ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.118

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.118 Rolnummer: A. 243246/VII-42683 Zaak: Cassatiebeschikking 16118 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-05-23 08:42 Fiche Beschikking nr 16.118 van 12 december 2024...

Source officielle

11 min de lecture 2,237 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Beschikking van 12 december 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.118

Rolnummer:

A. 243246/VII-42683

Zaak:

Cassatiebeschikking 16118 – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen – 12/12/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-12-17

Raadplegingen:

93 – laatst gezien 2026-05-23 08:42

Fiche

Beschikking nr 16.118 van 12 december 2024 Vreemdelingen – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
Beslissing : Niet toegelaten

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Afdeling administratie

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.118 van 12 december 2024
in de zaak A. 243.246/VII-42.683
In zake : 1. XXXXX
2. XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kyrylo Storojenko kantoor houdend te 9000 Gent Franklin Rooseveltlaan 348/3
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
—————————————————————————————————————-
Het cassatieberoep, ingesteld op 17 oktober 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 312.994 van 13 september 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 19 november 2024 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
1. Uit het bestreden arrest blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat de verzoekende partijen ieder een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en dat de verwerende partij die aanvragen kennelijk ongegrond heeft verklaard met twee beslissingen van 13 oktober 2022 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissingen) met toepassing van artikel 57/6/1, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang
VII-42.683-1/5
tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Concreet was het land van herkomst, Georgië, op het ogenblik van die beslissingen nog opgenomen in de lijst van veilige landen van herkomst.
In de met toepassing van artikel 39/73, § 2, van de vreemdelingenwet genomen beschikking van 13 juni 2024 overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierover:
“2. Bij het ten tijde van de bestreden beslissingen geldende koninklijk besluit van 14 januari 2022 werd Georgië aangewezen als veilig land van herkomst. Echter, in het koninklijk besluit van 12 mei 2024 tot uitvoering van het artikel 57/6/1, § 3, vierde lid van de Vreemdelingenwet houdende de vastlegging van de lijst van veilige landen van herkomst, werd Georgië niet meer opgenomen in de lijst van veilige landen.
Aldus bestaat de wettelijke grondslag van de bestreden beslissingen niet meer.
3. Dit gegeven op zich volstaat niet om over te gaan tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen. Inzake beroepen tegen de beslissingen van de commissaris-
generaal beschikt de Raad immers over volheid van rechtsmacht. Dit wil zeggen dat het geschil met alle feitelijke en juridische vragen in zijn geheel aanhangig wordt gemaakt bij de Raad, die een onderzoek voert op basis van het rechtsplegingsdossier.
Als administratieve rechter doet hij in laatste aanleg uitspraak over de grond van het geschil (wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Parl.St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, p.
95-96 en 133). Door de devolutieve kracht van het beroep is de Raad niet noodzakelijk gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissingen is gesteund en de kritiek van verzoekers daarop.
In toepassing van de richtlijn 2011/95/EU, moet de Raad zijn bevoegdheid uitoefenen op een wijze die tegemoet komt aan de verplichting om ‘een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie’ te voorzien in de zin van artikel 46 van de richtlijn 2013/32/EU. Hieruit volgt dat wanneer de Raad een beroep onderzoekt dat werd ingediend op basis van artikel 39/2, § 1 van de Vreemdelingenwet, hij gehouden is de wet uit te leggen op een manier die conform is aan de vereisten van een volledig en ex nunc onderzoek die voortvloeien uit artikel 46, § 3 van de richtlijn 2013/32/EU.
Doordat Georgië niet meer in het koninklijk besluit van 12 mei 2024 tot uitvoering van het artikel 57/6/1, § 3, vierde lid, van Vreemdelingenwet, houdende de vastlegging van de lijst van veilige landen van herkomst wordt vermeld, moet de Raad nagaan of verzoekers al dan niet voldoen aan de criteria zoals bepaald in de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet. In casu lijkt het rechtsplegingsdossier voldoende gegevens te bevatten om tot zulke beoordeling over te gaan, met inachtneming van de rechten van verdediging.”
3. De verzoekende partijen werpen een schending op van artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), evenwel zonder die schending te koppelen aan een ander door het EVRM beschermd recht of belang. Hun kritiek is in die mate kennelijk niet ontvankelijk.
VII-42.683-2/5
4. Uit punt 2 supra blijkt dat de verzoekende partijen in kennis waren gesteld van het voornemen hun verzoek om internationale bescherming te beoordelen in het licht van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet en niet meer in het licht van artikel 57/6/1, § 2, van die wet. Zij hebben de mogelijkheid gehad en benut om daarover standpunt in te nemen op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die heeft plaatsgevonden ingevolge het door de verzoekende partijen ingediende verzoek tot horen. De verzoekende partijen hadden tevens de mogelijkheid aanvullende gegevens te bezorgen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dienaangaande in het bestreden arrest overigens vast dat de verzoekende partijen nalaten aan te tonen in welke mate hun recht van verdediging zou zijn geschonden en dat “zij bv. niet toe[lichten] welke gegevens in casu zouden ontbreken om hun verklaarde nood aan internationale bescherming te beoordelen”.
