ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.765

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.765 Rolnummer: A. 240076/IX-10338 Zaak: Arrest 261765 - Wegverkeer van goederen - 16/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-02 19:19 Fiche Arrest nr 261.765 van 16 december 2024...

Source officielle

20 min de lecture 4,207 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 16 december 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.765

Rolnummer:

A. 240076/IX-10338

Zaak:

Arrest 261765 – Wegverkeer van goederen – 16/12/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-12-17

Raadplegingen:

101 – laatst gezien 2026-06-02 19:19

Fiche

Arrest nr 261.765 van 16 december 2024 Economische zaken – Wegverkeer
van goederen Beslissing : Vernietiging

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 261.765 van 16 december2024
in de zaak A. 240.076/IX-10.338
In zake : de BV MIGECO
woonplaats kiezend te 1050 Elsene Italiëlaan 46
tegen :
de VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ DE LIJN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Vanhemelrijck kantoor houdend te 1910 Kampenhout Bergstraat 54
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 16 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van:
– “Besluit met PV nummer 3405300267 zoals meegedeeld middels schrijven dd.
19/06/2023 tot voorstel van de betaling van een bedrag van 107 EUR voor een overtreding bestaande uit code 33 […] vastgesteld op 15/06/2023 om 22.16u”;
– “De aanstelling van het gerechtsdeurwaarderskantoor Modero en het aanrekenen van invorderingskosten voor een eerste herinnering die leiden tot de verhoging van het oorspronkelijke bedrag van een boete van 107 EUR tot een bedrag van 170,31
EUR”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
IX-10.338-1/15
Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november 2024.
Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht.
Bestuurder Michiel Gevers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Peter Vanhemelrijck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Melissa Celis heeft een andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 15 juni 2023 stelt een controleur van de Vlaamse Vervoermaatschappij – De Lijn (VVM) een proces-verbaal op ten laste van verzoekster naar aanleiding van de vaststelling van de volgende inbreuk:
“33 – Parkeren op minder dan 15 meter aan weerszijden van een halte (art. 64.3. ETB VVM).”
3.2. Met een aangetekende brief van 19 juni 2023 stelt de dienst Administratieve Boetes van de VVM verzoekster in kennis van het voormelde proces-verbaal. Daarbij wordt meegedeeld:
IX-10.338-2/15
“Op 15.06.2023 om 22.16 uur werd door een beëdigd controleur (personeelsnummer […]) proces-verbaalnummer 3405300267 opgesteld ten laste van voor volgende inbreuk:
‘code 33 – Parkeren op minder dan 15 meter aan weerszijden van een halte (art. 64.3 ETB VVM)’.
Bijkomende informatie vindt u in het proces-verbaal in bijlage.
U ontvangt deze brief omdat door onze controleur werd vastgesteld dat u uw voertuig parkeerde op minder dan 15 meter van het haltebord. Hierdoor werd onze dienstverlening gehinderd en creëerde u een gevaarlijke situatie voor onze reizigers die hierdoor niet veilig konden in- en uitstappen. Dit is uiteraard niet toegelaten.”
De dienst Administratieve Boetes vermeldt tevens het “[v]oorstel van beslissing” om een boete van 107 euro te betalen.
Dat is de eerste bestreden beslissing.
3.3. Verzoekster dient geen verweer in tegen dit voorstel van beslissing. Evenmin betaalt zij de voorgestelde geldboete.
3.4. Op 16 augustus 2023 wordt verzoekster door een gerechtsdeur-waarder aangemaand om de aan de verwerende partij verschuldigde administra-tieve geldboete te betalen, waarvan het bedrag ondertussen 170,31 euro bedraagt.
De aanstelling van een gerechtsdeurwaarder, die gepaard gaat met het aanrekenen van invorderingskosten, heeft verzoekster aangewezen als de tweede bestreden beslissing.
IV. Precisering van het voorwerp van de eerste bestreden beslissing
4. Verzoekster heeft het “[b]esluit met PV nummer 3405300267
zoals meegedeeld middels schrijven dd. 19/06/2023 tot voorstel van de betaling van een bedrag van 107 EUR” aangeduid als de eerste bestreden beslissing van voorliggend beroep.
IX-10.338-3/15
