ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.777
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.777 Rolnummer: A. 243555/XIV-39685 Zaak: Arrest 261777 - Overheidsopdrachten - 17/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-05-31 13:49 Fiche Arrest nr 261.777 van 17 december 2024 Overheidsopdrachten en...
36 min de lecture · 7,780 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 17 december 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.777
Rolnummer:
A. 243555/XIV-39685
Zaak:
Arrest 261777 – Overheidsopdrachten – 17/12/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-12-17
Raadplegingen:
93 – laatst gezien 2026-05-31 13:49
Fiche
Arrest nr 261.777 van 17 december 2024 Overheidsopdrachten en openbare
werken – Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.777 no lien 280520 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 261.777 van 17 december 2024
in de zaak A. 243.555/XIV-39.685
In zake: de NV G.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Moonen, Thomas Christiaens en Jarien Bloemen kantoor houdende te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer, Cyrille Dony en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 25 november 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken […], zonder vermelde datum, waarin de overheidsopdracht voor diensten, met als voorwerp ‘raamovereenkomst voor de aanstelling van een verhuisbedrijf voor de internationale verhuizingen van goederen van de Staat, meubilair en persoonlijke bezittingen van uitgezonden personeel van de aanbestedende overheid en gebruikers van de raamovereenkomst’ wordt gegund aan [de nv P.].”
XIV-39.685-1/24
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december 2024 om 11:00 uur.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Advocaten Thomas Christiaens en Jarien Bloemen, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaten Leontien Beernaert, loco advocaten Patrik De Maeyer en Cyrille Dony, en Daisy Daniels, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten in de vorm van een raamovereenkomst uit “voor de aanstelling van een verhuisbedrijf voor internationale verhuizingen van de goederen van de Staat, meubilair en persoonlijke bezittingen van uitgezonden personeel van de aanbestedende overheid en gebruikers van de raamovereenkomst”.
De raamovereenkomst betreft een raamovereenkomst met één ondernemer en met bestelbon in de zin van artikel 43, § 4, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake de overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016). De offerte zal dienen als prijscatalogus voor de verschillende verhuizingen die tijdens
XIV-39.685-2/24
de duur van de opdracht worden uitgevoerd. Het betreft een opdracht tegen prijslijst.
De raamovereenkomst wordt afgesloten voor een periode van vier jaar.
3.2. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een openbare procedure.
De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt.
3.3. De opdracht is onderworpen aan het bijzonder bestek met referentie BZAE/B&B3/DEM.2024.
Het voorwerp van de opdracht is als volgt omschreven:
“Deze raamovereenkomst betreft de aanstelling van een bedrijf voor de internationale verhuizingen van de goederen van de Staat en van de inboedel en de persoonlijke bezittingen van de personeelsleden van de buitencarrière van de aanbestedende overheid en gebruikers van de raamovereenkomst en hun gezinnen naar aanleiding van hun aanstelling bij een Belgische diplomatieke (of consulaire)
vertegenwoordiging in het buitenland of een internationale organisatie of naar aanleiding van hun terugkeer naar België.
Onder goederen van de Staat dient te worden verstaan meubilair, serviesgoed en huisraad, kunstvoorwerpen, specifiek beveiligingsmateriaal en informatica-materiaal.”
Verder licht het bestek nog toe dat het personeel kan betreffen van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelings-samenwerking, de FOD Financiën, de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Defensie, de Federale Politie en de Veiligheid van de Staat.
3.4. Het bestek bepaalt onder punt 16 ‘Gunningscriteria’ de gunningscriteria, daarin begrepen de puntentoekenning en berekeningswijze. De te dezen relevante bepalingen onder punt 16 luiden:
“Bij de gunning van deze overheidsopdracht zal de aanbestedende overheid de economisch meest voordelige inschrijving selecteren. De regelmatige offertes van de inschrijvers zullen worden vergeleken aan de hand van de onderstaande
XIV-39.685-3/24
gunningscriteria.
Deze criteria zullen worden gewogen om tot een eindrangschikking te komen. De gunningscriteria zijn als volgt:
1. Prijs (60%)
2. Milieukwaliteit (20%)
3. Evaluatie van de kwaliteit van pro forma facturen en facturen op basis van verschillende gevallen (20%).
1. De prijs (60%)
A. Prijzen voor in catalogi opgenomen diensten : 42%
De inschrijver moet de bladen 1 tot en met 8 van het Excel-bestand ‘Prijscatalogi’ invullen.
1. Vervoer over zee: diensten bij vertrek (6%)
2. Vervoer over zee: diensten bij aankomst (6%)
3. Luchtzendingen: diensten bij vertrek (5%)
4. Luchtzendingen: diensten bij aankomst (5%)
5. Intra-Europees wegvervoer (5%) | 20/77
6. Intra-Europees wegvervoer ‘licht’ (5%)
7. Langdurige inboedelopslag (6%)
8. Extra diensten in België (4%)
Punten worden als volgt toegekend:
De prijs die een inschrijver voor een bepaalde dienst voorstelt, wordt vergeleken met de prijzen die concurrerende inschrijvers voor dezelfde dienst voorstellen.
Zo krijgen de bedragen voor diensten die overeenkomen met de laagste prijzen 100
punten en wordt voor de andere bedragen, die overeenkomen met hogere prijzen, de volgende formule toegepast: 100 x (laagste prijs/prijs van het betrokken bedrijf).
In de tweede fase wordt het gemiddelde aantal punten berekend dat door elke inschrijver is behaald voor alle diensten voor elke bestemming of kilometervak.
Ten slotte worden de gemiddelden van elke inschrijver voor de verschillende bestemmingen of kilometervakken opgeteld en vervolgens verminderd om een catalogusscore te verkrijgen die overeenstemt met de hierboven aangekondigde weging, d.w.z. een score van 6, 5 of 4 punten.
B. Facultatieve prijs gekoppeld aan een allrisk verzekering voor te verzekeren praktijkgevallen : 6%
De inschrijvers moeten het blad 9 van het Excel-bestand ‘Prijscatalogi’ (kolommen J en K) invullen, waarin verschillende scenario’s van te verzekeren verhuizingen zijn opgenomen.