De verzoekende partijen ontkrachten dit andermaal niet met de algemene stelling dat de beoordeling op grond van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet is genomen op grond van een te beperkt dossier en zij tonen dan ook niet aan dat in die omstandigheden hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of hun recht van verdediging zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt te dezen als feitenrechter krachtens de devolutieve werking van het bij hem ingestelde beroep soeverein of hij al dan niet beschikt over de nodige gegevens om te oordelen of de verzoekende partijen al dan niet voldoen aan de criteria van artikel 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet. De Raad van State is als cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden en de voormelde door de eerste rechter gemaakte beoordeling over te doen. De kritiek van de verzoekende partijen is kennelijk niet ontvankelijk in de mate dat zij de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet in die zin geschonden achten.
6. Noch artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet noch het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte is geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen krachtens de devolutieve werking van het beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissingen de zaak ex nunc beoordeelt en aldus rekening houdt met
VII-42.683-3/5
het gegeven dat Georgië niet meer voorkomt op de lijst van veilige landen van herkomst, zodat hij het verzoek om internationale bescherming beoordeelt in het licht van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt derhalve op wettige wijze:
“Dat verzoekers het niet eens zijn met het (hoger) in punt 3 van de beschikking gestelde, waarbij de Raad aangeeft dat hij over de bevoegdheid beschikt en het rechtsplegingsdossier voldoende gegevens bevat om de door verzoekers voorgehouden nood aan internationale bescherming te beoordelen zoals gebeurde, is niet van aard anders te doen oordelen.
De Raad herhaalt dat hij inzake beroepen tegen de beslissingen van de commissaris-
generaal over volheid van rechtsmacht beschikt, hetgeen wil zeggen dat het geschil met alle feitelijke en juridische vragen in zijn geheel aanhangig wordt gemaakt bij de Raad, die een onderzoek voert op basis van het rechtsplegingsdossier. Als administratieve rechter doet hij in laatste aanleg uitspraak over de grond van het geschil (wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Parl.St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, p.
95-96 en 133).
De Raad is het enige rechtscollege dat bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen ingediend tegen de beslissingen van de commissaris-generaal. In toepassing van richtlijn 2011/95/EU, moet de Raad zijn bevoegdheid uitoefenen op een wijze die tegemoet komt aan de verplichting om ‘een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie’ te voorzien in de zin van artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU.
Hieruit volgt dat wanneer de Raad een beroep onderzoekt dat werd ingediend op basis van artikel 39/2, § 1 van de Vreemdelingenwet, hij gehouden is de wet uit te leggen op een manier die conform is aan de vereisten van een volledig en ex nunc-onderzoek van zowel de juridische als de feitelijke gronden, zoals deze voortvloeien uit artikel 46, § 3
van richtlijn 2013/32/EU.
Krachtens de devolutieve werking van het beroep neemt de Raad kennis van de zaak in zijn geheel. Dat de Raad over geen eigen onderzoeksbevoegdheid beschikt, houdt slechts in dat hij zich uitsluitend vermag te steunen op het rechtsplegingsdossier, dit zijn de processtukken met in beginsel het administratief dossier en in voorkomend geval de nieuwe gegevens die de partijen met toepassing van artikel 39/76, § 1 van de vreemdelingenwet hebben meegedeeld (RvS 28 mei 2021, nr. 250.724).
De Raad is bij de behandeling van die beroepen niet gebonden door de vaststellingen of de motieven uit de bij hem aangevochten beslissing(en), noch door de standpunten van de partijen. Hij mag zich een eigen appreciatie vormen van de voorliggende stukken en tot een andere kwalificatie komen dan de commissaris-generaal, voor zover daarbij het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, wordt gerespecteerd, zoals hier het geval is.
Zoals in de beschikking wordt aangegeven, bevat het rechtsplegingsdossier (wel degelijk) voldoende gegevens om te oordelen of verzoekers al dan niet voldoen aan de criteria zoals bepaald in de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet, en dit met inachtneming van de rechten van verdediging. In zoverre verzoekers het tegendeel voorhouden, laten zij geheel na dit aan te tonen. Zo lichten zij bv. niet toe welke gegevens in casu zouden ontbreken om hun verklaarde nood aan internationale bescherming te beoordelen.
De Raad wijst er nog op dat hij slechts de bevoegdheid heeft om de beslissingen van de commissaris-generaal te vernietigen om redenen vermeld in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet. Verzoekers tonen niet aan dat er een substantiële onregelmatigheid kleeft aan de bestreden beslissingen die door
VII-42.683-4/5
de Raad niet kan worden hersteld, noch tonen zij aan dat er essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot een bevestiging of een hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen.
Verzoekers’ verzoek tot vernietiging kan bijgevolg niet worden ingewilligd.
Aangezien er voldoende gegevens voorhanden zijn in het rechtsplegingsdossier om verzoekers’ beschermingsverzoek te beoordelen – zij laten na het tegendeel aan te tonen –, is een nieuw onderzoek door het CGVS niet nodig. Verzoekers kunnen hierin dan ook niet worden gevolgd.
Aangezien verzoekers een beroep konden instellen bij de Raad en alle dienstig geachte inlichtingen konden aanbrengen, kunnen zij ook niet worden gevolgd waar zij lijken te willen stellen dat zij niet over een effectief rechtsmiddel kunnen beschikken.
Verzoekers beschikken met onderhavige procedure over een beroep dat voldoet aan alle waarborgen voorzien in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 13 van het EVRM.”
7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 24 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf december tweeduizend vierentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
VII-42.683-5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.118

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.118

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.