ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.760

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.760 Rolnummer: A. 237792/X-18282 Zaak: Arrest 261760 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 13/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-20 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-02 23:43 Fiche Arrest nr 261.760 van...

Source officielle

72 min de lecture 15,663 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 13 december 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.760

Rolnummer:

A. 237792/X-18282

Zaak:

Arrest 261760 – Stedenbouw en ruimtelijke ordening – Reglementen – 13/12/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-12-20

Raadplegingen:

102 – laatst gezien 2026-06-02 23:43

Fiche

Arrest nr 261.760 van 13 december 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Stedenbouw en ruimtelijke
ordening – Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 261.760 van 13 december 2024
in de zaak A. 237.792/X-18.282
In zake : 1. P.P.
2. G.V.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Huygens en Jorn Houvenaeghel kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. de GEMEENTE ALKEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 28 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Alken van 4
augustus 2022 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Sport- en recreatievelden’, alsook van de beslissing van de dienst Milieueffectrapportage van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid van 1 juli 2020 dat voor dit gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geen planmilieueffectrapport moet worden opgesteld en van de beslissing van het team Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid van 12 maart 2021 dat voor het
X-18.282-1/49
gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geen planmilieueffectrapport moet worden opgemaakt.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 november 2024.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jorn Houvenaeghel, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Wouter Poulmans, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Jutte Nijs, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
X-18.282-2/49
III. Feiten
3.1. In 2017 fuseren in de Limburgse gemeente Alken de drie voetbalverenigingen Koninklijke Waterkant Sporting Alken (Alken centrum), VCT Terkoest (Terkoest) en Eendracht Sint-Joris Alken (Sint-Joris), tot KFC
Alken.
De fusie biedt de kans om de werking van de voetbalinfrastructuur te optimaliseren. Er wordt beslist om op zoek te gaan naar een nieuwe vestigingsplaats voor de fusieclub en daar te investeren in een modernere voetbalinfrastructuur. Finaal valt de keuze op de locatie Broosveld, gelegen langs de gewestweg N80 en achter de woonbebouwing langs de Stationsstraat (op het plan hierna benaderend aangegeven met een zwarte pijl):
3.2.1. Op 14 juni 2017 vindt een startoverleg plaats over het voorgenomen gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Sport- en recreatievelden’ van de gemeente Alken (hierna: het gemeentelijk RUP). Het gemeentelijk RUP
omvat de deelplannen ‘Broosveld’, ‘Terkoest’, ‘St.-Joris’ en ‘Vallei van de Herk’.
X-18.282-3/49
3.2.2. De doelstellingen van het gemeentelijk RUP worden in de toelichtingsnota bij dit plan als volgt omschreven:
“Het ruimtelijke uitvoeringsplan (RUP) heeft als doelstelling om de ontwikkeling van een voetbalsite voor de nieuwe fusieclub mogelijk te maken.
Het RUP omvat echter verschillende deelplannen. De deelplannen houden onderling verband, in die zin dat het samenbrengen van de voetbalactiviteiten op één locatie leidt tot het vrijkomen van huidige voetbalsites i.f.v. andere ontwikkelingen. Bijkomend moet – omdat ‘herbevestigd agrarisch gebied’ wordt herbestemd i.f.v. de nieuwe voetbalsite – dit planologisch gecompenseerd worden.
Elk deelplan zal uiteindelijk op zich een eigen doel hebben: voetbalsite voor de nieuwe fusieclub, herontwikkeling van een vrijgekomen locatie, planologische compensatie door aansnijden van herbevestigd agrarisch gebied.”
3.2.3. Nog in de toelichtingsnota wordt met betrekking tot het masterplan “Alken Valley 2020”, goedgekeurd door de gemeenteraad van de gemeente Alken op 21 december 2017, onder meer gesteld:
“Masterplan Alken Valley 2020
Het masterplan Alken Valley 2020 geeft uitvoering aan de bindende bepaling 36 van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan: ‘De gemeente stelt een ontwikkelingsplan op voor een kwalitatieve ontwikkeling en inrichting van het recreatiedomein de Alk als recreatie-‘park’’.
Doelstelling is om […] de aantrekkelijkheid van De Alk als bovenlokale recreatiepool te consolideren en de relatie met het centrum van Alken te versterken. Zo wordt ook het draagvlak voor handel en horeca in het centrum van Alken vergroot. Om meer recreanten aan te trekken moet een unieke beleving geboden worden.
Tegelijkertijd wordt de huidige waterproblematiek aangepakt door een kader te scheppen voor een verbeterde structuur van de waterlopen en verhoogde waterbergingscapaciteit, en door bedreigingen op te heffen en waar nodig de ontwikkelingsmogelijkheden (bebouwing, verharding)
hiertoe te beperken.
Het masterplan wil de aansluiting tussen het sport- en recreatiedomein en de Herkvallei waarin het gelegen is opzoeken, en de aanwezigheid van deze unieke landschappelijke context beter benutten. Dit, om niet alleen de identiteit en de verblijfskwaliteit, maar ook de ecologische waarde van het projectgebied uit te bouwen. Het sport- en recreatiedomein wordt zo verruimd tot valleipark, waarin de belevingswaarde gestoeld is op het bestaande valleilandschap. Door, naast het sport- en recreatief programma,
X-18.282-4/49
ruimte te bieden aan een streekeigen, extensief beheerde vallei-habitat onderscheidt het valleipark zich tot een unicum in de streek.
De uitbouw van een valleipark biedt mogelijkheden voor het verbeteren van het watersysteem van de regio. Er wordt gewerkt aan de waterkwaliteit en de ecologische waarde van de Herk en de Kleine Herk. Via het projectgebied kan aansluiting gemaakt worden met de Bengelbeemd en de Mombeekvallei ten noorden en met het Natuurreservaat De Herkvallei ten zuiden. Zo ontstaan er, behalve een aaneengesloten ecologische corridor, ook nieuwe mogelijkheden op vlak van natuurbeleving en -educatie.
Op mesoschaal kan het valleipark een belangrijke functie als waterretentiebekken opnemen. Er wordt opnieuw ruimte gegeven aan de beken (openleggen, hermeandering). Er worden, behalve meerdere vijvers en poelen, ook enkele onverharde programma-onderdelen van het park overstroombaar aangelegd. Verharding en bebouwing wordt vermeden in de stukken die als ‘signaalgebied’ zijn gekend. De aanwezigheid van water wordt zichtbaar, hoorbaar en voelbaar gemaakt. Daarom wordt water, doorheen het hele […] projectgebied, behalve als landschappelijk inrichtingselement ook zoveel als mogelijk ingezet als speel- en educatief element.
De herstructurering tot een uniek vallei landschap gaat samen met enkele gerichte ingrepen in het programma.
Een aantal plekken worden momenteel reeds intensief gebruikt en behouden dus in eerste instantie hun huidige invulling: de tennisclub met het clubhuis van de pagclub en de wielerclub, de atletiekpiste met sportzaal ’T ABC (tafeltennis, atletiek, boogschieten, curve bowls) , de visvijver, de manege. Andere functies krijgen een facelift, worden uitgebreid met een hedendaagse invulling of krijgen een nieuwe omkadering: de speeltuin, het verkeerspark, de visvijver, …:
– De speeltuin is in het huidige sport- en recreatiedomein een belangrijke publiekstrekker die in het masterplan verder uitgebouwd wordt. De aantrekkelijkheid van spelen in het valleipark wordt met het masterplan geïntensiveerd door natuurlijke speelelementen doorheen het hele park toe te voegen. Spelen wordt gethematiseerd uitgebreid rond het thema ‘water’ (roeivijver, waterspeeltuin, avontuurlijk spelen, interactieve educatie rond water).
– Het huidige programma op de site De Molen wordt bijgesteld zodat De Molen kan worden uitgebouwd tot een bovenlokaal bezoekerscentrum. De Molen wordt het vertrekpunt van natuurexploraties, wandelingen en fietstochten in het valleipark en/of in de ruimere omgeving. Het huidige programma op de site De Molen wordt bijgesteld zodat De Molen kan worden uitgebouwd tot een bovenlokaal bezoekerscentrum. De Molen wordt het vertrekpunt van natuurexploraties, wandelingen en fietstochten in het valleipark en/of in de ruimere omgeving.
– De chiro (nu in site De Molen) worden gehuisvest in een nieuw chiroheem ter hoogte van de zuidelijke toegangspoort van het valleipark (omgeving manege / Rijdreef).
– Het verkeerspark in het sport- en recreatiedomein De Alk is zowel voor scholen als voor particuliere bezoekers een belangrijke bovenlokale aantrekkingspool. De huidige infrastructuur is echter verouderd. Met het
X-18.282-5/49
masterplan wordt het voor scholen op uitstap mogelijk om verkeerslessen te organiseren in het educatief centrum in De Molen en te oefenen in een hedendaags, aantrekkelijk verkeerspark. Het masterplan voorziet hiervoor in drie verschillende, maar aaneen te sluiten terreinen waar er op verschillende manieren met verkeersopvoeding kan worden omgegaan: een oefenterrein voor jonge fietsers (op warme dagen te transformeren tot een waterspeelplein), formele verkeerslessen ter hoogte van de sporthal, het zuidelijke deel van het verkeerspark dat de huidige roeivijver vervangt met een combinatie van twee programma’s nl. een natuurlijke waterzuiveringsinstallatie met verschillende kleine poelen en vijvers, anderzijds een padenstructuur waar kinderen met fietsen en gocarts vrij kunnen spelen en ‘doortrappen’.
Dit deel functioneert als een uitbreiding van de speeltuin voor iets oudere kinderen, waar er ook plaats is voor interactie met water, bv. een picknickhoek, speeloevers of zelfs een speelvijver.”
En nog:
“De Alk wordt in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Alken aangeduid als te (her)ontwikkelen recreatiedomein op (boven)lokaal niveau. Dit werd nadien concreter uitgewerkt in het masterplan Alken Valley 2020. Daaruit blijkt dat de delen recreatiegebied, die herbestemd worden in voorliggend deelplan Vallei van de Herk, geen rol krijgen in de (her)ontwikkeling van het recreatiedomein.”
Luidens de toelichtingsnota wordt “[t]er uitvoering van het masterplan […] o.a. een RUP opgemaakt (versie voorontwerp – scopingsnota september 2019). In dit RUP wordt voor het recreatiegebied een onderscheid gemaakt in zones voor groen en recreatie enerzijds en zones voor groen, waterbeheer en recreatie anderzijds.”
3.3. Op 18 april 2018 keurt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken de startnota met betrekking tot het gemeentelijk RUP goed. Van 1 mei 2019 tot 30 juni 2019 vindt een publieke consultatie plaats tijdens welke de start- en procesnota kan geraadpleegd worden en het advies van meerdere adviesinstanties wordt ingewonnen.
3.4.1. Naar aanleiding van de ingediende inspraakreacties laat de gemeente Alken in november 2019 door het studiebureau Ecotoop een onderzoeksnota (hierna: de studie van Ecotoop van november 2019) opmaken. In
X-18.282-6/49
die studie wordt onder meer het aspect water onderzocht. De studie van Ecotoop van november 2019 gaat daarbij uit van een aanvankelijke locatie van het deelplan ‘Broosveld’ (op de volgende afbeelding rood omrand), die later in de planprocedure in zuidoostelijke richting zal worden verplaatst (studie van Ecotoop van november 2019, figuur 13. Potentieel overstroombare gebieden):
De eerste verwerende partij geeft in haar memorie van antwoord naast de (oude) locatie van het deelgebied (rood) ook nog het ganse onderzoeksgebied (groen omrand) van de studie van Ecotoop van november 2019
weer:
X-18.282-7/49
3.5. Op grond van de scopingnota (versie februari 2020) beslist de dienst Milieueffectrapportage (dienst Mer) van de Vlaamse overheid op 1 juli 2020
dat voor het voorgenomen gemeentelijk RUP geen planmilieueffectrapport (plan-MER) moet worden opgemaakt.
Dit is de tweede bestreden beslissing.
3.6. Op 26 augustus 2020 vindt een plenaire vergadering over een eerste voorontwerp van het gemeentelijk RUP plaats.
3.7. Op 24 februari 2021 vindt een plenaire vergadering over een tweede voorontwerp van het gemeentelijk RUP plaats.
3.8. Op 12 maart 2021 beslist het team Mer (vroeger dienst Mer) op basis van een gewijzigde scopingnota (versie maart 2021) dat er geen plan-MER
voor het voorgenomen gemeentelijk RUP moet worden opgesteld.
Dit is de derde bestreden beslissing.
X-18.282-8/49
3.9. Op 25 maart 2021 stelt de gemeenteraad van de gemeente Alken het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast.
3.10. Van 3 mei 2021 tot en met 1 juli 2021 vindt een openbaar onderzoek over het ontwerp van het gemeentelijk RUP plaats. Onder anderen de verzoekende partijen dienen een bezwaarschrift in.