5. De brief van 19 juni 2023 is evenwel niet de definitieve beslissing waarmee verzoekster een administratieve geldboete is opgelegd. Zoals ook wordt vermeld in het voornoemd schrijven betreft het een “voorstel van beslissing” waarop verzoekster kan ingaan door het betalen van 107 euro, maar waartegen zij desgewenst ook verweermiddelen kan formuleren.
Artikel 44septies, derde lid, van het decreet van 31 juli 1990
‘betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandig agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij – De Lijn’ (hierna: het decreet van 31 juli 1990)
bepaalt daaromtrent:
“De overtreder beschikt over dertig dagen vanaf de kennisgeving van het proces-verbaal om ofwel de geldboete of het openstaande saldo te betalen, ofwel schriftelijk of met een e-mail zijn verweermiddelen te formuleren tegen het voorstel van beslissing, vermeld in het tweede lid.”
6. Te dezen heeft verzoekster de voorgestelde administratieve geldboete niet betaald, maar ook geen verweermiddelen geformuleerd tegen het voorstel.
In dat geval is artikel 44octies, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 van toepassing, dat luidt:
“Als de overtreder binnen de termijn, vermeld in artikel 44septies, derde lid, de geldboete betaalt of geen verweermiddelen formuleert, wordt het voorstel van beslissing van rechtswege omgezet in een definitieve beslissing bij het verstrijken van die termijn.”
Dit principe wordt overigens ook vermeld in het voorstel van beslissing van 19 juni 2023:
“Indien u voor 19.07.2023 de geldboete betaalt of geen verweermiddelen formuleert, wordt de beslissing in dit boetedocument van rechtswege omgezet in een definitieve beslissing.”
Aldus is het voorstel van beslissing van 19 juni 2023 met toepassing van artikel 44octies, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 van
IX-10.338-4/15
rechtswege omgezet in een definitieve beslissing waarbij verzoekster een administratieve geldboete wordt opgelegd.
7. Aangezien de definitieve beslissing verzoekster op identieke wijze grieft als de beslissing van 19 juni 2023 – het materieel voorwerp van de eerste bestreden beslissing is dus ongewijzigd gebleven – en het door verzoekster aangevoerde middel, voor zover ontvankelijk, probleemloos kan worden betrokken op de definitieve beslissing, kan het beroep dat verzoekster heeft gericht tegen de beslissing van 19 juni 2023 geacht worden gericht te zijn tegen de definitieve beslissing.
V. Rechtsmacht van de Raad van State inzake de tweede bestreden beslissing
Standpunt van verzoekster
8. Nadat in het auditoraatsverslag wordt voorgesteld het beroep tegen de tweede bestreden beslissing onontvankelijk te bevinden, argumenteert verzoekster in haar laatste memorie dat de verwerende partij de keuze heeft uit verschillende manieren om de door haar opgelegde administratieve boetes te innen. Zo had zij in plaats van het laten invorderen van de boete door een gerechtsdeurwaarder ook een herinnering kunnen versturen of opteren voor een andere voor verzoekster minder nadelige wijze van invordering. Met de keuze voor het inschakelen van een gerechtsdeurwaarder neemt de verwerende partij een uitdrukkelijke beslissing die niet noodzakelijk voortvloeit uit de eerste bestreden beslissing. Bovendien impliceert de aanstelling van een gerechtsdeurwaarder dat de kosten daarvan aan verzoekster ten laste worden gelegd, waardoor haar rechtstoestand wordt gewijzigd. De tweede bestreden beslissing moet dan ook worden beschouwd als een afzonderlijke beslissing die eigen rechtsgevolgen voor verzoekster meebrengt.
Beoordeling
IX-10.338-5/15
9. Verzoekster heeft de “aanstelling van het gerechtsdeur-waarderskantoor Modero en het aanrekenen van invorderingskosten voor een eerste herinnering die leiden tot de verhoging van het oorspronkelijke bedrag van een boete van 107 EUR tot een bedrag van 170, 31 EUR” aangeduid als het tweede voorwerp van huidig beroep.
10. De “aanstelling” van een gerechtsdeurwaarder voor het invorderen van de aan verzoekster met de eerste bestreden beslissing opgelegde administratieve geldboete kadert in de toepassing van artikel 9, § 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022 ‘tot bepaling van de reisvoorwaarden en de regels voor de handhaving ervan door de VVM – De Lijn’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022) dat luidt:
“Als de overtreder de administratieve geldboete niet betaalt binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt de administratieve geldboete, vermeerderd met de administratieve kosten, bij dwangbevel ingevorderd.
Het leidinggevende sanctionerende personeelslid vaardigt het dwangbevel uit en verklaart het uitvoerbaar. De dwangbevelen worden bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling betekend.”
De termijn vermeld in het eerste lid, is een termijn van dertig dagen, die in casu begint op het ogenblik dat het voorstel van beslissing van rechtswege is omgezet in een definitieve beslissing.
11. Te dezen heeft het hoofd van de dienst Administratieve Boetes van de verwerende partij op 14 augustus 2023 een dwangschrift opgesteld teneinde de aan verzoekster opgelegde administratieve geldboete te doen invorderen door een gerechtsdeurwaarder. De aangewezen gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens op 16 augustus 2023 verzoekster aangemaand om de verschuldigde administratieve geldboete te betalen, waarvan het bedrag door administratieve kosten en herinneringskosten ondertussen is opgelopen tot 170,31 euro.
De voornoemde handelingen zijn beslissingen die kaderen in de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing.
12. Artikel 1395, eerste lid, Ger.W. luidt:
IX-10.338-6/15
“Alle vorderingen betreffende bewarende beslagen, middelen tot tenuitvoerlegging en tegemoetkomingen van de Dienst voor alimentatie-vorderingen bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën worden gebracht voor de beslagrechter. De opheffing van een beslag gelegd vóór de toekenning van de opschorting van betaling kan daarentegen worden verleend door de rechtbank bevoegd inzake de verzoekschriften tot gerechtelijke reorganisatie.”
Uit de voormelde bepaling blijkt dat geschillen met betrekking tot tenuitvoerlegging voor de beslagrechter moeten worden gebracht. Het is met andere woorden de beslagrechter aan wie verzoekster haar grieven met betrekking tot de regelmatigheid en rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van de administratieve geldboete kan voorleggen. Dit sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit.
13. De Raad van State is zonder rechtsmacht om kennis te nemen van het beroep in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing.
VI. Onderzoek van het enige middel
A. Vooraf
14. Zoals hierv r is uiteengezet, is de Raad van State zonder rechtsmacht om kennis te nemen van het beroep in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. Aangezien het derde onderdeel van het enige middel gericht is tegen de tweede bestreden beslissing, blijft dit middelonderdeel hierna onbesproken.
B. Het enige middel
Standpunt van de partijen
15.1. In het eerste middelonderdeel voert verzoekster aan dat de vastgestelde inbreuk met toepassing van “artikel 2§1, j Koninklijk besluit van
IX-10.338-7/15
9 maart 2014” in aanmerking komt voor een onmiddellijke inning ten bedrage van 58 euro en dat de verwerende partij onrechtmatig handelt door haar een geldboete van 107 euro op te leggen.
In het tweede middelonderdeel voert verzoekster aan dat de verwerende partij niet aantoont dat het geverbaliseerde voertuig daadwerkelijk op minder dan vijftien meter van de halte geparkeerd stond. Zij merkt ook op dat het niet om een permanente bushalte gaat, maar om een tijdelijke halte die is aangeduid met een paal die op verschillende meters afstand van de straat was geplaatst en voor de parkerende voertuigen niet duidelijk zichtbaar was vanop de weg.
15.2. Ten aanzien van het eerste middelonderdeel antwoordt de verwerende partij dat het decreet van 31 juli 1990 ‘betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn’ het wettelijk kader bepaalt. De verwerende partij stelt dat artikel 6, eerste lid, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16
september 2022 voorschrijft dat het niet is toegestaan: “zich in de voertuigen, aan de haltes of in de openbare ruimtes van de VVM of op de openbare weg op een wijze te gedragen die de dienst van de VVM kan belemmeren”. De verwerende partij verwijst eveneens naar het parkeerverbod met toepassing van artikel 25.1.2°