De inschrijvers moeten aangeven hoeveel ze zouden aanrekenen voor een allriskverzekering (in overeenstemming met de vereisten bepaald in het hoofdstuk ‘Verzekering’) als ze deze aanvragen zouden krijgen. In zijn offerte moet hij duidelijk zijn berekeningsmethode en de elementen die de berekening beïnvloeden aangeven (met precisie en transparantie, vooral voor bepaalde forfaitaire bedragen).
Als de opdracht aan de inschrijver wordt gegund, moet deze berekeningsmethode, met dezelfde bedragen/vaste bedragen, worden gehandhaafd tijdens de volledige duur van de opdracht (tenzij ze wordt herzien overeenkomstig het deel ‘Herziening’).
De bedragen voor elk scenario worden geëvalueerd volgens de hierboven beschreven methode. Alle punten worden teruggebracht tot een score van 6 punten.
C. Facultatieve prijs voor een allrisk verzekering voor praktische gevallen die moeten worden vergoed: 6%.
De inschrijver moet het blad 10 van het Excel-bestand ‘Prijscatalogi’ (kolom J)
invullen, waarin verschillende scenario’s van te compenseren verhuizingen worden beschreven.
XIV-39.685-4/24
Voor de toekenning van punten is de logica omgekeerd. Het is het hoogste bedrag dat wordt terugbetaald door de verzekeringsmaatschappij, die 100 punten krijgt volgens de formule:
100 x (prijs van de betrokken maatschappij/hoogste prijs), waarbij de hoogste prijs de vergelijkingsvariabele wordt.
Het totaal aantal punten wordt teruggebracht tot een cijfer van 6 punten.
D. Prijs geëvalueerd op basis van praktijkcases: 6%
De inschrijver moet een pro forma factuur indienen voor elk van de drie verhuisdossiers die in de bijlage worden gepresenteerd.
De volgende formule wordt toegepast: 100 x (laagste prijs/prijs van de betrokken onderneming).
Het totaal aantal punten wordt teruggebracht tot een cijfer van 6 punten.
2. Milieukwaliteit (20%) […]
3. Evaluatie van de kwaliteit van pro forma facturen en facturen op basis van verschillende gevallen (20%)
[…]
De quoteringen voor de gunningscriteria zullen worden opgeteld.
De opdracht zal worden gegund aan de inschrijver die de offerte met de hoogste eindquotering heeft ingediend, nadat de aanbestedende overheid de juistheid van zijn verklaring in het kader van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument geverifieerd heeft.”
3.5. Er worden vier offertes ingediend waaronder deze van de verzoekende partij en door de nv P., dit is de gekozen inschrijver.
3.6. Op 14 oktober 2024 vraagt de verwerende partij aan zowel de verzoekende partij als aan de nv P. om een prijsverantwoording.
Zowel de verzoekende partij als de nv P. dienen een prijsverantwoording in op 25 oktober 2024.
3.7. In een nota van de administratie aan de minister van Buitenlandse Zaken worden de verzoekende partij en de nv P. geselecteerd, hun beider offertes regelmatig bevonden en wordt, na vergelijking van de offertes in het licht van de gunningscriteria, voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de nv P. met een score van 84,26/100 tegenover een score van 74,83/100 voor de verzoekende partij.
De samenvattende puntenscore/-tabel in die nota is de volgende:
Gunningscriteria De nv P. De verzoekende partij Prijscriterium/60 49,26 52,25
XIV-39.685-5/24
Milieukwaliteit/20 20,00 14,25
Kwaliteit van pro forma facturen en 15,00 8,33
facturen/20
Punten/100 84,26 74,83
3.8. Op 7 november 2024 hecht de minister van Buitenlandse Zaken haar akkoord aan het voorstel en wordt de opdracht gegund aan de nv P.
Dit is de bestreden beslissing waarvan de verzoekende partij met een aangetekend schrijven van 7 november 2024 en met een elektronisch bericht van 8 november 2024 in kennis wordt gesteld.
3.9. Met een e-mail van 19 november 2024 gericht aan de verwerende partij formuleert de verzoekende partij een aantal bezwaren tegen de gunningsbeslissing en verzoekt de verwerende partij om de gunningsbeslissing in te trekken en een nieuwe aanbesteding in de markt te plaatsen.
3.10. Met een e-mail van 20 november 2024 antwoordt de verwerende partij dat zij geen enkel van de aangevoerde wettigheidskritieken aanvaardt, hetgeen zij vervolgens in die nota toelicht.
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en
XIV-39.685-6/24
diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd.
VI. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
6. Het eerste middel in het verzoekschrift is genomen uit een schending van artikel 36 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016), van de beginselen inzake de openbare procedure, van de artikelen 35 en 36 van het koninklijk besluit ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ van 18 april 2017 (hierna:
het koninklijk besluit van 18 april 2017) en van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. De verzoekende partij vat het eerste middel als volgt samen:
“Doordat de verwerende partij in het kader van een openbare aanbestedingsprocedure bij de prijsverantwoordingsvraag heeft toegestaan dat er werd onderhandeld over de aangeboden prijzen en heeft toegelaten dat de offerteprijs werd aangepast na indiening van de offerte, en de verwerende partij op basis van de aangepaste offertes een finale beoordeling en rangschikking heeft gemaakt;
Terwijl de procedurevoorschriften in het kader van een openbare aanbestedingsprocedure niet voorzien in de mogelijkheid om te onderhandelen over de offertes en niet voorziet in de mogelijkheid om na indiening van de offerte aangepaste prijzen aan te bieden;
En terwijl overeenkomstig het zorgvuldigheidsbeginsel de verwerende partij gehouden is tot een zorgvuldig onderzoek van het dossier, een zorgvuldige feitengaring en een zorgvuldig onderzoek van de offertes, voordat zij tot haar besluitvorming overgaat en het zorgvuldigheidsbeginsel zich er tegen verzet dat de verwerende partij bij het onderzoek van de offertes toelaat om hun prijzen aan te passen en op basis van dergelijke feitenvinding een besluit te nemen;
En terwijl het prijs- en kostenonderzoek in de zin van de artikelen 35 en 36 evenmin toelaten dat er nieuwe prijzen worden voorgesteld of er wordt onderhandeld over de aangeboden prijzen”.