3.11. Op 25 augustus 2021 verleent de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de Gecoro) van de gemeente Alken een voorwaardelijk gunstig advies over het ontwerp van het gemeentelijk RUP.
3.12. Met een besluit van 25 november 2021 stelt de gemeenteraad van Alken het gemeentelijk RUP definitief vast.
3.13. Met een besluit van 13 januari 2022 schorst de bevoegde Vlaamse minister het voormelde besluit van 25 november 2021. Dit schorsingsbesluit is als volgt gemotiveerd:
“Motivering De gemeenteraadsbeslissing met betrekking tot de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Sport- en Recreatievelden’ van 25 november 2021 geeft aan dat het advies van de GECORO wordt gevolgd en volgt de daaraan toegevoegde behandeling van de bezwaren.
De gemeenteraad verwijst daarbij o.m. naar enkele aanpassingen die werden doorgevoerd aan het RUP naar aanleiding van dat advies. In diverse bezwaren naar aanleiding van het openbaar onderzoek wordt gewezen op de zeer natte zones van het plangebied, de onmogelijkheid tot infiltratie, de bijkomende druk door de geplande verhardingen, bebouwing én de aanleg van kunstgrasvelden, met risico op bijkomende wateroverlast.
Diverse bezwaren geven aan dat de aanleg van wadi’s de waterproblematiek onvoldoende zullen oplossen gezien de lage infiltratiecapaciteit van het plangebied en het verlies aan waterbergend vermogen ingevolge de geplande inrichting.
In de toelichtingsnota bij het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt verwezen naar wateroverlast ten gevolge van afstroming van hoger gelegen velden en de beperkte infiltratiecapaciteit van het plangebied. In haar advies heeft de GECORO ook uitdrukkelijk verwezen naar de waterproblematiek en de vraag gesteld of de wadi’s voldoende garantie bieden voor de opvang van het hemelwater.
X-18.282-9/49
Bij de behandeling van de bezwaren met betrekking tot de waterhuishouding en de watertoets inzake het deelplan ‘Broosveld’ heeft de GECORO en vervolgens de gemeenteraad zich beperkt tot een verwijzing naar een (bijkomend) ecologisch onderzoek ‘op basis van kaartmateriaal, terreinwaarneming en bodemboringen’ en de toelichtingsnota bij het ruimtelijk uitvoeringsplan. In die toelichtingsnota wordt onder ‘7.1.9.4 Effecten op het watersysteem’ een deel van dat onderzoek overgenomen, waarbij ook de voorgestelde aanbevelingen voor optimalisatie van het plan/het project worden opgesomd. Hierbij wordt ook verwezen naar het advies van de VMM naar aanleiding van de startnota en de daarin geformuleerde aanbevelingen inzake infiltratie en buffering.
De stedenbouwkundige voorschriften van het deelplan ‘Broosveld’ laten binnen artikel 1.1 ‘Recreatiegebied’ en artikel 1.2 ‘Zone voor recreatie en parking’ bijkomende verhardingen en bebouwing toe. Hieromtrent worden slechts minimale voorwaarden opgenomen inzake oppervlakte, doorlatend karakter en groendaken. Eveneens wordt vastgesteld dat binnen de ‘Zone voor groenbuffer’ (art. 1.3) bijkomende verhardingen en constructies zijn toegelaten en dat 2/3 van die zone moet ingericht worden als groenstrook.
Op geen enkele wijze wordt aangetoond dat binnen deze zone voldoende ruimte beschikbaar zal blijven om de noodzakelijke wadi’s en waterbuffering op te vangen, zoals voorgeschreven in het advies van de VMM.
De plannende overheid lijkt ervan uit te gaan dat het gevoerde ecologisch onderzoek voldoende garanties biedt om bijkomende wateroverlast te voorkomen. De plannende overheid heeft hierbij evenwel nagelaten in concreto te oordelen omtrent de bezwaren. De aanbevelingen van het ecologisch onderzoek werden niet allemaal vertaald in de voorschriften.
Ook de aanbevelingen en opmerkingen van het advies van de VMM
werden niet of onvoldoende opgenomen in de Stedenbouwkundige voorschriften.
Bijgevolg dient geoordeeld te worden dat onvoldoende maatregelen worden opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften om de schadelijke effecten van het voorgenomen plan of project te vermijden of te milderen. Het louter doorschuiven van de watertoets naar het projectniveau door een ‘waterstudie’ op te leggen in kader van concrete vergunningsaanvragen is strijdig met de direct werkende norm zoals opgenomen in het Decreet Integraal Waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en geeft daarom aanleiding tot schorsing van voormeld gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Sport- en Recreatievelden’.”
3.14. Met een besluit van 31 maart 2022 stelt de gemeenteraad van de gemeente Alken een aangepast gemeentelijk RUP opnieuw definitief vast.
In de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP wordt met betrekking tot het deelplan ‘Broosveld’ de volgende effectbeoordeling inzake het aspect water vermeld:
X-18.282-10/49
“7.1.9.4 Effecten op het watersysteem Kenmerken van de omgeving
– Mogelijk overstromingsgevoelig gebied nabij het plangebied, klein deel aan de zuidzijde in het plangebied – Geen effectief overstromingsgevoeliggebied in of vlak bij het plangebied – Waterloop met overstromingsgevoelig gebied aan de overzijde van de Expressweg (N80)
In inspraakreacties n.a.v. de startnota wordt aangehaald dat het plangebied waterziek is. N.a.v. bijkomend ecologisch onderzoek werd ook de waterhuishouding van het gebied nader onderzocht op basis van kaartmateriaal, terreinwaarneming en bodemboringen verspreid in het gebied. Dit onderzoek concludeert dat het onderzoeksgebied gelegen is op een zandlemige bodem. De bodem kan worden omschreven als vochtig tot nat (in een beperkt aantal zones). De echt natte zones zijn beperkt tot de zone rond de twee zuidelijk gelegen waterpartijen en in iets mindere mate een dwarsgracht doorheen de maisakker. De gleyverschijnselen in het projectgebied tonen aan dat de grondwatertafel schommelt tussen de 70 cm en 30 cm diepte. De meest uitgesproken gleyverschijnselen bevinden zich dieper dan 50 cm. De plassen water die aan het projectgebied aanwezig zijn na regenval zijn het gevolg van de slechte infiltratie van regenwater door de kenmerken van de leembodems. Er zijn geen kwelzones in het gebied waargenomen. Door het natuurlijke reliëf is er een duidelijke waterscheiding tussen het plangebied en de Lokerstraat, zodat er geen bijkomend afstromend water vanuit de voetbalsite richting Lokerstraat kan lopen.
Het bijkomend ecologisch onderzoek omvat een aantal aanbevelingen voor de optimalisatie van het plan/het project:
– Het moet steeds de ambitie zijn om de oppervlakte verharding tot een minimaal te beperken. Regenwater ter plaatse laten infiltreren is essentieel in de strijd tegen zowel droogte als wateroverlast.
Waterdoorlatende verhardingen zoals kiezel lijken vaak een aantrekkelijke optie. Toch is dit niet aangewezen. De bestrijding van onkruiden (die onvermijdelijk opduiken op kiezel) met pesticiden is decretaal verboden in de openbare ruimte. Ook sportinfrastructuur valt
X-18.282-11/49
onder deze regelgeving. Er zijn twee opties om dit probleem op te lossen:
– waterdoorlatende, groene verhardingen – niet-waterdoorlatende verhardingen met afvoer naar lokale infiltratievoorziening (wadi)
– Gebouwen die worden opgetrokken op de projectsite kunnen best worden ingericht met groendaken.
– Het is belangrijk om het afstromende regen[w]ater van de verhardingen en de voetbalvelden (eventueel met drainage) maximaal lokaal te verwerken. Wadi’s zorgen ervoor dat regenwater lokaal gebufferd wordt en de tijd krijgt om te infiltreren.
De voorschriften voorzien dat verhardingen moeten beperkt blijven tot het strikt noodzakelijke en ondoorlatend mogen zijn mits wordt voorzien in voldoende buffercapaciteit d.m.v. wadi’s, dat daken met een oppervlakte van 40m² of meer als groendak moeten worden aangelegd en dat maatregelen inzake waterhuishouding (bv. wadi’s) in alle bestemmingszones mogelijk zijn.
Uit het advies van de provinciale dienst Water en Domeinen n.a.v. de startnota, worden volgende aanbevelingen geformuleerd:
– Aangezien de plaatselijke situatie (infiltratiecapaciteit < 20 mm/h volgens de infiltratieproef) het niet toelaat om te infiltreren, is het verantwoord om over te gaan naar buffering met vertraagde afvoer. Dit geldt zowel voor de zoekzone Langveld als de zoekzone Broosveld. Ter optimalisatie van het plan moet, overeenkomstig het advies van provincie Limburg, dergelijke open buffering van de aangesloten verharde oppervlakte 250 m³/ha verharde oppervlakte bedragen, met een maximaal uitloopdebiet van 20l/s/ha verharde oppervlakte.
Indien de nieuwe velden worden uitgevoerd in kunstgras dient 25 %
van de oppervlakte in rekening te worden gebracht om te bufferen. Het irrigatiesysteem wordt geacht een bepaalde vertraging te creëren. De terugkeerperiode van de overloop moet minimaal 20 jaar bedragen. De buffervoorziening moet voorzien zijn van een zo groot mogelijke oppervlakte zodat deze gedimensioneerd kan worden met een kleine drukhoogte (50 – 100 cm) om de toegelaten vertraagde leegloop van 20l/s/ha zo goed mogelijk in de praktijk te realiseren d.m.v. een knijpleiding (diameter 11 cm).
– Het volume dat voor nuttige buffering instaat is het volume tussen de onderkant van de inloop (of noodoverloop) en de onderkant van de leegloop. Bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en worden ingezaaid met gras en onder zachte helling (8/4 – 12/4) worden uitgevoerd.
Effecten inzake water Een voetbalsite houdt geen grootschalige ondergrondse constructies die impact hebben op de grondwaterlagen.
Dit hoeft dan ook niet verder onderzocht te worden.
Er wordt geen overstromingsgevoelig gebied ingenomen en geen waterlopen aangetast/aangepast. De meest natte zones bevinden zich buiten het plangebied.
X-18.282-12/49
De bodem is weinig infiltratiegevoelig. Dit is vrij kenmerkend in de streek (Vochtig Haspengouw). Infiltratie van regenwater is door de bodemspecifieke kenmerken lokaal problematisch. De gewestelijke hemelwaterverordening is van toepassing bij een vergunningsaanvraag voor de concrete realisatie van de voetbalsite. Het project zal afdoende infiltratie- of buffercapaciteit moeten voorzien zodat geen bijkomend afstromend hemelwater wordt afgewenteld op de omgeving. In de concretere inrichtingsoefening tijdens de scopingsfase is de benodigde lengte aan bufferwadi’s berekend bij een breedte van 1m van de wadi’s, rekening houdend met een maximale verharding van de voetbalsite (0%
voor groenbuffers, 25% voor voetbalvelden, 100% rest van het plangebied)
en een beperkte diepte van wadi’s (hoge grondwaterstanden tot 50 cm onder maaiveld). De voorziene groenbuffers zijn ruim voldoende om voldoende wadi-capaciteit te incorporeren, zoals blijkt uit de rekennota ‘buffercapaciteit’ in bijlage[.]
Omdat de reliëfverschillen in het plangebied beperkt zijn, zullen hooguit lokale nivelleringen nodig zijn. Daarbij kan het kombergend vermogen worden hersteld op de site zelf, zodat geen bijkomend afstromend effect t.o.v. de omgeving wordt veroorzaakt. De impact van het deelplan op de waterkwantiteit zal dan ook niet significant zijn. De te nemen maatregelen situeren zich op projectniveau.
Er wordt geen grondwater gebruikt door voetbalactiviteiten.
Het afvalwater is te vergelijken met huishoudelijk afvalwater (toiletten, spoelbak, douches,..) en zal aangesloten worden op het rioleringsstelsel.
Het plan sluiten immers aan op ‘centraal gebied’ volgens de zoneringsplannen van VMM. Indien dit niet mogelijk zou zijn – wat afhankelijk is van de concrete inrichting van het terrein (projectniveau ) –
zal een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater op het terrein zelf moeten worden voorzien.
De geplande voetbalactiviteiten houden geen relevante risico’s in op vervuiling van het oppervlakte- of grondwater. Dit aspect wordt daarom niet verder onderzocht.
Conclusie Het deelplan houdt geen significante effecten op het watersysteem in.
Op projectniveau moeten de nodige maatregelen worden genomen i.f.v.
retentie van afstromend hemelwater.