van het koninklijk besluit van 1 december 1975 ‘houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg’. Tot slot vermeldt de verwerende partij dat de te volgen procedure in geval van een inbreuk wordt omschreven in artikel “9 1°” (lees: 9, § 1, 1°), van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022 dat stelt dat de administratieve geldboete voor een meerderjarige overtreder 107 euro bedraagt bij een overtreding van de regels vermeld in artikel 6, eerste lid, 5°.
Met betrekking tot het tweede middelonderdeel stelt de verwerende partij dat de controleur duidelijk vastgesteld heeft dat het betrokken voertuig manifest een inbreuk pleegde op de toepassing van artikel 25.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 door zich te parkeren op minder dan 15
IX-10.338-8/15
meter van een bushalte. Dit wordt volgens de verwerende partij ook niet betwist door verzoekster die stelt dat het niet om een permanente bushalte gaat, maar om een tijdelijke buspaal die volgens haar niet duidelijk zichtbaar was. De bushalte was echter wel duidelijk zichtbaar. Het proces-verbaal is duidelijk en wordt versterkt door de ook op dat ogenblik genomen foto door de controleur. Er bestaat dan ook geen betwisting over het desbetreffende voertuig dat aanwezig was op de plaats, het tijdstip en de locatie.
15.3. In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat de beweerde inbreuk geen betrekking heeft op een overtreding van artikel 6, eerste lid, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022 zoals de verwerende partij in de memorie van antwoord beweert, maar dat haar blijkens de eerste bestreden beslissing een overtreding van “art. 64.3. ETB VVM” ten laste wordt gelegd. De in artikel 9, § 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022 vermelde boete van 107 euro is derhalve niet van toepassing.
Aangaande het tweede middelonderdeel stelt verzoekster dat zij niet betwist dat haar voertuig geparkeerd stond op de locatie zoals die blijkt uit de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s, maar wel dat zij binnen vijftien meter van de halte stond geparkeerd zoals de verwerende partij beweert. Aangezien de verwerende partij dit niet aantoont, moet de inbreuk volgens verzoekster als niet-bewezen worden beschouwd. Voorts herhaalt zij dat het slechts een tijdelijke halte betrof die op verschillende meters van de straat was neergezet en zonder geschikte weginfrastructuur, hetgeen veel minder zichtbaar is dan een permanente halte met aangepaste weginfrastructuur. Volgens verzoekster is het standpunt van waaruit de controleur de foto’s heeft genomen fundamenteel verschillend van het standpunt van een parkerende bestuurder, die niet ziet wat de controleur ziet. Zij wijst er ook op dat er op het moment van haar aankomst auto’s geparkeerd stonden net achter het voertuig waar zij heeft geparkeerd en dat het bovendien duidelijk zichtbaar is dat de weginfrastructuur als parkeerzone is ingericht.
IX-10.338-9/15
15.4. In haar laatste memorie stelt verzoekster met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat sommige formele gebreken in de motivering hersteld kunnen worden, doch dat het vermelden van een foutieve rechtsgrond een fundamenteel gebrek vormt. De juridische basis van een beslissing is immers essentieel voor de beoordeling van de rechtmatigheid ervan. Het beginsel van behoorlijk bestuur vereist dat administratieve beslissingen op de juiste rechtsnormen steunen. Het verwijzen naar een verkeerde rechtsgrond schendt dit beginsel en leidt tot een willekeurige minstens onzorgvuldige toepassing van de bevoegdheden die aan een overheid werden toegekend. Bovendien gaat een correcte motivering verder dan de loutere vermelding van een rechtsgrond. In dit geval vereist een correcte motivering bovendien een inzicht in de overwegingen die een overheid ertoe doen besluiten dat een bepaalde gedraging een inbreuk vormt op een bepaalde rechtsgrond. Verzoekster voert aan dat de verwerende partij, wanneer zij gebruik maakt van haar bevoegdheid om inbreuken te bestraffen met een administratieve geldboete, ertoe gehouden is om haar beslissing correct en voldoende gedetailleerd te motiveren zodat de rechtsonderhorige de redenering van de verwerende partij kan begrijpen en de juistheid van haar beslissing kan beoordelen. Te dezen motiveert de verwerende partij haar beslissing met verwijzing naar een niet-bestaande rechtsregel namelijk “art. 64.3 ETB VVM” en omschrijft zij de inbreuk als “parkeren op minder dat 15 meter aan weerszijden van een bushalte”. Dat