De verzoekende partij licht toe dat zij de in het eerste middel ingeroepen bepalingen en beginselen te dezen geschonden acht omdat “[i]n
XIV-39.685-7/24
weerwil van hetgeen wettelijk is toegelaten, de verzoekende partij [moet]
vaststellen dat er in het kader van deze prijsverantwoordingsvraag is onderhandeld over de prijzen en de verwerende partij bovendien heeft toegestaan dat er na indiening van de offerte, nieuwe prijzen werden aangeboden”. De verzoekende partij verwijst in dat verband naar het aan haar gerichte verzoek tot prijsverantwoording van 14 oktober 2024 waaruit zij afleidt dat de verwerende partij verschillende hypotheses formuleert over de opgegeven prijzen en op die manier “tracht te onderhandelen over de opgegeven prijzen”. De verwerende partij vereist zelfs, zo stelt zij, dat er “aangepaste prijzen” worden aangeboden voor een aantal items. Bovendien blijkt dat de verwerende partij ook de gekozen inschrijver na indiening van de offertes heeft toegestaan om “nieuwe prijzen” voor te stellen en hield de verwerende partij bij de gekozen inschrijver rekening met “gecorrigeerde bedragen” die werden voorgesteld voor een aantal prijselementen.
Zij citeert ter adstructie van haar standpunt de volgende passage uit de bestreden beslissing: “[v]oor catalogus 8: Shuttle, long carry, stair carry: de aanbestedende overheid heeft rekening gehouden met de gecorrigeerde bedragen voorgesteld door [de gekozen inschrijver], die gefactureerd zullen worden per m³ en niet langer op forfaitaire basis (deze correctie was noodzakelijk gezien het gebrek aan duidelijkheid in de instructie van de aanbestedende overheid).” Een dergelijke handelswijze strookt niet met de wetgeving en het verloop van een openbare procedure in de zin van artikel 36 van de wet van 17 juni 2016. Bij het verloop van een openbare procedure kan de gunning van de opdracht die aan het einde van de procedure plaatsvindt, niet worden voorafgegaan door een onderhandelingsfase.
De regelmatigheid van offertes dient in het kader van een openbare procedure te worden beoordeeld op grond van de offertes zelf en niet in het licht van aanvullende verklaringen of nieuwe prijzen die een wijziging van de offerte inhouden, dit op straffe van een schending van de gelijke behandeling van de inschrijvers. De verwerende partij geeft in het e-mailbericht van 20 november 2024
een post factum toelichting die niet strookt met de wettelijke bepalingen ter zake.
Nooit is het in het kader van een prijsonderzoek toegestaan om nieuwe of aanvullende prijzen op te vragen. De artikelen 35 en 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 kunnen geenszins worden aangewend als onderhandelingstool in het kader van een openbare procedure.
Beoordeling ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.777 XIV-39.685-8/24
7. Zoals hiervoor is gebleken, is er voor de voorliggende overheidsopdracht gekozen voor een openbare plaatsingsprocedure.
Geheel terecht stelt de verzoekende partij dan ook dat onderhandelingen niet zijn toegestaan in het kader van een openbare procedure.
Dat betekent evenwel nog niet dat iedere aanpassing van een ingediende offerte in het kader van een openbare procedure bij voorbaat is uitgesloten. Zo bijvoorbeeld voorziet artikel 66, § 3, van de wet van 17 juni 2016 dat, onverminderd artikel 39, § 6, tweede lid, de aanbestedende overheid, wanneer de door de kandidaat of inschrijver in te dienen informatie of documentatie onvolledig of onjuist is of lijkt te zijn of wanneer specifieke documenten ontbreken, deze kan verzoeken die informatie of documentatie binnen een passende termijn in te dienen, aan te vullen, te verduidelijken of te vervolledigen, mits dergelijke verzoeken worden gedaan met volledige inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie en, indien gebruik wordt gemaakt van de openbare of de niet-openbare procedure, zonder dat dit aanleiding mag geven tot een wijziging van de essentiële elementen van de offerte.
Daarnaast voorzien de artikelen 34 en 86 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 in regelingen tot verbetering van de ingediende offerte.
Op het eerste gezicht lijkt geen van deze bepalingen zich te verzetten tegen een gelijktijdige toepassing ervan met het prijzenonderzoek als bedoeld in de artikelen 35 en 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, noch tegen het in aanmerking nemen door de aanbestedende overheid van correcties die aldus – in het kader van het rekenkundig nazicht van de offertes – naar aanleiding van het prijzenonderzoek aan het licht komen en in zoverre die kunnen worden ingepast in één van de in de hiervoor genoemde regelingen.
8. Die regelingen dienen voorts te worden gelezen in het licht van het recht van de Europese Unie inzake overheidsopdrachten. Zo bepaalt artikel 18, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26
februari 2014 ‘betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG” dat aanbestedende diensten ondernemers “op gelijke en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.777 XIV-39.685-9/24
niet-discriminerende wijze” behandelen en dat zij handelen “op een transparante en proportionele wijze”. Die bepaling is in het interne recht omgezet in artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat de beginselen van gelijke behandeling en niet-discriminatie vereisen dat inschrijvers bij het opstellen van hun inschrijving dezelfde kansen krijgen, en dat de transparantieverplichting ten doel heeft te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen (zie o.m.
