ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.090

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.090 Rolnummer: A. 243116/VII-42659 Zaak: Cassatiebeschikking 16090 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-20 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-03 22:26 Fiche Beschikking nr 16.090 van 19 november 2024...

Source officielle

8 min de lecture 1,656 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Beschikking van 19 november 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.090

Rolnummer:

A. 243116/VII-42659

Zaak:

Cassatiebeschikking 16090 – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen – 19/11/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-11-20

Raadplegingen:

83 – laatst gezien 2026-06-03 22:26

Fiche

Beschikking nr 16.090 van 19 november 2024 Vreemdelingen – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
Beslissing : Niet toegelaten

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Afdeling administratie

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.090 van 19 november 2024
in de zaak A. 243.116/VII-42.659
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
—————————————————————————————————————-
Het cassatieberoep, ingesteld op 30 september 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 312.158 van 30 augustus 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 11 oktober 2024 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Eerste onderdeel van het enige middel: “ongerechtvaardigde verwerping van bewijs”
1. Verzoekster voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar identiteitsdocumenten, met name “kopieën van haar Syrische uittreksel van het register en haar geboorteakte” niet aanvaardt, “gelet op de mogelijkheid tot vervalsing van dergelijke
VII-42.659-1/5
kopieën”. Volgens haar heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus “nagelaten een grondig en zorgvuldig onderzoek te voeren naar de overgelegde relevante stukken die de nationaliteit of identiteit van de eiseres bevestigen, en kernelementen uitmaken in een procedure tot beoordeling van een verzoek om internationale bescherming”. Verzoekster beschouwt dit als een inadequate beoordeling van het risico op de met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) strijdige behandelingen.
De beoordeling van verzoeksters voorgehouden identiteit en nationaliteit is geenszins beperkt tot de verwijzing in punt 5.2. van het bestreden arrest naar de wijdverspreide corruptie en documentenfraude bij het verkrijgen van Syrische documenten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt ook vast dat verzoeksters vader volgens de voorgelegde stukken R. heet terwijl hij volgens verzoekster A. zou heten, dat verzoekster niet concreet kan omschrijven waar, wanneer en hoe zij de Syrische documenten zou hebben verkregen terwijl zij in Turkije zou zijn geweest en dat op verzoeksters gsm kopieën werden teruggevonden van een Turkse identiteitskaart en paspoort, waarop in de beslissing van de verwerende partij van 30 juli 2024 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) nader wordt ingegaan en waarbij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aansluit bij gebrek aan afdoend verweer van verzoekster. In punt 5.3. van het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, mede met verwijzing naar de aanvankelijk bestreden beslissing, nader in op verzoeksters verklaringen over haar Syrische herkomst, die op concreet gemotiveerde wijze ongeloofwaardig worden bevonden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst daarbij nog naar “het niet betwiste gegeven dat verzoekster geen Arabisch (de officiële taal in Syrië) spreekt maar wel Turks” en hij besluit dat verzoekster over haar voorgehouden landen en plaatsen van verblijf “zeer lacunaire verklaringen aflegt en derhalve geen duidelijkheid wenst te verschaffen”.
Wat het voorgaande betreft is verzoeksters kritiek gesteund op een onvolledige lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel van het enige middel: “risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het E.V.R.M. voor teruggekeerde Syriërs”
2. Verzoekster acht artikel 3 van het EVRM geschonden omdat “de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de overgelegde identiteitsdocumenten, net zoals de
VII-42.659-2/5
rapporten betreffende de veiligheidsomstandigheden in Syrië als fundamenteel bewijsmiddel met betrekking tot het risico op ernstige behandelingen in strijd met artikel 3 van het E.V.R.M., niet in overweging heeft genomen” en zodoende “geen grondige risicoanalyse [heeft] uitgevoerd aangaande onmenselijke en vernederende behandelingen in het land van herkomst”.
Wat verzoeksters identiteitsdocumenten betreft, kan worden verwezen naar de behandeling van het eerste middelonderdeel supra.