De configuratie en voorschriften van het plan laten toe dat alleen al in de groenbuffer voldoende buffercapaciteit (bv. door wadi’s) kan worden gevonden.”
3.15. Met een besluit van 18 mei 2022 schorst dit keer de deputatie van de provincieraad van de provincie Limburg (hierna: de deputatie) het gemeentelijk RUP. Dit besluit bevat de volgende overwegingen:
“Overwegende dat de schorsing alleen kan worden doorgevoerd omwille van redenen zoals exhaustief opgesomd in artikel 2.2.23. §2 van de VCRO;
Overwegende dat het provinciebestuur op 2 april 2022 het GRUP-Sport- en
X-18.282-13/49
recreatievelden te Alken heeft ontvangen, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Alken op 31 maart 2022;
Overwegende dat het GRUP-Sport- en recreatievelden te Alken als doel heeft de benodigde sportinfrastructuur voor één voetbalclub (fusie van drie plaatselijke voetbalclubs) op één locatie planologisch mogelijk te maken en een planologische herbestemming van de huidige voetballocaties door te voeren;
Overwegende dat het GRUP-Sport- en recreatievelden te Alken gemotiveerd afwijkt van de richtinggevende bepalingen van het GRS en dit omwille van de nieuwe ruimtelijke behoeften van een fusie-voetbalclub en omwille van de uitwerking van het masterplan voor De Alk (Alken Valley 2020) en de aanduiding van WORG [watergevoelige openruimtegebieden];
Overwegende dat het GRUP-‘Sport- en recreatievelden’ in zijn globaliteit kadert binnen de doelstellingen van het RSPL [Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg] (en het RSV [Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen]);
Overwegende dat de doorgevoerde wijzigingen in functie van de tweede definitieve vaststelling niet enkel verduidelijkingen of eenvoudige wijzigingen betreffen, maar dat er essentiële en substantiële aanpassingen werden doorgevoerd in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften;
Overwegende dat deze wijzigingen individueel, maar vooral cumulatief een bijzondere impact hebben op zowel het voorziene programma dat onderzocht werd in het MER en het RUP, maar vooral op de effectieve realisatiemogelijkheden en bouwprogramma op het terrein;
Overwegende dat de aanpassingen, de gewijzigde planopties en de onduidelijke realisatiemogelijkheden aanleiding kunnen geven tot verwarring en onzekerheid bij het brede publiek, in het bijzonder bij de rechtstreeks betrokkenen; de voetbalclubs, de directe buren van het plangebied en de individuele perceeleigenaars;
Overwegende dat deze onduidelijkheden aanleiding kunnen geven tot een verdere juridische procedure;
Overwegende dat enkel een nieuwe publieke raadpleging, via de organisatie van een openbaar onderzoek, duidelijkheid kan creëren over de door het gemeentebestuur aangebrachte wijzigen inzake planopties en voorschriften;
Overwegende dat de meeste van de aangebrachte wijzigingen een rechtstreekse doorvertaling zijn van het gevoerde ecologische onderzoek ‘Ecologisch onderzoek zoekzone Broosveld’; dat deze studie geen onderdeel uitmaakte van het eerste georganiseerde openbaar onderzoek, maar later in de procedure als bijlage 10.3 werd toegevoegd in functie van de eerste definitieve vaststelling; dat de publieke kennisgeving van dit document een gewichtig element is in functie van het vermijden van extra procedureslagen;
Overwegende dat de deputatie van oordeel is dat zowel het vernoemde ecologisch onderzoek als de aangebrachte wijzigingen in functie van de tweede definitieve vaststelling ter kennis gegeven dienen te worden aan het brede publiek, waarbij de nodige inspraakmogelijkheden worden gecreëerd en in alle openbaarheid de bedoelde planaanpassingen worden weergegeven;
X-18.282-14/49
Overwegende dat de deputatie op basis van de gewijzigde stukken niet langer kan oordelen of het gewenste project nog effectief realiseerbaar is binnen de voorgestelde planopties, dat de opportuniteitsafweging ontbreekt en dat de gewijzigde planopties niet opnieuw worden afgewogen binnen het te voeren alternatievenonderzoek;
Overwegende dat de deputatie, op basis van voorgaande argumenten, beslist tot schorsing van de uitvoering van het besluit van 31 maart 2022
van de gemeenteraad van Alken houdende de definitieve vaststelling van het GRUP-Sport- en recreatievelden, conform artikel 2.2.23 van de VCRO;
[…]”
3.16. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die de gemeente Alken tegen het voormelde schorsingsbesluit van de deputatie van 18 mei 2022 bij de Raad van State heeft ingediend, wordt met ’s Raads arrest nr. 254.193 van 30 juni 2022 verworpen om reden dat niet aan de grondvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan. Met ’s Raads arrest nr. 255.747 van 10 februari 2023 wordt vastgesteld dat de gemeente Alken haar belang bij haar beroep heeft verloren door geen memorie van wederantwoord in te dienen.
3.17. Inmiddels ging de gemeenteraad van de gemeente Alken op 4 augustus 2022 over tot een derde definitieve vaststelling van het gemeentelijk RUP.
Dit is het eerste bestreden besluit. Er wordt melding van gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 september 2022.
3.18. Het gemeentelijk RUP voorziet in het deelplan ‘Broosveld’ de nodige ruimte voor de nieuwe voetbalinfrastructuur. Het grafisch plan ervan is het volgende:
X-18.282-15/49
De erbij horende legende luidt:
3.19.1. De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1.1
‘Recreatiegebied’ van het deelplan ‘Broosveld’ luiden:
X-18.282-16/49
“BESTEMMING
Het gebied is bestemd voor buitensporten en buurtgerichte kleinschalige laagdynamische recreatieve infrastructuur.
Alle voorzieningen en inrichtingen in functie hiervan mogen binnen deze zone gerealiseerd worden, met uitsluiting van parkeerplaatsen voor gemotoriseerd verkeer. Tevens zijn er binnen deze zone gebouwen toegelaten die in functie staan van de dagrecreatie.
Voor zover ze de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen, zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van het gebied, de captatie van afstromend hemelwater i.f.v.
hergebruik of het voorkomen van wateroverlast in aan het plan palende gebieden.
INRICHTING
De inrichting van de zone is vrij, mits rekening wordt gehouden met volgende randvoorwaarden:
– verhardingen moeten beperkt blijven tot het strikt noodzakelijke voor de circulatie tussen en omheen de sportterreinen en bebouwing.
Verhardingen mogen ondoorlatend zijn mits de nodige buffercapaciteit wordt voorzien binnen het plangebied d.m.v. open wadi’s die worden aangelegd volgens de principes van de natuurtechnische milieubouw en/of ondergrondse buffervoorzieningen.
– de noodzakelijke bebouwing dient zoveel mogelijk gebundeld te worden in één gebouw of gebouwencluster. De totale bebouwde oppervlakte in het geheel van de zones art. 1.1 en art. 1.2 is beperkt tot max. 1.500m². Gebouwen met een dakoppervlakte van 40m² of meer moeten worden voorzien van een groendak.
– de kroonlijsthoogte van de gebouwen bedraagt maximaal 8m.
– in de delen van de zone die niet door sportinfrastructuur worden ingenomen dienen de bestaande bomen behouden te blijven.
– de delen van het terrein die niet ingenomen zijn door sportvelden, bebouwing en verhardingen moeten aangelegd worden met groenaanleg zodat een samenhangende kwaliteitsvolle omgevingsaanleg wordt bekomen met de inrichting van de zones art.
1.3 ‘groenbuffer’.
– terreinverlichting dient zo geconcipieerd dat strooilicht maximaal wordt voorkomen.
De aanleg als sportsite mag niet leiden tot bijkomend afstromend hemelwater naar de omgeving. Het kombergend vermogen van het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3 als geheel mag niet verminderd worden, en moet zoveel mogelijk vergroot worden. Dit houdt in dat:
– in een strook van 50m t.o.v. de plangrens die parallel loopt aan de Expressweg mogen geen gebouwen worden geplaatst en dienen alle constructies overstroombaar te worden voorzien.
– minstens het bestaande overstromingsvolume onder peil 37,00m TAW
moet behouden blijven of gecompenseerd moet worden binnen het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3. In functie van de
X-18.282-17/49
compensatie van het overstromingsvolume mag evenwel niet dieper uitgegraven worden dan het laagste punt van het terrein.
– in het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3 dient de vrije ruimte die niet wordt ingenomen door een ontwikkeling cfr. de voorschriften bijkomend ruimte voor waterbuffering d.m.v. wadi’s te worden gecreëerd i.f.v. het vergroten van het kombergend vermogen van het gebied t.o.v. de bestaande toestand.
Bij elke vergunningsaanvraag die verhardingen, bebouwing en/of reliëfwijzigingen inhouden, moet aangetoond en berekend worden op welke manier het project tegemoet komt aan de voorschriften inzake waterbeheer en kombergend vermogen van het gebied. Hiertoe kan een waterstudie bij de aanvraag worden gevoegd. De waterstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het kader van het behoud en vergroten van het waterbergend vermogen in het plangebied en het voorkomen van wateroverlast in de omgeving. De waterstudie geeft ook aan hoe het voorgenomen project zich verhoudt tot wat al gerealiseerd is in het gebied en/of tot de mogelijke ontwikkeling van de rest van het gebied.
Voor het berekenen van de benodigde buffercapaciteit moet de geldende regelgeving en richtlijnen van adviesinstanties in de omgevingsvergunningenprocedure worden gevolgd (hemelwaterverordening, adviezen wateradviesinstanties). Daarbij moeten ook alle gebouwen en overdekte constructies kleiner dan 40m2 en alle niet-waterdoorlatende verhardingen als verharde oppervlakte in rekening worden gebracht. Enkel grastegels (verharding d.m.v. honinggraatstructuur waartussen gras groeit) worden i.f.v. de berekening als waterdoorlatende verhardingen beschouwd.”
3.19.2 De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1.2 ‘Zone voor recreatie en parking’ van het deelplan ‘Broosveld’ bepalen:
“BESTEMMING
Het gebied is in hoofdzaak bestemd voor parkeerplaatsen voor de sportsite.
In aanvulling daarop zijn ook toegelaten:
– kleinschalige toegangsinfrastructuur i.f.v. het functioneren van de sportsite – buurtgerichte kleinschalige laagdynamische recreatieve infrastructuur – beperkte delen van de sportinfrastructuur die omwille van een optimale inrichting van de sportsite niet volledig in het recreatiegebied art. 1.1
kunnen worden ingepast, met uitzondering van kantine of tribunes.
Voor zover ze de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen, zijn alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van het gebied, de captatie van afstromend hemelwater i.f.v.
hergebruik of het voorkomen van wateroverlast in aan het plan palende gebieden.
INRICHTING
X-18.282-18/49
De parking dient ingericht i.f.v. een parkeercapaciteit die voldoende is om de eigen parkeerbehoefte op te vangen bij normale werking van de sportsite.
De parking kan enkel ontsloten worden naar de Stationsstraat, via voorliggend perceel.
De parking dient een groen karakter te hebben.
Aanplantingen dienen te gebeuren met streekeigen standplaatsgeschikte soorten. Er geldt een minimale richtnorm van minstens 1 boom per 10
parkeerplaatsen.
Verhardingen mogen ondoorlatend zijn mits de nodige buffercapaciteit wordt voorzien binnen het plangebied.
De delen van het terrein die niet ingenomen zijn door bebouwing, verhardingen en infrastructuur moeten aangelegd worden met groenaanleg zodat een samenhangende kwaliteitsvolle omgevingsaanleg wordt bekomen met de inrichting van de zones art. 1.3 ‘groenbuffer’ en art. 1.1
recreatiegebied.
De kroonlijsthoogte van eventuele bebouwing is beperkt tot 3m50. De totale bebouwde oppervlakte in het geheel van de zones art. 1.1 en art. 1.2
is beperkt tot max. 1.500m².
Gebouwen met een dakoppervlakte van 40m² of meer moeten worden voorzien van een groendak.
De aanleg als sportsite mag niet leiden tot bijkomend afstromend hemelwater naar de omgeving. Het kombergend vermogen van het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3 als geheel mag niet verminderd worden, en moet zoveel mogelijk vergroot worden. Dit houdt in dat:
– In een strook van 50m t.o.v. de plangrens die parallel loopt aan de Expressweg mogen geen gebouwen worden geplaatst en dienen alle constructies overstroombaar te worden voorzien. Wel zijn beschermende maatregelen tegen overstroming van aanpalende woning Stationsstraat nr. 65 mogelijk.
– minstens het bestaande overstromingsvolume onder peil 37,00m TAW
moet behouden blijven of gecompenseerd moet worden binnen het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3. In functie van de compensatie van het overstromingsvolume mag evenwel niet dieper uitgegraven worden dan het laagste punt van het terrein.
