ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.117
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.117 Rolnummer: A. 243148/VII-42667 Zaak: Cassatiebeschikking 16117 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-13 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-05-29 03:14 Fiche Beschikking nr 16.117 van 12 december 2024...
11 min de lecture · 2,242 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Beschikking van 12 december 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.117
Rolnummer:
A. 243148/VII-42667
Zaak:
Cassatiebeschikking 16117 – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen – 12/12/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-12-13
Raadplegingen:
99 – laatst gezien 2026-05-29 03:14
Fiche
Beschikking nr 16.117 van 12 december 2024 Vreemdelingen – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
Beslissing : Niet toegelaten
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Afdeling administratie
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.117 van 12 december 2024
in de zaak A. 243.148/VII-42.667
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
—————————————————————————————————————-
Het cassatieberoep, ingesteld op 2 oktober 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 312.781 van 10 september 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 15 oktober 2024 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Eerste onderdeel van het enige middel: “afwezigheid van een grondige beoordeling van het risico op foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen van terugkerende Syriërs – Schending van het procedurele aspect van artikel 3 van het EVRM”
VII-42.667-1/7
1. Verzoeksters kritiek is in essentie hierop gesteund “dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen veronderstelt dat enkel teruggekeerde personen die tegenstanders van de Syrische regering zijn of die momenteel worden gezocht door deze laatste, slachtoffer worden van geweld bij terugkeer naar Syrië”, waardoor “de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen] zonder enige rechtvaardiging alle rapporten die door verzoekster zijn ingediend, waarin de realiteit van het geweld door de Syrische autoriteiten, van de hand [heeft] gewezen”.
2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 8.8.1. van het bestreden arrest uitgebreid in op de voorhanden zijnde landeninformatie wat betreft de behandeling van terugkeerders naar Syrië, waaruit hij besluit “dat de houding van de Syrische autoriteiten jegens terugkeerders niet eenduidig is en dat de nodige voorzichtigheid geboden is”. Hierna onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 8.8.2.
omstandig verzoeksters concrete situatie, waarbij hij zich geenszins beperkt tot de vaststelling dat verzoekster niet als tegenstander zou worden beschouwd door de Syrische regering. Hij overweegt aldus onder meer:
“Verzoekster heeft Syrië in maart 2013 legaal met haar paspoort verlaten, en kon ook in de zomer van 2019 legaal met haar paspoort zonder problemen in- en uitreizen.
Verzoekster is afkomstig van […] dat sinds 2018 terug onder de controle van de overheid staat (EUAA Country Guidance Syria van april 2024, p. 157). Uit het feit dat verzoekster, ondanks haar afkomst van […] en soennitisch geloof, besloot om in de zomer van 2019 af te reizen naar […] terwijl deze stad ondertussen terug in handen van de overheid is, kan worden afgeleid dat zij ab initio geen vrees voor vervolging of ernstige schade koesterde. De problemen met de Syrische overheid die zij voor het eerst opwerpt in haar verzoekschrift en pas ter terechtzitting toelicht, met name de bewering dat zij bij haar terugkeer in de zomer van 2019 gearresteerd, vastgehouden en mishandeld zou zijn geweest en de bewering dat zij in 2021 twee maal door de Syrische autoriteiten zou zijn veroordeeld, acht de Raad niet geloofwaardig zoals hierboven reeds omstandig werd uiteengezet. Tenslotte heeft verzoekster zich in januari 2024 nog tot de Syrische autoriteiten gewend voor een nieuw paspoort dat haar zonder problemen werd afgeleverd. Er is aldus geen enkele indicatie dat verzoekster geviseerd zou worden door de Syrische autoriteiten. Nu niet aannemelijk wordt gemaakt dat verzoekster Syrië verliet omwille van persoonlijke problemen met de Syrische autoriteiten, blijkt niet dat zij bij terugkeer naar dit land omwille van een vooraf bestaand probleem met die autoriteiten een risico zou lopen om te worden geviseerd, laat staan dat haar overigens legaal vertrek uit Syrië om die reden risicoverhogend of -verzwarend zou zijn.”