HvJ 7 april 2016, C-324/14, ECLI:EU:C:2016:214, ‘Partner Apelski Dariusz’;
HvJ, 14 september 2017, C-223/16, ECLI:EU:C:2017:685, ‘Casertana Costruzioni’). Bovendien verzetten de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie en de transparantieverplichting zich “tegen elke onderhandeling tussen de aanbestedende dienst en een inschrijver in het kader van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht, hetgeen betekent dat een inschrijving na de indiening ervan in beginsel niet mag worden aangepast op initiatief van de aanbestedende dienst of van de inschrijver” (zie o.m. HvJ, 10 oktober 2013, C-336/12, ECLI:EU:C:2013:647, ‘Manova’; HvJ, 14 september 2017, C-223/16, ECLI:EU:C:2017:685, ‘Casertana Costruzioni’). Het Hof heeft evenwel gepreciseerd dat het beginsel van gelijke behandeling er niet aan in de weg staat dat de gegevens van een inschrijving gericht kunnen worden verbeterd of aangevuld, “met name omdat deze klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeven of om kennelijke materiële fouten recht te zetten”, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan (zie o.m. HvJ, 29 maart 2012, C-599/10, ECLI:EU:C:2012:191, ‘SAG
ELV Slovensko e.a’.; HvJ, 10 oktober 2013, C-336/12, ECLI:EU:C:2013:647, ‘Manova’; HvJ, 14 september 2017, C-223/16, ECLI:EU:C:2017:685, ‘Casertana Costruzioni’; HvJ, 28 februari 2018, C-523/16 en C-536/16, ECLI:EU:C:2018:122, ‘MA.T.I. SUD’). Eén van die voorwaarden is dat de wijziging niet ertoe mag leiden dat de betrokken inschrijver in werkelijkheid een nieuwe inschrijving indient (zie o.m. HvJ, 29 maart 2012, C-599/10, ECLI:EU:C:2012:191, ‘SAG ELV Slovensko e.a.’; HvJ, 10 oktober 2013, C-336/12, ECLI:EU:C:2013:647, ‘Manova’; HvJ, 14 september 2017, C-223/16, ECLI:EU:C:2017:685, ‘Casertana Costruzioni’; HvJ, 28 februari 2018, C-523/16
en C-536/16, ECLI:EU:C:2018:122, ‘MA.T.I. SUD’).
XIV-39.685-10/24
9. Verzoekende partij viseert in essentie de volgende passage van de bestreden beslissing die zij in haar verzoekschrift, althans gedeeltelijk, citeert.
XIV-39.685-11/24
Deze passage luidt:
“Voor catalogus 8:
Shuttle, long carry, stair carry: de aanbestedende overheid heeft rekening gehouden met de gecorrigeerde bedragen voorgesteld door [de nv P.], die gefactureerd zullen worden per m³ en niet langer op forfaitaire basis (deze correctie was noodzakelijk gezien het gebrek aan duidelijkheid in de instructie van de aanbestedende overheid).
Kratten (verf, tv, motor, wandpiano): om de verstoring te corrigeren die werd veroorzaakt door het feit dat [de verzoekende partij] geen prijslijst voor ‘uncrating’ had ingediend, heeft de aanbestedende overheid [de nv P.] toegestaan nieuwe prijzen voor te stellen, inclusief ‘uncrating’. Door de aangepaste tarieven te coderen, werd de lijn voor ‘uncrating’ geneutraliseerd in de berekeningen”.
10. In antwoord op het schrijven van de verzoekende partij van 19
november 2024 licht de verwerende partij op 20 november 2024 (zie supra, punten 3.9 en 3.10) de gevolgde werkwijze toe als volgt:
“We zijn ons bewust van uw aantijging dat we bepaalde prijzen zouden hebben ‘onderhandeld’. Wij betwisten dit ten stelligste.
De prijzen werden zorgvuldig geanalyseerd in overeenstemming met de artikelen 35 en 36 van het Koninklijk Besluit ‘Plaatsing overheidsopdrachten’. Daarbij hebben we vastgesteld dat [de verzoekende partij] in de catalogus XIII een prijs van €0 had vermeld voor de prestatie ‘Uncrating’. Dit bedrag van €0 leverde meerdere moeilijkheden op: ten eerste was het onrealistisch. Ten tweede, en belangrijker, is dat het zou resulteren in het geven van 100/100 van de punten aan de laagste prijs (€0) en 0/100 voor de hoogste prijs (of die prijs nu heel klein is, zelfs €1, of extreem hoog, het andere bedrijf zou dan telkens 0/100 krijgen volgens de formule). Deze laatste hypothese leidt tot een onevenredig voordeel voor [de verzoekende partij] en weerspiegelt niet de proportionele aard van de formule die in het bestek wordt beschreven. Dit kan dus niet worden aanvaard.
Gelet op het feit dat de prestatie ‘uncrating’ een uiterst verwaarloosbare post is in verhouding tot het grote aantal in te dienen prijzen, opteerde de aanbestedende overheid voor het gebruik van gezond verstand en, met respect voor het evenredigheidsbeginsel, besliste de aanbestedende overheid aldus om deze verwaarloosbare prestatie te neutraliseren en om zowel [de verzoekende partij] als [de gekozen inschrijver] om dezelfde informatie te verzoeken, in het belang van de gelijkheid. Dit was de eerlijkste en meest coherente oplossing. Dit kan in geen geval worden geïnterpreteerd als een prijsonderhandeling.
[…]
‘Shuttle, long carry, stair carry: de aanbestedende overheid heeft rekening gehouden met de gecorrigeerde bedragen voorgesteld door [de gekozen inschrijver], die gefactureerd zullen worden per m³ en niet langer op forfaitaire basis (deze correctie was noodzakelijk gezien het gebrek aan duidelijkheid in de instructie van de aanbestedende overheid)’: Na de analyse van de prijzen werd de aanbestedende overheid zich bewust van een aantal incoherente prijzen en besefte dat dit te wijten was aan een gebrek aan verduidelijking. De aanbestedende overheid verzocht daarom elk van de bedrijven om één en ander op te helderen en vroeg dat men desgevallend de prijs per m³ corrigeerde (aangezien dit element niet in het bestek was verduidelijkt). Dit kan geenszins worden beschouwd als een
XIV-39.685-12/24
onderhandeling over de prijzen, maar als een correctie die slechts betrekking heeft op drie verwaarloosbare posten (in verhouding met de 3173 prijzen die voor de 8
prijscatalogi moeten worden ingediend). Het zou volstrekt disproportioneel zijn om deze reden de hele procedure te annuleren en de opdracht opnieuw op te starten.”