– in het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3 dient de vrije ruimte die niet wordt ingenomen door een ontwikkeling cfr. de voorschriften bijkomend ruimte voor waterbuffering d.m.v. wadi’s te worden gecreëerd i.f.v. het vergroten van het kombergend vermogen van het gebied t.o.v. de bestaande toestand.
Bij elke vergunningsaanvraag die verhardingen, bebouwing en/of reliëfwijzigingen inhouden, moet aangetoond en berekend worden op welke manier het project tegemoet komt aan de voorschriften inzake waterbeheer en kombergend vermogen van het gebied. Hiertoe kan een waterstudie bij de aanvraag worden gevoegd. De waterstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het kader van het behoud en vergroten van het waterbergend vermogen in het plangebied en het voorkomen van wateroverlast in de omgeving. De waterstudie geeft ook
X-18.282-19/49
aan hoe het voorgenomen project zich verhoudt tot wat al gerealiseerd is in het gebied en/of tot de mogelijke ontwikkeling van de rest van het gebied.
Voor het berekenen van de benodigde buffercapaciteit moet de geldende regelgeving en richtlijnen van adviesinstanties in de omgevingsvergunningenprocedure worden gevolgd (hemelwaterverordening, adviezen wateradviesinstanties). Daarbij moeten ook alle gebouwen en overdekte constructies kleiner dan 40m² en alle niet-waterdoorlatende verhardingen als verharde oppervlakte in rekening worden gebracht. Enkel grastegels (verharding d.m.v. honinggraatstructuur waartussen gras groeit) worden i.f.v. de berekening als waterdoorlatende verhardingen beschouwd.”
3.19.3 De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1.3 ‘Zone voor groenbuffer’ van het deelplan ‘Broosveld’ luiden:
“BESTEMMING
De zone moet aangelegd worden als groenbuffer.
Alleen werken en handelingen met het oog op de aanleg en het onderhoud van de buffer zijn toegelaten met inbegrip van afsluitingen, waterbeheersingswerken en brandwegen indien dit om redenen van brandveiligheid wordt opgelegd.
INRICHTING
De inrichting moet een groen karakter hebben en de visuele afscherming, geluidsafscherming, landschappelijke inpassing en buffering van afstromend hemelwater van de sportsite bewerkstelligen. T.o.v. de aanpalende woonpercelen in de Stationsstraat en Broosveldstraat is het verplicht geluidswerende maatregelen te integreren in de aanleg.
De bufferstrook wordt voor ten minste 2/3de (dicht) beplant met streekeigen standplaatsgeschikte struiken en hoogstammige bomen, behoudens de bufferstrook langsheen het talud van de Expressweg. De groenaanplant kan gecombineerd worden met geluidsafschermende afsluiting, wadi’s, ondergrondse buffervoorzieningen, watertanks i.f.v.
hergebruik van regenwater en onverharde wandelpaden voor zover deze geïntegreerd wordt in de groenaanleg en steeds een strook van minstens 5m breed langs de buitenzijde als houtkant met streekeigen soorten wordt gegarandeerd.
Bestaande streekeigen hoogstammen in de bufferstrook moeten behouden blijven.
De bufferstrook palend aan de Hoge Hofweg kan plaatselijk worden onderbroken i.f.v. de toegang naar de sportsite voor voetgangers en fietsers, dienstverkeer en hulpdiensten vanuit de Hoge Hofweg. De onderbrekingen dienen zo smal mogelijk te zijn en beperkt te zijn in aantal.
Eventuele verhardingen i.f.v. brandwegen mogen enkel onder de vorm van zgn. grastegels (honinggraatstructuur waartussen gras groeit) worden aangelegd.
De aanleg als sportsite mag niet leiden tot bijkomend afstromend hemelwater naar de omgeving. Het kombergend vermogen van het geheel
X-18.282-20/49
van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3 als geheel mag niet verminderd worden, en moet zoveel mogelijk vergroot worden. Dit houdt in dat:
– in de bufferstrook langsheen het talud van de N80 geldt geen verplichting tot dichte aanplanting en moet maximaal ingezet worden op waterbuffering. Daarbij zijn wel beschermende maatregelen tegen overstroming van aanpalende woning Stationsstraat nr. 65 mogelijk in de bufferstroken die palen aan het betreffende woonperceel.
– minstens het bestaande overstromingsvolume onder peil 37,00m TAW
moet behouden blijven of gecompenseerd moet worden binnen het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3. In functie van de compensatie van het overstromingsvolume mag evenwel niet dieper uitgegraven worden dan het laagste punt van het terrein.
– in het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3 dient de vrije ruimte die niet wordt ingenomen door een ontwikkeling cfr. de voorschriften bijkomend ruimte voor waterbuffering d.m.v. wadi’s te worden gecreëerd i.f.v. het vergroten van het kombergend vermogen van het gebied t.o.v. de bestaande toestand.
Bij elke vergunningsaanvraag die verhardingen, bebouwing en/of reliëfwijzigingen inhouden, moet aangetoond en berekend worden op welke manier het project tegemoet komt aan de voorschriften inzake waterbeheer en kombergend vermogen van het gebied. Hiertoe kan een waterstudie bij de aanvraag worden gevoegd. De waterstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het kader van het behoud en vergroten van het waterbergend vermogen in het plangebied en het voorkomen van wateroverlast in de omgeving. De waterstudie geeft ook aan hoe het voorgenomen project zich verhoudt tot wat al gerealiseerd is in het gebied en/of tot de mogelijke ontwikkeling van de rest van het gebied.
Voor het berekenen van de benodigde buffercapaciteit moet de geldende regelgeving en richtlijnen van adviesinstanties in de omgevingsvergunningenprocedure worden gevolgd (hemelwaterverordening, adviezen wateradviesinstanties). Daarbij moeten ook alle gebouwen en overdekte constructies kleiner dan 40m² en alle niet-waterdoorlatende verhardingen als verharde oppervlakte in rekening worden gebracht. Enkel grastegels (verharding d.m.v. honinggraatstructuur waartussen gras groeit) worden i.f.v. de berekening als waterdoorlatende verhardingen beschouwd.
BEHEER
De groenaanleg moet gerealiseerd zijn voor de sportsite in gebruik wordt genomen.”
3.19.4 De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1.4 ‘Zone voor afstandsbuffer’ van het deelplan ‘Broosveld’ bepalen:
“BESTEMMING
De zone dient als afstandsbuffer tussen de sportsite en aanpalende woningen en kan gebruikt worden als tuin of voor (hobby)landbouw.
X-18.282-21/49
Het gebied is bouwvrij. Enkel de volgende werken, handelingen en wijzigingen zijn toegelaten:
– open afsluitingen en/of afsluitingen in levende beplanting – instandhouding van bestaande vergunde of vergund geachte gebouwen en verhardingen – handelingen met toepassing van de decretaal voorziene zonevreemde basisrechten; maar bij herbouw van constructies dient het volume te worden beperkt tot maximaal het vergunde volume van de bestaande constructie.
Voor zover ze de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen, zijn ook alle werken, handelingen en wijzigingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van het plangebied of het voorkomen van wateroverlast in aan het plan palende gebieden.”
3.20. De mate van overstromingsgevoeligheid van het deelplan ‘Broosveld’ blijkt uit de volgende op de site van Geopunt weergegeven kaart met overstromingsgevoelige gebieden (pluviaal), gevoegd als bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 ‘tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: het watertoetsbesluit):
X-18.282-22/49
3.21. Wat het deelplan ‘Terkoest’ betreft, worden de voormalige voetbalterreinen van VCT Terkoest herbestemd naar een kleinschalige woonbestemming met sociaal karakter aan de straatkant (Eikendreef), en een parkgebied voor de daarachter en dieper gesitueerde gronden. Het deelplan ‘St.-Joris bestemt de voormalige voetbalinfrastructuur van Eendracht Sint-Joris tot agrarisch gebied. Voorts worden met deelplan ‘Vallei van de Herk’ twee deelgebieden in de vallei van de Herk met de gewestplanbestemming recreatie herbestemd naar bouwvrij agrarisch gebied, als planologische compensatie voor het deelplan ‘Broosveld’ van het gemeentelijk RUP.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Standpunt van de partijen
4.1. In het verzoekschrift wijst eerste verzoeker, wat zijn belang betreft, erop dat zijn woning en huisartspraktijk zich in de Stationsstraat bevindt.
Zijn perceel bevindt zich binnen de zone voor afstandsbuffer en de zone voor groenbuffer van het gemeentelijk RUP, en zijn eigendomsrecht wordt daar op
X-18.282-23/49
verregaande wijze door beperkt. Zo gelden in de zone voor groenbuffer tal van verplichtingen.
Tweede verzoekster zet uiteen dat haar eigendom zich in de Lokerstraat, op een driehonderdtal meter van het plangebied, bevindt. Haar woning is gericht naar het plangebied en ertussen bevinden zich geen barrières, maar open ruimte. Net als eerste verzoeker heeft zij een belang bij haar beroep, temeer nu zij als verzoekers enorme hinder – “wateroverlast, geluidsoverlast, mobiliteitshinder, privacy/inkijk, lichtpollutie,…” – zullen ondervinden, indien op de beoogde locatie de geplande sportsite zou worden ingeplant. Het plangebied heeft een waterziek karakter. Infiltratie van water is er quasi onmogelijk en de Stationsstraat en de Lokerstraat hebben nu al systematisch last van overstromingen.
4.2. De tweede verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van de verzoekende partijen. Eerste verzoeker beroept zich ter staving van zijn belang op “toekomstige en hypothetische gegevens die geenszins vaststaan” en die “hun oorzaak vinden in de mogelijke toekomstige invulling van een deelgebied van het RUP dewelke evenwel niet vervat zitten in de bestreden beslissing”. Hij zal later, te gepasten tijde, zijn gebeurlijke bezwaren kunnen laten gelden, eens het initiatief wordt genomen om voor het gebied een omgevingsvergunning aan te vragen. Tweede verzoekster bezit geen eigendom binnen het plangebied, maar woont op een afstand van maar “liefst 300m” daar vandaan.
Beoordeling
5.1. Eerste verzoeker is eigenaar van een perceel dat deels gelegen is binnen het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP. Op grond van deze hoedanigheid alleen al doet hij in beginsel van het vereiste belang bij huidig beroep blijken. Het betoog van de eerste verwerende partij doet dit te dezen niet anders zien.
X-18.282-24/49
5.2. Tussen de woning van tweede verzoekster en het plangebied bevindt zich een open ruimte. Zij overtuigt ervan dat het bestreden gemeentelijk RUP voor haar hinder, zoals geluids- en lichthinder, kan teweegbrengen.
5.3. De exceptie is ongegrond.
V. Onderzoek van de middelen
A. Tweede en zesde middel
Standpunt van de partijen
Tweede middel
6.1. In hun tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 1.2.2, 1.2.3 en 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’, gecoördineerd op 15 juni 2018
(hierna: het waterwetboek), van de artikelen 2/1 en 4 van het watertoetsbesluit, en van het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en materiëlemotiveringsbeginsel.
Zij noemen het gebied waterziek en daardoor niet geschikt voor een sportsite. Naar aanleiding van de startnota hebben zij een inspraakreactie laten gelden, waarop de eerste verwerende partij de studie van Ecotoop van november 2019 heeft besteld. Niettegenstaande in die studie wordt aangegeven dat het plangebied fungeert als afstromingsgebied voor de ruime omgeving en dat de natte lemige bodem weinig infiltratie toelaat waardoor plassen ontstaan, wordt er ook in aangenomen dat het plangebied volledig buiten potentieel overstroombaar gebied ligt. Tegelijk wordt gesteld dat de aanleg van droge voetbalvelden geen evidentie zal zijn, in het licht van de bodemkenmerken van de site. Ook in de scopingnota (versie februari 2020) wordt erkend dat het gebied langs de gewestweg N80 een “nagenoeg permanente natte zone” uitmaakt, die “voortdurend onder water staat”.
Tijdens het openbaar onderzoek over het voorlopig vastgesteld gemeentelijk RUP
hebben de verzoekende partijen en andere buurtbewoners nogmaals hun
X-18.282-25/49
bezorgdheid geuit over de implicaties voor de waterhuishouding van het plangebied. De toelichtende nota bij het gemeentelijk RUP houdt een selectieve bloemlezing in van de studie van Ecotoop van november 2019. Een oplossing voor de waterproblematiek wordt naar de vergunningsfase doorgeschoven. De verzoekende partijen hebben een gespecialiseerd studiebureau geraadpleegd, en uit het door dit bureau opgemaakte rapport van februari 2022 blijkt dat de terreinen op het Broosveld helemaal niet geschikt zijn om sportvelden op aan te leggen. Zelfs met veel kunstgrepen (drainage, ophoging en andere werken) blijft het risico op wateroverlast op en naast de sportterreinen zeer groot. De verzoekende partijen noemen het tegen die achtergrond “niet vreemd” dat de bevoegde Vlaamse minister het gemeentelijk RUP een eerste keer heeft geschorst om redenen die te maken hebben met de waterproblematiek. Het waterpeil staat in het plangebied permanent hoog en de zandleembodem heeft slechts een beperkte infiltratiecapaciteit. Uit de pluviale overstromingskaarten blijkt dat het plangebied steeds overstromingsgevoeliger wordt en dat er ook fluviale overstromingen voorkomen vanuit de langsgracht, die evenwijdig loopt met de gewestweg N80.
