillende recreatie- en sportfuncties en een betere afstemming van de planologische context op de bestaande toestand.
• Het RUP is geen plan of programma waarvoor een passende beoordeling vereist is zoals bepaald door het artikel 36ter §3 van het natuurdecreet.
Omwille van bovenstaande motivering dient besloten te worden dat het RUP ‘van rechtswege’ niet plan-MER-plichtig is, maar wel screeningsplichtig. Naargelang het resultaat van het onderzoek naar mogelijke aanzienlijke milieueffecten, wordt er een oordeel geveld over de noodzaak van de opmaak van een plan-MER:
• Indien er geen aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn: geen plan-
MER-plicht.
• Indien er wel aanzienlijke milieueffecten kunnen worden aangetoond voor één of meerdere criteria: wel plan-MER-plicht.”
Tegen de voormelde overwegingen wordt in het verzoekschrift geen concrete wettigheidskritiek geformuleerd. Daargelaten de tijdigheid van de kritiek in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partijen dat “de loutere vermelding dat het plangebied slechts qua oppervlakte een beperkt deel van de gemeente zal omvatten” niet volstaat om te besluiten dat het plan niet van rechtswege plan-MER-plichtig is, weze opgemerkt dat de met cijfers toegelichte vermelding dat het plangebied qua oppervlakte een beperkt deel van de gemeente zal omvatten, en aldus een klein gebied op lokaal niveau betreft, daartoe wel degelijk volstaat.
9.3. De verzoekende partijen zijn voorts van oordeel dat het gemeentelijk RUP diende onderworpen te worden aan een plan-MER omdat het wel degelijk aanzienlijke milieueffecten tot gevolg kan hebben.
X-18.375-22/25
9.4.1. Ter staving van hun voormelde standpunt verwijzen de verzoekende partijen in de eerste plaats naar een vermeende tegenstrijdigheid tussen, enerzijds, de vermeldingen in het eerste bestreden besluit met betrekking tot de watertoets en, anderzijds, de vermeldingen in de plan-MER-screening van de scopingnota betreffende de te verwachten effecten voor de discipline ‘water’.
9.4.2. Het betoog van de verzoekende partijen kan geen bijval vinden.
Het eerste bestreden besluit vermeldt op goede gronden dat de plan-MER-screening in de scopingnota “geen uitgesproken problematiek voor de oppervlakte- en grondwaterhuishouding aan het licht [brengt]”. Dat er in het eerste bestreden besluit met betrekking tot de watertoets ook sprake is van een aantal speciale aandachtspunten toont te dezen nog geen tegenstrijdigheid met de conclusies van de plan-MER-screening aan.
9.4.3. Voorts dient te worden vastgesteld dat de stedenbouwkundige voorschriften meerdere bepalingen inzake de discipline ‘water’ bevatten. Artikel 1.3.1 ‘Duurzame waterhuishouding’ bepaalt dat “[b]innen het plangebied […] een duurzame waterhuishouding [wordt] voorop gesteld. Indien bebouwing of verhardingen voorzien worden moet de maximale opvang, retentie en infiltratie van hemelwater gewaarborgd worden. In de onbebouwde zones zullen landschappelijk gekaderde ingrepen (grachten, wadi’s, waterpartijen…) voor de opvang en retentie van hemelwater zorgen. In functie van een duurzaam watergebruik wordt het opgevangen hemelwater maximaal aangewend voor functioneel gebruik”. Artikel 1.3.4, eerste lid, bepaalt dan weer dat “[h]et oprichten van nieuwe constructies in effectief overstromingsgevoelige gebieden […] niet [is]
toegelaten. Een uitzondering hierop zijn nieuwe bebouwing en verhardingen die ressorteren onder handelingen van algemeen belang”. Zoals gezien, bepaalt artikel 1.4. van de stedenbouwkundige voorschriften dat “[v]erhardingen in de onbebouwde ruimte […] tot een minimum beperkt [dienen] te worden” en dat “de noodzakelijk verhardingen [bovendien] in de mate van het mogelijke gerealiseerd [moeten] worden in waterdoorlatende en/of halfverharde materialen”. De stedenbouwkundige voorschriften van de artikelen 4.1.2 en 4.2.2 (open ruimte respectievelijk landschappelijke buffering in de zone ‘Sport en recreatie’)
X-18.375-23/25
verplichten om de parkeervakken in waterdoorlatende materialen uit te voeren.
Artikel 5.2.2 (onbebouwde ruimte in de zone ‘Landelijk wonen’) verplicht alle verhardingen in waterdoorlatende materialen uit te voeren. Artikel 8.2. van de stedenbouwkundige voorschriften bepaalt ten slotte dat “de waterloop […] altijd [kan] aangepast worden volgens de noodwendigheden en in functie van het optimaliseren van de afwatering en het nemen van maatregelen tegen de overstroming van een gebied”. De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat deze stedenbouwkundige voorschriften niet voldoende “duidelijk” of “effectief”
zijn of anderszins onwettig zouden zijn.
9.4.4. In zoverre de verzoekende partijen voor het eerst in hun memorie van wederantwoord aanvoeren dat “niet in concreto [wordt] getoetst of de aanpassing van de toegelaten verharding tot 80% op perceelniveau geen impact op de discipline water zal teweegbrengen”, is hun betoog laattijdig en onontvankelijk.
9.5.1. Wat de discipline ‘biodiversiteit’ betreft, wordt in de definitief vastgestelde stedenbouwkundige inrichtingsvoorschriften, zoals gezien bij de beoordeling van het tweede middel hiervoor (zie randnummers 7.3.1 tot 7.4), bepaald dat “het tracé van de gemeenteweg […] rekening [houdt] met de landschappelijke en natuurlijke waarden”. Inzake de discipline ‘rust- en lichtverstoring’ heeft de eerste verwerende partij op het vlak van verlichting na het advies van de Gecoro bijkomende bepalingen in artikel 3.2.2 van de stedenbouwkundige voorschriften opgenomen (zie randnummer 3.13).
9.5.2. Met de eerste verwerende partij wordt aangenomen dat de met betrekking tot de voormelde disciplines aangenomen stedenbouwkundige voorschriften niet tot doel hebben aanzienlijke negatieve effecten te milderen.
Blijkens de plan-MER-screening zijn er geen aanzienlijke milieueffecten voor de disciplines ‘biodiversiteit’ en ‘rust- en lichtverstoring’ te verwachten.
9.5.3. De verzoekende partijen overtuigen er ten slotte niet van dat de door hun geviseerde stedenbouwkundige voorschriften niet in een voldoende
X-18.375-24/25
rechtszekere oplossing zouden voorzien en dat zij “de oplossing van [het]
probleem eerder lijken door te schuiven naar de vergunningverlenende overheid”.
9.6. Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van de aangevoerde rechtsregels aangetoond.
10. Het middel wordt verworpen.
11. De middelen zijn ongegrond gebleken. Het beroep moet hoe dan ook als ongegrond verworpen worden.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1540 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier.
De griffier De voorzitter
Karin Meerschaut Johan Lust
X-18.375-25/25

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.750

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.750

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.