er een algemene rechtsgrond bestaat waaronder de beweerde inbreuk eveneens kan worden begrepen maakt de bestreden beslissing volgens verzoekster niet geldig. Dit is zeker het geval wanneer die algemene rechtsgrond wordt toegepast op een niet-reiziger van De Lijn, vervat zit in een besluit dat ertoe strekt de reisvoorwaarden te bepalen voor de voertuigen van de VVM – De Lijn en een terminologie hanteert waarover de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat het raadzaam is om een ander begrip te hanteren dan ‘reisvoorwaarden’ wanneer dit kan leiden tot verplichtingen voor andere personen dan reizigers. Bovendien is de omschrijving van de beweerde inbreuk die in het proces-verbaal wordt vermeld nagenoeg identiek aan een andere rechtsregel die wél nog in voege was op de datum van het proces-verbaal, namelijk artikel 2, § 1, j, van het koninklijk besluit van 9 maart 2014 ‘betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met
IX-10.338-10/15
automatisch werkende toestellen’ (hierna: het koninklijk besluit van 9 maart 2014). Volgens verzoekster is in die omstandigheden de beslissing van de verwerende partij dermate foutief gemotiveerd dat dit de rechtsonderhorige compleet misleidt in de inschatting van zijn rechten, hetgeen de rechtsgeldigheid van de beslissing aantast. Zelfs indien zou worden geoordeeld dat de bestreden beslissing niet noodzakelijkerwijze onwettig is omdat de rechtsgrond waarop de verwerende partij steunt, vervat zit in artikel 6, eerste lid, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022, betekent dit volgens verzoekster nog niet dat de verwerende partij haar beslissing afdoende motiveert met de loutere vermelding “parkeren op minder dat 15 meter aan weerszijden van een halte”.
Artikel 6, eerste lid, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022 is immers veel ruimer en is van toepassing op alle gedragingen die de dienst van de VVM kunnen belemmeren. Dit ruime toepassingsgebied impliceert dat aan de motiveringsplicht hogere eisen worden gesteld. Een afdoende motivering om de toepassing van deze bepaling te rechtvaardigen bestaat er dan niet alleen in om een bepaalde handeling te beschrijven maar tevens om uit te leggen waarom die handeling een gedraging is die de dienst van de VVM kan belemmeren.
Inzake het tweede middelonderdeel argumenteert verzoekster dat wanneer de verwerende partij de bevoegdheid heeft om tijdelijke bushaltes in te richten en daaruit verplichtingen ontstaan voor derden, zij deze bevoegdheid op zorgvuldige wijze moet uitoefenen. Te dezen stond de paal die de halte kenbaar moest maken achter een fietspad met twee rijstroken, een groenstrook met bomen, ingerichte parkeerplaatsen en naast de openbare weg. De verwerende partij heeft het niet nodig geacht om de weginfrastructuur – ingericht voor het parkeren van auto’s naast de openbare weg – aan te passen of duidelijke signalisatie voor het bestaan van een bushalte aan te brengen. In die omstandigheden heeft de verwerende partij volgens verzoekster een fout gemaakt of minstens een onzorgvuldigheid begaan waardoor verzoekster bij het parkeren niet heeft opgemerkt dat zij parkeert in een zone die in de buurt van een bushalte ligt, ongeacht of dit binnen de vijftien meter van de halte is of niet.
IX-10.338-11/15
Beoordeling
a. Eerste middelonderdeel
16. Het eerste middelonderdeel van verzoekster steunt op de grief dat de bestreden beslissing geen geldige rechtsgrond heeft, minstens geen geldige rechtsgrond vermeldt. Verzoekster verduidelijkt in haar laatste memorie, na kennisneming van de memorie van antwoord en het auditoraatsverslag, dat de verwijzing naar een verkeerde rechtsgrond niet enkel een inbreuk vormt op de vereiste correcte formele motivering, maar ook een willekeurige minstens onzorgvuldige toepassing van de bevoegdheden van de overheid inhoudt. Zij betoogt dat een administratieve beslissing moet steunen op de juiste rechtsnormen en dat in casu de beslissing dermate foutief gemotiveerd is dat dit de rechtsonderhorige misleidt in de inschatting van zijn rechten.
17. De eerste bestreden beslissing vermeldt de volgende inbreuk:
“code 33 – parkeren op minder dan 15 meter aan weerszijden van een halte (art. 64.3 ETB VVM).”