Daarnaast zorgt de hoge grondwaterstand (tot boven het maaiveld) ervoor dat het water niet weg kan en dat er zich snel plassen vormen. Het gemeentelijk RUP
draagt niet bij tot het terugdringen van deze overstromingsrisico’s, integendeel. De in het waterwetboek begrepen beginselen van standstill, preventie en voorzorg worden met de voeten getreden. Er is onvoldoende buffercapaciteit. Zelfs bij drainage zullen de voetbalvelden nat staan, en ophogingen en nivelleringen zijn nefast voor het waterbergend vermogen van het gebied. De rekennota die aan het plandossier werd toegevoegd om aan te tonen dat de watertoets kan worden doorstaan en dat er voldoende ruimte overblijft voor waterberging en -buffering, is op foutieve gegevens gebaseerd en houdt geen rekening met het noodzakelijke, bijkomende buffervolume ingevolge de vereiste nivelleringen en ophogingen, die moeten gebeuren op plaatsen waar het maaiveld laag ligt. De opgegeven grondwaterstand is incorrect en de lopende meters effectief bruikbare groenbuffer waarbinnen de waterbuffering moet gebeuren, worden immens overschat. Gelet op de bestaande niveauverschillen en de laag gelegen gronden in de nabijheid van de gewestweg N80 moeten sowieso nivelleringen en ophogingen gebeuren, die evident overstromingsvolume innemen. Daar wordt geen rekening mee gehouden.
X-18.282-26/49
Ook werd het plangebied na de studie van Ecotoop van november 2019 nog gewijzigd en meer opgeschoven in de richting van de gewestweg N80, zijnde het deel van het plangebied waar de grootste kans op overstroming bestaat. De studie is voorts gebaseerd op watertoetskaarten die dateren van 2017, terwijl sedert 2019
geactualiseerd kaartenmateriaal beschikbaar is, dat een nog groter risico op wateroverlast en overstromingen laat zien. Het gemeentelijk RUP dat op de studie van Ecotoop van november 2019 is gebaseerd, gaat uit van gedateerde waterkaarten, met een foutieve gevolgtrekking als resultaat. Omdat de knijpleiding van de waterbuffer zich onder de (gemiddelde hoogste) grondwaterstand zal bevinden, zal er op die plaats stelselmatig gedraineerd in plaats van gebufferd en vertraagd afgevoerd worden, hetgeen “werkelijk onaanvaardbaar” is. Bufferwadi’s graven in de strook langs de gewestweg N80 heeft geen enkele zin, nu de grondwaterstand daar nagenoeg gelijk ligt met het maaiveld. Nochtans bepalen de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP dat waterbuffering in de eerste plaats moet voorzien worden in de zone voor groenbuffer, wat dus in ieder geval al niet mogelijk is voor de gronden langs de gewestweg N80. De meest westelijk en noordwestelijk gesitueerde zone voor groenbuffer ligt dan weer te hoog om een waterbuffer in te realiseren, nu “water logischerwijs niet naar boven stroomt”. Het meest oostelijk gelegen deel van de zone voor groenbuffer is wel laag gelegen, maar heeft een hoge grondwaterstand, zodat daar evenmin waterbuffering mogelijk is. Ophogingen die daar worden doorgevoerd, komen neer op een nul-operatie, nu uit de verplichting om het kombergend vermogen te behouden volgt dat “het volume van ophoging volledig moet gecompenseerd worden”. Aldus rest binnen de zone voor groenbuffer slechts 623 m voor de aanleg van waterbuffers, terwijl volgens de rekennota 910,26 m nodig is. De noordoostelijke buffer is ook deels gelegen op de eigendom van aanpalenden (waaronder eerste verzoeker). Waar de stedenbouwkundige voorschriften de aanleg van de groenbuffer verplichten voordat de sportsite in gebruik wordt genomen, is dat niet het geval voor de noodzakelijke waterbuffering. Nu de zone voor groenbuffer ook nog voor twee derden moet worden beplant, en geluidswerende maatregelen en een brandweerweg moet omvatten, is het zeer onzeker of er nog voldoende ruimte rest voor een waterbuffer van 5 m breed, laat staan dat de breedte van de wadi’s nog kan toenemen, wat nodig is gelet op het
X-18.282-27/49
gebrek aan waterbufferende mogelijkheden elders. Ook binnen de zone voor recreatie is daarvoor geen plaats. Voor de verzoekende partijen is het duidelijk dat de plansite over onvoldoende buffercapaciteit beschikt, wat in het kader van de watertoets nochtans cruciaal is. Er wordt geen enkele garantie geboden dat het gemeentelijk RUP er niet voor zal zorgen dat het overstromingsrisico in de omgeving toeneemt. Ook de Gecoro had daarover opmerkingen. In essentie wordt de waterproblematiek doorgeschoven naar het projectniveau, wat onaanvaardbaar is. Het komt erop neer dat drainage en rechtstreekse, versnelde afvoer van hemelwater én zelfs van grondwater worden georganiseerd, wat haaks staat op de in artikel 1.2.2, eerste lid, 6°, a), van het Waterwetboek geformuleerde doelstellingen. In de plaats van zoveel mogelijk ruimte te bieden aan water en het waterbergend vermogen van overstromingsgebied te vrijwaren, neemt het plan net overstromingsvolume in. Het niet verzekeren van voldoende waterbuffervolume zorgt ervoor dat de waterproblematiek in de omgeving toeneemt.
6.2. De eerste verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de watertoets die voor het plan werd uitgevoerd nog werd aangepast, teneinde tegemoet te komen aan de schorsingsgronden van het ministeriële schorsingsbesluit van 13 januari 2022. Het rapport inzake de waterhuishouding dat de verzoekende partijen bijbrengen is volgens haar eenzijdig opgesteld. Bovendien dateert het rapport van ná het openbaar onderzoek, zodat het niet in de besluitvorming kon worden meegenomen. Niettemin heeft de gemeente zich over de studie gebogen en erop geantwoord. De verzoekende partijen tonen niet aan dat deze beoordeling onjuist zou zijn. De berekeningen die de gemeente liet uitvoeren, gaan uit van een worstcase-inschatting. De verzoekende partijen gaan ook voorbij aan de doelstelling van het gemeentelijk RUP om een 50 meter brede strook, evenwijdig aan de gewestweg N80, overstroombaar te houden, om op die manier op projectniveau een optimale inrichting te verwezenlijken. Zij beperken zich in hoofdzaak tot het uiten van gratuite beweringen over de mogelijke toekomstige invulling van het plangebied, en tonen niet aan dat de beoogde compensaties niet mogelijk zouden zijn. De grondwaterstanden werden op basis van bodemboringen bepaald, en de meest recente overstromingskaarten werden wel degelijk mee in overweging genomen. Gemotiveerd wordt dat drie intensief benutte
X-18.282-28/49
voetbalterreinen zullen volstaan, en dat de waterbuffervoorzieningen slechts 3,35
m breed moeten zijn, terwijl de zone voor groenbuffer minstens 10 à 15 meter breed zal zijn. In de zone voor groenbuffer is ook voorzien dat de groenaanplant kan gecombineerd worden met wadi’s. De verzoekende partijen negeren het gegeven dat in de niet ontwikkelde ruimte in de zones beheerst door de artikelen 1.1, 1.2 en 1.3 van het gemeentelijk RUP, bijkomend ruimte voor waterbuffering door middel van wadi’s moet worden gecreëerd, teneinde het kombergend vermogen van het gebied te vergroten.
6.3. De verzoekende partijen dupliceren in hun memorie van wederantwoord dat de zorgvuldigheid vereiste dat met hun onderzoeksrapport van 9 februari 2022 rekening werd gehouden. Het is duidelijk dat in de laagst gelegen zone van het plangebied een parking en minstens (een deel van) twee voetbalvelden zijn voorzien. In het beste geval worden slechts twee volwaardige voetbalvelden (volledig) buiten de zone met een peil onder +37 m TAW (Tweede Algemene Waterpassing) aangelegd, terwijl meermaals wordt erkend dat er minstens drie volwaardige voetbalvelden en een oefenveld idealiter zelfs vier volwaardige voetbalvelden zijn vereist. Het realiseren van slechts de helft van de parking zou leiden tot een tekort aan parkeerplaatsen. Het gaat dan ook niet op zich te verschuilen achter de opmerking dat de concrete invulling van het plangebied nog niet vast zou liggen, of dat alle noodzakelijke sportinfrastructuur buiten de zone met een peil onder +37 m TAW aangelegd kan worden. Wat de configuratie ook zal zijn, het is gewoon onmogelijk om alle harde sportinfrastructuur buiten de laagst gelegen zone in te richten. Het geeft blijk van manifest onzorgvuldige besluitvoering om voetbalinfrastructuur te willen inplanten in een gebied dat daarvoor niet geschikt is. Het gaat ook niet op om gemakshalve te verwijzen naar de planvoorschriften, waarvan het allesbehalve zeker is dat ze kunnen worden nagekomen. Volgens de verzoekende partijen is er geen sprake van een worstcase-inschatting, maar van een manifeste onderschatting van de waterbufferingsnoden. Het aspect water binnen het plangebied is veel te belangrijk om weg te schrijven met ongefundeerde aannames. De eerste verwerende partij ontkent ook niet dat er sowieso grote volumes aan nivelleringen en ophogingen dienen te gebeuren om bespeelbare voetbalvelden te realiseren. Ook voor de aanleg
X-18.282-29/49
van de parking zijn ophogingen noodzakelijk, opdat hij niet onder water zou staan.
De eerste verwerende partij gaat niet in op de argumenten die de verzoekende partijen hebben ontwikkeld met betrekking tot de beperkingen om een aantal van de zones voor groenbuffer aan te wenden voor waterbuffering. Het is al te gemakkelijk om te bepalen dat over het gehele terrein waterbuffering mag worden voorzien, zonder dat de realisatie daarvan ook mogelijk is. De uit de verrichte boringen blijkende gemiddelde grondwaterstand is niet relevant, nu slechts een minderheid van de boringen in de laagste zones van het plangebied zijn gebeurd.
Het voorschrift dat het kombergend vermogen niet mag verminderen en dat het bestaande overstromingsvolume onder peil +37 m TAW moet behouden blijven of gecompenseerd moet worden, is inhoudsloos, nu geen zekerheid wordt geboden over de naleving ervan. Het gaat volgens de verzoekende partijen niet op om te verklaren dat waterbuffering in het gehele plangebied mag plaatsvinden, terwijl het absurd is om aan te nemen dat overal binnen een sportsite lukraak in wadi’s zou kunnen worden voorzien.
6.4. De eerste verwerende partij doet in haar laatste memorie gelden dat de watertoets niet verder gaat dan het onderzoeken of een voorgenomen plan “schadelijke effecten” doet ontstaan. Zij zet uiteen dat in de startnota is aangegeven dat de afbakening van het kwestieuze deelgebied indicatief is en gewijzigd kan worden, afhankelijk van concreter onderzoek, inspraak en adviezen.