11. Wat de eerste door de bestreden beslissing aangehaalde correctie (“shuttle, long carry, stair carry”) betreft, blijkt uit het dossier, waarop de Raad van State ondanks de vertrouwelijkheid van een aantal stukken, vermag acht te slaan, dat de verwerende partij zowel de verzoekende partij als de gekozen inschrijver in de aan hen gerichte vraag om prijsverantwoording heeft gewezen op een onduidelijkheid in de aanbestedingsdocumenten met betrekking tot de prijsopgave. Zij heeft dan ook gevraagd de prijzen voor de volgende (drie) diensten “shuttle, long carry, stair carry” hetzij te bevestigen, hetzij aan te passen aan de correcte eenheid (m³) die in de betrokken catalogus niet was gespecificeerd.
Op het eerste gezicht lijkt het dat de verwerende partij in alle redelijkheid kon vermoeden dat door deze onduidelijkheid in de aanbestedingsdocumenten één van de beide inschrijvers werd misleid gegeven de omvang van het initiële prijsverschil voor de betrokken diensten.
De door de gekozen inschrijver aldus (aan de correcte eenheid)
aangepaste prijzen betreffen dan ook geen verbeterde prijs “na onderhandeling”
maar de rechtzetting van een materiële fout.
12. Ook de tweede correctie, met name voor de dienst “uncrating”, komt niet voor als een aangepaste prijs “na onderhandeling” zoals de verzoekende partij voorhoudt, maar als de reactie op een concrete vraag om informatie door de aanbestedende overheid aan de beide inschrijvers als gevolg van de opgave (door de verzoekende partij) van een nulprijs voor die dienst “uncrating”.
Deze werkwijze lijkt op het eerste gezicht eveneens te kunnen worden aanvaard om de volgende redenen.
De verwerende partij zag zich geplaatst voor een volgens haar verwaarloosbare post tegen een nulprijs opgegeven door de verzoekende partij, die niet zozeer problematisch hoefde te zijn in het kader van het prijzenonderzoek
XIV-39.685-13/24
(cfr. artikel 36, § 2, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017), maar die wel de vergelijkbaarheid van de offertes in het gedrang kon brengen en bijge-volg de regelmatigheid van de offerte van de verzoekende partij kon impacteren.
Immers, zoals de verwerende partij terecht lijkt te stellen, dreigt de opgave van een nulprijs de beoordelingsmethode/mathematische formule zoals die in het bestek voor deze dienst is voorzien (100 x (laagste prijs/prijs van het betrokken bedrijf) onwerkbaar te maken, omdat een deling met nul in de teller steeds hetzelfde resultaat oplevert, namelijk nul.
Bovendien is het voor de vergelijkbaarheid van offertes van belang dat de prestaties die onder een bepaalde post moeten worden geleverd, worden gedekt door de prijs voor die post en niet worden verdeeld over andere posten.
De keuze van de verwerende partij om in die omstandigheden geplaatst, de dienst “uncrating” te neutraliseren en om, met het oog op gelijke behandeling van beide offertes, zowel de verzoekende partij als de gekozen inschrijver om dezelfde informatie te verzoeken, lijkt de verzoekende partij ook te hebben bevoordeligd, wat de ernst van de door haar aangevoerde grief ernstig bezwaart.
Aangezien blijkens het dossier en de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, de correctie bovendien niet verder lijkt te gaan dan wat strikt nodig is om de (concurrentie)verstoring te herstellen, kan de kritiek van de verzoekende partij dat het om een niet-toelaatbare aanpassing zou gaan – laat staan om een niet-toelaatbare aanpassing “na onderhandeling” –, niet worden bijgevallen.
13. Het eerste middel is niet ernstig.
De door de verwerende partij ingeroepen exceptie wegens gebrek aan belang bij het middel, behoeft geen onderzoek.
XIV-39.685-14/24
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
14. In het tweede middel dat de verzoekende partij opsplitst in twee middelonderdelen, voert zij een schending aan van artikel 4 en artikel 81, § 3, tweede lid, van de wet van 17 juni 2016 en de in artikel 4 van die wet vervatte beginselen van transparantie en gelijkheid, de formelemotiveringsplicht op grond van de artikelen 4, eerste lid, 8° en 5, eerste lid, 9° van de wet van 17 juni 2013
‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en, tot slot, van het zorgvuldigheidsbeginsel en het patere legem-beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Zij vat het tweede middel als volgt samen:
“Doordat, eerste middelonderdeel, de verwerende partij in het gunningsverslag voor het eerste gunningscriterium prijs geen enkele motivering geeft voor de puntentoekenning van de inschrijvers; de verwerende partij vermeldt enkel hoeveel punten de inschrijver behaalt;
Terwijl overeenkomstig de formele motiveringsplicht een loutere puntentoekenning zonder motivering niet beschouwd kan worden als een afdoende motivering en de verzoekende partij zich op dit punt niet kan verdedigen;
En terwijl de verwerende partij overeenkomstig artikel 4 van de Overheidsopdrachtenwet op een transparante wijze moet handelen en de inschrijvers van een overheidsopdracht op een gelijke en niet-discriminerende wijze moet behandelen;
En doordat, tweede middelonderdeel, uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de verwerende partij het gunningscriterium prijs consistent heeft beoordeeld in overeenstemming met de beoordelingselementen;
Doordat, de verwerende partij de hogergenoemde elementen heeft beoordeeld aan de hand van quoteringen die niet voorzien waren in de meegedeelde beoordelingsmethodiek;
Terwijl overeenkomstig het zorgvuldigheidsbeginsel de verwerende partij gehouden is tot een zorgvuldig onderzoek van het dossier, een zorgvuldige feitengaring en een zorgvuldig onderzoek van de offertes, voordat zij tot haar besluitvorming overgaat en de aanbestedende overheid overeenkomstig het patere
XIV-39.685-15/24
legem quam ipse fecisti beginsel ertoe gehouden is de door haarzelf uitgevaardigde (rechts)regels te respecteren;
En terwijl uit het transparantiebeginsel volgt dat de aanbestedende overheid haar beoordeling maakt op grond van elementen die voor de inschrijvers voorzienbaar waren, zodat zij in haar beoordelingselementen.”