18.1. Uit het verzoekschrift van verzoekster blijkt dat zij in eerste instantie van mening is dat de verwerende partij een onrechtmatige toepassing heeft gemaakt van artikel 2, § 2, j, van het koninklijk besluit van 9 maart 2014.
18.2. Uit de memorie van antwoord van de verwerende partij verneemt verzoekster dat de verwerende partij verwijst naar artikel 6, eerste lid, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022.
Deze bepaling luidt:
“Het is niet toegestaan [voor de reizigers of voor het publiek in het algemeen]:
[….]
IX-10.338-12/15
5° zich in de voertuigen, aan de haltes of in de openbare ruimtes van de VVM
of op de openbare weg op een wijze te gedragen die de dienst van de VVM
kan belemmeren;”
18.3. Uit het auditoraatsverslag leert verzoekster voor het eerst dat de verwijzing naar “art. 64.3. ETB VVM” in de bestreden beslissing een verwijzing is naar artikel 64, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004
‘betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004).
Artikel 64, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 stelt:
“Het is niet toegestaan:
[…]
3°in de voertuigen, aan de haltes of in de openbare ruimtes van de VVM de dienst van de VVM te belemmeren;”
Deze bepaling is opgeheven door artikel 12, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022. Dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 december 2022 en is in werking getreden op 16 december 2022.
19. Zoals vermeld sub 17 duidt de bestreden beslissing als rechtsgrond voor de vastgestelde inbreuk enkel “art. 64.3. ETB VVM” aan.
Zelfs indien aangenomen zou worden dat deze vermelding een voldoende duidelijke verwijzing vormt naar artikel 64, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing aldus verwijst naar een bepaling die op het ogenblik van het nemen van de beslissing reeds een half jaar is opgeheven.
20. Door de bestreden beslissing te motiveren aan de hand van een verwijzing naar een reglementaire bepaling die is opgeheven en dus niet meer van toepassing is, verhindert de bestreden beslissing dat de bestemmeling ervan met
IX-10.338-13/15
kennis van zaken tot een oordeel kan komen of hij al dan niet daadwerkelijk een inbreuk heeft gepleegd op de regelgeving en of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft.
Weliswaar beroept de verwerende partij zich in de memorie van antwoord op een gelijkaardige, maar geenszins identieke rechtsgrond. Het feit dat een actuele rechtsgrond zou bestaan die de bestreden beslissing kan schragen, ontslaat de overheid echter niet van de plicht de juiste rechtsgrond te vermelden –
overigens ook niet aan de hand van onduidelijke afkortingen – of minstens te waarborgen dat de bestemmeling van de administratieve boete op voldoende duidelijke wijze inzicht krijgt in de rechtsgrond van de administratieve bestraffing.
De bestreden beslissing bevat aldus niet, laat staan op voldoende duidelijke wijze, de juridische overwegingen die een deugdelijke grondslag voor de beslissing zouden vormen. De bestreden beslissing schendt zodoende de formelemotiveringsplicht.
21. Het eerste middelonderdeel is gegrond.
b. Tweede middelonderdeel
22. Na het gegrond bevinden van het eerste middelonderdeel behoeft het tweede middelonderdeel geen nader onderzoek. Het middelonderdeel kan immers niet tot een ruimere vernietiging leiden.
VII. Rechtsplegingsvergoeding
23. In haar laatste memorie vordert verzoekster een rechtsplegings-vergoeding ten belope van 770 euro.
Overeenkomstig artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is een rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoet-koming in de kosten en honoraria van de advocaat.
IX-10.338-14/15
Aangezien voor verzoekster geen advocaat is opgetreden, is er geen aanleiding tot het toekennen van de door haar gevorderde rechtsplegings-vergoeding.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het van rechtswege definitief geworden voorstel van beslissing van de dienst Administratieve Boetes van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn van 19 juni 2023 waarbij aan de bv Migeco een administratieve boete van 107 euro wordt opgelegd.
2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Wouter Pas, waarnemend voorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Wouter Pas
IX-10.338-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.765

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.765

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.