Vervolgens stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoekster “[e]venmin […] enig ander concreet element aan[brengt] waaruit zou blijken dat zij bij terugkeer naar Syrië alsnog in het vizier van de Syrische autoriteiten zou komen” en
VII-42.667-2/7
hij oordeelt dat het loutere feit vrouw of soenniet te zijn, onvoldoende is om een vrees voor vervolging of een risico op ernstige schade aannemelijk te maken. Met betrekking tot deze beide argumenten analyseert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen telkens de beschikbare landeninformatie.
3. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met verwijzing naar de concreet in aanmerking genomen landeninformatie de situatie heeft onderzocht voor terugkeerders naar Syrië en dus geenszins “zonder enige rechtvaardiging alle rapporten die door verzoekster zijn ingediend, waarin de realiteit van het geweld door de Syrische autoriteiten, van de hand [heeft] gewezen”, zoals verzoekster voorhoudt. Verder heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een omstandig en concreet onderzoek gevoerd van verzoeksters individuele situatie, mede in het licht van de algemene situatie voor teurgkeerders. Verzoekster toont dan ook niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “veronderstelt dat enkel teruggekeerde personen die tegenstanders van de Syrische regering zijn of die momenteel worden gezocht door deze laatste, slachtoffer worden van geweld bij terugkeer naar Syrië”.
Verzoeksters kritiek berust op een foutieve lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel van het enige middel: “aantijgingen van verkrachting – sterke vermoeden[s] en plicht tot aanvullend onderzoek – Schending van het procedurele aspect van artikel 3 van het EVRM”
4. Verzoekster acht artikel 3 van het EVRM geschonden omdat met betrekking tot de door haar voorgehouden verkrachting “de analyse van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de ernst en de zorgvuldigheid [weerspiegelt] die van de autoriteiten verwacht wordt bij de analyse van de risico’s van behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM wanneer deze worden beweerd”.
5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt in punt 8.5. van het bestreden arrest een omstandige analyse van verzoeksters verklaringen over de voorgehouden verkrachting, waarover zij volgens het bestreden arrest ook uitgebreid ter terechtzitting werd gehoord. Op grond van een twee bladzijden lange motivering beschouwt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit voor hem aangevoerd element als niet
VII-42.667-3/7
geloofwaardig. Hierbij worden tal van concrete elementen betrokken, zoals de verschillende door verzoekster afgelegde verklaringen, de voorgehouden redenen waarom zij de aanhouding, mishandeling en verkrachting niet eerder heeft vermeld, het gebrek aan enig medisch attest hoewel verzoekster verklaart ingevolge de mishandelingen nog steeds littekens te hebben, het feit dat verzoeksters echtgenoot en kinderen niets zouden hebben opgemerkt, enz.
6. Verzoekster geeft wat die beoordeling betreft haar eigen ander standpunt weer, doch zij toont daarmee niet aan dat het onderzoek onvoldoende grondig en nauwgezet zou zijn gevoerd om te voldoen aan de vereisten van artikel 3 van het EVRM.
Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf, zodat het hem niet toekomt de door de feitenrechter gemaakte beoordeling van verzoeksters verklaringen over te doen.
Derde onderdeel van het enige middel: “onterecht uitsluiten van het strafregister van verzoekster: gebrek aan grondige analyse in de zin van artikel 3 van het EVRM”
7. Verzoekster voert in essentie aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het nieuw aangevoerde element van haar strafrechtelijke veroordeling verwerpt met als belangrijkste motivering dat de geloofwaardigheid van verzoekster niet is vastgesteld en het daarom niet passend is om waarde te hechten aan het bijgebrachte document. Zij benadrukt dat het document alle vereiste waarborgen van authenticiteit heeft.
8. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt inderdaad dat aan Syrische documenten slechts een zeer beperkte bewijswaarde kan worden toegekend doch hij vervolgt dat het document deel uitmaakt van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en dan ook moet worden beoordeeld en gewogen binnen het geheel van alle relevante verklaringen, stukken en landeninformatie. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “zal dus nagaan of verzoeksters verklaringen voldoende coherent, volledig, doorleefd, specifiek en aannemelijk zijn, opdat de relevante elementen van haar vluchtrelaas, in samenhang met het voorgelegde document, geloofwaardig kunnen worden geacht en blijk geven van een gegronde vrees voor vervolging”. Hierna vervolgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concreet:
VII-42.667-4/7
“De Raad merkt op dat de veroordelingsakte dateert van 29 juli 2024 terwijl verzoekster op 5 augustus 2024 door het CGVS gehoord werd waarbij zij nooit vermeld heeft problemen te hebben gehad met de autoriteiten, noch dat er een onderzoek naar haar zou lopen, noch dat zij gezocht zou worden door de Syrische autoriteiten. Bovendien heeft verzoekster zich in januari 2024 nog tot de Syrische autoriteiten gericht voor een nieuw paspoort dat haar zonder problemen werd afgeleverd. Uit de door verzoekster neergelegde vertaling kan niet worden afgeleid wat de reden voor de veroordeling zou zijn. Verzoekster laat na in haar verzoekschrift hier enige duiding over te geven. Ook ter terechtzitting kan verzoekster weinig tot geen duiding of toelichting geven over dit nieuwe stavingstuk. Ze weet niet wanneer zij dit document precies heeft ontvangen. Ze verklaart het document te hebben ontvangen via messenger van haar broer die in Duitsland woont die het op zijn beurt had ontvangen van hun zus die in […] woont. Verzoekster kan geen enkele verduidelijking geven over hoe haar zus deze akte heeft verkregen. Ze weet niet of de akte aan haar zus werd betekend of dat haar zus of iemand anders van de familie die akte bij de Syrische autoriteiten heeft aangevraagd. Dit document werd ter terechtzitting samen met de tolk overlopen. De veroordelingsakte blijkt een soort van strafblad te zijn dat op aanvraag en mits betaling van de Syrische autoriteiten kan worden verkregen. Uit deze akte blijkt dat verzoekster twee keer zou zijn veroordeeld:
op 17 februari 2021 door de militaire rechtbank van Damascus tot zeven jaar dwangarbeid wegens hulpverlening aan soldaten om te deserteren en op 25 augustus 2021 door de staatsveiligheidsrechtbank van Damascus tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf wegens belediging en aanval op een diplomatieke post in het buitenland. Verzoekster kan geen enkele toelichting of verklaring geven over deze veroordelingen. Ze verklaart dat deze nooit aan haar of iemand van haar familie ter kennis zijn gebracht. Ze verklaart de veroordelingsakte zelf niet gelezen te hebben, enkel de rode stempel van veroordeling te hebben gezien en het vervolgens naar haar advocaat te hebben doorgestuurd. Verzoeksters verregaande desinteresse met betrekking tot deze veroordelingsakte is naar het oordeel van de Raad volledig onverenigbaar met de ernst van de door haar voorgehouden vrees voor vervolging en doet verder afbreuk aan de oprechtheid van haar vluchtrelaas. Ze vermoedt dat de twee veroordelingen van 2021 mogelijk gelinkt kunnen worden aan de feiten die ze in de zomer van 2019, bij haar terugkeer naar Syrië, heeft ondergaan, feiten die – zoals hierboven omstandig werd uiteengezet – door de Raad niet geloofwaardig worden geacht.
Alle voorgaande bevindingen samen genomen, besluit de Raad dat aan dit document slechts een zeer beperkte bewijswaarde kan worden gegeven en dat dit wegens de zeer gebrekkige bewijswaarde in het kader van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling in samenhang met verzoeksters verklaringen op zich niet volstaat om op voldoende en overtuigende wijze aannemelijk te maken dat verzoekster in het vizier is gekomen van de Syrische overheid, daadwerkelijk zou worden gezocht en zou zijn veroordeeld.”
9. Verzoeksters kritiek dat het document niet wordt aanvaard omdat haar eigen geloofwaardigheid niet is vastgesteld, berust op een onvolledige en foutieve lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toetst het document integendeel aan alle relevante en beschikbare elementen, waaronder uiteraard ook verzoeksters verklaringen. Verzoekster toont geenszins aan dat het gevoerde onderzoek onvoldoende grondig of nauwkeurig zou
VII-42.667-5/7
zijn om te voldoen aan artikel 3 van het EVRM. Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf, zodat het hem niet toekomt de door de feitenrechter gemaakte beoordeling van de bewijswaarde van een stuk over te doen.
VII-42.667-6/7
Conclusie
10. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf december tweeduizend vierentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
VII-42.667-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.117
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...