15. Wat het eerste middelonderdeel betreft, licht de verzoekende partij toe dat, in het kader van het eerste gunningscriterium ‘Prijs’, de inschrijvers voor het onderdeel A. ‘Prijzen voor in catalogi opgenomen diensten’ de prijzen voor de in die catalogi opgenomen diensten dienden in te vullen in een Excel-bestand met 8 tabbladen. Wat de puntentoekenning voor dat onderdeel A
betreft, is het volgens haar allerminst duidelijk op welke wijze de puntentoekenning voor dit criterium is verlopen of op welke wijze de punten, zoals opgenomen in de desbetreffende tabel, werden berekend.
Er wordt in de in het bestek weergegeven methodiek gesteld dat de gemiddelden worden opgeteld en vervolgens verminderd om een catalogusscore te verkrijgen die overeenstemt met de daarin aangekondigde weging. Het is echter onduidelijk met welke component de gemiddelden zouden worden verminderd en op welke manier deze berekening tot de uiteindelijke resultaten heeft geleid. Het is evenmin duidelijk op welke manier deze beoordeling zich vertaalt in een score 6, 5 of 4 punten. De tabel met de puntentoekenning geeft daarover geen enkele toelichting. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing louter een puntentabel weer zonder te specificeren hoe de berekening voor deze punten tot stand kwam zodat de verzoekende partij op basis van de gunningsbeslissing niet kan begrijpen hoe de verwerende partij tot welbepaalde scores is gekomen, wat de verweermogelijkheden van de verzoekende partij aantast. De motivering in het gunningsverslag is derhalve niet afdoende. Het is pas naar aanleiding van het schrijven van de verzoekende partij dat de verwerende partij een toelichting opneemt in haar e-mail van 20 november 2024. Desondanks verduidelijkt de verwerende partij nog steeds niet met welke component de gemiddelden, overeenkomstig de opgenomen beoordelingsmethodiek, worden verminderd om de score te berekenen. Dat de offertes vertrouwelijk zouden zijn, kan in dat verband niet als een verantwoording gelden.
XIV-39.685-16/24
Eenzelfde kritiek geldt volgens de verzoekende partij wat het onderdeel B. ‘Facultatieve prijs gekoppeld aan een allriskverzekering voor te verzekeren praktijkgevallen’ betreft. Het bestek verwijst voor wat deze beoordeling betreft naar de beoordelingsmethodiek van de prijzen voor het onderdeel A. ‘Prijzen voor in catalogi opgenomen diensten’ doch hiervan heeft de verzoekende partij reeds aangetoond, zo stelt zij, dat een schending van de formelemotiveringsplicht voorligt. Voor de puntentoekenning voor het onderdeel B. ‘Facultatieve prijs gekoppeld aan een allrisk verzekering voor te verzekeren praktijkgevallen’ geldt dan ook dezelfde conclusie.
16. Wat tot slot het tweede middelonderdeel van het tweede middel betreft, voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes aan het gunningscriterium ‘Prijs’ zou zijn afgeweken van de beoordelingsmethode die zij in het bestek heeft opgenomen. Specifiek wat het onderdeel A. ‘Prijzen voor in catalogi opgenomen diensten’ betreft, meent de verzoekende partij dat de evaluatiemethode die wordt gepresenteerd in de e-mail van de verwerende partij van 20 november 2024 afwijkt van de in het bestek aangekondigde methode, wat zou aantonen dat de verwerende partij de evaluatiemethode onjuist heeft toegepast en de eigen voorschriften in de opdrachtdocumenten niet heeft gevolgd. De verwerende partij stelt daarin immers over de beoordelingsmethodiek van dit onderdeel dat “[z]oals bepaald in het bestek elke voorgestelde prijs voor elke lijn in alle catalogi [werd] gequoteerd volgens de formule: 100 x (laagste prijs/prijs van het betrokken bedrijf). De aanbestedende overheid verzamelde alle door de bedrijven opgegeven prijzen in een Excel-bestand in. Voor elke lijn in elke catalogus verkregen de twee bedrijven telkenmale een resultaat op 100. Voor elke catalogus werd dan een gemiddelde van al deze resultaten op 100 berekend. Vervolgens werd, afhankelijk van de catalogi en zoals vermeld in het bestek onder het criterium ‘Prijs’, dit gemiddelde op 100
teruggezet naar een score op 4, 5 of 6 (afhankelijk van de betreffende catalogus)”.
Volgens de verzoekende partij verschilt deze toelichting van hetgeen in het bestek is opgenomen wat de beoordelingsmethodiek betreft. Het staat aldus vast dat de verwerende partij de beoordelingsmethodiek incorrect en inconsistent toepast zodat een schending van het patere legem-beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel voorligt.
XIV-39.685-17/24
Voor het onderdeel D. ‘Prijs geëvalueerd op basis van praktijkcases’ tot slot geldt eenzelfde verwijt. Volgens de verzoekende partij is ook daar de puntentoekenning en beoordelingsmethodiek van het bestek niet gevolgd omdat de verzoekende partij volgens de regel van drie een score van 6 punten had moeten behalen in plaats van een score van 5,65 punten. Deze handelwijze van de verwerende partij bevestigt de vaststelling dat de beoordelingsmethodiek uit het bestek incorrect en inconsistent wordt toegepast. De verzoekende partij wijst er op dat de verwerende partij in haar e-mail van 20 november 2024 heeft gesteld dat voor dit onderdeel D. ‘Prijs geëvalueerd op basis van praktijkcases’ dezelfde evaluatiemethode is gehanteerd als voor het criterium A. ‘Prijzen voor in catalogi opgenomen diensten’. Echter, volgens de verzoekende partij zou deze redenering niet in het bestek zijn vermeld zodat weerom een schending voorligt van het patere legem-beginsel, minstens van het zorgvuldigheidsbeginsel.