De eerste verwerende partij betoogt voorts dat het onderzoeksgebied van de studie van Ecotoop van november 2019 voor het grootste deel overlapt met het uiteindelijk aangenomen projectgebied. De gebieden die conform de geactualiseerde waterkaarten een kans op overstroming hebben, waren in ieder geval in de studie van het terrein begrepen. De studie van Ecotoop vertrok ook van de officiële watertoetskaarten “die op dat moment overeenkomstig de regelgeving gehanteerd dienden te worden in functie van de watertoets”. De recente overstromingskaarten werden pas na 25 november 2022, en dus na de bestreden besluiten, ingevoerd als officieel kaartmateriaal. De eerste verwerende partij stelt voorts dat bij de opmaak van het gemeentelijk RUP wel degelijk óók rekening werd gehouden met de geactualiseerde waterkaarten. In de scopingnota van maart 2021 wordt uitdrukkelijk gewezen op de recente overstromingskaarten. Volgens de eerste verwerende partij werden de vermeldingen in de scopingnota van februari
X-18.282-30/49
2020 dat het gebied langs de gewestweg N80 “een nagenoeg permanente natte zone” en een “waterpartij” betreft, weggelaten omdat “de tekst […] doorheen het planproces geactualiseerd [werd] rekening houdende met de uiteindelijke afbakening van het plangebied”. Zij bevestigt dat de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP vertrekt van de resultaten van de studie van Ecotoop van november 2019, waaruit blijkt dat enkel de uiterst oostelijke hoek van de kwelzone langs de gewestweg N80 binnen het uiteindelijke plangebied valt. Na de schorsingsbeslissing van de bevoegde Vlaamse minister werd nogmaals een omvangrijke watertoets uitgevoerd. Het onderzoeksrapport van de verzoekende partijen van 9 februari 2022 is eenzijdig en gebrekkig, en betreft een momentopname in de natste periode van het jaar. Slechts één van de drie boringen en twee van de vijf metingen bevinden zich in het plangebied. Wat de vermeende kennelijke onredelijkheid betreft om het kwestieuze plangebied aan te wenden als sportsite, wijst de eerste verwerende partij erop dat zij ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. De verzoekende partijen tonen niet aan dat die beoordeling onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. Wat de vraag naar voldoende buffercapaciteit en de juistheid van de daarop betrekking hebbende rekennota betreft, betwist de eerste verwerende partij dat er sowieso ophogingen en nivelleringen zullen vereist zijn en wijst zij erop dat “de compensatie van ingenomen bestaand overstromingsvolume uitdrukkelijk opgenomen [is] in de stedenbouwkundige voorschriften”. Het gemeentelijk RUP stelt ook niet definitief vast hoeveel sportvelden er zullen worden aangelegd. Indien er zou geopteerd worden voor een vierde veld, dan vergeet men dat het vierde veld in de zuidelijke zone van het plangebied als “overstroombaar oefenveld” aangelegd zou kunnen worden. Ook de parking kan “overstroombaar” worden aangelegd. De eerste verwerende partij wijst er ook op dat in een strook van 50 m ten opzichte van de plangrens, die parallel loopt aan de gewestweg N80, volgens de stedenbouwkundige voorschriften geen gebouwen mogen worden geplaatst en alle constructies overstroombaar dienen te worden voorzien. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de noodzakelijke sportinfrastructuur niet op de hoger gelegen terreinen van het plangebied zal kunnen worden aangelegd. De eerste verwerende partij stelt ook dat nivelleringen in de voornoemde 50 m zone niet uitgesloten zijn.
Eventuele nivelleringen werden wel degelijk onderzocht en zullen in ieder geval,
X-18.282-31/49
rekening houdend met het natuurlijk reliëf en de reglementering van Voetbal Vlaanderen, zeer beperkt zijn. De verzoekende partijen trekken de grondwatertoets niet overtuigend in twijfel. De studie van Ecotoop van november 2019 werd niet blindelings overgenomen. Er werden ook bodemboringen uitgevoerd om de grondwaterstanden te berekenen. Voorts waarborgen de stedenbouwkundige voorschriften dat het “kombergend vermogen” binnen de zones van de artikelen 1.1, 1.2 en 1.3 van het gemeentelijk RUP behouden blijft. De conclusie in het onderzoeksrapport van de verzoekende partijen van 9 februari 2022 geeft volgens de eerste bestreden beslissing “een enigszins vertekend beeld, aangezien binnen het plangebied in de natste periode geen kwel (grondwater op maaiveldniveau) is waargenomen”. De kritiek van de verzoekende partijen op de ontoereikendheid van het aantal lopende meters effectief bruikbare groenbuffer, kan de eerste verwerende partij evenmin overtuigen, nu het geenszins zeker is dat vier voetbalvelden zullen worden aangelegd, de bestaande toestand “zonder impact [is]
op de legaliteit van het plan”, en de mogelijkheid om in voldoende buffering in de groenzones te voorzien afdoende werd onderzocht. De eerste verwerende partij wijst er in dit verband ook op dat de bufferzones “minstens 10 à 15 m breed zullen zijn”, daar waar “de buffervoorziening gemiddeld slechts 3,35 m breed moet zijn”.
Zesde middel
7.1. Een zesde middel is afgeleid uit de schending van artikel 4.2.3, §§ 3 en 5, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’, en van het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, rechtszekerheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De verzoekende partijen betogen dat de MER-screening op een onzorgvuldige en niet correcte wijze is verlopen. Inzonderheid zijn er wel degelijk significante negatieve milieueffecten vanwege het plan te verwachten wat het aspect water betreft. De dienst Mer heeft zich op gedateerde data gebaseerd om te beslissen dat geen plan-MER moet worden opgemaakt. De geëvolueerde watertoetskaarten wijzen uit dat het risico op wateroverlast in en om het gebied groot is en gevoelig is toegenomen. Het plangebied doet dienst als
X-18.282-32/49
afvloeiingsruimte voor water uit de omgeving en als waterbuffer, functies die historisch zijn gegroeid. Het plan genereert dan ook significant negatieve effecten op het vlak van de waterhuishouding.
7.2. De eerste verwerende partij verwijst in haar memorie van antwoord naar haar repliek op het tweede middel, en voegt eraan toe dat de scopingnota van maart 2021 wel degelijk uitgaat van de bijgewerkte watertoetskaarten. Ook hebben de provinciale dienst Water en Domeinen en de dienst Watering De Herk in hun advisering van het recentere kaartenmateriaal gebruik gemaakt.
7.3. De tweede verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de door de verzoekende partijen aangevoerde waterproblematiek neerkomt op niets meer dan “een hypothetisch effect”. De dienst Mer heeft een afweging gemaakt van alle relevante gegevens en belangen en de Gecoro heeft de bezwaren van de verzoekende partijen inzake de waterproblematiek ontmoet. Zij stelt dat er pas in 2023 recentere watertoetskaarten beschikbaar waren.
7.4. De verzoekende partijen menen in hun memorie van wederantwoord dat de scopingnota wel degelijk op de gedateerde watertoetskaarten steunt, en op de studie van Ecotoop van november 2019. De tweede verwerende partij erkent uitdrukkelijk dat de dienst Mer zich op de watertoetskaarten uit 2017 heeft gebaseerd, terwijl de geactualiseerde watertoetskaarten al sinds 2019 vrij raadpleegbaar zijn.
Beoordeling
8.1. Artikel 1.3.1.1, § 5, tweede lid, 1°, van het waterwetboek bepaalt dat een RUP aan de watertoets moet worden onderworpen.
Artikel 1.3.1.1, §§ 1 en 2, van het waterwetboek bepaalt met betrekking tot de watertoets:
X-18.282-33/49
“§ 1. De overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma als vermeld in § 5, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd.
Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren.
De overheid die oordeelt over de afgifte van een planologisch of stedenbouwkundig attest als vermeld in artikel 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, moet in redelijkheid nagaan of de aanvraag door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen de watertoets kan doorstaan.
Wanneer het schadelijk effect bestaat uit een achteruitgang in de toestand van een waterlichaam, wordt artikel 1.7.2.5.4 toegepast.
§ 2. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse Regering vastgestelde waterbeheersplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voor zover die bestaan.
De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de relevante doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid.”
Artikel 1.2.2, 4°, a), van het waterwetboek noemt als doelstelling van het te voeren integraal waterbeleid: “het voorkomen van de verdere achteruitgang van aquatische ecosystemen, van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door […] het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen”. Onder punt 6° van hetzelfde artikel van het waterwetboek wordt de volgende doelstelling vooropgesteld:
“6° het terugdringen van overstromingsrisico’s en het risico op waterschaarste door:
a) in het beheer van het hemelwater en het oppervlaktewater als prioriteitsvolgorde de volgende hiërarchie te hanteren: hemelwater wordt
X-18.282-34/49
zoveel mogelijk vastgehouden, hergebruikt, geïnfiltreerd en gescheiden van het afvalwater, alvorens het geborgen en vervolgens bij voorkeur op een vertraagde wijze afgevoerd wordt;
b) verdroging te voorkomen, beperken of ongedaan te maken door water zoveel mogelijk vast te houden, waarbij het voor wat betreft het vasthouden van water minstens gaat over infiltratie van hemelwater, bufferen van hemelwater en oppervlaktewater, behoud en herstel van grondwater en van natte natuur, valleiherstel en ruimte voor water;
c) zoveel mogelijk ruimte te bieden aan water, waarbij het waterbergend vermogen van overstromingsgevoelige gebieden zo veel als mogelijk gevrijwaard wordt en watergebonden functies van de oeverzones en overstromingsgebieden worden behouden en waar nodig hersteld;
d) de negatieve gevolgen die overstromingen buiten de afgebakende overstromingsgebieden met zich meebrengen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed, de economische bedrijvigheid en de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, te beperken;”
X-18.282-35/49
Artikel 1.2.3 van het waterwetboek vermeldt een aantal beginselen waarmee bij het voeren van het integraal waterbeleid rekening moet worden gehouden:
“1° het standstill-beginsel, op grond waarvan moet worden voorkomen dat de toestand van watersystemen verslechtert;
2° het preventiebeginsel, op grond waarvan moet worden opgetreden om schadelijke effecten te voorkomen, veeleer dan die achteraf te moeten herstellen;
3° het bronbeginsel, op grond waarvan preventieve maatregelen aan de bron worden genomen;
4° het voorzorgsbeginsel, op grond waarvan het treffen van maatregelen ter voorkoming van schadelijke effecten niet moet worden uitgesteld omdat na afweging het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het handelen of nalaten en de gevolgen ervan niet volledig door wetenschappelijk onderzoek is aangetoond;
[…]
9° het beginsel van hoog beschermingsniveau, op grond waarvan een zo hoog mogelijk beschermingsniveau wordt nagestreefd van de aquatische ecosystemen, met inbegrip van de rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden, zonder evenwel het multifunctionele gebruik van de watersystemen uit het oog te verliezen;
10° het beginsel dat het watersysteem een van de ordenende principes is in de ruimtelijke ordening;
11° het beginsel van de evaluatie ex ante, op grond waarvan een voorafgaande, systematische en grondige evaluatie van de gevolgen van het integraal waterbeleid op het milieu, het economische en sociale aspect en voor de samenleving, en voor de uitvoerende en handhavende instanties wordt uitgevoerd;
12° het solidariteitsbeginsel, op grond waarvan onder meer geen maatregelen worden genomen die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere gebieden in hetzelfde stroomgebied, bekken of deelbekken, tenzij die maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken lidstaten, gewesten of andere beheerders een overeengekomen oplossing bereikt werd.”
Artikel 2/1, § 1, van het watertoetsbesluit luidt:
“§ 1. Op de overheid die beslist over een vergunning, een plan of een programma als vermeld in artikel 1.3.1.1, § 5, van het decreet, rusten overeenkomstig artikel 1.3.1.1, § 1, eerste lid van het decreet de volgende verplichtingen :
1° ze legt alle voorwaarden op in de vergunning of ze gelast die aanpassingen aan het plan of programma die ze in het licht van de kenmerken van het watersysteem en de aard en omvang van de
X-18.282-36/49
vergunningsplichtige activiteit, respectievelijk het plan of programma gepast acht om het schadelijke effect te voorkomen of te beperken;
2° als dat niet mogelijk is, legt ze herstelmaatregelen op of, bij vermindering van de infiltratie van hemelwater of vermindering van ruimte voor het watersysteem, compensatiemaatregelen;
3° als het schadelijke effect niet kan worden voorkomen, noch beperkt, en ook herstel of compensatie onmogelijk zijn, weigert ze de vergunning of weigert ze goedkeuring te verlenen aan het plan of programma.
Op de overheid die beslist over een vergunning, een plan of een programma die afzonderlijk of in combinatie met een of meer bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s een mogelijk schadelijk effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater veroorzaken, rusten overeenkomstig artikel 1.3.1.1, § 1, tweede lid van het decreet de volgende verplichtingen :
1° ze legt alle voorwaarden op in de vergunning of gelast aanpassingen aan het plan of programma die ze in het licht van de kenmerken van het watersysteem en de aard en omvang van de vergunningsplichtige activiteit, respectievelijk het plan of programma gepast acht om het schadelijke effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater te voorkomen;
2° als dat niet mogelijk is, oordeelt zij of de vergunningsplichtige activiteit of het plan of programma noodzakelijk is om dwingende redenen van groot maatschappelijk belang;
3° als de vergunningsplichtige activiteit of het plan of programma niet noodzakelijk is om dwingende redenen van groot maatschappelijk belang, weigert ze de vergunning of weigert ze haar goedkeuring te verlenen aan het plan of programma;
4° als de vergunningsplichtige activiteit of het plan of het programma noodzakelijk is om dwingende redenen van groot maatschappelijk belang, legt ze voorwaarden op om het schadelijke effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater te beperken, te herstellen of te compenseren.”
