ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.768

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.768 Rolnummer: A. 241429/XIV-39516 Zaak: Arrest 261768 - Overheidsopdrachten - 16/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-23 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-02 19:20 Fiche Arrest nr 261.768 van 16 december 2024 Overheidsopdrachten en...

Source officielle

8 min de lecture 1,752 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 16 december 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.768

Rolnummer:

A. 241429/XIV-39516

Zaak:

Arrest 261768 – Overheidsopdrachten – 16/12/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-12-23

Raadplegingen:

100 – laatst gezien 2026-06-02 19:20

Fiche

Arrest nr 261.768 van 16 december 2024 Overheidsopdrachten en openbare
werken – Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 261.768 van 16 december 2024
in de zaak A. 241.429/XIV-39.516
In zake: 1. B.V. A.V.
2. N.V. BAV
samen vormend een tijdelijke maatschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te 2000 Antwerpen Londenstraat 60/104
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ
VLAAMS-BRABANT (POM VLAAMS-BRABANT)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Garsse en Simon Verhoeven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 12 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 15 december 2023 van de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Vlaams-Brabant, waarbij de overheidsopdracht voor werken ‘Sloop Exide Huldenberg’ met project- en besteknummer 413011004, gegund wordt aan [een derde], en bijgevolg niet aan de als tweede gerangschikte verzoekende partijen.
XIV-39.516-1/7
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 259.353 van 29 maart 2024 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partijen ter kennis werd gebracht op 22 juli 2024.
Op respectievelijk 7 oktober 2024 en 2 oktober 2024 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partijen en aan de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt.
XIV-39.516-2/7
Bij het versturen aan de verzoekende partijen van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent.
De verzoekende partijen hebben geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent.
4. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.
IV. De rechtsplegingsvergoeding
5. De verzoekende partijen vorderen in hun laatste procedurestuk –
te dezen het verzoek tot voortzetting van de procedure na de schorsingsprocedure –
de volgende rechtsplegingsvergoeding(en):
“- voor de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende “noodzakelijkheid: […] de rechtplegingsvergoeding, te begroten op 1.540 euro wegens schending van de fair play om deze vrijwillig te vereffenen, minstens 770
euro, die aan de verzoekende partijen verschuldigd is;
– voor de behandeling van het beroep tot nietigverklaring: […] de rechtplegingsvergoeding van 770 euro, die aan de verzoekende partijen verschuldigd is.”
De verwerende partij verzet zich in haar memorie van antwoord formeel tegen een verhoogde rechtsplegingsvergoeding. Zij stelt dat haar niet kan worden verweten niet vrijwillig te zijn overgegaan tot vereffening van de kosten van het geding. De Raad van State heeft immers in het tussenarrest van 29 maart 2024, nr.259.353, beslist de kosten in beraad te houden. Er was dan ook geen enkele aanleiding om tot vereffening van de kosten van het geding over te gaan, zolang de verwerende partij hiertoe niet is veroordeeld. Er is bijgevolg geen sprake van een houding die in strijd is met de fair play en de proceseconomie.
XIV-39.516-3/7
Volledigheidshalve verwijst de verwerende partij in dat verband naar artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en betoogt dat er geen sprake is van een kennelijk onredelijke situatie.
Beoordeling
6. Uit het tussenarrest nr. 259.353 van 29 maart 2024 blijkt dat de bestreden beslissing is ingetrokken en de vordering bijgevolg reeds voor het behandelen van de vordering tot schorsing ervan, zonder voorwerp is geworden.
Ingevolge de intrekking van de bestreden beslissing door de verwerende partij moeten de verzoekende partijen worden beschouwd als de in het gelijk gestelde partij in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Er is dan ook grond om aan de verzoekende partijen overeenkomstig deze bepaling een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.
7. De verzoekende partijen vorderen evenwel twee rechtsplegingsvergoedingen, met name één voor de vordering tot schorsing en één voor het beroep tot nietigverklaring.
Dit verzoek wordt niet ingewilligd, om de navolgende reden.
De verzoekende partijen hebben ervoor geopteerd om in een enig verzoekschrift de schorsing volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te vorderen, gepaard te laten gaan met een beroep tot nietigverklaring. In dat geval worden geen twee rechtsplegingsvergoedingen toegekend, maar wordt met toepassing van artikel 67, § 2, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de algemene procedureregeling) het basisbedrag forfaitair verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20 procent van dit bedrag, op voorwaarde dat de regeling vervat in artikel 67, § 2, derde lid, van de algemene procedureregeling geen toepassing vindt.
XIV-39.516-4/7
Door de intrekking van de bestreden beslissing reeds voorafgaand aan het wijzen van het tussenarrest, is het beroep tot nietigverklaring evenwel zonder voorwerp en dus doelloos. De in artikel 67, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling vervatte verhoging van de rechtsplegingsvergoeding is te dezen derhalve niet verschuldigd. Door de intrekking is de gevoerde procedure overigens beperkt gebleven tot de redactie van het verzoekschrift en wat de procedure inzake het beroep tot nietigverklaring betreft, tot het verzoek tot voortzetting.
8. De verzoekende partijen betogen ook dat er reden is om het bedrag – wat de vordering tot schorsing betreft – te verhogen wegens “schending van de fair play” om de rechtsplegingsvergoeding vrijwillig te vereffenen.
Ook dat verzoek wordt niet ingewilligd om de navolgende reden.
Luidens artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Bij een met bijzondere redenen omklede beslissing kan de afdeling Bestuursrechtspraak de vergoeding desgevallend verlagen, zonder daarbij het door de Koning bepaalde minimumbedrag te overschrijden. In haar beoordeling houdt zij rekening met: 1°
de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, 2° de complexiteit van de zaak, 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.
XIV-39.516-5/7
In de mate dat de verzoekende partijen zich beroepen op het gebrek aan fair play van de verwerende partij, beroept zij zich op het criterium van “de kennelijk onredelijke aard van de situatie’. Dat criterium moet worden omschreven als een specifieke situatie die niet gelijkgesteld kan worden met een criterium als billijkheid. Aangezien de rechtsplegingsvergoeding ertoe strekt forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat en dus geen sanctionerend karakter heeft, kan in het raam van dit criterium de (proces)houding van de verwerende partij niet in rekening worden gebracht. Dit klemt overigens te dezen des te meer, daar de proceshouding die de verwerende partij wordt verweten, haar niet ten kwade kan worden geduid nu het tussenarrest de begroting van de kosten doorverwees naar het beroep ten gronde en van de verwerende partij niet mag worden verwacht dat zij, al dan niet uit “fair play”, zonder titel en dus vrijwillig, de rechtsplegingsvergoeding vereffent voordat een (eind)uitspraak ter zake is gewezen.
9. Uit wat voorafgaat volgt dat er geen redenen voorhanden zijn die ertoe nopen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen.
Aan de verzoekende partijen wordt bijgevolg het (geïndexeerde)
basisbedrag van 770 euro toegekend.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 48
euro en een en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen.
XIV-39.516-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-39.516-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.768

Gerelateerde publicatie(s)

voorafgegaan door:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.353

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.768

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.