Beoordeling
17. Het eerste middelonderdeel is in essentie afgeleid uit een schending van de formelemotiveringsplicht.
De formelemotiveringsplicht waarvan de schending wordt ingeroepen, en die is vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
XIV-39.685-18/24
Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 8°, juncto artikel 5, 9°, van de wet van 17 juni 2013, stelt de aanbestedende instantie een “gemotiveerde beslissing” op “wanneer ze een opdracht gunt, ongeacht de procedure”, die de namen van de gekozen inschrijver of de gekozen deelnemer of deelnemers bij de raamovereenkomst en van de deelnemers en inschrijvers van wie de regelmatige offerte niet werd gekozen en de juridische en feitelijke motieven, waaronder de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte, bevat.
18. In het overzicht van de feiten (zie supra, punt 3.4) is de puntentoekenning cq. beoordelingsmethodiek weergegeven waarin het bestek voorziet.
Wat het subgunningscriterium A. ‘Prijzen voor in catalogi opgenomen diensten’ (voor een totaal van 42%) betreft, dient opgemerkt dat het acht catalogi (en dus acht in te vullen tabbladen) omvat waarbij aan elke catalogus een weging wordt toegekend tussen 4% en 6%. Het betreft volgende acht catalogi:
1. Vervoer over zee: diensten bij vertrek (6%), 2. Vervoer over zee: diensten bij aankomst (6%), 3. Luchtzendingen: diensten bij vertrek (5%), 4. Luchtzendingen:
diensten bij aankomst (5%), 5. Intra-Europees wegvervoer (5%), 6. Intra-Europees wegvervoer “licht” (5%), 7. Langdurige inboedelopslag (6%) en 8. Extra diensten in België (4%).
Het gunningscriterium B. ‘Facultatieve prijs gekoppeld aan een allrisk verzekering voor te verzekeren praktijkgevallen’, waarvoor de prijzen eveneens zijn in te vullen in een negende blad van het Excel-bestand, vertegenwoordigt – zoals de subgunningscriteria C en D – 6%.
Specifiek wat de subgunningscriteria A en B betreft, wordt de kern van de in punt 3.4 aangehaalde berekeningsmethodiek hierna herhaald.
Deze luidt wat het subgunningscriterium A. betreft:
“Punten worden als volgt toegekend:
XIV-39.685-19/24
De prijs die een inschrijver voor een bepaalde dienst voorstelt, wordt vergeleken met de prijzen die concurrerende inschrijvers voor dezelfde dienst voorstellen.
Zo krijgen de bedragen voor diensten die overeenkomen met de laagste prijzen 100
punten en wordt voor de andere bedragen, die overeenkomen met hogere prijzen, de volgende formule toegepast: 100 x (laagste prijs/prijs van het betrokken bedrijf).
In de tweede fase wordt het gemiddelde aantal punten berekend dat door elke inschrijver is behaald voor alle diensten voor elke bestemming of kilometervak.
Ten slotte worden de gemiddelden van elke inschrijver voor de verschillende bestemmingen of kilometervakken opgeteld en vervolgens verminderd om een catalogusscore te verkrijgen die overeenstemt met de hierboven aangekondigde weging, d.w.z. een score van 6, 5 of 4 punten.”
En, wat subgunningscriterium B. betreft:
“De bedragen voor elk scenario worden geëvalueerd volgens de hierboven beschreven methode. Alle punten worden teruggebracht tot een score van 6
punten.”
19. De draagwijdte van de formelemotiveringsplicht lijkt te moeten worden beoordeeld in verhouding tot de graad van beoordelingsruimte waarover de aanbestedende overheid beschikt. Indien punten worden toegekend aan de offertes, moet de motivering toestaan te achterhalen waarom aan de offertes een bepaald aantal punten, te dezen voor het criterium ‘Prijs’, wordt toegekend zodat achteraf elke inschrijver kan nagaan of de puntentoekenning rechtmatig is gebeurd.
Uit de hiervoor weergegeven berekeningsmethode blijkt dat de offertes van de inschrijvers, wat het criterium prijs betreft, worden beoordeeld met toepassing van de hiervoor aangehaalde rekenkundige formule, gelezen in samenhang met puntenverdeling/weging die in het bestek is opgegeven (zie supra, punten 3.4 en 18).
Gelet, eensdeels, op de in het bestek weergegeven omschrijving van de subgunningscriteria A. ‘Prijzen voor in catalogi opgenomen diensten: 42%’ en B. ‘Facultatieve prijs gekoppeld aan een allrisk verzekering voor te verzekeren praktijkgevallen: 6%’ en de daarin aangekondigde beoordelingsmethode, en gelet, anderdeels, op de in de bestreden beslissing weergegeven (vergelijkende)
beoordeling in tabelvorm (voor elk van de negen tabbladen) – tabellen die de verzoekende partij overigens in haar verzoekschrift overneemt –, moet worden vastgesteld dat de voormelde subgunningscriteria kwantitatief meetbare criteria
XIV-39.685-20/24
betreffen. De score die op die criteria wordt behaald, wordt verkregen, zoals in het bestek is uiteengezet, met name door:
(i) in een eerste stap de aangekondigde beoordelingsformule toe te passen op de prijzen per dienst, verkregen na invulling door de inschrijvers van de tabbladen 1 tot en met 8 (voor subgunningscriterium A.) en tabblad 9
(voor subgunningscriterium B.) van het Excel-bestand, waarna, (ii) in een tweede stap voor elke inschrijver een gemiddelde van de punten voor alle diensten per bestemming of kilometervak (subgunningscriterium A.) of voor het te verzekeren scenario (subgunningscriterium B.) in het Excel-bestand wordt berekend om, tot slot, (iii) in een derde stap, die gemiddelden per bestemming of kilometervak of scenario op te tellen en die som te verminderen of, nog, terug te brengen naar een score op 6, 5 of 4 punten, al naargelang de weging zoals die in het bestek is bepaald.
Het louter toepassen van een dergelijke mathematische formule vermag op het eerste gezicht het ontbreken van een verdere uitdrukkelijke motivering verantwoorden, voor zover uit de bestreden beslissing blijkt welke formule is gebruikt en met welke parameters rekening is gehouden.