Overeenkomstig artikel 4, § 2, van het watertoetsbesluit bevat de beslissing over een plan een waterparagraaf die met betrekking tot de planingreep ten minste de volgende in paragraaf 1 van dit artikel vermelde gegevens omvat, “met uitzondering van de gegevens over het wateradvies en de in artikel 3
vermelde bepalingen”:
“1° de verenigbaarheid van de vergunningsplichtige activiteit met het watersysteem;
2° in het geval een schadelijk effect zich kan voordoen, de beschrijving van de mogelijk schadelijke effecten, de gepaste voorwaarden en maatregelen om het schadelijke effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te beperken, te herstellen of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren;
X-18.282-37/49
3° de inachtneming van de relevante doelstellingen en beginselen, vermeld in artikel 1.2.2, 1.2.3 en 1.2.4 van het decreet bij de beoordeling van de vergunningsplichtige activiteit en de opgelegde voorwaarden en maatregelen;
4° een beschrijving van de ligging van het project op de kaarten die zijn opgenomen in bijlage III, IV en V, die bij dit besluit zijn gevoegd. Als de vergunningverlener kennis heeft van overstromingen die om eender welke reden niet op de kaarten zouden zijn aangeduid, wordt dat ook weergegeven.”
8.2. De Raad van State is in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet bevoegd om zijn beoordeling inzake de watertoets in de plaats van die van de bevoegde overheid te stellen. Hij is wel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, namelijk of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de grenzen van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
8.3. Uit de stukken van het dossier blijkt dat er van bij de aanvang van de planprocedure vrees bestond voor de negatieve gevolgen voor de waterhuishouding van het te dezen relevante deelplan ‘Broosveld’ van het gemeentelijk RUP. Meerdere omwonenden, waaronder de verzoekende partijen, wezen daarbij op de concrete waterproblematiek in en rond het kwestieuze gebied, waarbij de Stationsstraat (waar eerste verzoeker woont) en de Lokerstraat (waar tweede verzoekster woont) regelmatig onder water komen, net als bijvoorbeeld het kruispunt van de Stationsstraat en de gewestweg N80 en de parking van de Okay-supermarkt die is gesitueerd nabij dat kruispunt en onmiddellijk naast het gebied waar de parking voor de nieuwe voetbalvelden is voorzien.
Naar aanleiding van de ingediende inspraakreacties liet de plannende overheid de studie van Ecotoop van november 2019 opmaken. Daaruit blijkt onder meer dat “[d]e bodems vermeld op de bodemkaart […] allemaal natte tot vochtige zandleem bodems met een sterk verbrokkelde B-horizont met gley-
verschijnelen [zijn]”, dat “[g]ley-verschijnselen […] te herkennen [zijn] aan de aanwezigheid van roestvlekken in het bodemprofiel”, en dat “[d]e zone waarin
X-18.282-38/49
deze voorkomen […] de zone [is] waarin grondwater op en afgaat”, “dat het projectgebied fungeert als afstromingsgebied voor neerslag die valt in de ruime omgeving”, dat “[h]et gevallen regenwater […] zeer langzaam [infiltreert] in de weinig doorlatende lemige bodem”, dat er daardoor “in periodes van (zware)
regenval grote plassen op de akkers en velden [ontstaan]” en “het [kan] lijken alsof het gebied waterverzadigd is”, dat “[d]e plassen water die in het projectgebied aanwezig zijn na regenval […] het gevolg [zijn] van de slechte infiltratie van regenwater door de kenmerken van de leembodems”, dat “[i]nfiltratie van regenwater […] door de bodemspecifieke kenmerken lokaal problematisch” is, dat “[d]e bodemkenmerken van de site maken dat de aanleg van droge voetbalvelden geen evidentie zal zijn”, en dat “het afstromende regenwater van de verhardingen en de voetbalvelden (eventueel met drainage) maximaal lokaal [moet] worden verwerkt”. Niet zonder pertinentie wijzen de verzoekende partijen erop dat deze conclusies uit de studie van Ecotoop hun standpunt mee ondersteunen.
Zoals de verzoekende partijen voorts terecht aangeven, vertrekt de studie van Ecotoop van november 2019 van een projectgebied (zie randnummer 3.4.1) dat later in de planprocedure nog in zuidoostelijke richting wordt verplaatst, tot vlak tegen, en evenwijdig met, de gewestweg N80 (zie het grafisch plan onder randnummer 3.18). Daarnaast gaat de studie van Ecotoop uit van watertoetskaarten van 2017. De verzoekende partijen overtuigen ervan dat de inmiddels geactualiseerde kaarten met betrekking tot de overstromingsgevoelige gebieden -waaruit blijkt dat het definitief vastgestelde plangebied van het deelplan ‘Broosveld’ deels overstromingsgevoelige gebieden omvat (zie randnummer 3.20)
– bij de planopmaak beschikbaar waren. De eerste verwerende partij bevestigt dit overigens, waar zij in haar laatste memorie stelt dat “[i]n de scopingnota dd. maart 2021 […] uitdrukkelijk [wordt] gewezen op de recente overstromingskaarten”. De eerste verwerende partij toont evenwel niet aan dat bij de opmaak van het gemeentelijk RUP met de actuele watertoetskaarten rekening is gehouden, niettegenstaande de dienst Water en Domeinen van de provincie Limburg en de Watering daarop hebben gewezen. De eerstgenoemde dienst heeft er bovendien op gewezen “dat er tegen de N80 effectief water kan blijven staan, en dit tot een
X-18.282-39/49
niveau 37,00 m TAW = overstromingspeil”. De Watering komt tot de conclusie dat het ontwerp “effect op het bestaande overstromingsvolume” heeft.
In het hoofdstuk ‘Effecten op het watersysteem’ van het effectenonderzoek met betrekking tot het deelplan ‘Broosveld’, zoals weergegeven in de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP (zie randnummer 3.14), is er nergens sprake van de actuele data met betrekking tot de overstromings-gevoeligheid van het kwestieuze gebied. De overstromingsgevoeligheid wordt erin nog steeds beoordeeld aan de hand van het overstromingsplannetje uit de studie van Ecotoop van november 2019. Het onderzoeksgebied van deze laatste studie mag dan wel het uiteindelijk aangenomen projectgebied grotendeels overlappen, de zone voor afstandsbuffer is daar niet in inbegrepen. De eerste verwerende partij overtuigt er niet van dat de conclusies van de studie van Ecotoop van november 2019, die geen rekening houdt met de geactualiseerde waterkaart en focust op een vorige locatie van het deelgebied ‘Broosveld’, “van toepassing” blijven. De eerste verwerende partij bevestigt in haar laatste memorie dat de effectbeoordeling in de toelichtingsnota vertrekt van de resultaten van de studie van Ecotoop van november 2019, waaruit blijkt dat “enkel de uiterst oostelijke hoek van de kwelzone langs de Expressweg in het uiteindelijke plangebied [valt]”. Het geeft een onvolledig beeld van de in het deelgebied ‘Broosveld’ heersende overstromingsproblematiek. Met de verzoekende partijen wordt aangenomen dat de studie van Ecotoop van november 2019 een “cruciale lacune” vertoont doordat zij focust op een elders gesitueerd projectgebied – waarin de huidige parkeerzone, die voor een aanzienlijk deel in overstromingsgevoelig gebied is gelegen, ontbreekt – en voorbijgaat aan de meest recente kaarten inzake overstromingsgevoeligheid.
8.4. Niet ten onrechte wijzen de verzoekende partijen er voorts op dat in de versie van februari 2020 van de scopingnota wordt erkend dat het gebied langs de gewestweg N80 te typeren is als “een nagenoeg permanente natte zone”
en als een “waterpartij”, en dat die vermelding in de latere documenten werd geschrapt. De uitleg daarvoor in de laatste memorie van de eerste verwerende partij, namelijk dat “de tekst […] doorheen het planproces geactualiseerd [werd]
X-18.282-40/49
rekening houdende met de uiteindelijke afbakening van het plangebied”, overtuigt niet. Omdat de eerste verwerende partij wou doorzetten met het plan om in het kwestieuze deelgebied ‘Broosveld’ nieuwe voetbalinfrastructuur aan te leggen, hebben de verzoekende partijen zelf het initiatief genomen om een gespecialiseerd studiebureau aan te stellen om het punt van de waterproblematiek nader te onderzoeken. Uit het onderzoeksrapport van de verzoekende partijen van 9
februari 2022 blijkt dat het grondwaterpeil in het gebied zeer hoog is: aan de noordwestzijde van het plangebied ligt het ongeveer 40 cm onder het maaiveld, en aan de zuidoostzijde komt het tot aan het maaiveld, waarbij er aan de gewestweg N80 zelfs “een vijver” aanwezig is “die permanent gevoed wordt door grondwater en dus ook in de zomer niet droog komt te staan”. Het onderzoeksrapport van de verzoekende partijen komt tot de bevinding dat de aanleg van voetbalvelden zowel ophogingen als nivelleringen zal vergen, naast “drainage op grote delen van het gebied”. Dit zal “het waterbergend vermogen van het terrein ook sterk verminderen” en afbreuk doen aan de huidige functie van de gronden als “natuurlijk afstromingsgebied bij overvloedige neerslag”. Naargelang van de concrete inrichting van het gebied zal het gevolg zijn dat er plassen op de velden staan of dat het overtollige water zal “afgeleid worden naar de omliggende gebieden met bebouwing waar er wateroverlast kan ontstaan waar deze er voorheen niet was”. De studie besluit dat “de voorziene terreinen helemaal niet geschikt zijn om sportvelden aan te leggen”, en dat zij “[i]n theorie […] met veel kunstgrepen (drainage, ophoging en andere werken) […] meer geschikt kunnen gemaakt worden, maar zelfs dan […] het risico op wateroverlast groot [blijft] op en naast de sportterreinen”. De argumentatie van de eerste verwerende partij dat er zich geen negatieve effecten zullen voordoen omdat de nodige sportinfrastructuur op hoger gelegen terreinen van het plangebied zal kunnen worden aangelegd en omdat de “eventuele nivelleringen” “zeer beperkt” zullen zijn, overtuigt niet.
8.5. De eerste verwerende partij mag dan wel voorhouden dat het onderzoeksrapport van de verzoekende partijen van 9 februari 2022 eenzijdig en onjuist is, feit is dat de strekking ervan in de lijn ligt van het schorsingsbesluit van de bevoegde Vlaamse minister van 13 januari 2022, dat evenzeer op een gebrekkige watertoets wijst (zie randnummer 3.13). Een en ander bood de
X-18.282-41/49
plannende overheid de gelegenheid om een nieuwe inschatting te maken van de potentiële gevolgen van het planopzet voor de waterhuishouding van het deelgebied ‘Broosveld’. Aan het plandossier werd een rekennota toegevoegd, die moet aantonen dat het kwestieuze deelplan de watertoets kan doorstaan en dat er voldoende ruimte overblijft om middels waterberging en -buffering voor voldoende waterbufferingscapaciteit te zorgen. Ook de stedenbouwkundige voorschriften van het plan werden in dit licht aangepast.
De verzoekende partijen uiten in hun middel evenwel gegronde kritiek op deze elementen.
Wat de rekennota betreft, wijzen zij er terecht op dat de nota geen rekening houdt met de omstandigheid dat ingevolge het plan bestaand overstromingsvolume wordt ingepalmd, hetgeen moet worden gecompenseerd.
Evenmin is in de rekennota het gegeven verwerkt dat bij de aanleg van de sportvelden noodzakelijkerwijze zal worden genivelleerd en opgehoogd op plaatsen waar het peil gelijk is aan of lager is dan +37 m TAW. De verzoekende partijen wijzen op de digitale hoogtekaart, die toont waar in het plangebied die laag gelegen zones voorkomen. De ligging ervan komt grotendeels overeen met de ligging van de overstromingsgevoelige gronden overeenkomstig de watertoets-kaart. Het betreft een aanzienlijk deel van het plangebied dat is ingekleurd als recreatiezone en als zone voor parking en recreatie. In redelijkheid kan worden aangenomen dat er aanzienlijke ophogingen en nivelleringen vereist zijn om zowel de velden als de parking droog en vrij van modder te houden, wat in de rekennota niet blijkt te zijn doorgerekend, ofschoon zulks van belang is om de bijkomende waterbuffercapaciteit te berekenen die nodig is om het verlies van overstromings-volume te compenseren. De verzoekende partijen merken verder niet zonder pertinentie op dat in de lagere zones van het plangebied nauwelijks bufferings-capaciteit mogelijk is wegens de gemiddelde hoogste grondwaterstand en het gegeven dat de knijpleiding die bovenaan een bufferbekken wordt aangebracht zich ruim boven die hoogte moet bevinden om voor een effectieve opvang en buffering van water te kunnen zorgen. Een en ander is van aard om ernstige twijfel te doen rijzen of er in de strook voor groenbuffer naast de
X-18.282-42/49
gewestweg N80 überhaupt in waterbuffering kan worden voorzien, ofschoon de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1.3 van het gemeentelijk RUP
opleggen dat “in de bufferstrook langsheen het talud van de N80 […] maximaal [moet] ingezet worden op waterbuffering”. Het betoog van de eerste verwerende partij dat niet aan te nemen valt dat vier voetbalvelden zullen gerealiseerd worden, is niet ernstig, nu dit voornemen afdoende uit het plandossier blijkt. De toelichtingsnota van het gemeentelijk RUP maakt melding van “3 volwaardige voetbalvelden (115m op 66m incl. uitloopzone, per terrein) en 1 oefenterrein (60m op 50m) als wenselijk minimum”. De eerste verwerende partij lijkt de ongeschiktheid van de gekozen locatie te bevestigen door zelf voor te houden dat het vierde veld in de zuidelijke zone van het plangebied als “overstroombaar oefenveld” aangelegd zou kunnen worden, en dat ook de parking “overstroombaar” kan worden aangelegd.