Wat de behandeling van teruggekeerde Syriërs in het land van herkomst betreft, gaat verzoekster voorbij aan de concrete vaststellingen in punt 5.3. van het bestreden arrest over haar voorgehouden verblijf in Syrië die leiden tot de conclusie “dat verzoekster hierover zeer lacunaire verklaringen aflegt en derhalve geen duidelijkheid wenst te verschaffen” Zij gaat eveneens voorbij aan de beoordeling van haar relaas als ongeloofwaardig:
“De vastgestelde ongeloofwaardigheid omtrent verzoeksters identiteit en nationaliteit, land(en) en plaats(en) van eerder verblijf en haar reisweg leidt ertoe dat de Raad niet in de mogelijkheid verkeert om zich een correct beeld te vormen van verzoeksters profiel, de exacte regio van waar zij afkomstig is en de plaats(en) waar zij de voorbije jaren heeft verbleven, van een eventueel verblijf in andere derde landen en van eventuele verblijfsalternatieven in of buiten haar land van herkomst. Dit verhindert de asielinstanties om een juist beeld te vormen over de werkelijke nood aan bescherming en is de facto toe te schrijven aan het feit dat verzoekster in gebreke blijft mee te werken teneinde een duidelijk beeld te schetsen van haar verleden, profiel en levensomstandigheden.”
Verzoekster citeert thans slechts enkele zeer algemene verwijzingen naar het bestaan van gewelddaden en schendingen van mensenrechten tegen teruggekeerde Syriërs. Nu zij deze verwijzingen slechts voor het eerst aanhaalt in de graad van cassatie, nu deze kritiek veeleer de grond van de zaak betreft en bovendien in zijn algemeenheid volledig voorbijgaat aan de supra aangehaalde vaststellingen van de eerste rechter, toont verzoekster geen schending aan van artikel 3 van het EVRM in het bestreden arrest.
Derde onderdeel van het enige middel: “risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het E.V.R.M. voor Syriërs in Turkije”
VII-42.659-3/5
3. Verzoekster acht artikel 3 van het EVRM en artikel 149 van de Grondwet geschonden omdat “niet [blijkt] dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een grondige analyse van de rapporten en documenten, noch van de kwalificatie van Turkije als ‘veilig derde land voor Syriërs’ heeft uitgevoerd” en het bestreden arrest “niet afdoende [is]
gemotiveerd”.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt in het bestreden arrest op verzoeksters kritiek op de beoordeling dat Turkije in de aanvankelijk bestreden beslissing als “veilig derde land voor Syriërs” zou worden beschouwd:
“In de mate dat verzoekster aanvoert dat verweerder Turkije in hoofde van verzoekster aanmerkt als een ‘Veilig Derde Land voor Syriërs’ en hieromtrent argumenteert, dient te worden vastgesteld dat verweerder enkel melding maakt van de theoretische mogelijkheid van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 2° van de Vreemdelingenwet maar dienaangaande geen enkele motivering aanvoert. Te dezen blijkt ook dat verzoeksters verzoek om internationale bescherming ontvankelijk werd verklaard terwijl de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’ verweerder de mogelijkheid geeft om het verzoek krachtens artikel 57/6, § 3 niet-ontvankelijk te verklaren.”
Met in essentie het herhalen van haar kritiek dat Turkije niet kan worden beschouwd als veilig derde land voor Syriërs toont verzoekster niet de onwettigheid van de bovenstaande motivering aan, noch een motiveringsgebrek daarin.
Vierde onderdeel van het enige middel: “ongerechtvaardigde verwerping van verklaringen”
4. Verzoekster acht artikel 3 van het EVRM, artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “een nader onderzoek naar de trauma, en kwetsbaarheid van eiseres [had] dienen uit te voeren ter beoordeling van de geloofwaardigheid van haar verklaringen” en het bestreden arrest bijgevolg onvoldoende gemotiveerd was.
Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts op algemene wijze verwezen naar “haar traumatische ervaringen en de traumatische herinneringen aan de gebeurtenissen toen zij Syrië verliet” en aangehaald dat in de aanvankelijk bestreden beslissing geen rekening werd gehouden met haar leeftijd en traumatische ervaringen. Zij heeft dit niet concreet toegelicht en uit het dossier van de zaak
VII-42.659-4/5
blijkt ook niet dat zij enig stuk ter staving van mogelijke trauma’s heeft bijgebracht. In het licht hiervan kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder schending van de thans aangehaalde bepalingen volstaan met de overwegingen dat verzoekster geen stukken bijbrengt omtrent voorgehouden trauma’s en dat “het correct vastgestelde gebrek aan kennis inzake Syrië tevens kennis [betreft] over elementaire zaken en het […] niet plausibel [is] dat dergelijke kennis zou verloren gaan ingevolge een niet aangetoond trauma”.
Conclusie
5. Het enige middel is in zijn vier onderdelen kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien november tweeduizend vierentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
VII-42.659-5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.090

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.090

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.