Vastgesteld wordt te dezen dat in de bestreden beslissing (zoals in het bestek) per subcriterium duidelijk – en op het eerste gezicht zonder dat verdere verduidelijking nodig is –, is vermeld welke formule werd toegepast om tot de uiteindelijke resultaten te komen. Via het e-mailbericht van de verwerende partij van 20 november 2024 in antwoord op de kritieken van de verzoekende partij – en dus voorafgaandelijk aan de indiening van de voorliggende vordering – heeft de verwerende partij diezelfde formule van het bestek nog eens, zij het samengevat, hernomen doch zonder daarvan inhoudelijk af te wijken. Bovendien wordt de in het bestek aangekondigde en te dezen toegepaste rekenkundige formule daarin nog inzichtelijk geïllustreerd aan de hand van een concreet (fictief)
voorbeeld. De verzoekende partij heeft aldus kennis kunnen nemen van de wijze van berekening, alsook van de wijze waarop de term “verminderd” onder de omschrijving van stap 3 van de beoordelingsmethode voor subgunningscriterium ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.777 XIV-39.685-21/24
A. – respectievelijk de term “terugbrengen” onder de omschrijving van stap 3 van de beoordelings-methode voor het subgunningscriterium B. – volgens het bestek moet worden begrepen, met name als het terugbrengen, herleiden of omrekenen van het totaal van de gemiddelden naar een score die overeenstemt met de aangekondigde weging.
20. In zoverre de verzoekende partij toch nog aanvoert dat de bestreden beslissing, noch de toelichting van 20 november 2024 haar toelaat te verifiëren “met welke component de gemiddelden worden verminderd”, lijkt haar grief dan ook te steunen op een onvolledige lezing van de formule zoals die in het bestek en, samengevat, in de toelichting van 20 november 2024 is weergegeven.
21. De verzoekende partij maakt in conclusie niet aannemelijk dat de bestreden beslissing, te samen gelezen met de opdrachtdocumenten en, daar nog bovenop, de toelichting van 20 november 2024, haar niet in staat zou hebben gesteld om met kennis van zaken te oordelen of het zin had zich in rechte te verweren tegen de bestreden beslissing.
22. In de mate de verzoekende partij nog het zorgvuldigheidsbeginsel en het patere legem-beginsel geschonden acht omdat, volgens haar, de verwerende partij, wat de gunningscriteria A. en B. betreft, de formule van het bestek niet zou hebben toegepast, kan zij voorshands niet worden bijgevallen. Zoals hiervoor reeds onder punt 19 is gebleken, blijkt uit de stukken van het dossier dat de drietraps-formule zoals die in het bestek is uiteengezet, is toegepast en dat de toelichting van de verwerende partij in haar e-mail van 20
november 2024 diezelfde formule nog eens samenvat en toelicht zonder daarvan inhoudelijk af te wijken.
Het eerste middelonderdeel is niet ernstig.
23. In een tweede middelonderdeel gaat de verzoekende partij concreet in op het subgunningscriterium D. ‘Prijs geëvalueerd op basis van praktijkcases: 6%’ om te betwisten dat de beoordelingsmethodiek voor dit subgunningscriterium dezelfde zou zijn als voor het subgunningscriterium A.
‘Prijzen voor in catalogi opgenomen diensten’. De verzoekende partij leidt hieruit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.777 XIV-39.685-22/24
af dat de bestreden beslissing zou zijn afgeweken van de evaluatiemethode volgens het bestek die haar het maximum van de punten zou hebben opgeleverd. Zij acht aldus het zorgvuldigheidsbeginsel en het patere legem-beginsel geschonden.
24. Het komt een zorgvuldig handelende aanbestedende overheid toe de regels die zijzelf heeft vastgelegd in de opdrachtdocumenten na te leven bij de concrete toepassing ervan, verplichting die voortvloeit uit het in dit middelonderdeel ingeroepen beginsel patere legem quam ipse fecisti.
25. Het bestek bepaalt met betrekking tot subgunningscriterium D.
wat volgt:
“De inschrijver moet een pro forma factuur indienen voor elk van de drie verhuisdossiers die in de bijlage worden gepresenteerd.
De volgende formule wordt toegepast: 100 x (laagste prijs/prijs van de betrokken onderneming).
Het totaal aantal punten wordt teruggebracht tot een cijfer van 6 punten.”
26. De verzoekende partij behaalt 5,65 punten op een totaal van 6.
Uit de prijsanalyse die de verwerende partij heeft bijgebracht en zoals bevestigd door de verwerende partij in de toelichting van 20 november 2024, blijkt dat voor het subgunningscriterium D. eenzelfde redenering in drie stappen werd gevolgd als voor de subgunningscriteria A. en B.
27. Waar de verzoekende partij aanvoert dat zij met toepassing van de regel van drie een score van 6 op 6 (in plaats van 5,65 op 6) moest behalen, rijst de vraag of de verzoekende partij belang heeft bij dit middelonderdeel. Immers en zelfs indien haar kritiek gegrond zou zijn, slaagt zij er niet in aannemelijk te maken dat de maximale score van 6 op 6 (in plaats van 5,65 op 6) voor het subgunningscriterium D. haar zou hebben toegelaten het bestaande totale puntenverschil van 9,43 punten (een score van 84,26% voor de gekozen inschrijver tegenover een score van 74,83/100 voor de verzoekende partij) te overbruggen om alsnog in aanmerking te komen voor de gunning.
28. Hoe dan ook, op het eerste gezicht lijkt de uitleg van de verwerende partij dat in de lezing van de verzoekende partij in de formule alsdan
XIV-39.685-23/24
een coëfficiënt 6 zou zijn opgenomen in plaats van 100, plausibel zodat ook naar de grond ervan, het middelonderdeel niet aannemelijk is.
29. Het tweede middel is bijgevolg, in zijn geheel genomen, voor zover ontvankelijk, niet ernstig.
VII. Besluit
30. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen, zonder dat nog dient te worden ingegaan op de door de verwerende partij gevraagde belangenafweging.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Kaat Leus
XIV-39.685-24/24
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.777
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:EU:C:2012:191
ECLI:EU:C:2013:647
ECLI:EU:C:2016:214
ECLI:EU:C:2017:685
ECLI:EU:C:2018:122
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...