Het betoog van de eerste verwerende partij dat luidens de stedenbouwkundige voorschriften in een strook van 50 meter moet worden voorzien vanaf de plangrens, die parallel loopt aan de gewestweg N80, waarin geen gebouwen mogen worden geplaatst en waarin alle constructies overstroombaar dienen te zijn, weerlegt het standpunt van de verzoekende partijen niet dat daar geen waterbuffering gecreëerd kan worden, en toont nog minder aan dat de beoogde sportinfrastructuur wel degelijk realiseerbaar zou zijn. Dat volgens de eerste bestreden beslissing het onderzoeksrapport van de verzoekende partijen van 9 februari 2022 “een enigszins vertekend beeld [geeft], aangezien binnen het plangebied in de natste periode geen kwel (grondwater op maaiveldniveau) is waargenomen”, kan niet overtuigen. De verzoekende partijen wijzen er in dit verband niet zonder pertinentie op dat kwelzones niet de enige vorm zijn waarin waterproblemen zich manifesteren.
8.6. Op het betoog van de eerste verwerende partij dat de plannende overheid ook grondboringen heeft uitgevoerd om de grondwaterstanden te berekenen, antwoorden de verzoekende partijen op goede gronden dat deze boringen niet in de overstromingsgevoelige parkeerzone hebben plaatsgevonden.
De grondboringen doen ook niet voorbijzien dat de plannende overheid met de
X-18.282-43/49
recente overstromingskaarten geen rekening heeft gehouden. Het bepaalde in de stedenbouwkundige voorschriften – die gelet op wat voorafgaat niet realiseerbaar blijken – doet niets af aan de vaststelling dat de impact van de plandoelstellingen op de waterhuishouding op onzorgvuldige wijze werd onderzocht, dat op planniveau niet is voldaan aan de door het waterwetboek vereiste watertoets, en dat de waterproblematiek op ontoelaatbare wijze wordt doorgeschoven naar het projectniveau.
8.7. De middelen zijn in de aangegeven mate gegrond. Ze verantwoorden de vernietiging van het gemeentelijk RUP, evenals, minstens voor de duidelijkheid van het rechtsverkeer, van de bestreden beslissingen van de dienst Mer en het team Mer, die gebaseerd zijn op een ontoereikende milieueffectbeoordeling.
B. Derde middel
Standpunt van de partijen
9.1. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van de artikelen 1.1.4, 2.2.18, § 1, tweede alinea, en 2.1.2, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), en van het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Zij betogen dat het gemeentelijk RUP niet strookt met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (GRS) van Alken, nu dit erin voorziet dat recreatieve infrastructuren moeten geconcentreerd worden in of aansluitend bij de bebouwde omgeving, en dat de bestaande sportinfrastructuur aan de Langveldstraat ten noorden van de kern van Alken moet worden ontwikkeld “in relatie met de wijk Langveld”. Daarnaast is er het recreatiepark “De Alk”, waar overeenkomstig het bindend gedeelte van het GRS nieuwe recreatieve infrastructuur in functie van de hele gemeente moet worden gerealiseerd. Dit is volgens de verzoekende partijen dan ook de uitgelezen locatie om de planopties te
X-18.282-44/49
realiseren. Het bindend gedeelte van het GRS voorziet tevens dat de sportterreinen van Sint-Joris en Terkoest als gemeentelijke sportterreinen “op woonkern- of wijkniveau” worden geselecteerd. Van die bindende bepalingen kan met een RUP
niet afgeweken worden. De eerste verwerende partij erkent dat met het bestreden gemeentelijk RUP van het GRS wordt afgeweken, maar beroept zich daarvoor op het nieuwe gegeven van het ontstaan van de fusieclub. In het GRS wordt evenwel al geanticipeerd op een gecentraliseerde locatie waar alle sportinfrastructuur gehuisvest kan worden, namelijk “De Alk”, en ondergeschikt de site aan de Langveldstraat. Het samenbrengen van de sportinfrastructuur kan dan ook niet beschouwd worden als een onvoorziene ontwikkeling in de zin van artikel 2.1.2, § 3, VCRO. Trouwens is het niet omdat de clubs fuseren dat per definitie alle sportinfrastructuur moet samengebracht worden. De huidige locaties van de clubs sluiten immers elk aan bij een kern en beschikken over de nodige faciliteiten. Dat er met het gemeentelijk RUP op woonkernniveau geen sportinfrastructuur meer behouden zal worden, strookt niet met het GRS. De drie locaties worden nu overigens zonder problemen door de fusieploeg gebruikt, waardoor er zes voetbalterreinen beschikbaar zijn, waarvan één in kunstgras. De locaties De Alk en Langveld zijn veel centraler gelegen dan het kwestieuze deelplan ‘Broosveld’, en zijn veel beter te voet en met de fiets bereikbaar. De gemeente wijkt “lukraak” af van het GRS. Het masterplan “Alken Valley 2020” kan bezwaarlijk beschouwd worden als een onvoorziene ontwikkeling die zou toelaten om af te wijken van het GRS.
9.2. De eerste verwerende partij meent in haar memorie van antwoord dat de bindende bepalingen van het GRS geenszins een verbod inhouden om op een andere locatie dan De Alk, Langveld, Sint-Joris of Terkoest in sportinfrastructuur te voorzien. Enkel wordt gesteld dat op die locaties sportinfrastructuur “kan” worden gelokaliseerd. Wel wordt er afgeweken van de richtinggevende principes van het GRS, en dit op grond van de fusie van de drie voetbalclubs als “onvoorziene ontwikkeling”. Deze fusie kon bij de goedkeuring van het GRS in 2005 niet worden voorzien. De argumenten die de verzoekende partijen daartegen ontwikkelen, komen neer op loutere opportuniteitskritiek.
X-18.282-45/49
9.3. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord dat er vanuit moet worden gegaan dat er bij de opmaak van het GRS “toekomstgericht tewerk werd gegaan”. Door het selecteren van bepaalde locaties voor recreatieve infrastructuur werd geanticipeerd op de toekomst. Er kan voorts geen sprake kan zijn van een onvoorziene ontwikkeling.
9.4. De eerste verwerende partij betoogt in haar laatste memorie dat De Alk, Sint-Joris, Terkoest en Langveld locaties zijn waar reeds sportinfrastructuur aanwezig is en die op basis van het GRS verder kunnen ontwikkeld worden, en dat zij met de keuze voor de site ‘Broosveld’ “afgeweken is” “[v]an deze bindende, en ondergeschikt van de richtinggevende bepalingen”
van het GRS. Zij betoogt dat een structuurplan evenwel nooit “exhaustief” is. De selectie van de voormelde locaties houdt geen enkel verbod in om elders nieuwe sport- en recreatiepolen te ontwikkelen. Er is te dezen wel degelijk sprake van een onvoorziene ontwikkeling van de ruimtelijke behoeften. De “congruentie van de deelplannen van het RUP met, en de afwijking van het deelplan Broosveld ten opzichte van, het GRS, [werd] door enkele adviesinstanties […] getoetst”, te weten door de deputatie en door het departement Omgeving van de Vlaamse overheid.
Hét punt bij uitstek dat de afwijking van het GRS rechtvaardigt, is de behoefte aan ruimte. Voorts betrof de fusie van de drie sportclubs tot enkele jaren geleden een onzeker en niet-vaststaand gegeven. Door de jaren heen is het ledenaantal van de clubs blijven stijgen, hetgeen onmogelijk kon worden voorzien. De Gecoro heeft erop gewezen dat de spreiding van de werking van de voetbalclub over drie locaties de goede werking van de club hypothekeert, wat ook opgenomen wordt in de toelichtingsnota. In de plandocumenten wordt daarnaast ook gewezen op het masterplan dat voor De Alk werd uitgewerkt.
Beoordeling
10.1. In zijn toepasselijke versie bepaalt artikel 2.1.2, § 2, VCRO dat de instantie die een ruimtelijk structuurplan definitief vaststelt de onderdelen daarvan aanduidt die bindend zijn. Voor wat het GRS betreft, zijn die onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren, en kan
X-18.282-46/49
er enkel worden van afgeweken indien zulks wordt genoodzaakt door maatregelen die zijn vereist voor de verwezenlijking van het bindend sociaal objectief zoals bedoeld in het grond- en pandendecreet.
Wat het richtinggevend gedeelte van het GRS betreft, bepaalt het toepasselijke artikel 2.1.2, § 3, VCRO:
“Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen. Onverminderd voormelde uitzonderingsgronden wordt tevens van het richtinggevend gedeelte van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan afgeweken indien zulks genoodzaakt wordt door maatregelen die vereist zijn voor de verwezenlijking van het bindend sociaal objectief vermeld in artikel 4.1.2 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid.”
10.2. Onder punt 1.2.5 van het bindende gedeelte van het GRS wordt de toeristisch-recreatieve structuur binnen de gemeente behandeld. De bindende bepaling 10 bevat in dat verband een “selectie” van de “gemeentelijke sportinfrastructuur”, en stelt:
“De Alk wordt geselecteerd als sportinfrastructuur voor de hele gemeente.
Hier kunnen sportbehoeften voor de hele gemeente opgevangen worden”.
Verder wordt in de bindende bepaling 10 gesteld dat “de sportterreinen van St.-Joris, Terkoest en Langveld worden geselecteerd als de gemeentelijke sportterreinen”, en dat op die locaties “sportinfrastructuur [kan]
ontwikkeld worden op woonkern- of wijkniveau”.
10.3. De voormelde bindende bepalingen van het GRS zijn duidelijk.
Wat de gemeentelijke sportinfrastructuur en sportterreinen betreft, worden de locatie “De Alk” en de sportterreinen van Sint-Joris, Terkoest en Langveld bindend “geselecteerd”, wat niet anders kan betekenen dan dat de sportinfrastructuur en
X-18.282-47/49
– terreinen op dié locaties moeten worden aangelegd. Het gebruik van de termen “kunnen” en “kan” in het GRS doen in deze context van bindende selectie niet anders besluiten. Opgemerkt weze voorts dat de geciteerde bindende bepalingen van het GRS in de plandocumenten, waaronder de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP, nergens worden vermeld.
10.4. Uit wat voorafgaat volgt de onwettigheid van het gemeentelijk RUP. Ten overvloede weze nog opgemerkt dat de richtinggevende bepalingen van het GRS evident aansluiten bij de hiervoor geciteerde bindende bepalingen van het GRS, en derhalve De Alk, Langveld, Sint-Joris en Terkoest als sites voor sportinfrastructuur vermelden. Voor een afwijking van het richtinggevend gedeelte van het GRS, die de eerste verwerende partij dan weer wel erkent, kan een verwijzing naar de fusie van de drie voetbalclubs en naar het masterplan “Alken Valley 2020” als “onvoorziene ontwikkeling” van de ruimtelijke behoeften in de zin van artikel 3.1.3, § 3, niet volstaan. Het standpunt van de verzoekende partijen wordt bijgetreden dat het GRS toekomstgericht is en reeds van een bundeling van de gemeentelijke structuur uitgaat, en dat de fusie nog niet hoeft te betekenen dat er zich een nieuwe site in het deelgebied ‘Broosveld’ opdringt. De verwijzing door de eerste verwerende partij naar het masterplan “Alken Valley 2020” (zie randnummer 3.2.3), betreft een door haar uitgewerkt en goedgekeurd beleidsdocument, en mist te dezen pertinentie.
10.5. Het middel is gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Alken van 4 augustus 2022 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Sport- en recreatievelden’ van de gemeente Alken, de beslissing van de dienst Milieueffectrapportage van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid van 1 juli 2020 dat voor dit gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geen planmilieueffectrapport moet worden opgesteld en de beslissing van het team Milieueffectrapportage
X-18.282-48/49
van de Vlaamse overheid van 12 maart 2021 dat voor het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geen planmilieueffectrapport moet worden opgemaakt.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde gemeenteraadsbesluit.
3. De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier.
De griffier De voorzitter
Karin Meerschaut Johan Lust
X-18.282-49/49

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.760

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.760

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.