ECLI:NL:CRVB:2003:AO1599 Centrale Raad van Beroep , 26-11-2003 / 01/6211 ANW

Gewezen echtgenote van overleden verzekerde nabestaande? Verplichting tot alimentatiebetaling?

Source officielle

5 min de lecture 1,099 mots

Inhoudsindicatie. Gewezen echtgenote van overleden verzekerde nabestaande? Verplichting tot alimentatiebetaling?

01/6211 ANW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 oktober 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 september 2003, waar appellante in persoon is verschenen, terwijl gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij mr. J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is in 1980 gescheiden van haar toenmalige echtgenoot [naam toenmalige echtgenoot] (verder: [naam toenmalige echtgenoot]). Bij beschikking van 21 april 1982 heeft het gerechtshof te Amsterdam de maandelijks door [naam toenmalige echtgenoot] aan appellante te betalen alimentatie zonder beperking van tijd vastgesteld op een bedrag van fl. 1.400,= per maand, welke alimentatie jaarlijks met toepassing van de wettelijk vastgestelde indexeringspercentages is verhoogd. Daarnaast ontving appellante sinds 1997 aanvullende bijstand.

Kennelijk in verband met het feit dat de voorlopige heffing van belasting over nog te ontvangen alimentatietermijnen noopte tot frequente herberekening van de aanvullende bijstand van appellante, heeft de sociale dienst van de gemeente Bloemendaal (verder: de GSD) appellante in 1998 laten weten, in te stemmen met beëindiging van de betaling van alimentatie door [naam toenmalige echtgenoot], welke op dat moment reeds 18 jaren had plaatsgevonden. Appellante heeft [naam toenmalige echtgenoot] toen telefonisch laten weten dat de GSD had geadviseerd de alimentatie stop te zetten. Nadat [naam toenmalige echtgenoot] nog gedurende twee maanden alimentatie aan appellante had betaald, welke bedragen door appellante werden teruggestort, heeft [naam toenmalige echtgenoot] de betaling van alimentatie aan appellante beëindigd. Aan appellante is vervolgens ingaande 1 oktober 1998 een normuitkering, verhoogd met een maximale toeslag, op grond van de Algemene bijstandswet toegekend.

Op 1 februari 2000 is [naam toenmalige echtgenoot] overleden. Appellante heeft een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) aangevraagd. Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 18 mei 2000 afgewezen omdat [naam toenmalige echtgenoot] onmiddellijk voorafgaand aan zijn overlijden niet verplicht zou zijn geweest, aan appellante alimentatie te betalen. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 28 november 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de alimentatiebetalingen ten tijde van het overlijden weliswaar waren gestaakt, maar dat er geen sprake was van een op beëindiging van de alimentatie gerichte wilsovereenstemming.

De Raad overweegt als volgt.

Op grond van artikel 4 van de Anw kan de gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde onder bepaalde voorwaarden worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de Anw. Eén van de voorwaarden is dat de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst, vastgelegd in een notariële akte of een akte mede ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot.

Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of [naam toenmalige echtgenoot] direct voor zijn overlijden op grond van het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 21 april 1982 nog verplicht was levensonderhoud te verschaffen aan appellante.

De Raad constateert dat de door het gerechtshof te Amsterdam vastgestelde alimentatieverplichting van [naam toenmalige echtgenoot] nimmer bij rechterlijke uitspraak vervallen is verklaard. Evenmin is komen vast te staan dat appellante en [naam toenmalige echtgenoot] een overeenkomst hebben gesloten welke strekte tot beëindiging van de alimentatieverplichting van [naam toenmalige echtgenoot], of dat appellante ten principale afstand heeft gedaan van haar recht op alimentatie. De door appellante geschetste gang van zaken wijst veeleer in de richting dat appellante, onder behoud van haar recht op alimentatie en met instandlating van de verplichting van [naam toenmalige echtgenoot] haar van levensonderhoud te voorzien, op advies van de GSD heeft verzocht om het (voorshands) achterwege laten van de feitelijke betaling daarvan in verband met de hieraan voor de GSD verbonden administratief-technische complicaties. [naam toenmalige echtgenoot] lijkt, gelet op het feit dat hij na het telefoongesprek met appellante nog tot twee maal toe is overgegaan tot betaling van de alimentatie, zelfs met een enkele onderbreking van de feitelijke betalingen node te hebben ingestemd.

Nu op grond van artikel 4, aanhef en onder b, Anw voor het recht op nabestaandenuitkering bepalend is of direct voor het overlijden op de overleden verzekerde een verplichting tot alimentatiebetaling rustte, en niet of deze alimentatie daadwerkelijk tot uitbetaling kwam, heeft gedaagde op onjuiste gronden aangenomen dat appellante niet kan worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de Anw.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Gedaagde dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad ziet voorts aanleiding gedaagde te veroordelen tot betaling van de kosten die appellante in verband met het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn in beroep begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 14,90 aan reiskosten, in totaal € 658,90.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,= en in hoger beroep tot een bedrag groot € 14,90, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellante gestorte griffierecht van in totaal € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2003.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

RG


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.