ECLI:NL:GHLEE:2002:AF2748 Gerechtshof Leeuwarden , 30-11-2002 / BK 493/00 Landbouwregeling
-
4 min de lecture · 776 mots
Inhoudsindicatie. –
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: BK 493/00 30 november 2002
Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van de Maatschap X te Z, tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de weigering van de inspecteur om de aan de belanghebbende verstrekte beschikking ontheffing landbouwregeling in te trekken.
Op 23 december 1999 heeft de belanghebbende een verzoek bij de inspecteur ingediend om ontheffing van de zgn. landbouwregeling.
De inspecteur heeft op 17 februari 200 bedoelde beschikking afgegeven waarin belanghebbendes verzoek om ontheffing landbouwregeling wordt ingewilligd met als ingangsdatum 24 december 1999.
Om hem moverende redenen heeft de belanghebbende door middel van een bezwaarschrift aan de inspecteur op 22 februari 2000 verzocht om bedoelde beschikking weer in te trekken.
Bij de uitspraak van 23 mei 2000 heeft de inspecteur de beschikking
gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 27 juni 2000 is ingekomen en nader aangevuld bij brief van 3 november 2000.
Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 28 september 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende zomede de inspecteur.
Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
Het hof heeft in deze zaak op 12 oktober 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 26 oktober 2001, aan partijen is verzonden.
De belanghebbende heeft op 30 oktober 2002 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het verschuldigde griffierecht is betaald.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1. Belanghebbende exploiteert een agrarisch bedrijf. Belanghebbende heeft op 24 december 1999 een verzoek gedaan als genoemd in artikel
27, lid 6, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (: de Wet) om ontheffing van de landbouwregeling. (: het verzoek).
2.2. Bij voor bezwaar vatbare beschikking van 17 februari 2000 (: de beschikking) heeft de inspecteur het verzoek ingewilligd.
3. Het geschil.
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende het verzoek tijdens de bezwaarfase kon intrekken met als gevolg dat de beschikking kwam te vervallen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.
4. De standpunten van partijen.
Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.
5. De overwegingen omtrent het geschil.
5.1. Artikel 27, lid 6, van de Wet luidt, voor zover hier van belang:
"De in het eerste lid bedoelde ondernemers kunnen aan de inspecteur verzoeken om het eerste en het tweede lid op hen niet van toepassing te doen zijn. Bij inwilliging
van het verzoek geldt zulks tot wederopzegging door belanghebbende doch ten minste voor vijf
jaren (…)".
5.2. Gelet op de wettekst geldt de ontheffing van de landbouwregeling bij inwilliging van het verzoek voor ten minste vijf jaren. Hieruit moet worden afgeleid dat intrekking van het verzoek tijdens de bezwaarfase met als gevolg dat de beschikking komt te vervallen, niet mogelijk is.
5.3. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende, dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat zolang de beschikking nog niet onherroepelijk vaststaat, het optieverzoek nog niet ingewilligd, is naar het oordeel van het hof in strijd met de duidelijke tekst van de beschikking, waarin staat dat het verzoek wordt ingewilligd en dat belanghebbende met ingang van 24 december 1999 aangifte omzetbelasting moet doen.
5.4. Het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende dat bij voortzetting van de landbouwregeling de belastingdienst niet in een nadeliger positie zou zijn gekomen, kan, wat er overigens van zij, niet tot een ander oordeel leiden.
5.5. Gelet op het voorgaande moet belanghebbendes beroep ongegrond worden verklaard.
Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing.
Het hof verklaart het beroep ongegrond.
Gedaan op 30 november 2002 door de mr. Drion raadsheer en voorzitter, mr. Huiskes, raadsheer en mr. Wolt, raadsheer-plaatsvervanger en op die dag in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van dhr. Gerrits, als griffier en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.
Op 8 januari 2003 afschrift
aangetekend verzonden aan beide partijen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...